Artikelen bij COM(2024)223 -

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

dossier COM(2024)223 - .
document COM(2024)223
datum 21 mei 2024

1. INLEIDING

De Europese Unie heeft negen ultraperifere gebieden, die zich ver van het Europese vasteland bevinden, in de Atlantische en de Indische Oceaan, de Caribische Zee en Latijns-Amerika: Frans-Guyana, Guadeloupe, Martinique, Mayotte, Réunion, en Saint-Martin (Frankrijk); de Azoren en Madeira (Portugal); de Canarische Eilanden (Spanje).

In artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) worden de bijzondere kenmerken en beperkingen van deze ultraperifere gebieden erkend, waaronder de grote afstand, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, een moeilijk reliëf en klimaat, en de economische afhankelijkheid van een klein aantal sectoren, waaronder de visserij. Er wordt voorzien in specifieke maatregelen in Uniewetgeving en -beleid om hen te helpen om deze uitdagingen aan te gaan.

In 2022 heeft de Commissie een mededeling aangenomen voor de ultraperifere gebieden van de Unie1, waarin een nieuwe strategie voor deze gebieden werd uitgestippeld en waaruit blijkt dat de Commissie zich ertoe verbindt hun specifieke kenmerken in aanmerking te nemen in voorstellen voor Uniewetgeving en -beleid.

In vergelijking met de vissersvloot van de gehele Unie is het aantal vaartuigen in de vissersvloot van de ultraperifere gebieden klein. De aard van de visbestanden waarop de ultraperifere gebieden zich richten, is in veel gevallen verschillend van en gevarieerder dan de visbestanden waarop de vissersvloot van de rest van de Unie zich richt. De samenstelling van de overwegend ambachtelijke visvangst kan zeer gevarieerd van aard zijn en betrekking hebben op meerdere soorten. Naar verhouding zijn er minder gegevens voorhanden over een bredere waaier aan visbestanden, en worden er minder evaluaties van de visbestanden uitgevoerd. Deze situatie wordt in veel gevallen nog versterkt door de aard van de vissersvaartuigen, die tot de kleinste in de Unie behoren en wegens hun ouderdom en bijkomende veiligheids- en beveiligingsoverwegingen in sommige ultraperifere gebieden vaak niet zo goed uitgerust zijn als andere vaartuigen om gegevens over hun visserijactiviteiten vast te leggen. Deze gegevens zijn echter noodzakelijk voor de lidstaten om hun jaarlijkse nationaal verslag over het evenwicht tussen de vangstcapaciteit van hun vloot en hun vangstmogelijkheden op te stellen. Het verslag moet worden opgesteld in overeenstemming met de Richtsnoeren voor de analyse van het evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden volgens artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid2 (hierna “COM(2014) 545 final” genoemd). Om de uiteenlopende aard van de visserijactiviteiten door de vloten van de ultraperifere gebieden in kaart te brengen, is het bovendien mogelijk dat een verdergaande indeling van de vloot in segmenten noodzakelijk is dan wat is uiteengezet in het kader voor gegevensverzameling (KGV)3.

Op grond van de bovengenoemde overwegingen is het in veel gevallen niet mogelijk voor deze vloten een beoordeling van het evenwicht te maken overeenkomstig COM(2014) 545 final.

Rekening houdend met alle hierboven beschreven aspecten die aanzienlijk verschillen van die van de rest van de Unie, zoals de structurele beperkingen van de ultraperifere gebieden, de specifieke kenmerken van de vaartuigen en visserij, de beschikbaarheid van gegevens, de geopolitieke en veiligheidssituatie in sommige ultraperifere gebieden, en het gemengde en ambachtelijke karakter van de visserij, en in overeenstemming met de mededeling van 2022 over de ultraperifere gebieden2, worden in deze mededeling specifieke richtsnoeren vastgesteld voor de beoordeling van het evenwicht in vlootsegmenten bestaande uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, door specifieke elementen van COM(2014) 545 final aan te vullen met betrekking tot deze vlootsegmenten.

De beoordeling van het evenwicht voor deze vlootsegmenten in de ultraperifere gebieden moet nog steeds gebaseerd zijn op de biologische en economische indicatoren en de indicatoren voor het vaartuiggebruik die zijn opgenomen in COM(2014) 545 final. Meer specifiek moeten beide biologische indicatoren (duurzamevangstindicator SHI en risicobestandenindicator SAR), beide economische indicatoren (rendement op investeringen (RoI) en lopende inkomsten/kostendekkende inkomsten (CR/BER)), en een van de indicatoren voor vaartuiggebruik (VUR, VUR220, of een door een lidstaat vastgestelde VURnn) in evenwicht zijn.

Deze mededeling voorziet echter in alternatieve methoden die de betrokken lidstaten kunnen toepassen om bepaalde indicatoren uit te werken voor vlootsegmenten die bestaan uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden. Deze alternatieve methoden zijn gebaseerd op een uitwerking van COM(2014) 545 final, en hierin wordt rekening gehouden met 1) de aanvullende wetenschappelijke analyse en aanbevelingen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) met betrekking tot de jaarlijkse vlootverslagen van de lidstaten, en 2) specifieke informatie voor de ultraperifere gebieden, zoals verstrekt door de betrokken lidstaten4.

In alle gevallen, onder meer bij de toepassing van deze richtsnoeren, moeten de lidstaten alle gegevens en toelichtingen verstrekken die nodig zijn om hun keuzes te verantwoorden en om verdere analyse en onderzoek door het WTECV mogelijk te maken indien nodig.

2. ALTERNATIEVE METHODEN VOOR VLOOTSEGMENTEN BESTAANDE UIT VAARTUIGEN MET EEN LENGTE VAN MINDER DAN 12 METER IN DE ULTRAPERIFERE GEBIEDEN

COM(2014) 545 final is als basisregel van toepassing op alle vaartuigsegmenten.

Met de richtsnoeren in deze mededeling worden alternatieve methoden ingevoerd voor vlootsegmenten bestaande uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, die kunnen worden toegepast voor het uitwerken van gegevensparameters, biologische indicatoren, indicatoren voor vaartuiggebruik en aanvullende indicatoren, zoals hieronder uiteengezet.

De lidstaten mogen hun vlootverslag voor de betrokken vlootsegmenten alleen opstellen aan de hand van de in deze mededeling beschreven alternatieve methoden indien zij rechtvaardigen waarom dit nodig is gezien de specifieke situatie van het betrokken vlootsegment en de bijzondere beperkingen waaraan het segment onderhevig is, wegens de ligging ervan in een ultraperifeer gebied. De toelichtingen moeten als bijlage bij het vlootverslag worden gevoegd.



1. Gegevensparameters en indeling van de vloot in segmenten

Om tot gestandaardiseerde analyses te komen, het maken van vergelijkingen te vergemakkelijken en dubbel werk te voorkomen moeten gegevensparameters overeenkomstig COM(2014) 545 final worden berekend op basis van gegevens die uit hoofde van het KGV zijn verzameld.

Voor vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, mag de berekening van de indicatoren verder worden uitgesplitst door de verdere indeling in segmenten tot op het meest passende niveau5. In gevallen waarin een verdere indeling in segmenten wordt verstrekt, moet dit als aanvulling op het KGV gebeuren, niet ter vervanging ervan. Daarnaast moeten alle ondersteunende gegevens voor de berekeningen in het vlootverslag ook worden verstrekt als bijlage bij het vlootverslag volgens dezelfde, eenvormige indeling in segmenten.



2. Biologische indicatoren

In overeenstemming met COM(2014) 545 final moeten beide biologische indicatoren (duurzamevangstindicator en risicobestandenindicator) in evenwicht zijn om het evenwicht van een vlootsegment te kunnen aantonen.

2.2.1 Duurzamevangstindicator

Voor vlootsegmenten die betrekking hebben op vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, mag de berekening van de duurzamevangstindicator (sustainable harvest indicator, SHI) zoals uiteengezet in punt 10.1 van COM(2014) 545 final op een van de volgende wijzen worden vereenvoudigd:

- de F- en Fmsy-waarden mogen, in volgorde van prioriteit, worden afgeleid van: a) nationale beoordelingen die intercollegiaal zijn getoetst en waarbij deze toetsingen hetzij openbaar toegankelijk zijn, hetzij als bijlage bij het vlootverslag zijn gevoegd; b) nationale beoordelingen die (nog) niet intercollegiaal zijn getoetst, waarbij de nationale beoordelingen als bijlage bij het vlootverslag zijn gevoegd, met het oog op intercollegiale toetsing;

- de indicator mag worden gepresenteerd samen met het feitelijke dekkingspercentage en het aantal visbestanden dat is gebruikt om de waarde te berekenen;

- er mogen ramingen voor F en Fmsy van een of meerdere representatieve doelsoorten in de visserij worden gebruikt; in dit verband mogen ook beoordelingen worden voorgelegd en gebruikt die gebaseerd zijn op de productiviteit van soortindelingen.

Ongeacht de door de lidstaat toegepaste vereenvoudiging, moeten alle noodzakelijke gegevens als bijlage bij het vlootverslag worden verstrekt met het oog op nader onderzoek door het WTECV.


2.2.2 Risicobestandenindicator

Overeenkomstig COM(2014) 545 final moeten de lidstaten voor de berekening van de risicobestandenindicator (stocks at risk, SAR) het aantal bestanden tellen dat op dat moment is aangemerkt als een bestand met een “hoog biologisch risico” en dat door het desbetreffende vlootsegment wordt geëxploiteerd.

Op basis van het advies van het WTECV wordt geoordeeld dat de in COM(2014) 545 final vastgestelde drempelwaarden, die bepalen of (een) risicobestand(en) door de desbetreffende vloot wordt (worden) “geëxploiteerd”, kunnen worden gewijzigd6. In afwachting van verdere beoordeling door het WTECV en rekening houdend met de specifieke situatie van vlootsegmenten bestaande uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, kan in de toekomst een alternatieve drempelwaarde worden vastgesteld voor die vlootsegmenten.

Enerzijds rekening houdend met de conclusies van het WTECV over de drempelwaarde voor de SAR6 en anderzijds met de specifieke situatie van vlootsegmenten bestaande uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, is het passend om ervoor te zorgen dat de lidstaten in de tussentijd een tijdelijke alternatieve drempelwaarde kunnen toepassen.

Derhalve mogen de lidstaten op basis van de beschikbare technische informatie over de toepassing van de SAR-indicator in de visserij van de ultraperifere gebieden er voor vlootsegmenten bestaande uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden van uitgaan dat een risicobestand “wordt geëxploiteerd door” een vlootsegment als het bestand meer dan 20 % van de vangst van het vlootsegment uitmaakt, of als het vlootsegment meer dan 10 % van de vangsten van het bestand voor zijn rekening neemt. De lidstaten moeten gedetailleerde gegevens en toelichtingen van de toegepaste berekeningen, evenals de wetenschappelijke gronden om die alternatieve drempelwaarde toe te passen, indienen als bijlage bij het vlootverslag met het oog op nader onderzoek door het WTECV.


3. Indicator voor het vaartuiggebruik

Overeenkomstig COM(2014) 545 final is de indicator voor het vaartuiggebruik het gemiddelde, per vlootsegment, van de verhouding tussen de daadwerkelijk uitgevoerde inspanning en de maximale inspanning die een vloot kan leveren.

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om een versie van deze indicator te gebruiken die gebaseerd is op theoretische in plaats van feitelijke maximale activiteitsniveaus. Deze waarde moet door elke lidstaat worden bepaald met gebruikmaking van deskundigenadvies en beschikbare informatie, en met inachtneming van natuurlijke, technische en sociale omstandigheden. Deze mogelijkheid wordt de lidstaten geboden omdat het waargenomen maximumaantal dagen op zee binnen een vlootsegment voor elk referentiejaar beperkt kan zijn door externe factoren, waardoor dit aantal mogelijk niet de werkelijke technische capaciteit van deze vloot weerspiegelt. Voorbeelden van externe factoren zijn bijvoorbeeld economische, ecologische en sociale factoren, zoals beschreven in punt 12.2 van COM(2014) 545 final. Zoals vastgesteld in deel 1, zijn vlootsegmenten bestaande uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden bijzonder kwetsbaar voor die externe factoren.

Wanneer de lidstaten het gebruik van deze versie van de indicator zoals beschreven in punt 12.2 van COM(2014) 545 final kunnen rechtvaardigen, kan dit worden weerspiegeld in de keuze voor indicator VURnn. De redenen voor de keuze voor nn moeten samen met alle gegevens die vereist zijn voor de berekeningen, worden verstrekt als bijlage bij het vlootverslag.


4. Aanvullende indicatoren

Voor vlootsegmenten die bestaan uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, mogen de indicatoren “aantal overbeviste bestanden” (number of overexploited stocks, NOS) en “economische afhankelijkheid” (economic dependency indicator, EDI) worden opgegeven als aanvullende biologische indicatoren en worden berekend overeenkomstig het advies van het WTECV7.

De sociale indicatoren die kunnen helpen duidelijk te maken in welke bredere sociaal-economische omstandigheden de vloot actief is, mogen ook worden weergegeven. Dit biedt de lidstaten de kans om verdere toelichting te geven bij de situatie van hun vlootsegmenten, die bestaan uit de kleinste en potentieel meest kwetsbare vaartuigen en ondernemingen.

Deze aanvullende indicatoren worden niet beschouwd als alternatieve indicatoren en maken geen deel uit van de berekening voor het evenwicht van de vloot.

3. SLOTOVERWEGINGEN

Deze richtsnoeren, die specifiek gericht zijn op vlootsegmenten bestaande uit vaartuigen met een lengte van minder dan 12 meter in de ultraperifere gebieden, blijven van toepassing in afwachting van verder advies van het WTECV over de indicatoren die worden gebruikt bij de berekening van het vlootevenwicht en de daarvoor geschikte drempelwaarden, met name van de WTECV-deskundigenwerkgroep inzake ultraperifere gebieden. Ze mogen in elk geval niet worden toegepast nadat de vlootverslagen van de lidstaten die uiterlijk op 31 mei 2025 moeten worden ingediend, zijn opgesteld.

1 COM(2022) 198 final.

2 COM(2014) 545 final.

3 Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 60 van 5.3.2008, blz. 1).

4 Met name STECF PLEN 24-01.

5 De lidstaten moeten de kolommen ACTIVITEIT, VISTUIG of VISSERIJ van het indieningsformulier voor de oproep inzake economische gegevens optimaal benutten.

6 STECF PLEN 24-01.

7 Raadpleeg voor de berekening van deze indicatoren de WTECV-verslagen STECF-PLEN-24-01 en STECF-15-02, blz. 76-78, waarbij n=10 %.

NL NL