Artikelen bij COM(2023)702 - Wijziging van Richtlijn 92/106/EEG met betrekking tot een steunkader voor intermodaal vervoer van goederen en van Verordening 2020/1056 met betrekking tot de berekening van externekostenbesparingen en het genereren van geaggregeerde gegevens

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.


Artikel 1 - Wijzigingen van Richtlijn 92/106/EEG

Richtlijn 92/106/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1) de titel wordt vervangen door:

“Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december1992 houdende vaststelling van een steunkader voor intermodaal vervoer van goederen”;

(2) artikel 1 wordt geschrapt;

(3) de volgende artikelen 1 bis, 1 ter en 1 quater worden ingevoegd:

“Artikel 1 bis

Bij deze richtlijn wordt een steunkader vastgesteld voor intermodale vervoersactiviteiten die geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de Unie worden uitgevoerd. Deze richtlijn bevat ook regels inzake transparantievereisten voor intermodale overslagterminals.

Artikel 1ter

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1) “intermodale vervoersactiviteit”: het vervoer van één enkele intermodale laadeenheid tussen het laad- en lospunt over twee of meer vervoerstrajecten, waarbij ten minste één traject per spoor, over binnenwateren of via de korte vaart wordt afgelegd en het eerste en/of laatste traject wordt afgelegd over de weg, zonder behandeling van de goederen tijdens de overslag tussen de verschillende vervoerstrajecten, al dan niet opgenomen in een individuele overeenkomst inzake multimodaal vervoer of opeenvolgende vervoersovereenkomsten inzake specifieke vervoerswijzen;

(2) “gecombineerde vervoersactiviteit”: een intermodale vervoersactiviteit die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 quater, lid 2, binnen het grondgebied van de Unie;

(3) “intermodale laadeenheid”: een container, wissellaadbak, oplegger, wegvoertuig of voertuigcombinatie, gebruikt bij intermodaal vervoer;

(4) “laadpunt”: de locatie waar de goederen in een intermodale laadeenheid worden geladen;

(5) “lospunt”: de locatie waar de goederen uit een intermodale laadeenheid worden gelost;

(6) “externe kosten”: kosten die door gebruikers van vervoersdiensten worden gegenereerd en niet door hen, maar door de samenleving als geheel worden gedragen, met name kosten die verband houden met broeikasgasemissies, luchtverontreiniging, ongevallen met letsel en met dodelijke afloop, lawaai en congestie;

(7) “alternatieve unimodale vervoersactiviteit over de weg”: een virtueel geplande, commercieel rendabele unimodale vervoersactiviteit van de intermodale laadeenheid waarbij al het vervoer over de weg plaatsvindt tussen hetzelfde start- en eindpunt als die van de feitelijke gecombineerde vervoersactiviteit;

(8) “alternatieve maritieme intermodale vervoersactiviteit”: een virtueel geplande, commercieel rendabele intermodale vervoersactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een van de maritieme trajecten van de lijst die werd opgesteld in overeenstemming met artikel 1 quater, lid 7, voor het vervoeren van de intermodale laadeenheid tussen hetzelfde start- en eindpunt als die van de desbetreffende gecombineerde vervoersactiviteit;

(9) “intermodale overslagterminal”: een intermodale goederenterminal met een structuur die is uitgerust voor de overslag van intermodale laadeenheden tussen ten minste twee vervoerswijzen of tussen twee verschillende voertuigen of vaartuigen, zoals terminals in rivier- of zeehavens, aan binnenwateren of op luchthavens, alsook terminals voor overslag tussen spoor- en wegvervoer;

(10) “startpunt van het vervoerstraject”: de locatie waar de intermodale laadeenheid de gecombineerde vervoersactiviteit via de gegeven vervoerswijze aanvangt;

(11) “eindpunt van het vervoerstraject”: de locatie waar de intermodale laadeenheid de gecombineerde vervoersactiviteit via de gegeven vervoerswijze beëindigt;

(12) “startpunt van de gecombineerde vervoersactiviteit”: de locatie waar de intermodale laadeenheid wordt geladen op het voertuig of het vaartuig dat het eerste vervoerstraject van de gecombineerde vervoersactiviteit in de Unie uitvoert, en wanneer de intermodale vervoersactiviteit buiten het grondgebied van de Unie start, het punt waar de intermodale laadeenheid het grondgebied van de Unie binnenkomt;

(13) “eindpunt van de gecombineerde vervoersactiviteit”: de locatie waar de intermodale laadeenheid wordt gelost van het voertuig of het vaartuig dat het laatste vervoerstraject van de gecombineerde vervoersactiviteit in de Unie uitvoert, en wanneer de intermodale vervoersactiviteit buiten het grondgebied van de Unie eindigt, het punt waar de intermodale laadeenheid het grondgebied van de Unie verlaat;

(14) “steunmaatregelen”: maatregelen en acties van economische, regelgevende, administratieve of enige andere aard die zijn bedoeld om het gebruik van intermodaal vervoer te bevorderen.

Artikel 1 - quater

1. Alle gecombineerde vervoersactiviteiten profiteren van de in de artikelen 2, 3 bis, 4, 6, 8, 9 en 9 bis bedoelde steunmaatregelen, voor zover van toepassing.

2. Een gecombineerde vervoersactiviteit moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

(a)met uitzondering van de in punt b) bedoelde vervoersactiviteiten genereert de vervoersactiviteit ten minste 40 % minder externe kosten dan de alternatieve unimodale vervoersactiviteit over de weg;

(b)in geval van verbindingen tussen een eiland en het vasteland zonder alternatief over de weg genereert de vervoersactiviteit ten minste 40 % minder externe kosten dan de alternatieve maritieme intermodale vervoersactiviteit;

(c)de intermodale laadeenheid bij niet-begeleid vervoer heeft een unieke referentie volgens de identificatie- en markeringsregeling zoals vastgesteld overeenkomstig de bijgewerkte versies van de internationale normen ISO6346 of EN13044.

3. Het vervoer over de weg van een lege container die wordt gebruikt voor een gegeven vervoersactiviteit van of naar een containerdepot vóór of na het laad- of lospunt, waarbij dat vervoer aan hetzelfde vervoersovereenkomst is onderworpen, wordt beschouwd als een integraal onderdeel van de gecombineerde vervoersactiviteit. Alle andere bewegingen van wegvoertuigen vóór of na het laad- of lospunt mogen niet worden beschouwd als onderdeel van de gecombineerde vervoersactiviteit.

4. Bij het berekenen van de in lid 2 bedoelde externe kosten moet rekening worden gehouden met alle onderdelen van de vervoersactiviteit, met inbegrip van activiteiten in terminals, die plaatsvinden in de Unie, waaronder het in lid 3 bedoelde vervoer van de lege container.

5. De in de artikelen 2, 3 bis, 4, 6, 8, 9 en 9 bis bedoelde steunmaatregelen worden op niet-discriminerende wijze toegepast op alle gecombineerde vervoersactiviteiten die geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van de Unie worden uitgevoerd, ongeacht de oorsprong van de onderneming die de vervoersactiviteit organiseert of deze geheel of gedeeltelijk uitvoert.

6. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van gedetailleerde regels voor de in lid 2 van dit artikel bedoelde berekening van externe kosten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 9 quinquies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

7. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de lijst van vooraf gedefinieerde maritieme trajecten van de in lid 2, punt b), van dit artikel bedoelde alternatieve maritieme intermodale vervoersactiviteiten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 9 quinquies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”;

(4) de artikelen 2 en 3 worden vervangen door:

“Artikel 2

Op de intermodale vervoersactiviteiten zijn geen contingenterings- en vergunningenstelsels van toepassing.


Artikel 3

1. Om te profiteren van het steunkader dat bij deze richtlijn wordt vastgesteld, registreert de onderneming die de gecombineerde vervoersactiviteit organiseert de vervoersinformatie en stelt zij die beschikbaar in overeenstemming met Verordening (EU) 2020/1056 van het Europees Parlement en de Raad* inzake platformen voor elektronische informatie over goederenvervoer (‘eFTI-platform’).

2. De in lid 1 bedoelde vervoersinformatie wordt vóór de start van de gecombineerde vervoersactiviteit geregistreerd en bestrijkt alle onderdelen van die activiteit. Die vervoersinformatie omvat de volgende informatie:

(a)de naam, het adres en de contactgegevens van de onderneming die de gecombineerde vervoersactiviteit organiseert;

(b)de naam, het adres en de contactgegevens van de onderneming die de intermodale laadeenheid ontvangt op het eindpunt van de gecombineerde vervoersactiviteit;

(c)de naam, het adres en de contactgegevens van de intermodale overslagterminal(s) voor die gecombineerde vervoersactiviteit;

(d)het type intermodale laadeenheid dat wordt vervoerd en de referentie overeenkomstig artikel 1 quater, lid 2, punt c);

(e)de locatie waar de lege container wordt opgehaald of geleverd, zoals aangegeven in de in artikel 1 quater, lid 3, bedoelde vervoersovereenkomst, indien relevant;

(f)voor alle vervoerstrajecten, de locaties van de start- en eindpunten van elk vervoerstraject van de gecombineerde vervoersactiviteit in de Unie, de respectieve verwachte start- en einddatum, en de voor elk traject gebruikte vervoerswijze;

(g)extra vervoersinformatie die is vereist voor de berekening van de externe kosten van een gecombineerde vervoersactiviteit, zoals gespecificeerd in de in artikel 1 quater, lid 6, bedoelde uitvoeringshandeling.

3. Krachtens lid 2 geregistreerde vervoersinformatie wordt via specifieke functionaliteiten van de eFTI-platforms gebruikt voor:

(a)de berekening van de in artikel 1 quater, lid 2, punt a), bedoelde externekostenbesparingen;

(b)het genereren van de in artikel 5, lid 4, punten a), b) en c), bedoelde jaarlijkse geaggregeerde gegevens over gecombineerde vervoersactiviteiten.

De in de eerste alinea, punt a), van dit lid bedoelde berekening wordt uitgevoerd overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld in de in artikel 1 quater, lid 6, bedoelde uitvoeringshandeling.

De in de eerste alinea, punt b), van dit lid bedoelde aggregatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de regels die zijn vastgesteld in de in lid 7 bedoelde gedelegeerde handeling.

4. Het bewijs van naleving van de voorwaarden als bedoeld in artikel 1 quater, lid 2, moet bestaan uit de in lid 1 van dit artikel bedoelde vervoersinformatie en de resultaten van de berekening van de externekostenbesparingen. Dat bewijs van naleving moet voor bevoegde instanties en voor de bij die gecombineerde vervoersactiviteit betrokken partijen toegankelijk zijn op hetzelfde eFTI-platform waar de vervoersinformatie en de resultaten van de berekening werden geregistreerd. Voor de in deze richtlijn bedoelde nalevingscontroles wordt geen aanvullende informatie opgevraagd.

5. Uiterlijk 28 februari van ieder jaar stellen de eFTI-dienstverleners of de ondernemingen die voor hun eigen activiteiten eFTI-platforms beheren of erover beschikken, de in lid 3, eerste alinea, punt b), van dit artikel bedoelde geaggregeerde gegevens ter beschikking van de Commissie om te voldoen aan de verslagleggingsverplichtingen van de Commissie krachtens artikel 5, lid 4, punten a), b) en c).

6. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 9 quater vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn door de vaststelling van nadere details voor vervoersinformatie als bedoeld in lid 2, punten a) tot en met f), van dit artikel en van de lijst van vereiste aanvullende vervoersinformatie als bedoeld in lid 2, punt g), van dit artikel.

7. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 9 quater tot aanvulling van deze richtlijn door de vaststelling van een lijst van de jaarlijkse geaggregeerde gegevens als bedoeld in lid 3, eerste alinea, punt b), van dit artikel, gedetailleerde regels voor het genereren van die geaggregeerde gegevens en voorwaarden voor het ter beschikking stellen van die gegevens aan de Commissie.

8. In geval van controles langs de weg is een discrepantie tussen de gecombineerde vervoersactiviteit en de verstrekte informatie, met name wat betreft de in lid 2, punten c) en f), bedoelde informatie, toegestaan indien dat naar behoren gerechtvaardigd is en wordt veroorzaakt door uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden waarover de expediteur geen controle heeft. Om het vereiste bewijs te leveren, is het de bestuurder toegestaan om contact op te nemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager, de verzender of een andere onderneming die de desbetreffende gecombineerde vervoersactiviteit organiseert, of enige andere persoon of entiteit die deze discrepantie aanvullend kan rechtvaardigen.

_________

* Verordening (EU) 2010/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 inzake elektronische informatie over goederenvervoer (PB L 249 van 31.7.2020, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/1056/oj).”;

(5) het volgende artikel 3 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 3 bis

1. Uiterlijk [PO, please insert the date: 24 months after entry into force of this Directive] stelt elke lidstaat een nationaal beleidskader vast om het gebruik van intermodaal vervoer en in het bijzonder gecombineerde vervoersactiviteiten te bevorderen. Dat kader bevat ten minste de volgende elementen:

(a)een overzicht van bestaande relevante regelgevende en niet-regelgevende maatregelen die van invloed zijn op het concurrentievermogen van vervoersactiviteiten met verschillende vervoerswijzen, met inbegrip van die welke binnen het toepassingsgebied van de artikelen 4, 6 en 9 bis vallen, alsmede een beoordeling van de impact ervan op intermodale vervoersactiviteiten;

(b)een lijst van maatregelen die nodig zijn om de concurrentiekloof tussen intermodale vervoersactiviteiten en unimodale vervoersactiviteiten over de weg te verkleinen, die wordt vastgesteld op basis van het overzicht en de beoordeling als bedoeld in punt a); een indicatieve lijst van geschikte maatregelen is opgenomen in de bijlage.

2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen beogen de volgende doelstellingen te verwezenlijken in vergelijking met de referentiebeoordeling die is opgenomen in het in artikel 5, lid 1, bedoelde verslag:

(a)uiterlijk [PO, please insert the date: 90 months, i.e. 7 years and 6 months after entry into force of this Directive] een totale vermindering van ten minste 10 % van de totale kosten van gecombineerde vervoersactiviteiten op hun grondgebied die worden gedragen door de ondernemingen die gecombineerde vervoersactiviteiten organiseren;

(b)een verhoogde upgrade of een groter gebruik van technologieën die de efficiëntie van intermodale vervoersactiviteiten verbeteren; en

(c)indien relevant, de vaststelling van nieuwe verbindingen per spoor, over binnenwateren of via de korte vaart tussen intermodale overslagterminals die voorheen niet verbonden waren.

3. De invoering van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen in een nationaal beleidskader is geen indicatie van de verenigbaarheid ervan met het recht van de Unie of met ander recht. Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen staatssteun vormen, moeten zij voldoen aan de toepasselijke procedurele en materiële staatssteunregels, met inbegrip van de regels inzake kennisgeving, bekendmaking en toezending van informatie aan de Commissie.

4. De lidstaten publiceren hun nationale beleidskaders op internet en stellen de Commissie hiervan onverwijld en niet later dan 1 maand na de vaststelling ervan in kennis, samen met een link naar deze publicatie en naar eventuele onderliggende beoordelingen of onderzoeken die zijn uitgevoerd, onder meer over de bijdrage van die maatregelen tot de verwezenlijking van de in lid 2 van dit artikel vermelde doelstellingen. Wat betreft maatregelen die staatssteun vormen en niet door een groepsvrijstellingsverordening worden gedekt, vormt de verplichting tot bekendmaking en kennisgeving voor de nationale beleidskaders een aanvulling op de eerdere verplichting tot kennisgeving en opschorting overeenkomstig de regels inzake staatssteun van artikel 108, lid 3, VWEU.

5. De lidstaten voeren de in lid 1 bedoelde maatregelen uit. Zij publiceren de praktische informatie, zoals informatie over de voorwaarden en de aanvraagprocedure en alle andere informatie die relevant is voor de potentiële begunstigden van deze maatregelen, na de vaststelling maar vóór de toepassing van dergelijke maatregelen op een eenvoudig toegankelijke manier en kosteloos op internet. Tegelijk verstrekken zij de Commissie een link naar die informatie.

6. Waar nodig werken de lidstaten samen om het effect van de in lid 1 bedoelde maatregelen op grensoverschrijdende intermodale vervoersactiviteiten te maximaliseren.

7. De lidstaten beoordelen ten minste om de vijf jaar het gebruik en de impact van de in lid 1 bedoelde maatregelen in hun nationale beleidskaders, met inbegrip van de doeltreffendheid en de relevantie in termen van de vermindering van externe kosten en het behalen van de in lid 2 vastgestelde doelstellingen. Op basis van die beoordeling passen zij hun nationale beleidskaders aan voor zover dat nodig is om die doelstellingen te halen. De lidstaten delen de resultaten van hun beoordelingen en bijgewerkte beleidskaders onverwijld mee aan de Commissie om haar bij te staan bij het opstellen van de in artikel 5, lid 2, bedoelde verslagen, en publiceren de bijgewerkte nationale beleidskaders op internet.

8. De Commissie publiceert de links naar de door de lidstaten verstrekte nationale informatie als bedoeld in de leden 4, 5 en 7, onverwijld op haar specifieke webpagina voor steunmaatregelen in het kader van deze richtlijn.”;


(6) artikel 5 wordt vervangen door:

“Artikel 5

1. Uiterlijk [PO, please insert the date: 18 months after entry into force of this Directive] stelt de Commissie een verslag aan het Europese Parlement en de Raad op waarin het concurrentievermogen van het intermodale vervoer ten opzichte van het unimodale wegvervoer in de lidstaten wordt beoordeeld, met inbegrip van een analyse van de totale van-deur-tot-deurkosten voor de belangrijkste categorieën van intermodale vervoersactiviteiten, waaronder gecombineerde vervoersactiviteiten.

2. Uiterlijk [PO, please insert the date: 90 months, i.e. 7 years and 6 months, after adoption of this Directive] en vervolgens elke 5 jaar stelt de Commissie een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op over de economische ontwikkeling van het intermodale vervoer, met inbegrip van gecombineerde vervoersactiviteiten, in de Unie.

3. Bij het opstellen van de in leden 1 en 2 bedoelde verslagen wordt de Commissie door de lidstaten bijgestaan om de daartoe benodigde gegevens te verzamelen.

4. In de in leden 1 en 2 bedoelde verslagen worden de ontwikkelingen met betrekking tot intermodale vervoersactiviteiten, met inbegrip van gecombineerde vervoersactiviteiten, gepresenteerd en geanalyseerd. Zij beslaan met name:

(a)het volume van de intermodale vervoersactiviteiten in de Unie per combinatie van vervoerswijzen, per marktsegment, per overslagtechnologie en per type gebruikte intermodale laadeenheden en per geografische dekking (nationaal en binnen de Unie);

(b)de belangrijkste vervoerscorridors waar intermodaal vervoer wordt gebruikt en de belangrijkste gebieden in de Unie waar geen intermodaal vervoer wordt gebruikt, evenals de redenen voor beide situaties;

(c)het aantal, het type en de locatiedichtheid van overslagterminals die diensten voor gecombineerde vervoersactiviteiten leveren;

(d)de belangrijkste door gebruikers geïdentificeerde belemmeringen voor een verhoogd gebruik van intermodale vervoersactiviteiten;

(e)ontwikkelingen in beschikbare capaciteit van intermodale overslagterminals en gebieden waar aanvullende ontwikkelingen nodig zijn;

(f)de beschikbaarheid en volledigheid van en de eenvoudige toegang tot informatie over intermodale overslagterminals;

(g)een analyse van de doeltreffendheid en efficiëntie van de steun die door lidstaten is verstrekt in het kader van hun nationale beleidskaders zoals vermeld in artikel 3 bis, leden 1 en 2;

(h)het concurrentievermogen van intermodaal vervoer ten opzichte van unimodaal wegvervoer;

(i)de milieuvoordelen van intermodaal vervoer, met name in het licht van de ontwikkeling van de prestaties van verschillende vervoerswijzen op het gebied van milieu, energie-efficiëntie en broeikasgasemissies.

5. In de in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen worden in voorkomend geval oplossingen voorgesteld voor de verdere verbetering van de beschikbaarheid van de informatie en de maatregelen ter verbetering van de situatie in de intermodale vervoerssector.

6. Op basis van de in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen evalueert de Commissie ten minste elke 10 jaar de doeltreffendheid en de relevantie van de bepalingen van deze richtlijn voor het bevorderen van gecombineerde vervoersactiviteiten.”;

(7) in artikel 6 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

“1.    De lidstaten kunnen overeenkomstig het recht van de Unie de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de in lid 3 vermelde belastingen op wegvoertuigen (vrachtwagens, trekkers, aanhangwagens of opleggers), wanneer die een traject afleggen in gecombineerd vervoer, ofwel forfaitair, ofwel in verhouding tot de door die voertuigen per spoor afgelegde trajecten in de desbetreffende lidstaat worden verminderd of terugbetaald. Dergelijke verminderingen of terugbetalingen worden toegekend door de lidstaat waarin de voertuigen zijn geregistreerd. Wanneer deze maatregelen staatssteun vormen, dienen zij te voldoen aan de relevante procedurele en materiële regels inzake staatssteun.

2. Voertuigen die uitsluitend voor eerste en/of laatste wegtrajecten van gecombineerd vervoer worden gebruikt, kunnen, wanneer zij afzonderlijk worden belast, van de in lid 3 bedoelde belastingen worden vrijgesteld, in overeenstemming met het recht van de Unie. Wanneer het bij deze maatregelen om staatssteun gaat, dienen ze met name te voldoen aan de relevante procedurele en materiële regels inzake staatssteun.”;

(8) artikel 7 wordt geschrapt;

(9) artikel 9 wordt vervangen door:

“Artikel 9

Wanneer een bij een gecombineerde vervoersactiviteit gebruikte oplegger of aanhangwagen eigendom is van de verzendende of ontvangende onderneming en op een wegtraject wordt gebruikt met een trekker die krachtens Richtlijn 2006/1/EG van het Europees Parlement en de Raad* eigendom is van, op krediet is gekocht door of wordt gehuurd door de andere betrokken onderneming, wordt ervan uitgegaan dat dit wegtraject voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, lid 5, punt d), van Verordening (EU) 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad**.

* Richtlijn 2006/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende het gebruik van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen over de weg (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 82, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/1/oj).

**    Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1072/oj).”;

(10) de volgende artikelen 9 bis, 9 ter, 9 quater en 9 quinquies worden ingevoegd:

“Artikel 9 bis

Voertuigen die wegtrajecten van gecombineerde vervoersactiviteiten afleggen, zijn vrijgesteld van rijbeperkingen tijdens het weekend, ’s nachts en op feestdagen die alleen voor zware bedrijfsvoertuigen gelden. Deze vrijstelling geldt niet in het geval van algemene rijbeperkingen die op alle voor privédoeleinden gebruikte voertuigen van toepassing zijn.

Artikel 9ter

1. Alle exploitanten van intermodale overslagterminals verstrekken op hun webpagina, publiekelijk en kosteloos, informatie over beschikbare diensten en voorzieningen in de terminal.

2. De Commissie stelt via uitvoeringshandelingen een gedetailleerde lijst met de in lid 1 bedoelde informatie vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 9 quinquies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3. Om te voorzien in een kader voor het identificeren van het dienstenniveau van intermodale overslagterminals in de Unie, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarin criteria voor categorieën van intermodale overslagterminals worden voorgeschreven. Dergelijke criteria moeten worden vastgesteld door dienstenniveaus te definiëren voor de beschikbare diensten en voorzieningen uit de in overeenstemming met lid 1 van dit artikel opgestelde lijst. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 9 quinquies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4. Indien een kader voor dienstenniveaus van intermodale overslagterminals in de Unie is vastgesteld, publiceren de exploitanten van intermodale overslagterminals de krachtens lid 1 toepasselijke dienstenniveaus.

Artikel 9 - quater

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 3, leden 6 en 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [PO, please insert the date of entry into force of this Directive].

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, leden 6 en 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, vastgestelde gedelegeerde handelingen treden alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 9 - quinquies

1.De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011*.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

_________

* Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).”;

(11) de tekst in de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd als bijlage.

Artikel 2 - Wijzigingen van Verordening (EU) 2020/1056

Verordening (EU) 2020/1056 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 9, lid 1, wordt het volgende punten l) en m) ingevoegd:

“l) De in artikel 3, lid 3, eerste alinea, punt a), van Richtlijn 92/106/EEG bedoelde berekening van externekostenbesparingen gebeurt volgens de methodologie die is vastgesteld in de in artikel 1 quater, lid 6, van die richtlijn bedoelde uitvoeringshandeling.

m) Het in artikel 3, lid 3, eerste alinea, punt b), van Richtlijn 92/106/EEG bedoelde genereren van geaggregeerde gegevens gebeurt in overeenstemming met de regels die zijn vastgesteld in de in artikel 3, lid 7, van die richtlijn bedoelde gedelegeerde handeling.”.

Artikel 3 - Omzetting

1. Uiterlijk [PO, please insert the date: 24 months after entry into force of this Directive] stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen vast en publiceren zij deze. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.

Zij passen die bepalingen toe vanaf [PO, please insert the date: 30 months after entry into force of this Directive].

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4 - Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5 - Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.