Artikelen bij COM(2024)273 - - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2024)273 - . |
---|---|
document | COM(2024)273 |
datum | 25 juni 2024 |
CERTIFICERING VAN DE REKENINGEN 2
UITVOERING EN FINANCIËLE VERSLAGLEGGING VAN DE EOF-MIDDELEN 3
DOOR DE EUROPESE COMMISSIE BEHEERDE MIDDELEN 8
FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF 10
FINANCIËLE STATEN VAN IN HET EOF GECONSOLIDEERDE EU-TRUSTFONDSEN 57
FINANCIËLE STATEN 2023 VAN HET EU-TRUSTFONDS BÊKOU 58
FINANCIËLE STATEN 2023 VAN HET EU-TRUSTFONDS VOOR AFRIKA 67
GECONSOLIDEERDE FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF EN DE EU-TRUSTFONDSEN 75
EOF VERSLAG OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE MIDDELEN 80
CERTIFICERING VAN DE REKENINGEN
De jaarrekening van het Europees Ontwikkelingsfonds voor het jaar 2023 is opgesteld volgens de bepalingen van titel X van het Financieel Reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds en overeenkomstig de in de toelichting bij de financiële staten beschreven boekhoudbeginselen, -regels en -methoden.
Ik verklaar dat het mijn verantwoordelijkheid is om ervoor te zorgen dat de jaarrekeningen van het Europees Ontwikkelingsfonds worden opgesteld en gepresenteerd overeenkomstig artikel 18 van het Financieel Reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds.
Ik heb van de ordonnateur en de EIB, die voor de betrouwbaarheid instaan, alle inlichtingen verkregen die nodig zijn voor het opstellen van de jaarrekeningen die een beeld van de activa en de passiva van het Europees Ontwikkelingsfonds en de uitvoering van de begroting geven.
Ik verklaar dat ik op basis van deze inlichtingen en op basis van de controles die ik noodzakelijk achtte om de jaarrekening te kunnen aftekenen, redelijke zekerheid heb dat de jaarrekening in alle materiële opzichten een getrouw beeld van de financiële positie van het Europees Ontwikkelingsfonds geeft.
Rosa ALDEA BUSQUETS
Rekenplichtige
19 juni 2024
UITVOERING EN FINANCIËLE VERSLAGLEGGING VAN DE EOF-MIDDELEN
1. ACHTERGROND
De Europese Unie (hierna “EU” genoemd) werkt met een groot aantal ontwikkelingslanden samen. De belangrijkste doelstelling is hierbij het bevorderen van de economische, sociale en ecologische ontwikkeling, waarbij de aandacht in eerste instantie wordt toegespitst op het terugdringen en bestrijden van armoede op lange termijn door aan de begunstigde landen ontwikkelingshulp en technische bijstand te verstrekken. Hiertoe stelt de EU samen met de partnerlanden ontwikkelingsstrategieën op en besteedt zij financiële middelen om die strategieën ten uitvoer te leggen. De middelen die de EU voor ontwikkeling uittrekt, zijn afkomstig van drie bronnen:
- de begroting van de Europese Unie;
- het Europees Ontwikkelingsfonds; en
- de Europese Investeringsbank.
Het EOF wordt niet gefinancierd met middelen uit de EU-begroting. Het EOF is opgericht krachtens een interne overeenkomst van de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad bijeen en wordt beheerd door een eigen comité. De Europese Commissie (hierna “Commissie” genoemd) is verantwoordelijk voor de financiële uitvoering van de verrichtingen die met middelen van het EOF worden uitgevoerd. De Europese Investeringsbank (hierna “EIB” genoemd) beheert de investeringsfaciliteit.
Het EOF bestaat uit individuele EOF’s. Elk EOF wordt gesloten voor een periode van ongeveer vijf jaar en op elk EOF is een eigen Financieel Reglement van toepassing dat het opmaken van specifieke financiële staten verplicht stelt. Bovendien worden deze financiële staten gecumuleerd om een totaalbeeld te geven van de financiële situatie van de middelen waarvoor de Commissie verantwoordelijk is.
Tot 2021, toen het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (hierna het “EOF” genoemd) zijn laatste fase bereikte toen de vervalclausule op 31 december 2020 in werking trad, was het EOF het belangrijkste instrument voor het verlenen van steun voor ontwikkelingssamenwerking aan de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (hierna “ACS-staten” genoemd) en de landen en gebieden overzee (hierna “LGO’s” genoemd). Vanaf 2021 wordt de samenwerking van de EU met ACS-landen en LGO’s echter gefinancierd uit de EU-begroting.
In het kader van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst werd de investeringsfaciliteit opgericht, beheerd door de EIB en gebruikt om de ontwikkeling van de particuliere sector in de ACS-staten te ondersteunen door hoofdzakelijk – maar niet uitsluitend – particuliere investeringen te financieren. De faciliteit is opgezet als een hernieuwbaar fonds, in die zin dat terugbetalingen opnieuw in andere verrichtingen kunnen worden geïnvesteerd, waardoor de faciliteit over hernieuwbare eigen middelen kan beschikken en financieel onafhankelijk is. Aangezien de investeringsfaciliteit niet door de Commissie wordt beheerd, wordt zij niet geconsolideerd in het eerste deel van de jaarrekening – de financiële staten van het EOF en het daarbij horende financiële uitvoeringsverslag. De financiële staten van de investeringsfaciliteit, opgesteld door de EIB, zijn opgenomen als een afzonderlijk onderdeel van de jaarrekening (deel II) om een volledig beeld te geven van de ontwikkelingshulp van het EOF.
2. HOE WORDT HET EOF GEFINANCIERD?
De Raad van 2 december 2013 heeft Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 vastgesteld. In dit kader is besloten dat de geografische samenwerking met de ACS-staten niet in de begroting van EU zou worden opgenomen, maar verder zou worden gefinancierd met de middelen uit het bestaande intergouvernementele EOF.
In tegenstelling tot de EU-begroting heeft de werking van het EOF een meerjarig karakter. Voor elk EOF wordt een algemeen fonds opgericht voor de tenuitvoerlegging van de ontwikkelingssamenwerking gedurende een periode van doorgaans vijf jaar. Aangezien de middelen op meerjarige basis worden toegekend, kunnen de toegewezen middelen tijdens de looptijd van het EOF worden benut. In de begrotingsverslaggeving, waar de budgettaire tenuitvoerlegging van de EOF wordt afgemeten aan de totale middelen, wordt gewezen op het ontbreken van de jaarperiodiciteit.
De EOF-middelen zijn ad-hocbijdragen van de EU-lidstaten. Ongeveer elke vijf jaar kwamen vertegenwoordigers van de lidstaten op intergouvernementeel niveau bijeen om het totale bedrag vast te stellen dat aan het fonds moest worden toegewezen en om toezicht te houden op de besteding ervan.
De middelen worden door de Commissie beheerd overeenkomstig het EU-beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Naast het beleid dat op het niveau van de EU wordt gevoerd, hebben de lidstaten hun eigen ontwikkelingsbeleid en moeten zij met het oog op complementariteit hun eigen beleid met dat van de EU coördineren.
Naast de bovenvermelde bijdragen kunnen lidstaten ook cofinancieringsregelingen aangaan of vrijwillige financiële bijdragen aan het EOF geven.
3. EOF-ACTIVITEITEN NA 31 DECEMBER 2020
Hoewel het 8e EOF in 2021 officieel is afgesloten, met de afsluiting van alle contracten en financiële besluiten, kwam deze afsluiting niet volledig tot uiting in de rekeningen van 2021, aangezien er nog verschillende invorderingsopdrachten, waaronder rechtszaken, moesten worden uitgevoerd. Op 31 december 2022 had het EOF een nettovermogen van 180 miljoen EUR. Het kapitaal en de reserves werden gebruikt om de gecumuleerde verliezen van het 8e EOF te dekken, terwijl de resterende saldi werden overgedragen aan het 9e EOF overeenkomstig de bepalingen van deel 3 van het Financieel Reglement1 dat van toepassing is op het 9e EOF.
De Commissie werkt momenteel aan de afsluiting van het 9e EOF. Momenteel zijn er nog tien lopende contracten, die in principe in 2024 zouden moeten aflopen. Deze contracten, die worden gefinancierd uit het 9e EOF, blijven actief en zullen binnen de vastgestelde termijn worden afgerond, wat bijdraagt tot de voltooiing van de activiteiten en projecten in verband met het 9e EOF. De volledige afsluiting van het 9e EOF kan pas worden bereikt nadat alle contracten zijn beëindigd en na voltooiing van de evaluaties en audits.
De afsluiting van het 10e EOF verloopt voorspoedig: 96,1 % van de contracten is al afgesloten. De operationele en financiële afsluiting van de overige contracten zal echter nog enige tijd in beslag nemen. De financiële afsluiting vereist de start en voltooiing van alle noodzakelijke evaluaties, audits en terugvorderingen.
Het 11e EOF heeft zijn laatste fase bereikt toen de vervalclausule op 31 december 2020 in werking trad. Deze clausule voorziet in een afsluitingsdatum voor vastleggingen, wat betekent dat er vanaf 2021 geen verdere financieringsovereenkomsten kunnen worden gesloten in het kader van het 11e EOF. De lopende projecten die uit het 11e EOF worden gefinancierd, zullen echter verder worden uitgevoerd totdat zij zijn voltooid.
In het kader van het huidige meerjarig financieel kader 2021-2027 wordt de samenwerking tussen de EU en ACS-landen opgenomen in het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld. De samenwerking met LGO valt nu onder het LGO-besluit. Dit betekent dat terwijl de EOF-programma’s tot 2021 met vrijwillige bijdragen van de EU-lidstaten werden gefinancierd, ontwikkelingsprogramma’s vanaf 2021 met middelen uit de EU-begroting zullen worden gefinancierd. Dit houdt ook in dat voor de financiering van ontwikkelingsprogramma’s de goedkeuring van het Europees Parlement vereist is en dat de transacties op dezelfde wijze aan de financiële regelgeving van de EU moeten voldoen als andere door de EU gefinancierde programma’s.
4. JAARRAPPORTAGE
1. JAARREKENING
Overeenkomstig artikel 18, lid 3, van het Financieel Reglement van het EOF heeft het EOF zijn financiële staten opgesteld op grond van boekhoudregels op transactiebasis die zelf zijn afgeleid van de internationale standaarden voor overheidsboekhouding (IPSAS). Deze door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels worden toegepast in alle instellingen en organen van de EU en moeten uitgroeien tot een uniform kader voor het opstellen en presenteren van de rekeningen om tot een geharmoniseerde financiële verslaglegging te komen. Die boekhoudregels van de EU worden toegepast op het EOF, rekening houdend met de specifieke aard van de activiteiten.
De voorbereiding van de jaarrekening van het EOF is toevertrouwd aan de rekenplichtige van de Commissie, die ook de rekenplichtige van het EOF is en ervoor zorgt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de vermogenspositie van het EOF.
De jaarrekening is als volgt opgebouwd:
Deel I: De door de Commissie beheerde middelen
i. Financiële staten en toelichtingen van het EOF
ii. Financiële staten van in het EOF geconsolideerde EU-trustfondsen
iii. Geconsolideerde financiële staten van het EOF en EU-trustfondsen
iv. Verslag over de financiële uitvoering van het EOF
Deel II: Jaarverslag over de uitvoering — de door de EIB beheerde middelen
i. Financiële staten van de investeringsfaciliteit
In het onderdeel “Financiële staten van in het EOF geconsolideerde EU-trustfondsen” zijn de financiële staten van de twee in het kader van het EOF opgerichte trustfondsen opgenomen: Het EU-trustfonds Bêkou (zie afdeling “Financiële staten van het EU-trustfonds Bêkou”) en het EU-trustfonds voor Afrika (zie afdeling “Financiële staten van het EU-trustfonds voor Afrika”). De individuele financiële staten van de trustfondsen worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de rekenplichtige van de Commissie en worden aan een externe audit onderworpen die door een accountant uit de particuliere sector wordt uitgevoerd. De bedragen van de trustfondsen die in deze jaarrekeningen zijn opgenomen, zijn voorlopig.
De jaarrekening van het EOF moet uiterlijk op 31 juli van het jaar na de balansdatum door de Commissie worden goedgekeurd en ter kwijting aan het Europees Parlement en de Raad worden voorgelegd.
5. CONTROLE EN KWIJTING
1. CONTROLE
De jaarrekening van het EOF wordt gecontroleerd door de externe controleur van het fonds, zijnde de Europese Rekenkamer, die een jaarverslag opstelt voor het Europees Parlement en de Raad.
2. KWIJTING
De eindcontrole van de financiële tenuitvoerlegging van de EOF-middelen voor een bepaald begrotingsjaar is de kwijting. Na de controle en de voltooiing van de jaarrekening dient de Raad een aanbeveling te doen, en het Europees Parlement dient daarna te beslissen of het kwijting verleent aan de Commissie voor de financiële tenuitvoerlegging van de EOF-middelen voor een bepaald begrotingsjaar. Deze beslissing is gebaseerd op een controle van de rekeningen, het jaarverslag van de Europese Rekenkamer (dat een officiële betrouwbaarheidsverklaring bevat) en de antwoorden van de Commissie op vragen en aanvullende verzoeken van de kwijtingsautoriteit om meer informatie.
BELANGRIJKSTE PUNTEN VAN DE FINANCIËLE UITVOERING IN 2023
* Nettobedrag, alleen 10e en 11e EOF.
Uitvoering van de begroting
In 2023 werden in het kader van het 10e en het 11e EOF individuele vastleggingen en nettobetalingen ten bedrage van respectievelijk 720 miljoen EUR en 2 053 miljoen EUR verricht. Het totale bedrag van de brutobetalingen voor alle EOF’s (2 103,48 miljoen EUR) komt overeen met 105,17 % van het streefcijfer van 2 000 miljoen EUR dat aan de lidstaten is meegedeeld.
In 2022 heeft de Raad met eenparigheid van stemmen besloten om 600 miljoen EUR van de vrijgemaakte middelen van het 10e en het 11e EOF te hergebruiken voor de financiering van acties voor het aanpakken van de voedselzekerheidscrisis en de economische schok in de ACS-landen ten gevolge van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne. De Commissie had deze 600 miljoen EUR al vastgelegd en heeft in 2022 221 miljoen EUR uitbetaald, gevolgd door 87 miljoen EUR in 2023.
Impact van de activiteiten op de financiële staten
In de financiële staten is de impact van de bovenvermelde activiteiten het meest zichtbaar bij:
- voorfinanciering (zie toelichting 2.2): een daling van 356 miljoen EUR, voornamelijk als gevolg van het uitbetalen van minder voorschotten. Deze daling is voornamelijk te wijten aan de afname van het aantal nieuwe contracten dat sinds 2021 is ondertekend. In 2021 beliepen de nieuwe contracten 2 118 miljoen EUR, welk bedrag in 2022 aanzienlijk daalde tot 853 miljoen EUR. In 2023 bleven de nieuwe contracten op dit niveau, te weten 860 miljoen EUR, als gevolg van het besluit van de Raad om ongebruikte middelen van het 10e en 11e EOF te herbestemmen om ACS-landen te helpen in reactie op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne;
- Geldmiddelen en kasequivalenten (zie toelichting 2.5): een daling van 426 miljoen EUR, hoofdzakelijk als gevolg van de vermindering van de bijdragen van donoren, die daalden van 2 500 miljoen EUR in 2022 tot 1 800 miljoen EUR in 2023;
- Toegerekende lasten (zie toelichting 2.8): een daling met 147 miljoen EUR als gevolg van de afname van het aantal lopende contracten aan het einde van het jaar waarvoor aan het einde van het jaar geen kostendeclaraties waren gevalideerd; en
- Exploitatiekosten (zie toelichting 3.4): een totale daling van de exploitatiekosten met 608 miljoen EUR, voornamelijk als gevolg van de daling van de uitgaven in verband met programmeerbare steun, intra-ACS-projecten en bijdragen aan de trustfondsen. Desondanks zijn de uitgaven in verband met noodhulp gestegen doordat vrijgemaakte middelen van het 10e en 11e EOF werden hergebruikt om de negatieve gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne tegen te gaan.
EUROPESE ONTWIKKELINGSFONDS
BEGROTINGSJAAR 2023
DOOR DE EUROPESE COMMISSIE BEHEERDE MIDDELEN
INHOUDSOPGAVE
FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF 10
EOF-BALANS 11
EOF STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN 12
EOF KASSTROOMOVERZICHT 13
EOF MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA 14
BALANS — EOF 15
STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN PER EOF 17
MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA PER EOF 18
TOELICHTINGEN BIJ DE FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF 21
FINANCIËLE STATEN VAN IN HET EOF GECONSOLIDEERDE EU-TRUSTFONDSEN 57
FINANCIËLE STATEN 2023 VAN HET EU-TRUSTFONDS BÊKOU 58
BALANS 64
STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN 65
KASSTROOMOVERZICHT 66
FINANCIËLE STATEN 2023 VAN HET EU-TRUSTFONDS VOOR AFRIKA 67
BALANS 72
STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN 73
KASSTROOMOVERZICHT 74
GECONSOLIDEERDE FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF EN DE EU-TRUSTFONDSEN 75
GECONSOLIDEERDE BALANS 76
GECONSOLIDEERDE STAAT VAN DE FINANCIËLE PRESTATIES 77
GECONSOLIDEERD KASSTROOMOVERZICHT 78
GECONSOLIDEERDE STAAT VAN MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA 79
EOF VERSLAG OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE MIDDELEN 80
FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF
Doordat de cijfers afgerond zijn tot miljoen euro, kan het lijken alsof sommige financiële gegevens in de tabellen hieronder niet correct zijn opgeteld.
EOF-BALANS
in miljoen EUR | |||
Toelichting | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
VASTE ACTIVA | |||
Financiële activa | 2.1 | 87 | 67 |
Voorfinanciering | 2.2 | 574 | 488 |
Bijdragen trustfonds | 2.3 | 216 | 254 |
Vorderingen uit ruiltransacties | 2.4 | 5 | 7 |
883 | 816 | ||
VLOTTENDE ACTIVA | |||
Financiële activa | 2.1 | 3 | 3 |
Voorfinanciering | 2.2 | 954 | 1 396 |
Vorderingen uit ruiltransacties en verhaalbare bedragen uit niet-ruiltransacties | 2.4 | 24 | 27 |
Geldmiddelen en kasequivalenten | 2.5 | 601 | 1 027 |
1 583 | 2 454 | ||
TOTAAL ACTIVA | 2 466 | 3 270 | |
LANGLOPENDE VERPLICHTINGEN | |||
Financiële verplichtingen | 2.6 | (5) | (7) |
(5) | (7) | ||
KORTLOPENDE VERPLICHTINGEN | |||
Schulden | 2.7 | (391) | (426) |
Toegerekende lasten | 2.8 | (984) | (1 131) |
(1 375) | (1 558) | ||
TOTAAL PASSIVA | (1 380) | (1 565) | |
NETTOACTIVA | 1 086 | 1 705 | |
MIDDELEN EN RESERVES | |||
Afgeroepen middelen van het fonds — actieve EOF’s | 2.9 | 54 566 | 65 100 |
Overdracht van afgeroepen middelen van afgesloten EOF’s | 2.9 | 2 252 | 2 252 |
Van vorige jaren overgedragen economisch resultaat | (53 484) | (62 834) | |
Economisch resultaat over het jaar | (2 249) | (2 813) | |
NETTOACTIVA | 1 086 | 1 705 |
EOF STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN
EOF KASSTROOMOVERZICHT
EOF MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA
BALANS — EOF
STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN PER EOF
in miljoen EUR | |||||||||||
2023 | 2022 | ||||||||||
Toelichting | 8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | Totaal | 8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | Totaal | |
ONTVANGSTEN | |||||||||||
Ontvangsten uit niet-ruiltransacties | |||||||||||
Terugvorderingen | 3.1 | – | – | 2 | 12 | 14 | – | (1) | (8) | 28 | 18 |
– | – | 2 | 12 | 14 | – | (1) | (8) | 28 | 18 | ||
Ontvangsten uit ruiltransacties | |||||||||||
Financiële ontvangsten | 3.2 | – | – | (1) | 10 | 9 | – | – | 2 | 1 | 2 |
Overige ontvangsten | 3.2 | – | 2 | 4 | 37 | 43 | – | 3 | 8 | 66 | 77 |
– | 2 | 4 | 46 | 52 | – | 3 | 10 | 67 | 80 | ||
Totaal ontvangsten | – | 2 | 5 | 58 | 65 | – | 1 | 2 | 94 | 98 | |
UITGAVEN | |||||||||||
Uitgevoerd door andere entiteiten | 3.3 | – | – | – | (3) | (3) | – | – | – | (1) | (1) |
Steuninstrumenten | 3.4 | – | 1 | (276) | (1 906) | (2 181) | – | (5) | (295) | (2 489) | (2 789) |
Cofinancieringsuitgaven | 3.5 | – | – | – | (8) | (8) | – | – | 22 | (18) | 4 |
Financieringskosten | 3.6 | – | 1 | (2) | (6) | (7) | 1 | 2 | (3) | (5) | (6) |
Overige uitgaven | 3.7 | - | (3) | (8) | (106) | (116) | – | (5) | (8) | (107) | (119) |
Totaal uitgaven | – | (1) | (286) | (2 028) | (2 315) | 1 | (7) | (284) | (2 620) | (2 911) | |
ECONOMISCH RESULTAAT OVER HET JAAR | – | 1 | (280) | (1 970) | (2 249) | 1 | (6) | (282) | (2 526) | (2 813) |
MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA PER EOF
in miljoen EUR | ||||||||
11e EOF | Middelen van het fonds — actieve EOF’s (A) | Niet-afgeroepen middelen — actieve EOF’s (B) | Afgeroepen middelen van het fonds — actieve EOF’s (C)=(A)-(B) | Gecumuleerde reserves (D) | Overdracht van afgeroepen middelen van afgesloten EOF’s (E) | Overdrachten van afgeroepen middelen van het fonds tussen actieve EOF’s (F) | Totaal nettoactiva (C)+(D)+(E)+(F)+(G) | |
SALDO OP 31.12.2021 | 29 367 | 10 340 | 19 027 | (19 002) | – | 394 | 419 | |
Kapitaalverhoging — bijdragen | (2 500) | 2 500 | 148 | 2 648 | ||||
Economisch resultaat over het jaar | – | (2 526) | – | (2 526) | ||||
SALDO OP 31.12.2022 | 29 367 | 7 840 | 21 527 | (21 528) | – | 541 | 541 | |
Kapitaalverhoging — bijdragen | (1 800) | 1 800 | 87 | 1 887 | ||||
Restitutie aan de lidstaten | (36) | (36) | (36) | |||||
Economisch resultaat over het jaar | – | (1 970) | – | (1 970) | ||||
SALDO OP 31.12.2023 | 29 331 | 6 040 | 23 290 | (23 498) | – | 628 | 422 |
TOELICHTINGEN BIJ DE FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF
Opgelet: doordat de cijfers afgerond zijn tot miljoen euro, kan het lijken alsof sommige financiële gegevens in de tabellen niet correct zijn opgeteld.
1. BELANGRIJKSTE GEHANTEERDE GRONDSLAGEN VOOR FINANCIËLE VERSLAGLEGGING
1. BOEKHOUDBEGINSELEN
Financiële staten zijn bedoeld om een breed scala aan belanghebbenden nuttige informatie te verschaffen over de vermogenspositie, de resultaten en de kasstromen van een entiteit.
De algemene overwegingen (of boekhoudbeginselen) die moeten worden gevolgd bij de opstelling van de financiële staten zijn vastgesteld in EU-boekhoudregel nr 1 “Financiële staten” en zijn dezelfde als die welke zijn beschreven in IPSAS 1, namelijk: juiste weergave, transactiebasis, continuïteit, consistentie van de presentatie, materialiteit, hergroepering, verrekening en vergelijkende informatie. De kwalitatieve aspecten van financiële verslaglegging zijn relevantie, getrouwe weergave (betrouwbaarheid), begrijpelijkheid, tijdigheid, vergelijkbaarheid en controleerbaarheid.
2. OPSTELLINGSGRONDSLAG
1. Verslagperiode
De financiële staten worden jaarlijks opgemaakt. Het boekjaar start op 1 januari en eindigt op 31 december.
2. Munteenheid en omrekeningsbeginselen
De jaarrekeningen worden opgemaakt in euro, aangezien de euro de functionele valuta van de EU is. Verrichtingen in vreemde valuta worden omgerekend in euro tegen de op de transactiedatum geldende wisselkoers. Wisselkoersbaten en -verliezen die voortvloeien uit de afwikkeling van verrichtingen in vreemde valuta’s en uit de omrekening aan het einde van het jaar van in vreemde valuta’s luidende monetaire activa en passiva worden in de staat van de financiële resultaten opgenomen. Er worden verschillende omrekeningsmethoden toegepast voor de materiële vaste activa en de immateriële activa, die hun waarde in euro behouden tegen de bij de aankoop geldende koers.
De saldi aan het einde van het jaar van in vreemde valuta’s luidende monetaire activa en passiva worden omgerekend in euro tegen de op 31 december geldende wisselkoersen van de Europese Centrale Bank (ECB).
Wisselkoersen met de euro
Munteenheid | 31.12.2023 | 31.12.2022 | Munteenheid | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
BGN | 1.9558 | 1.9558 | PLN | 4.3395 | 4.6808 | |
CZK | 24.724 | 24.1160 | RON | 4.9756 | 4.9495 | |
DKK | 7.4529 | 7.4365 | SEK | 11.096 | 11.1218 | |
GBP | 0.86905 | 0.88693 | CHF | 0.926 | 0.9847 | |
NOK | 11.2405 | 10.5138 | JPY | 156.33 | 140.6600 | |
HUF | 382.8 | 400.8700 | USD | 1.105 | 1.0666 |
3. Gebruik van ramingen
Overeenkomstig de IPSAS en algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen bevatten de financiële staten onvermijdelijk bedragen die steunen op ramingen en veronderstellingen die op basis van de meest betrouwbare beschikbare informatie door het management zijn gedaan. Belangrijke ramingen betreffen onder andere, maar niet uitsluitend: de bedragen voor verplichtingen inzake personeelsbeloningen, financiële risico’s verbonden aan vorderingen en bedragen die in de toelichting over de financiële instrumenten zijn opgenomen, voorziening voor bijzondere waardevermindering voor financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs en voor verplichtingen inzake financiëlegarantiecontracten, toegerekende baten en lasten, voorzieningen, waardeverminderingen van immateriële activa en vaste bedrijfsmiddelen, de realiseerbare nettowaarde van voorraden, voorwaardelijke activa en verplichtingen. De werkelijke bedragen kunnen van deze ramingen afwijken.
Redelijke schattingen zijn een essentieel onderdeel van het opstellen van financiële staten en ondergraven hun betrouwbaarheid niet. Een schatting moet mogelijk worden herzien als de omstandigheden waarop de schatting was gebaseerd zijn veranderd of als er nieuwe informatie of meer ervaring beschikbaar is. Vanwege de aard van een schattingswijziging heeft een schattingswijziging geen betrekking op voorgaande perioden en houdt zij geen correctie van een fout in. Het effect van een schattingswijziging zal worden weergegeven in het overschot of tekort in de perioden waarin het bekend wordt.
4. Toepassing van nieuwe en gewijzigde boekhoudregels van de Europese Unie
Nieuwe boekhoudregels van kracht voor jaarperioden die op of na 1 januari 2023 aanvangen
Er zijn geen nieuwe boekhoudregels die van kracht zijn geworden voor jaarperioden die op of na 1 januari 2023 aanvangen.
Nieuwe boekhoudregels vastgesteld, maar nog niet van kracht op 31 december 2023
In 2023 zijn er geen nieuwe boekhoudregels vastgesteld.
3. BALANS
1. Financiële activa
Indeling bij de eerste opname
De indeling van de financiële instrumenten wordt bepaald bij de eerste opname. Op basis van het beheersmodel en de contractuele kasstroomkenmerken van de activa kunnen de financiële activa worden ingedeeld in drie categorieën: “financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs” (AC), “financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de vorm van nettoactiva/eigen vermogen” (FVNA), of “financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten” (FVSD).
i. Financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs
Financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs zijn niet-afgeleide financiële activa die voldoen aan twee voorwaarden: 1) De entiteit houdt deze aan om de contractuele kasstromen te ontvangen. 2) Op bepaalde dagen zijn er contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.
Deze categorie omvat:
- geldmiddelen en kasequivalenten;
- leningen (met inbegrip van termijndeposito’s waarvan de oorspronkelijke looptijd meer dan drie maanden bedraagt);
- Vorderingen uit ruiltransacties
Financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs zijn opgenomen in de vlottende activa, behalve voor de activa met een looptijd van meer dan twaalf maanden vanaf de verslagleggingsdatum.
ii. Financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de vorm van nettoactiva/eigen vermogen
Deze niet-afgeleide financiële activa hebben contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Bovendien heeft het beheersmodel tot doel de financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen en om de financiële activa te verkopen.
Activa in deze categorie worden ingedeeld als vlottende activa indien verwacht wordt dat zij binnen de twaalf maanden na de verslagleggingsdatum zullen worden gerealiseerd.
De entiteit houdt aan het einde van het boekjaar geen activa van dit type aan.
iii. Financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten
De entiteit deelt derivaten en investeringen in eigen vermogen in als FVSD, aangezien de contractuele kasstromen niet uitsluitend de hoofdsom en rentebetalingen op de hoofdsom vertegenwoordigen.
Bovendien deelt de entiteit de schuldbewijzen die zij aanhoudt in als FVSD, aangezien de portefeuilles van schuldbewijzen worden beheerd en geëvalueerd op basis van de reële waarde van de portefeuille.
Activa in deze categorie worden ingedeeld als vlottende activa indien verwacht wordt dat zij binnen de twaalf maanden na de verslagleggingsdatum zullen worden gerealiseerd.
Eerste opname en waardering
Aankopen van financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten worden opgenomen op hun transactiedag, de dag waarop de entiteit tot de aankoop van het actief overgaat. Kasequivalenten en leningen worden opgenomen wanneer contanten bij een financiële instelling op een depositorekening worden geplaatst of aan kredietnemers worden uitgekeerd.
Financiële activa worden initieel gewaardeerd tegen reële waarde. In het geval van financiële activa die niet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten, worden bij de eerste opname transactiekosten toegevoegd aan de reële waarde. In het geval van financiële activa die worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten worden de transactiekosten onder de uitgaven opgenomen in de staat van de financiële resultaten.
De reële waarde van een financieel actief bij de eerste opname is doorgaans de transactieprijs, tenzij de transactie niet zakelijk is, d.w.z. dat die transactie om redenen van overheidsbeleid tegen een niet- of nominale vergoeding wordt verstrekt. In dit geval is het verschil tussen de reële waarde van het financiële instrument en de transactieprijs een niet-wisselkoerscomponent die in de staat van de financiële resultaten als uitgave wordt opgenomen. In dit geval wordt de reële waarde van een financieel actief afgeleid van actuele marktverrichtingen voor een volledig gelijkwaardig instrument. Indien geen actieve markt voor het instrument bestaat, wordt de reële waarde afgeleid van een waarderingstechniek waarvoor gebruik wordt gemaakt van beschikbare gegevens van waarneembare markten.
Waardering na eerste opname
Financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs worden vervolgens tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerd op basis van de effectieverentemethode.
Financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten worden vervolgens tegen reële waarde gewaardeerd. Baten en verliezen als gevolg van veranderingen in de reële waarde (met inbegrip van die welke afkomstig zijn van de omrekening van vreemde valuta en eventueel ontvangen rentebetalingen) worden in de staat van de financiële resultaten opgenomen in de periode waarin zij zich voordoen.
Reële waarde bij waardering na eerste opname
De reële waarde van op actieve markten genoteerde beleggingen is gebaseerd op de actuele biedkoers. Indien de markt voor een financieel actief niet actief is (en voor niet-genoteerde effecten en OTC-derivaten), stelt de EU een reële waarde vast met gebruikmaking van waarderingstechnieken. Daarbij gaat het onder meer om het gebruik van recente, vergelijkbare zakelijke verrichtingen als vergelijkingsbasis, vergelijking met de actuele marktwaarde van een ander instrument dat in wezen hetzelfde is, contantewaardeberekeningen en optiewaarderingsmodellen en andere courant door marktdeelnemers gebruikte waarderingstechnieken.
Investeringen in durfkapitaalfondsen die geen genoteerde marktprijs op een actieve markt hebben, worden gewaardeerd tegen de toerekenbare intrinsieke waarde, die moet worden beschouwd als een equivalent van hun reële waarde.
Waardevermindering van financiële activa
De EU neemt een waardeverminderingsverlies op en waardeert dit voor verwachte kredietverliezen op financiële activa die worden gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs en tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de vorm van nettoactiva/eigen vermogen.
Het verwachte kredietverlies is de contante waarde van het verschil tussen de contractuele kasstromen en de kasstromen die de EU verwacht te zullen ontvangen. Het verwachte kredietverlies is gebaseerd op redelijke en gefundeerde informatie die zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen op de verslagleggingsdatum beschikbaar is.
Voor activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs wordt de boekwaarde van het actief verminderd met het bedrag van het waardeverminderingsverlies dat in de staat van de financiële resultaten wordt opgenomen. Indien in een volgende periode het bedrag van de waardeverminderingen afneemt, wordt de afboeking van het financieel actief teruggeboekt via de staat van de financiële resultaten.
a. Vorderingen
De entiteit waardeert het waardeverminderingsverlies tegen het bedrag van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen met behulp van praktische hulpmiddelen (bv. een voorzieningenmatrix).
b. Geldmiddelen en kasequivalenten
De entiteit houdt geldmiddelen en kasequivalenten aan op lopende rekeningen en termijndeposito’s van maximaal drie maanden. De geldmiddelen worden aangehouden bij banken met zeer hoge kredietratings, dus met zeer lage kansen op wanbetaling. Gezien de korte duur en de lage kansen op wanbetaling, zijn de verwachte kredietverliezen van geldmiddelen en kasequivalenten verwaarloosbaar. Bijgevolg wordt voor kasequivalenten geen voorziening voor bijzondere waardevermindering opgenomen.
c. Leningen
Het verwachte kredietverlies wordt gewaardeerd met behulp van een driestappenmodel waarin rekening wordt gehouden met kansgewogen gevallen van wanbetaling gedurende de looptijd van het financieel actief en de ontwikkeling van het kredietrisico sinds de initiëring van het financieel actief. Voor leningen is de initiëring de datum van de onherroepelijk toegezegde lening.
Indien het kredietrisico sinds de initiëring niet aanzienlijk is toegenomen (“fase 1”), is het waardeverminderingsverlies het te verwachten kredietverlies door mogelijke gevallen van wanbetaling in de komende twaalf maanden na de verslagleggingsdatum (“binnen twaalf maanden te verwachten kredietverlies”). Indien het kredietrisico sinds de initiëring aanzienlijk is toegenomen (“fase 2”) of indien op objectieve wijze een kredietwaardigheidsvermindering kan worden aangetoond (“fase 3”), komt het waardeverminderingsverlies overeen met het te verwachten kredietverlies door mogelijke gevallen van wanbetaling gedurende de gehele looptijd van het financieel actief (“tijdens de looptijd te verwachten kredietverlies”)
Verwijdering uit de balans
Financiële instrumenten worden uitgeboekt wanneer de rechten op kasstromen uit de beleggingen zijn vervallen of de entiteit in wezen alle aan eigendom verbonden risico’s en voordelen aan een andere partij heeft overgedragen. Verkoop van financiële activa met verwerking van overschotten of tekorten wordt opgenomen op de transactiedatum ervan.
2. Voorfinanciering
Voorfinanciering heeft ten doel om de begunstigde te voorzien van een kasvoorschot, dat wil zeggen van contante middelen. Zij kan worden opgesplitst in een aantal betalingen gedurende een periode die in het contract, het besluit, de overeenkomst of de basishandeling in kwestie is vastgesteld. Het voorschot wordt hetzij gebruikt voor het doel waarvoor het gedurende de in de overeenkomst vastgestelde periode is verstrekt, hetzij terugbetaald. Indien de begunstigden geen subsidiabele uitgaven verrichten, zijn zij verplicht om de voorfinanciering aan de entiteit terug te betalen. Aangezien de entiteit de controle over de voorfinanciering behoudt en recht heeft op terugbetaling van het niet-subsidiabele deel, wordt het bedrag geboekt als een actief.
Voorfinanciering wordt initieel opgenomen op de balans wanneer de geldmiddelen aan de ontvanger worden overgemaakt. Voorfinanciering wordt gewaardeerd tegen het bedrag van de vergoeding. Voorfinanciering wordt in daaropvolgende perioden gewaardeerd tegen het initieel in de balans opgenomen bedrag, verminderd met tijdens de periode gedane subsidiabele uitgaven (inclusief in voorkomend geval geraamde bedragen).
3. Vorderingen en verhaalbare bedragen
De boekhoudregels van de EU vereisen dat wissel- en niet-ruiltransacties afzonderlijk worden weergegeven. Om een onderscheid te maken tussen beide categorieën, is de term “vordering” voorbehouden voor ruiltransacties, terwijl voor niet-ruiltransacties, d.w.z. waarbij de EU waarde van een andere entiteit ontvangt zonder onmiddellijk een gelijkwaardige tegenprestatie te leveren, de term “verhaalbare bedragen” wordt gebruikt (bv. op de lidstaten verhaalbare bedragen betreffende de eigen middelen).
Vorderingen uit ruiltransacties voldoen aan de definitie van financiële instrumenten. De entiteit beschouwt deze vorderingen als financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs en waardeert ze dienovereenkomstig.
Verhaalbare bedragen uit niet-ruiltransacties worden gewaardeerd tegen de reële waarde op de verwervingsdatum minus waardeverminderingen. Er wordt een waardevermindering geboekt wanneer er objectief bewijs bestaat dat de entiteit niet alle verschuldigde bedragen volgens de oorspronkelijke voorwaarden van de verhaalbare bedragen zal kunnen innen. De waardevermindering is het verschil tussen de boekwaarde van het actief en het realiseerbare bedrag. De waardevermindering wordt opgenomen in de staat van de financiële resultaten.
4. Geldmiddelen en kasequivalenten
Geldmiddelen en kasequivalenten zijn financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs en omvatten liquide middelen, bij banken onmiddellijk of op korte termijn opvraagbare deposito’s, en andere kortlopende, zeer liquide beleggingen met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste drie maanden.
5. Schulden
Opgenomen onder schulden zijn bedragen die betrekking hebben op zowel ruiltransacties zoals de aankoop van goederen en diensten als niet-ruiltransacties die bijvoorbeeld betrekking hebben op kostendeclaraties van begunstigden, subsidies of andere vormen van EU-financiering (zie toelichting 1.4.1).
Bij de verstrekking van subsidies en andere financiering aan begunstigden worden de kostendeclaraties geboekt als schulden voor het gevraagde bedrag op het ogenblik dat de kostendeclaratie wordt ontvangen. Na verificatie en aanvaarding van de subsidiabele kosten, worden de schulden gewaardeerd tegen het aanvaarde en subsidiabele bedrag.
Schulden die voortvloeien uit de aankoop van goederen en diensten worden bij ontvangst van de factuur opgenomen voor het oorspronkelijke bedrag. De desbetreffende uitgaven worden in de boekhouding opgenomen wanneer de goederen of diensten worden geleverd en door de entiteit worden aanvaard.
6. Financiële verplichtingen
Financiële verplichtingen worden ingedeeld als financiële verplichtingen gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, financiële verplichtingen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten, of als verplichtingen inzake financiëlegarantiecontracten.
Financiële verplichtingen tegen geamortiseerde kostprijs worden initieel opgenomen tegen reële waarde, met inbegrip van transactiekosten, en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs aan de hand van de effectieverentemethode. Zij worden alleen uit het overzicht van de financiële positie verwijderd als de verplichting is vervuld, komt te vervallen, is geannuleerd of is verlopen.
Financiële verplichtingen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten omvatten derivaten wanneer de reële waarde negatief is. Wanneer het garantiecontract van de entiteit verlangt dat zij betalingen doet naar aanleiding van wijzigingen in de prijzen van financiële instrumenten of wisselkoersen, is het garantiecontract een derivaat. Zij worden boekhoudkundig op dezelfde manier verwerkt als financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten.
De entiteit neemt een verplichting inzake financiëlegarantiecontracten op wanneer zij een contract aangaat op grond waarvan zij verplicht is bepaalde betalingen te verrichten om de garantienemer te compenseren voor een door hem geleden verlies, omdat een bepaalde debiteur zijn betalingsverplichting uit hoofde van de oorspronkelijke of herziene voorwaarden van een schuldbewijs niet nakomt. Verplichtingen inzake financiëlegarantiecontracten worden initieel opgenomen tegen reële waarde.
De waardering na eerste opname hangt af van de ontwikkeling van de kredietrisicoblootstelling van de financiële garantie. Indien het kredietrisico niet aanzienlijk is toegenomen (“fase 1”), worden financiële verplichtingen in verband met garanties gewaardeerd tegen de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen en het initieel opgenomen bedrag verminderd met, in voorkomend geval, de geaccumuleerde afschrijvingen. Indien het kredietrisico aanzienlijk is toegenomen (“fase 2”), worden financiële verplichtingen in verband met garanties gewaardeerd tegen de binnen de looptijd te verwachten kredietverliezen en het initieel opgenomen bedrag verminderd met, in voorkomend geval, de geaccumuleerde afschrijvingen.
Financiële verplichtingen worden onder de niet-vlottende activa opgenomen, tenzij de looptijd binnen de twaalf maanden na de balansdatum verstrijkt. Financiëlegarantiecontracten worden ingedeeld als kortlopende verplichtingen, behalve als de entiteit een onvoorwaardelijk recht heeft om de afwikkeling van de verplichting met ten minste twaalf maanden na de verslagleggingsdatum uit te stellen.
7. Overlopende posten
Transacties en gebeurtenissen worden in de financiële staten opgenomen in de periode waarop zij betrekking hebben. Wanneer er aan het einde van het jaar geen factuur is opgesteld en de dienst is verstrekt of de goederen zijn geleverd door de entiteit of er een contractuele overeenkomst bestaat (bv. op grond van een contract), worden de aan de periode toerekenbare ontvangsten in de financiële staten opgenomen. Wanneer er bovendien aan het einde van het jaar een factuur is opgesteld, maar de dienst nog niet is verstrekt of de goederen nog niet zijn geleverd, worden de ontvangsten uitgesteld en in de volgende boekhoudkundige periode geboekt.
Ook uitgaven worden geboekt in de periode waarop zij betrekking hebben. Aan het einde van de boekhoudkundige periode worden de toegerekende uitgaven opgenomen tegen het geraamde bedrag van de voor de periode verschuldigde overdracht. De berekening van toegerekende uitgaven gebeurt volgens gedetailleerde operationele en praktische richtsnoeren die zijn uitgegeven door de rekenplichtige en die tot doel hebben te waarborgen dat de financiële staten een getrouw beeld geven van de economische en andere bijzonderheden die zij willen weergeven. Evenzo wordt de uitgave uitgesteld en in de volgende boekhoudkundige periode geboekt wanneer een vooruitbetaling plaatsvond voor diensten of goederen die nog niet zijn ontvangen.
4. STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN
1. Ontvangsten
Ontvangsten omvatten uitsluitend de bruto-instroom van economische voordelen of door de entiteit ontvangen of te ontvangen dienstenpotentieel, die een toename van de nettoactiva vertegenwoordigt, zonder de toenamen die verband houden met bijdragen van de eigenaars.
Afhankelijk van de aard van de onderliggende transacties in de staat van de financiële resultaten, wordt onderscheid gemaakt tussen:
Ontvangsten uit niet-ruiltransacties
Ontvangsten uit niet-ruiltransacties zijn belastingen en overdrachten, omdat de overdragende partij middelen ter beschikking stelt van de ontvangende partij zonder dat de ontvangende partij in ruil hiervoor rechtstreeks een ongeveer gelijke waarde verstrekt. Overdrachten zijn de instroom van toekomstige economische voordelen of dienstenpotentieel van niet-ruiltransacties, behalve belastingen. Voor de EU-entiteiten omvatten de overdrachten voornamelijk middelen die van de Commissie zijn ontvangen (bv. evenwichtssubsidie aan de traditionele agentschappen, exploitatiesubsidie voor de delegatieovereenkomsten).
De entiteit neemt een actief op met betrekking tot overdrachten wanneer de entiteit de middelen controleert als gevolg van een gebeurtenis in het verleden (de overdracht) en ervan uitgaat dat zij in de toekomst van deze middelen economische voordelen of dienstenpotentieel zal ontvangen en wanneer de reële waarde op een betrouwbare wijze kan worden gemeten. Een instroom van middelen uit een niet-wisseltransactie die als een actief (d.i. cash) is opgenomen, wordt ook opgenomen als ontvangsten, tenzij de entiteit een bestaande verplichting heeft met betrekking tot deze overdracht (voorwaarde), waaraan moet worden voldaan voordat de ontvangsten kunnen worden geboekt. Tot aan de voorwaarde is voldaan, worden de ontvangsten uitgesteld en geboekt als een verplichting.
Ontvangsten uit ruiltransacties
Ontvangsten uit de verkoop van goederen en diensten worden opgenomen wanneer de beduidende risico’s en voordelen verbonden aan de eigendom van de goederen op de koper zijn overgegaan. Ontvangsten uit een verrichting die de levering van diensten behelst, worden opgenomen in verhouding tot de mate van voltooiing van de verrichting op de verslagdatum.
a. Rentebaten en lasten
Rentebaten en -lasten van financiële activa en financiële verplichtingen gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs worden in de staat van de financiële resultaten opgenomen op basis van de effectieverentemethode. Dit is een methode om de geamortiseerde kostprijs van een financieel actief of een financiële verplichting te berekenen en om de rentebaten of -lasten toe te rekenen aan de periode waarop ze betrekking hebben.
d. Dividendinkomsten
Inkomsten uit dividenden worden opgenomen wanneer het recht om betaling te ontvangen is vastgesteld.
e. Ontvangsten en uitgaven van financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten
Dit heeft betrekking op de tegen reële waarde gewaardeerde winsten (ontvangsten) en tegen reële waarde gewaardeerde verliezen (uitgaven) van deze financiële activa, met inbegrip van die welke afkomstig zijn van de omrekening van vreemde valuta. Voor rentedragende financiële activa omvat dit tevens rente.
f. Ontvangsten uit financiëlegarantiecontracten
De ontvangsten uit financiëlegarantiecontracten (garantiepremie) worden opgenomen voor de tijd dat de entiteit klaar staat om de houder van het financiëlegarantiecontract te compenseren voor het kredietverlies dat hij zou kunnen lijden.
2. Uitgaven
Uitgaven zijn afgenomen economische baten of dienstenpotentieel tijdens de verslagperiode in de vorm van de uitstroom of het verbruik van activa of het aangaan van verplichtingen dat resulteert in de afname van de nettoactiva/vermogen. Zij omvatten zowel uitgaven die voortvloeien uit ruiltransacties als uitgaven die voortvloeien uit niet-ruiltransacties.
De kosten van ruiltransacties die voortvloeien uit de aanschaf van goederen en diensten worden opgenomen wanneer de goederen zijn geleverd en door de entiteit zijn aanvaard. Zij worden gewaardeerd tegen het oorspronkelijke factuurbedrag. Voorts worden uitgaven die verband houden met de diensten die tijdens de desbetreffende periode zijn verstrekt en waarvoor nog geen factuur is ingediend of aanvaard, op de balansdatum opgenomen in de staat van de financiële resultaten.
Uitgaven die voortvloeien uit niet-ruiltransacties hebben betrekking op overdrachten aan begunstigden, die van drieërlei aard kunnen zijn: rechten, overdrachten bij overeenkomst en subsidies, bijdragen en giften. Overdrachten worden als uitgaven opgenomen in de periode waarin de gebeurtenissen die aanleiding geven tot de overdracht zich voordoen, mits de overdracht bij besluit is toegestaan of een overeenkomst is ondertekend waarbij de overdracht wordt toegestaan, de begunstigde heeft voldaan aan eventuele subsidiabiliteitscriteria en van het bedrag een redelijke raming kan worden gemaakt.
Betalingsverzoeken of kostendeclaraties die aan de voorwaarden voor erkenning voldoen, worden als uitgaven opgenomen voor het in aanmerking komende bedrag. Aan het einde van het jaar worden in aanmerking komende bedragen die aan de begunstigden verschuldigd zijn, maar waarvoor nog geen declaratie heeft plaatsgevonden, geraamd en geboekt als toegerekende uitgaven.
5. VOORWAARDELIJKE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN
1. Voorwaardelijke activa
Een voorwaardelijk actief is een mogelijk actief dat voortvloeit uit gebeurtenissen in het verleden en waarvan het bestaan alleen wordt bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van een of meer onzekere toekomstige gebeurtenissen waarover de entiteit niet de volledige controle heeft. Een voorwaardelijk actief wordt vermeld wanneer een instroom van economische voordelen of dienstenpotentieel waarschijnlijk is geworden.
2. Voorwaardelijke verplichtingen
Een voorwaardelijke verplichting is een mogelijke verplichting waarvan het bestaan alleen wordt bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van een of meer onzekere toekomstige gebeurtenissen waarover de entiteit niet de volledige controle heeft; of een bestaande verplichting indien het niet waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen die economische voordelen of dienstenpotentieel inhouden, vereist zal zijn om de verplichting af te wikkelen.
Een voorwaardelijke verplichting ontstaat ook in de zeldzame omstandigheden waarin een bestaande verplichting bestaat maar niet met voldoende betrouwbaarheid kan worden gewaardeerd.
Voorwaardelijke verplichtingen worden niet in de rekeningen opgenomen. Zij worden vermeld tenzij een uitstroom van middelen die economische voordelen of dienstenpotentieel in zich bergen zeer onwaarschijnlijk is.
6. MIDDELEN VAN HET FONDS
De EOF-lidstaten leveren bijdragen aan het fonds voor de uitvoering van EOF-programma’s, zoals bepaald in het Intern Akkoord van elk EOF. Volgens de toepasselijke rechtsgrondslag wordt over de opvragingen van kapitaal, d.w.z. de verzoeken om financiering voor een bepaald jaar N, in het jaar N-1 een besluit van de Raad genomen, waarbij de te ontvangen middelen duidelijk worden toegewezen aan specifieke toekomstige perioden.
De bijdragen voldoen aan de criteria voor inbreng van eigenaars (boekhoudregels van de Europese Unie (EAR) 1) en worden derhalve in de jaarrekening van het EOF als middelen van het fonds beschouwd. De middelen van het fonds vertegenwoordigen het totale bedrag van de bijdragen die van de EOF-lidstaten moeten worden ontvangen. Aangezien de niet-afgeroepen middelen van het fonds openlijk van de totale middelen van het fonds worden afgetrokken (zie Mutatieoverzicht van de nettoactiva), worden alleen de afgeroepen middelen van het fonds in de balans opgenomen.
Aangezien de overeengekomen bijdragen worden toegewezen aan bepaalde verslagperioden, waarbij de wettelijke vordering van het EOF op de EOF-lidstaten alleen in deze perioden ontstaat, worden alle vooraf ontvangen bedragen opgenomen als uitgestelde bijdragen aan middelen van het fonds in het kader van schulden en niet als opgevraagd kapitaal.
7. COFINANCIERING
De ontvangen cofinancieringsbijdragen worden als aan de lidstaten en niet-lidstaten en andere entiteiten te betalen bedragen geboekt, aangezien zij voldoen aan de criteria van ontvangsten uit voorwaardelijke niet-ruiltransacties. Het EOF moet de bijdragen gebruiken voor dienstverlening aan derden. Anders moet het EOF de activa (de ontvangen bijdragen) teruggeven. De openstaande schuld voor cofinancieringsovereenkomsten is de ontvangen cofinancieringsbijdrage verminderd met de uitgaven die met betrekking tot het project zijn gedaan. Dit heeft geen effect op de nettoactiva.
Uitgaven met betrekking tot cofinancieringsprojecten worden opgenomen wanneer zij zich voordoen. Het overeenkomstige bedrag van de bijdragen wordt geboekt als exploitatiebaten. Er is geen effect op het economisch resultaat van het jaar.
2. TOELICHTINGEN BIJ DE BALANS
ACTIVA
1. FINANCIËLE ACTIVA
Een financieel actief is een actief dat:
a) een geldmiddel is;
b) een eigenvermogensinstrument van een andere entiteit is;
c) een contractueel recht is om: geldmiddelen of een ander financieel actief te ontvangen van een andere entiteit; of om financiële activa of financiële verplichtingen te ruilen met een andere entiteit onder voorwaarden die potentieel voordelig zijn voor de entiteit; of
d) een contract is dat in de eigenvermogensinstrumenten van de entiteit zal of kan worden afgewikkeld.
Financiële activa worden ingedeeld in de volgende categorieën: “financiële activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs” (AC), “financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten” (FVSD) en “financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de vorm van nettoactiva/eigen vermogen” (FVNA). De indeling van de financiële instrumenten wordt bepaald bij de eerste opname en op elke balansdatum herbekeken.
De financiële activa van het EOF bestaan uit financiële activa tegen FVSD en leningen en zijn:
De 70 miljoen EUR van financiële activa tegen FVSD heeft betrekking op investeringen in eigen vermogen op de volgende gebieden:
- hernieuwbare duurzame energie via Climate Investor One, ElectriFI en GEEREF;
- de bevordering van inclusieve financiering van kleine en middelgrote landbouwbedrijven via het ABC FUND;
- financiële inclusie in Uganda via aBi Finance; en
- het scheppen van banen en het creëren van duurzame groei in Afrika via het initiatief Boost Africa.
De 16 miljoen EUR aan langlopende leningen heeft betrekking op twee belangrijke gebieden: duurzame landbouw via het AgriFI en toegang tot en opwekking van elektriciteit uit duurzame energiebronnen via de investeringsfaciliteit ElectriFI.
De 3 miljoen EUR in de rubriek “vlottende financiële activa” heeft volledig betrekking op een investering in eigen vermogen in het kader van het financiële instrument ElectriFI, dat gericht is op de financiering van kleine aanloopprojecten voor toegang tot en opwekking van elektriciteit uit duurzame energiebronnen in opkomende markten, met bijzondere aandacht voor sub-Saharaans Afrika.
2. VOORFINANCIERING
Talrijke contracten voorzien in de betaling van voorschotten voor de aanvang van werken, de levering van voorraden of de verrichting van diensten. Soms wordt in de betalingsregeling van contracten bepaald dat de betalingen op basis van voortgangsverslagen zullen plaatsvinden. Voorfinanciering wordt normaal gesproken uitbetaald in de munteenheid van het land of gebied waar het project wordt uitgevoerd.
De termijn waarbinnen de voorfinanciering kan worden gebruikt, bepaalt of deze wordt opgenomen als kortlopende of langlopende voorfinanciering. Het gebruik is vastgelegd in de onderliggende overeenkomst van het project. Indien het gebruik binnen de twaalf maanden na de verslagleggingsdatum moet plaatsvinden, gaat het om een kortlopende voorfinanciering. Omdat uit het EOF veel langetermijnprojecten worden gefinancierd, moeten de desbetreffende voorfinancieringen langer dan een jaar beschikbaar zijn. Bijgevolg worden sommige voorfinancieringen geboekt als niet-vlottende activa.
in miljoen EUR | |||||||
Toelichting | 8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Niet-vlottende voorfinanciering | 2.2.1 | – | – | 447 | 127 | 574 | 488 |
Vlottende voorfinanciering | 2.2.2 | – | 5 | 113 | 836 | 954 | 1 396 |
Totaal | – | 5 | 560 | 963 | 1 529 | 1 884 |
De daling van de totale voorfinanciering met 356 miljoen EUR per 31 december 2023 kan grotendeels worden verklaard uit de daling van de voorfinanciering die in het kader van het 11e EOF aan begunstigden is uitbetaald en die afnam van 1 221 miljoen EUR in 2022 tot 963 miljoen EUR in 2023. Dit is in overeenstemming met de levenscyclus van het EOF en houdt tevens verband met de ontwikkeling van het aantal lopende contracten. Het 11e EOF is tot volle wasdom gekomen toen de vervalclausule eind 2020 in werking trad. Sinds 1 januari 2021 konden in het kader van het 11e EOF geen nieuwe financieringsovereenkomsten meer worden gesloten, maar specifieke contracten voor de bestaande overeenkomsten kunnen nog wel steeds worden gesloten. Dit leidde tot een daling van het totale bedrag van de nieuw ondertekende contracten van 2 118 miljoen EUR in 2021 tot 853 miljoen EUR in 2022 en 860 miljoen EUR in 2023.
De voorfinanciering in het kader van het 10e EOF daalde van 648 miljoen EUR in 2022 tot 560 miljoen EUR in 2023, wat aansluit bij de normale trend die in 2021 werd waargenomen en die in overeenstemming is met de levenscyclus van het EOF.
427 miljoen EUR aan langlopende voorfinanciering heeft betrekking op de openstaande voorfinanciering voor twee contracten in het kader van het EU-infrastructuurtrustfonds voor Afrika (AITF). Het doel van dit trustfonds is het verlenen van financiële steun met subsidies aan infrastructuurprojecten, naast langlopende financiering die beschikbaar wordt gesteld door projectfinanciers. De verstrekking van die subsidies vormt een hefboom voor de verstrekking van langlopende financiering door deelnemende financiële instellingen. Ten tijde van de ondertekening van de contracten werden de soorten acties van het AITF geacht adequaat door de overeenkomst te worden gedekt (er was nog geen template beschikbaar voor financieringsinstrumenten en in de verordening werd dit type instrument niet genoemd). Bijgevolg werden de in het kader van deze overeenkomsten verrichte betalingen geregistreerd als voorfinanciering en niet als component van een financieringsinstrument. Vanwege het langetermijnkarakter van de door het trustfonds uitgevoerde verrichtingen is de jaarlijkse verrekening van de oude voorfinanciering van het AITF zeer beperkt en gespreid over de jaren. Om beter rekening te houden met de projectvoorwaarden is de openstaande voorfinanciering van 427 miljoen EUR geherclassificeerd naar langlopend (zie toelichting 3.4).
1. Niet-vlottende voorfinanciering op basis van de beheersvorm
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Voorfinanciering (bruto) | – | 7 | 749 | 4 150 | 4 906 | 5 616 |
Afgewikkeld in het kader van afsluiting | – | (2) | (636) | (3 314) | (3 952) | (4 220) |
Totaal | – | 5 | 113 | 835 | 954 | 1 396 |
3. Vlottende voorfinanciering op basis van de beheersvorm
Om de voorfinancieringen te garanderen, worden waarborgen aangehouden. Deze worden vrijgegeven wanneer de laatste kostendeclaratie voor een project is betaald.
in miljoen EUR | ||
31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Garanties voor voorfinancieringen | 32 | 37 |
De 32 miljoen EUR bestaat uit garanties als zekerheid voor voorfinancieringen die in direct beheer worden betaald, waarbij het EOF de begunstigde van de garantie is. Het grootste deel van de voorfinanciering wordt echter betaald in het kader van indirect beheer, waarbij de begunstigde van de garantie niet het EOF is, maar de aanbestedende dienst. Zelfs indien het EOF niet de begunstigde is, worden de activa van het EOF door deze waarborgen gegarandeerd. In 2023 bedroegen deze garanties 426 miljoen EUR.
3. BIJDRAGEN TRUSTFONDS
Deze rubriek omvat het bedrag dat als bijdrage is betaald aan het EU-trustfonds voor Afrika en het EU-trustfonds Bêkou. De kosten die het trustfonds heeft gemaakt en die door het EOF moeten worden gedragen, zijn van de bijdragen afgetrokken.
De bijdragen uit het trustfonds worden onder direct beheer door het EOF uitgevoerd.
in miljoen EUR | ||||
Nettobijdrage op 31.12.2022 | In 2023 betaalde bijdragen | Toewijzing netto-uitgaven trustfondsen 2023 | Nettobijdrage op 31.12.2023 | |
Afrika | 243 | 231 | (287) | 186 |
Bêkou | 11 | 43 | (24) | 30 |
Totaal | 254 | 274 | (311) | 216 |
De verlaging van de bijdragen van 330 miljoen EUR in 2022 tot 274 miljoen EUR in 2023 is het gevolg van de daling van de uitgaven voor trustfondsen als gevolg van de afwikkeling van beide trustfondsen. Eind 2021 hadden het EU-trustfonds voor Afrika en het EU-trustfonds Bêkou de piek van hun activiteiten bereikt toen de periode voor de sluiting van contracten afliep. De liquidatie van de trustfondsen die daarna begon, leidde tot een daling van het aantal lopende contracten en daarmee tot een daling van de uitgaven.
4. VORDERINGEN UIT RUILTRANSACTIES EN VERHAALBARE BEDRAGEN UIT NIET-RUILTRANSACTIES
Ruiltransacties zijn transacties waarbij de entiteit activa of diensten ontvangt, of haar verplichtingen worden afgelost, en rechtstreeks een min of meer gelijke waarde in ruil verstrekt (voornamelijk in de vorm van goederen, diensten of gebruik van activa) aan de andere partij. Niet-ruiltransacties zijn transacties waarbij een entiteit waarde van een andere entiteit ontvangt zonder rechtstreeks een min of meer gelijke waarde in ruil te verstrekken of waarde geeft aan een andere entiteit zonder rechtstreeks een min of meer gelijke waarde in ruil te ontvangen.
1. Niet-vlottende vorderingen uit ruiltransacties
Per 31.12.2023 heeft het EOF 5 miljoen EUR aan langlopende vorderingen uit ruiltransacties, die hoofdzakelijk bestaan uit uitgestelde lasten die voortvloeien uit verschillende financiële instrumenten.
2. Vorderingen uit ruiltransacties en verhaalbare bedragen uit niet-ruiltransacties
in miljoen EUR | |||
Toelichting | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Verhaalbare bedragen uit niet-ruiltransacties | 2.4.2.1 | 13 | 15 |
Vorderingen uit ruiltransacties | 2.4.2.2 | 12 | 12 |
Totaal | 24 | 27 |
1. Verhaalbare bedragen uit niet-ruiltransacties
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Klanten | – | 3 | 44 | 9 | 55 | 56 |
Overheidsinstanties | – | 4 | 13 | 2 | 19 | 19 |
Derde landen | – | 1 | 4 | 1 | 6 | 7 |
Afschrijving | – | (7) | (55) | (6) | (68) | (67) |
Totaal | – | 1 | 7 | 5 | 13 | 15 |
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Toegerekende baten | - | - | - | 1 | 1 | 1 |
Rekeningen tussen EOF’s | – | (200) | 426 | (225) | – | 1 |
Overige | – | – | 4 | 7 | 11 | 10 |
Totaal | – | (200) | 430 | (218) | 12 | 12 |
Om redenen van doelmatigheid is de enige kas voor alle EOF’s ondergebracht bij het 11e EOF; dit leidt tot wederzijdse verrichtingen tussen de verschillende EOF’s; deze worden gesaldeerd door middel van verbindingsrekeningen tussen de verschillende EOF-balansen.
De rubriek “Overige” omvat hoofdzakelijk vorderingen die voortvloeien uit financiële instrumenten. Van de 11 miljoen EUR aan overige vorderingen heeft een bedrag van 4 miljoen EUR betrekking op een vordering van het Wereldfonds voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energie (Geeref) en heeft een bedrag van 7 miljoen EUR betrekking op een vordering van Climate Investor One.
5. GELDMIDDELEN EN KASEQUIVALENTEN2
Geldmiddelen en kasequivalenten zijn financiële instrumenten tegen geamortiseerde kostprijs en omvatten liquide middelen, bij banken onmiddellijk of op korte termijn opvraagbare deposito’s (zoals lopende rekeningen en spaarrekeningen) en andere kortlopende, zeer liquide beleggingen met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste drie maanden.
De daling van de geldmiddelen en kasequivalenten met 426 miljoen EUR is voornamelijk veroorzaakt door de afname van de kasreserves bij centrale banken. Deze daling is toe te schrijven aan de daling van de afgeroepen bijdragen, die afnamen van 2 500 miljoen EUR in 2022 naar 1 800 miljoen EUR in 2023. Daarnaast ontvingen de lidstaten een terugbetaling van 43 miljoen EUR uit het 9e EOF voor de eerste tranche van 2023, terwijl het VK verzocht om verrekening van zijn bijdragen voor de tweede en derde tranche van 2023 ten bedrage van 154 miljoen EUR met zijn uitstaande aandeel in het 10e en 11e EOF (zie toelichting 2.9.1).
Net als in voorgaande jaren en om het tegenpartijrisico te beperken, worden meer liquide middelen bijgehouden op rekeningen bij centrale banken dan bij de commerciële banken (zie toelichting 5.1).
PASSIVA
6. FINANCIËLE VERPLICHTINGEN
Een financiële verplichting is elke verplichting die:
a) een contractuele verplichting is om: geldmiddelen of een ander financieel actief aan een andere entiteit te leveren; financiële activa of financiële verplichtingen te ruilen met een andere entiteit onder voorwaarden die potentieel nadelig zijn voor de entiteit; of
b) een contract is dat in de eigenvermogensinstrumenten van de entiteit zal of kan worden afgewikkeld.
De financiële verplichtingen worden geclassificeerd in de volgende categorieën: “financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten”, “overige financiële verplichtingen die tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerd zijn, of verplichtingen uit hoofde van financiëlegarantiecontracten.
1. Financiële voorzieningen
Deze voorzieningen zijn de geraamde kredietverliezen die zullen worden opgelopen in verband met de voor diverse financiële instrumenten verstrekte leningen.
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Financiële voorzieningen | – | – | – | 3 | 3 | 1 |
Het bedrag van 3 miljoen EUR vertegenwoordigt het geraamde verlies in verband met de garantie die is verleend in het kader van de volgende financiële instrumenten: ElectriFI CW en ElectriFI CW II en AgriFI Regional ACP.
2. Financiële garanties
Deze voorzieningen zijn de geraamde verliezen die zullen worden opgelopen in verband met de voor diverse financiële instrumenten verstrekte garanties, waarbij de met de uitvoering belaste entiteiten bevoegd zijn om in eigen naam, maar namens en voor rekening van het EOF, garanties te verstrekken. Het financiële risico van het EOF in verband met de garanties is begrensd, en er worden geleidelijk voorzieningen aangelegd om toekomstige garantieclaims af te dekken.
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Financiële garantieverplichtingen | – | – | – | 1 | 1 | 1 |
Het bedrag van 1 miljoen EUR staat voor het geraamde verlies met betrekking tot de garantie in het kader van het financiële instrument Euritz van 11 miljoen EUR (zie toelichting 3.2.1).
3. Overige financiële verplichtingen
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Financiële verplichtingen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van overschotten of tekorten | – | – | – | 1 | 1 | 2 |
Het bedrag van 1 miljoen EUR heeft volledig betrekking op de schulden die voortvloeien uit het financiële instrument ABI Finance.
4. Cofinanciering — schulden
Cofinancieringsschulden zijn middelen die het EOF heeft ontvangen in het kader van de cofinancieringsovereenkomsten. Het EOF is verplicht deze bijdragen te gebruiken om de overeengekomen diensten aan derden te leveren en de ongebruikte middelen aan de contribuanten terug te storten. De timing van het gebruik van de cofinancieringsbedragen bepaalt of zij als kortlopende of als langlopende financiering worden opgenomen.
Aan het einde van het jaar worden alle cofinancieringsschulden per geval beoordeeld en worden alle bedragen die in de volgende twaalf maanden waarschijnlijk niet zullen worden gebruikt, beschouwd als langlopend. De huidige bedragen zijn opgenomen in toelichting 2.7.2.
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Niet-vlottende cofinancieringssschulden | – | – | – | 1 | 1 | 3 |
Vlottende cofinancieringsschulden | – | – | 18 | 23 | 41 | 46 |
Totaal | – | – | 19 | 24 | 42 | 49 |
7. SCHULDEN
Schulden zijn betalingsverplichtingen voor goederen of diensten die zijn ontvangen of geleverd en die — in tegenstelling tot toegerekende lasten — reeds zijn gefactureerd of formeel overeengekomen met de leverancier. Schulden kunnen betrekking hebben op zowel ruiltransacties (zoals de aankoop van goederen en diensten) als niet-ruiltransacties (bv. kostendeclaraties van begunstigden van subsidies, voorfinanciering of andere vormen van EU-financiering).
in miljoen EUR | |||||||
Toelichting | 8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Kortlopende schulden | 2.7.1 | – | - | 50 | 210 | 260 | 230 |
Diverse schulden | 2.7.2 | – | 0 | 14 | 118 | 132 | 196 |
Totaal | – | 0 | 63 | 328 | 391 | 426 |
1. Kortlopende schulden
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Leveranciers | – | 2 | 7 | 89 | 98 | 63 |
Derde landen | – | – | 3 | 29 | 32 | 126 |
Overheidsinstanties | – | – | 19 | 110 | 129 | 41 |
Andere kortlopende schulden | – | (2) | 20 | (18) | – | – |
Totaal | – | – | 50 | 210 | 260 | 230 |
Schulden omvatten grotendeels kostendeclaraties die door het EOF zijn ontvangen met betrekking tot aan de begunstigden verstrekte subsidies. Zij worden geboekt op het moment dat de kostendeclaratie wordt ontvangen, en voor het volledige bedrag van de kostendeclaratie. Na een subsidiabiliteitscontrole worden alleen de subsidiabele bedragen aan de begunstigden betaald. Aan het einde van het jaar worden de uitstaande kostendeclaraties geanalyseerd en worden de geraamde subsidiabele bedragen in verband met die kostendeclaraties opgenomen in de staat van de financiële resultaten. De geraamde niet-subsidiabele bedragen worden opgenomen als andere kortlopende schulden.
De stijging van de schulden aan overheidsinstanties en leveranciers is het gevolg van een groter aantal ontvangen facturen die voor het einde van het jaar nog niet waren betaald. Omgekeerd daalden de schulden aan derde landen vooral doordat een factuur ten bedrage van in totaal 60 miljoen EUR voor begrotingssteun aan Ethiopië in 2023 werd geannuleerd. Deze factuur was sinds november 2020 opgeschort vanwege de situatie in het land.
2. Diverse schulden
1. Uitgestelde bijdragen aan middelen van het fonds
Een bedrag van 7,8 miljoen EUR aan uitgestelde bijdragen aan middelen van het fonds heeft betrekking op een restitutie aan de lidstaten en aan het Verenigd Koninkrijk van vrijgemaakte of ongebruikte middelen van projecten in het kader van het 9e EOF (zie toelichting 2.9.1). De lidstaten stemden ermee in om de restitutie te verrekenen met de bijdragen van het 11e EOF tijdens de eerste afroeping van de bijdragen in 2024.
Naast de restitutie heeft een bedrag van 80 miljoen EUR betrekking op de eerste door het Verenigd Koninkrijk vooruit betaalde tranche van 2024. Van dit bedrag werd 8 miljoen EUR in mindering gebracht op het resterende aandeel van het VK in de ongebruikte middelen van het 10e en 11e EOF. Overeenkomstig artikel 152 van het terugtrekkingsakkoord blijft het Verenigd Koninkrijk partij bij het EOF tot de afsluiting van het 11e EOF en van alle voorgaande EOF’s die nog niet zijn afgesloten, en neemt het daarbij dezelfde verplichtingen in acht als de lidstaten (zie toelichting 2.9.1).
8. Toegerekende lasten
Toegerekende lasten zijn betalingsverplichtingen voor goederen of diensten die zijn ontvangen of geleverd maar die — in tegenstelling tot schulden — nog niet zijn gefactureerd of formeel overeengekomen met de leverancier. Toegerekende lasten worden berekend op basis van het bedrag van vastleggingen in de begroting aan het einde van het jaar. Het deel geraamde toegerekende lasten dat betrekking heeft op de betaalde voorfinanciering is geboekt als een vermindering van de voorfinancieringsbedragen.
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Toegerekende lasten | – | – | 129 | 854 | 983 | 1 130 |
Overige overlopende posten | – | – | – | 1 | 1 | 2 |
Totaal | – | – | 129 | 855 | 984 | 1 131 |
Toegerekende lasten omvatten geraamde exploitatiekosten voor lopende of beëindigde contracten zonder gevalideerde kostendeclaraties waarbij de subsidiabele uitgaven van de begunstigden werden geraamd door gebruik te maken van de ten tijde van het opstellen van de financiële staten beste beschikbare informatie. Opgemerkt wordt dat informatie uit grootschalige dagelijkse activiteiten, zoals contractverlengingen die na de verslagdatum zijn ondertekend, niet systematisch in aanmerking worden genomen en dat de mogelijke impact ervan op de toegerekende lasten niet op betrouwbare wijze kan worden geschat. Het deel van de geraamde toegerekende lasten dat betrekking heeft op de voorfinanciering is geboekt als een vermindering van de voorfinancieringsbedragen (zie toelichting 2.2).
De daling van de toegerekende lasten met 147 miljoen EUR is te verklaren door de vermindering van het aantal contracten waarvoor lasten moesten worden geraamd en toegerekend. Deze daling is in overeenstemming met de levenscyclus van het EOF en het onderliggende aantal lopende contracten:
NETTOACTIVA
9. MIDDELEN VAN HET FONDS
De EOF-lidstaten leveren bijdragen aan het fonds voor de uitvoering van EOF-programma’s, zoals bepaald in het Intern Akkoord van elk EOF. Volgens de toepasselijke rechtsgrondslag wordt over de opvragingen van kapitaal, d.w.z. de verzoeken om financiering voor een bepaald jaar N, in het jaar N-1 een besluit van de Raad genomen, waarbij de te ontvangen middelen duidelijk worden toegewezen aan specifieke toekomstige perioden.
De bijdragen voldoen aan de criteria voor inbreng van eigenaars (boekhoudregels van de Europese Unie (EAR) 1) en worden derhalve in de jaarrekening van het EOF als middelen van het fonds beschouwd. De middelen van het fonds vertegenwoordigen het totale bedrag van de bijdragen die van de EOF-lidstaten moeten worden ontvangen. Omdat de niet-afgeroepen middelen van het fonds van de totale middelen van het fonds worden afgetrokken (zie Mutatieoverzicht van de nettoactiva), worden alleen de afgeroepen middelen van het fonds in de balans opgenomen.
Aangezien de overeengekomen bijdragen worden toegewezen aan bepaalde verslagperioden, waarbij de wettelijke vordering van het EOF op de EOF-lidstaten alleen in deze perioden ontstaat, worden alle vooraf ontvangen bedragen opgenomen als uitgestelde bijdragen aan middelen van het fonds in het kader van schulden en niet als opgevraagd kapitaal.
1. Afgeroepen middelen van het fonds — actieve EOF’s
De niet-afgeroepen middelen vertegenwoordigen de bedragen die nog niet bij de lidstaten zijn opgevraagd. De afgeroepen middelen van het fonds zijn de bijdragen die door het EOF zijn afgeroepen en door de lidstaten zijn overgemaakt naar de rekeningen van de kasmiddelen (zie toelichting 2.9.2).
Op grond van Besluit (EU) 2023/2586 van de Raad werden de in de Interne Akkoorden van het 8e en 9e EOF vastgestelde bijdragen van de lidstaten dienovereenkomstig verminderd met een bedrag van 7,8 miljoen EUR voor de vrijgemaakte bedragen van het 9e EOF. Restituties die voortvloeien uit deze vermindering zijn gecompenseerd ten opzichte van het extra verzoek om bijdragen in het kader van het 11e EOF. De restitutie zal worden gebruikt voor de eerste tranche van 2024 (zie toelichting 2.7.2.1).
Hoewel het Verenigd Koninkrijk partij blijft bij het EOF tot de afsluiting van alle programma’s, kan zijn aandeel van niet-vastgelegde en vrijgemaakte middelen van het 8e, 9e en 10e EOF overeenkomstig artikel 153 van het terugtrekkingsakkoord niet worden hergebruikt. In 2023 heeft het VK verzocht dat zijn tweede en derde tranche voor het jaar wordt gecompenseerd met zijn uitstaande aandeel in de reserve van het 10e en 11e EOF. Daarnaast werd nog eens 8 miljoen EUR terugbetaald aan het VK tegen de eerste tranche van 2024 (zie toelichting 2.7.2.1). Als gevolg daarvan werd het fondsvermogen van het 10e en 11e EOF verminderd met respectievelijk 126 miljoen EUR en 36 miljoen EUR.
De afsluiting van het 8e EOF vond daadwerkelijk plaats in 2021, met de voltooiing van de operationele activiteiten en de afsluiting van alle financieringsbesluiten. Desondanks werd de afsluiting van het 8e EOF niet volledig weerspiegeld in de financiële staten voor 2021. Het geaggregeerde mutatieoverzicht van de nettoactiva weerspiegelt de afsluiting van het 8e EOF als een gebeurtenis in 2023. In 2023 werden de nettoactiva van het 8e EOF, voor een totaalbedrag van 180 miljoen EUR, overgedragen aan het 9e EOF, waarmee de boekhoudkundige afsluiting van het 8e EOF werd afgerond. De resterende saldi van de afgeroepen middelen en reserves werden gebruikt om het economisch resultaat van de voorgaande jaren te dekken, terwijl de resterende bedragen werden overgedragen naar het 9e EOF overeenkomstig de bepalingen van deel 3 van het Financieel Reglement dat van toepassing is op het 9e EOF.
2. Afgeroepen en niet-afgeroepen middelen van het fonds per lidstaat en het VK
Aangezien de middelen van het 8e, 9e en 10e EOF zijn opgevraagd en in vorige jaren volledig zijn ontvangen, is in 2023 een bedrag van 1 800 miljoen EUR afgeroepen, dat volledig betrekking heeft op het 11e EOF. Het afgeroepen kapitaal nam af van 2 500 miljoen EUR in 2022 tot 1 800 miljoen EUR in 2023.
3. Overdrachten van afgeroepen middelen van het fonds tussen actieve EOF’s
Deze rubriek omvat de middelen die zijn overgedragen tussen de actieve EOF’s.
Sinds de inwerkingtreding van de Overeenkomst van Cotonou worden alle onbestede middelen in de eerdere, actieve EOF’s na vrijmaking overgedragen naar het meest recentelijk geopende EOF. Door de overgedragen middelen van andere EOF’s nemen de kredieten van het ontvangende fonds toe en die van het overdragende fonds af. Middelen die zijn overgedragen naar de prestatiereserve van het 10e en 11e EOF kunnen alleen onder de in de interne akkoorden opgenomen specifieke voorwaarden worden vastgelegd.
Hoewel het 8e EOF in 2021 officieel werd afgesloten, kwam deze afsluiting niet tot uiting in de rekeningen van 2021. In 2023 werden eventuele reserves en verliezen van eerdere EOF’s overgedragen naar het 9e EOF (zie toelichting 2.9.1 hierboven).
3. TOELICHTINGEN BIJ DE STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN
ONTVANGSTEN
in miljoen EUR | |||
Toelichting | 2023 | 2022 | |
Ontvangsten uit niet-ruiltransacties | 3.1 | 14 | 18 |
Ontvangsten uit ruiltransacties | 3.2 | 52 | 80 |
Totaal | 65 | 98 |
1. ONTVANGSTEN UIT NIET-RUILTRANSACTIES
Ontvangsten uit niet-ruiltransacties zijn transacties waarbij de overdragende partij middelen ter beschikking stelt van de ontvangende partij zonder dat de ontvangende partij in ruil hiervoor rechtstreeks een ongeveer gelijke waarde verstrekt. De rubriek bevat voornamelijk bedragen die gedurende het jaar van de Commissie zijn ontvangen en teruggevorderde operationele uitgaven.
in miljoen EUR | |||||||
Toelichting | 8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 2023 | 2022 | |
Teruggevorderde uitgaven | – | – | 1 | 4 | 6 | 17 | |
Cofinanciering — ontvangsten | 3.1.1 | – | – | – | 8 | 8 | (4) |
Totaal | – | – | 2 | 12 | 14 | 18 |
De ontvangsten uit niet-ruiltransacties kunnen op basis van de beheersvorm als volgt worden opgesplitst:
1. Cofinanciering — ontvangsten
De ontvangen cofinancieringsbijdragen voldoen aan de criteria van ontvangsten uit voorwaardelijke niet-ruiltransacties en mogen als zodanig bij ontvangst niet van invloed zijn op de staat van de financiële resultaten. De bijdragen blijven geboekt onder verplichtingen (zie toelichtingen 2.6.4 en 2.7.2) totdat is voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de gedoneerde middelen, dat wil zeggen dat de subsidiabele uitgaven zijn verricht (zie toelichting 3.5). Het desbetreffende bedrag wordt vervolgens geboekt in de staat van de financiële resultaten als ontvangsten uit niet-ruiltransacties uit cofinanciering. Bijgevolg is het effect op het economisch resultaat van het jaar nul.
2. ONTVANGSTEN UIT RUILTRANSACTIES
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 2023 | 2022 | |
Financiële ontvangsten | – | – | (1) | 10 | 9 | 3 |
Overige ontvangsten | – | 2 | 4 | 37 | 43 | 77 |
Totaal | – | 2 | 4 | 46 | 52 | 80 |
De 9 miljoen EUR onder de rubriek financiële opbrengsten bestaat voornamelijk uit opgelopen rente op onbetaalde invorderingsopdrachten, rente op voorfinancieringen en inkomsten uit financiële instrumenten.
Andere ontvangsten hebben grotendeels betrekking op wisselkoersbaten. De overeenkomstige wisselkoersverliezen worden geboekt onder overige uitgaven (zie toelichting 3.7).
UITGAVEN
3. DOOR ANDERE ENTITEITEN GEDANE UITGAVEN
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 2023 | 2022 | |
Uitgaven voor technische bijstand | – | – | – | 3 | 3 | 1 |
Het bedrag van 3 miljoen EUR omvat uitgaven voor technische bijstand die in het kader van verschillende financieringsinstrumenten zijn gedaan.
4. STEUNINSTRUMENTEN
De operationele uitgaven van het EOF hebben betrekking op meerdere steuninstrumenten en nemen verschillende vormen aan, afhankelijk van de wijze waarop de financiële middelen worden uitgekeerd en beheerd.
In 2023 werd de daling van de operationele uitgaven met 608 miljoen EUR voornamelijk veroorzaakt door de daling van de uitgaven in het kader van het 11e EOF (2 489 miljoen EUR in 2022 tot 1 906 miljoen EUR in 2023). Deze daling kan grotendeels worden verklaard door de daling van de uitgaven in verband met programmeerbare steun, intra-ACS-projecten en bijdragen aan de trustfondsen (zie toelichting 2.3). Desondanks stegen de uitgaven in verband met noodhulp met 105 miljoen EUR. Deze verhoging volgt op het besluit van de Raad van 12 juli 2022 om middelen uit het 10e en 11e EOF opnieuw te gebruiken voor de financiering van maatregelen om de voedselzekerheidscrisis en de economische schok in de ACS-landen als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne aan te pakken.
De daling van de kosten in verband met intra-ACS-projecten is te verklaren door de verlaging van de toegerekende lasten voor twee projecten in het kader van het AITF. Aangezien er geen regelmatige uitvoering is voor deze twee projecten en er geen verslag is uitgebracht, is de openstaande voorfinanciering geherclassificeerd naar langlopende financiering en zijn er voor deze projecten geen toegerekende lasten berekend voor 2023. De kosten in verband met intra-ACS-projecten werden echter beïnvloed door de terugboeking van de toegerekende lasten van vorig jaar, die 130 miljoen EUR bedroegen (zie toelichting 2.2).
De wijzigingen in de uitgaven in het kader van het 9e en het 10e EOF zijn in overeenstemming met de levenscyclus van het EOF en houden tevens verband met de ontwikkeling van het aantal lopende contracten. Veel contracten werden in het kader van deze EOF’s afgerond en afgesloten in 2023, hetgeen heeft geresulteerd in een daling van de uitgaven in het kader van deze EOF’s.
Het negatieve bedrag van het 9e EOF met betrekking tot het noodhulpprogramma is het gevolg van de terugboeking van de toegerekende lasten 2022 voor een contract dat in 2023 is geannuleerd.
5. COFINANCIERINGSUITGAVEN
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 2023 | 2022 | |
Cofinanciering | – | – | – | 8 | 8 | (4) |
Onder deze rubriek zijn de uitgaven opgenomen die werden gemaakt voor cofinancieringsprojecten in 2023. Er zij op gewezen dat de gedane uitgaven de geraamde bedragen met betrekking tot de afsluiting van het boekjaar bevatten (en bijgevolg terugboekingen van de geraamde bedragen met betrekking tot vorig jaar).
In 2023 stegen de cofinancieringskosten met 12 miljoen EUR, vooral omdat de cofinancieringskosten in 2022 ongewoon laag waren. De daling van de cofinancieringskosten in 2022 was het gevolg van verbeteringen in de methode voor de toerekening van kosten aan cofinancieringsdonoren, waarin nu rekening wordt gehouden met de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen.
Overeenkomstig de boekhoudregels voor cofinanciering hebben de bedragen geen invloed gehad op het resultaat van het jaar, omdat zij zijn opgenomen in zowel de cofinancieringsuitgaven als in de cofinancieringsontvangsten (zie ook toelichting 3.1.1).
STEUNINSTRUMENTEN EN COFINANCIERINGSUITGAVEN PER BEHEERSVORM
6. FINANCIERINGSKOSTEN
De nettowaardevermindering op leningen en voorschotten omvat waardeverminderingen op financiële instrumenten en geschatte kosten op oninbare bedragen die voortvloeien uit verouderende invorderingsopdrachten (meer dan twee jaar), faillissementen en kwijtscheldingen.
De 3 miljoen EUR aan financiële uitgaven voor financiële activa tegen FVSD heeft voornamelijk betrekking op wisselkoersverschillen, rente en wijzigingen van de reële waarde voor diverse financiële instrumenten.
Het bedrag van 1 miljoen EUR onder de rubriek “Subsidie voor vergoedingen” heeft betrekking op uitgaven die in het kader van het financiële instrument Kulima zijn gedaan.
7. OVERIGE UITGAVEN
Deze rubriek omvat uitgaven van administratieve aard zoals externe diensten buiten de IT-sector, uitgaven voor operationele leasing, communicatie en publicaties, opleidingskosten enz.
De rubriek “Administratieve en IT-uitgaven” omvat bedragen die gebaseerd zijn op het Intern Akkoord van het EOF met de Commissie ter dekking van de administratieve uitgaven van zowel de centrale diensten als de delegaties in verband met het beheer van de EOF-programma’s.
De toename van wisselkoersverliezen is grotendeels toe te schrijven aan de stijging in niet-gerealiseerde verliezen door de herwaardering van saldi in valuta’s aan het einde van het jaar.
4. VOORWAARDELIJKE ACTIVA EN VERPLICHTINGEN EN ANDERE BELANGRIJKE BEKENDMAKINGEN
1. VOORWAARDELIJKE ACTIVA
Voorwaardelijke activa zijn mogelijke activa die voortvloeien uit gebeurtenissen in het verleden en waarvan het bestaan alleen wordt bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van een of meer onzekere toekomstige gebeurtenissen waarover de entiteit niet de volledige controle heeft.
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Garanties voor voorfinancieringen | – | – | 2 | 30 | 32 | 37 |
Uitvoeringsgaranties | – | – | – | – | – | 1 |
Totaal | – | – | 2 | 30 | 32 | 38 |
Voorfinancieringsgaranties worden in bepaalde gevallen verlangd van andere begunstigden dan lidstaten, wanneer zij vooruitbetalingen doen.
Uitvoeringsgaranties worden verlangd om ervoor te zorgen dat de begunstigden van EOF-middelen voldoen aan de verplichtingen van hun contracten met het EOF.
Bij contracten die op indirecte wijze worden beheerd, vallen de waarborgen onder een andere aanbestedende dienst dan het EOF en worden zij derhalve niet bekendgemaakt door het EOF.
2. VOORWAARDELIJKE VERPLICHTINGEN
Voorwaardelijke verplichtingen zijn ofwel mogelijke verplichtingen die voortvloeien uit gebeurtenissen in het verleden en waarvan het bestaan alleen wordt bevestigd door het al dan niet plaatsvinden van een of meer onzekere toekomstige gebeurtenissen waarover de entiteit niet de volledige controle heeft, ofwel bestaande verplichtingen die voortvloeien uit gebeurtenissen in het verleden waarbij de uitstroom van middelen niet waarschijnlijk is of het bedrag niet op betrouwbare wijze kan worden gewaardeerd.
1. Verstrekte garanties
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Verstrekte garanties | – | – | – | 28 | 28 | 25 |
De bovenstaande tabel toont de omvang van de blootstelling van de EOF aan mogelijke toekomstige betalingen in verband met aan de EIB-groep of andere financiële instellingen gegeven garanties. De vermelde bedragen zijn zonder financiële voorzieningen of financiële verplichtingen geboekt voor de betrokken programma’s.
Het bedrag van 28 miljoen EUR houdt verband met garanties in het kader van de volgende financiële instrumenten: 11 miljoen EUR in het kader van het financiële instrument Euritz, 10 miljoen EUR in het kader van het KULIMA FUND en nog eens 7 miljoen EUR in het kader van de faciliteit voor de landbouwwaardeketen ZAMBIA.
2. Voorwaardelijke verplichtingen in verband met rechtszaken
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Lopende rechtszaken | – | – | – | 7 | 7 | 18 |
Eind 2023 waren er slechts twee rechtszaken aanhangig, voor een totaalbedrag van 7 miljoen EUR. In de loop van het jaar zijn twee rechtszaken afgesloten voor een totaalbedrag van 11 miljoen EUR.
3. ANDERE BELANGRIJKE BEKENDMAKINGEN
1. Vastleggingen ten laste van nog niet gebruikte kredieten
Dit onderstaande bedrag bestaat uit de budgettaire RAL (“reste à liquider”) verminderd met de daarmee verband houdende bedragen die in de staat van de financiële resultaten zijn opgenomen als uitgaven. De budgettaire RAL is een bedrag dat de vastleggingen vertegenwoordigt waarvoor nog geen betalingen en/of vrijmakingen zijn gedaan. Dit is het normale gevolg van het bestaan van meerjarenprogramma’s.
in miljoen EUR | ||||||
8e EOF | 9e EOF | 10e EOF | 11e EOF | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Vastleggingen ten laste van nog niet gebruikte kredieten | – | 16 | 216 | 3 217 | 3 449 | 4 853 |
De daling van de RAL wordt grotendeels veroorzaakt door de daling van de budgettaire RAL, die in totaal uitkwam op 5 116 miljoen EUR (2022: 6 459 miljoen EUR). Dit is in overeenstemming met de levenscyclus van het EOF en houdt tevens verband met de ontwikkeling van het aantal lopende contracten (zie toelichting 2.2).
5. FINANCIEEL RISICOBEHEER
De hieronder verschafte informatie met betrekking tot het financieel risicobeheer van het EOF betreft de kasverrichtingen die door de Commissie werden verricht namens het EOF met het oog op de besteding van EOF-middelen.
1. BELEID INZAKE RISICOBEHEER EN AFDEKKINGSACTIVITEITEN
De voorschriften en beginselen voor het beheer van de kasverrichtingen zijn vastgelegd in het Financieel Reglement van toepassing op het 11e EOF en het Intern Akkoord.
Als gevolg van de bovenvermelde regelgeving zijn de volgende hoofdprincipes van toepassing:
a. De EOF-bijdragen worden door elke lidstaat gestort op een speciale rekening die bij de centrale bank van de betrokken lidstaat of bij de door hem aangewezen financiële instelling is geopend. Deze bijdragen blijven op die speciale rekeningen totdat de betalingen van het EOF moeten worden uitgevoerd.
a. EOF-bijdragen worden door de lidstaten in EUR betaald, terwijl de EOF-betalingen in EUR en in andere valuta luiden.
b. Bankrekeningen die door de Commissie namens het EOF zijn geopend, mogen geen negatief saldo vertonen.
Naast de speciale rekeningen heeft de Commissie namens het EOF nog andere bankrekeningen geopend bij financiële instellingen (centrale banken en commerciële banken) om andere betalingen te verrichten en te ontvangen dan de bijdragen van de lidstaten aan de begroting.
De kasverrichtingen en de betalingen zijn sterk geautomatiseerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van moderne informaticasystemen. Om de veiligheid van het systeem te waarborgen en te garanderen dat de taken worden gescheiden conform het Financieel Reglement, de internecontrolenormen van de Commissie en de controleprincipes, worden er specifieke procedures toegepast.
Een op schrift gestelde reeks richtsnoeren en procedures regelt het beheer van de kasverrichtingen en betalingen met als doel om het operationele en financiële risico te beperken en een gepast controleniveau te waarborgen. Zij betreffen de verschillende werkingsgebieden, en de naleving van de richtsnoeren en procedures wordt periodiek gecontroleerd.
2. VALUTARISICO
Blootstelling van het EOF aan valutarisico aan het einde van het jaar — nettopositie
Alle bijdragen luiden in euro, en andere valuta worden slechts aangekocht wanneer zij noodzakelijk zijn voor de uitvoering van betalingen. Bijgevolg zijn de kasverrichtingen van het EOF niet blootgesteld aan een valutarisico.
3. RENTERISICO
Het EOF ontleent geen geldmiddelen en is bijgevolg niet blootgesteld aan een renterisico.
De rente wordt opgebouwd op de saldi die het EOF aanhoudt op zijn verschillende bankrekeningen. De Commissie heeft namens het EOF maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de op gezette tijd verworven rente in overeenstemming is met de marktrentevoeten en hun mogelijke fluctuatie.
Bijdragen aan de EOF-begroting worden door elke lidstaat geboekt op een speciale rekening bij de door de lidstaat daartoe aangewezen financiële instelling. Ter beperking van het risico van negatieve beloning, zoals dat een paar jaar geleden bestond, zijn er kasbeheerprocedures ingevoerd om de saldi op de betrokken rekeningen tot een minimum te beperken. Voorts komt elke negatieve vergoeding op deze rekeningen ten laste van de desbetreffende lidstaat, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/888 van de Raad.
Overnightsaldi op commerciële bankrekeningen worden dagelijks vergoed. De vergoeding voor saldi op dergelijke rekeningen is gebaseerd op variabele marktrentevoeten waarop een contractuele marge (positief of negatief) wordt toegepast. Voor de meeste rekeningen is de renteberekening gekoppeld aan het marktreferentietarief en wordt zij aangepast aan de schommelingen van dit tarief. Bijgevolg loopt het EOF geen risico dat haar saldi tegen een lager tarief dan de marktrentevoeten worden vergoed.
4. KREDIETRISICO (TEGENPARTIJRISICO)
Maximale blootstelling aan kredietrisico:
Voor financiële activa zijn de meegedeelde bedragen nettoboekwaarden en vertegenwoordigen zij de blootstelling van het EOF aan kredietrisico aan het einde van de verslagperiode.
Financieel instrument Leningen: kredietkwaliteit
Geldmiddelen en kasequivalenten: kredietkwaliteit
Vorderingen: kredietkwaliteit
Financiële activa tegen FVSD: kredietkwaliteit
In 2023 hebben de financiële activa tegen FVSD die zijn opgenomen in deze financiële staten betrekking op investeringen in eigen vermogen die niet aan kredietrisico onderhevig zijn (zie toelichting 2.1).
5. LIQUIDITEITSRISICO
Vervaldagenanalyse van de financiële verplichtingen op basis van resterende contractuele vervaldag
De financiële verplichtingen en schulden in deze rubriek worden vermeld door de boekwaarden van de balans.
in miljoen EUR | ||||
< 1 jaar | 1-5 jaar | > 5 jaar | Totaal | |
Financiële verplichtingen op 31.12.2023 | 391 | 2 | – | 393 |
Financiële verplichtingen op 31.12.2022 | 426 | 5 | – | 431 |
Voor het EOF geldende begrotingsbeginselen zorgen ervoor dat de totale kasmiddelen voor de begrotingsperiode steeds toereikend zijn voor de uitvoering van de betalingen. De totale bijdragen van de lidstaten stemmen immers overeen met het totale bedrag van de betalingskredieten voor de desbetreffende begrotingsperiode.
De bijdragen van de lidstaten aan het EOF worden evenwel betaald in drie tranches per jaar, terwijl de betalingen seizoensgebonden zijn.
Om ervoor te zorgen dat de kasmiddelen steeds toereikend zijn om de in een bepaalde maand uit te voeren betalingen te dekken, worden op gezette tijden gegevens over de kassituatie uitgewisseld tussen de thesaurie van de Commissie en de desbetreffende uitgevende diensten.
Naast het bovenstaande zorgen geautomatiseerde kasbeheerinstrumenten er in het kader van de kasverrichtingen van het EOF voor dat dagelijks voldoende liquiditeit beschikbaar is op elke bankrekening van het EOF.
6. INFORMATIEVERSCHAFFING OVER VERBONDEN PARTIJEN
De verbonden partijen van het EOF zijn het EU-trustfonds Bêkou, het EU-trustfonds voor Afrika en de Europese Commissie. Verrichtingen tussen deze entiteiten maken deel uit van de normale verrichtingen van het EOF en derhalve gelden er overeenkomstig de boekhoudregels van de EU geen specifieke verplichtingen tot informatieverschaffing voor deze verrichtingen.
Er is geen afzonderlijk beheer voor het EOF, aangezien het door de Commissie wordt beheerd. De rechten van de leidinggevenden van de EU, met inbegrip van de Commissie, zijn openbaar gemaakt in de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie in rubriek 7.2 “Rechten van leidinggevenden”.
7. GEBEURTENISSEN NA DE BALANSDATUM
Op de datum van ondertekening van deze rekeningen zijn geen relevante punten onder de aandacht gekomen van de rekenplichtige van het EOF die een afzonderlijke vermelding in deze rubriek zouden vereisen. Bij het opstellen van de jaarrekeningen en de bijbehorende toelichtingen werd gebruikgemaakt van de recentste beschikbare gegevens en dit komt tot uiting in de hierboven opgenomen informatie.
8. AFSTEMMING VAN HET ECONOMISCH RESULTAAT EN HET BEGROTINGSRESULTAAT
Het economisch resultaat van het jaar is berekend op transactiebasis. Het begrotingsresultaat is evenwel gebaseerd op de beginselen van de kasboekhouding. Aangezien het economisch resultaat en het begrotingsresultaat het gevolg zijn van dezelfde onderliggende verrichtingen, is het nuttig om na te gaan of ze op elkaar kunnen worden afgestemd. In onderstaande tabel is deze afstemming opgenomen, met vermelding van de belangrijkste afgestemde bedragen, opgesplitst in ontvangsten en uitgaven. De toelichting bij de tabel bevat aanvullende informatie over de aard van de belangrijkste sluitposten.
1. SLUITPOSTEN — ONTVANGSTEN
De begrotingsontvangsten van een begrotingsjaar zijn gelijk aan de bedragen die worden geïnd van tijdens het begrotingsjaar vastgestelde rechten en de bedragen die worden geïnd van rechten die zijn vastgesteld tijdens voorafgaande begrotingsjaren.
De rechten die het begrotingsresultaat niet beïnvloeden, worden geboekt in de economische resultatenrekening. Vanuit begrotingsoogpunt kunnen zij evenwel niet als ontvangsten worden beschouwd, aangezien het ontvangen bedrag naar de reserve wordt overgeheveld en zonder een besluit van de Raad niet opnieuw kan worden vastgelegd.
De rechten die in het huidige jaar zijn vastgesteld maar nog niet geïnd moeten ten behoeve van de afstemming van het economisch resultaat worden afgetrokken, aangezien zij geen deel uitmaken van de begrotingsontvangsten. Daarentegen moeten de rechten die tijdens vorige jaren zijn vastgesteld en in het huidige jaar geïnd ten behoeve van de afstemming bij het economische resultaat worden opgeteld.
Het netto-effect van de voorfinanciering heeft betrekking op de verrekening van de voorfinanciering met de van de begunstigden teruggevorderde bedragen. Deze kasontvangsten vertegenwoordigen begrotingsinkomsten, maar hebben geen invloed op het economisch resultaat en moeten daarom ten behoeve van de afstemming worden toegevoegd.
De netto toegerekende ontvangsten bestaan hoofdzakelijk uit overlopende posten met het oog op afsluiting aan het einde van het jaar. Alleen het netto-effect, dat wil zeggen de toegerekende baten voor het lopende jaar verminderd met de teruggeboekte toegerekende baten van vorig jaar, wordt in aanmerking genomen.
2. SLUITPOSTEN — UITGAVEN
Uitgaven van het lopende jaar die nog niet zijn betaald moeten ten behoeve van de afstemming worden toegevoegd, aangezien zij in het economisch resultaat zijn opgenomen maar geen deel uitmaken van de begrotingsontvangsten. Daarentegen moeten de uitgaven van vorige jaren die in het huidige jaar zijn betaald ten behoeve van de afstemming van het economische resultaat worden afgetrokken, aangezien zij deel uitmaken van de begrotingsuitgaven van het lopende jaar, maar zij het economische resultaat niet beïnvloeden of in het geval van correcties de uitgaven verminderen.
De kasmiddelen van betalingsannuleringen hebben geen invloed op de economische resultaten, maar wel op het begrotingsresultaat.
Het netto-effect van voorfinanciering is de combinatie van de nieuwe voorfinancieringsbedragen die tijdens het lopende jaar zijn betaald (geboekt als begrotingsuitgaven van het jaar) en de vereffening van de voorfinancieringen die tijdens het lopende jaar of vorige jaren werden betaald via de aanvaarding van subsidiabele kosten. De laatste zijn wel toegerekende uitgaven, doch geen uitgave in de begrotingsboekhouding, aangezien de aanvankelijke voorfinanciering reeds als een begrotingsuitgave werd beschouwd op het ogenblik van de betaling.
De netto toegerekende uitgaven bestaan hoofdzakelijk uit uitgaven die toegerekend zijn met het oog op afsluiting aan het einde van het jaar, dat wil zeggen subsidiabele uitgaven die begunstigden van EOF-middelen hebben gedaan, maar nog niet aan het EOF hebben gedeclareerd. Alleen het netto-effect, dat wil zeggen de toegerekende uitgaven voor het lopende jaar verminderd met de teruggeboekte toegerekende uitgaven van vorig jaar, wordt in aanmerking genomen.
FINANCIËLE STATEN VAN IN HET EOF GECONSOLIDEERDE EU-TRUSTFONDSEN
FINANCIËLE STATEN 2023 VAN HET EU-TRUSTFONDS BÊKOU
Opgelet: doordat de cijfers afgerond zijn tot duizend euro, kan het lijken alsof sommige financiële gegevens in de tabellen niet correct zijn opgeteld.
ACHTERGRONDINFORMATIE
Algemene achtergrond bij de EU-trustfondsen
Oprichting
Overeenkomstig de artikelen 234 en 235 van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Unie3 en artikel 35 van het Financieel Reglement van toepassing op het 11e EOF4 is de Commissie gemachtigd trustfondsen van de Unie voor extern optreden (“trustfondsen van de Unie”) op te richten. Trustfondsen van de Unie worden opgericht in het kader van een met andere donoren gesloten overeenkomst voor acties in en na noodsituaties die nodig zijn om te reageren op een crisis, of voor thematische acties.
Trustfondsen van de Unie worden opgericht door de Europese Commissie bij een besluit na raadpleging of goedkeuring van het Europees Parlement en de Raad. Dit besluit omvat de oprichtingsovereenkomst met andere donoren.
Trustfondsen van de Unie worden alleen opgericht en uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:
- de interventie van de Unie heeft meerwaarde: de doelstellingen van trustfondsen van de Unie, met name vanwege de omvang of de mogelijke gevolgen, kunnen beter op het niveau van de Unie dan op nationaal niveau worden bereikt en het gebruik van de bestaande financieringsinstrumenten zou niet voldoende zijn om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken;
- trustfondsen van de Unie leveren duidelijke politieke zichtbaarheid van de Unie en voordelen met betrekking tot het beheer op, evenals betere controle door de Unie op de risico’s en het gebruik van de bijdragen van de Unie en andere donoren;
- trustfondsen van de Unie vormen geen doublure van andere financieringskanalen of vergelijkbare instrumenten zonder enige additionaliteit;
- de doelstellingen van trustfondsen van de Unie zijn afgestemd op de doelstellingen van het instrument van de Unie of de begrotingspost waaruit zij gefinancierd worden.
De huidige EU-trustfondsen
Momenteel heeft de Commissie vier EU-trustfondsen opgericht:
- het EU-trustfonds Bêkou, dat tot doel heeft de Centraal-Afrikaanse Republiek in alle opzichten te helpen bij het vinden van een uitweg uit de crisis en bij de wederopbouw. Opgericht op 15 juli 2014;
- het EU-trustfonds voor Syrië (Madad-fonds), een regionaal trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis. Opgericht op 15 december 2014;
- het EU-trustfonds voor Afrika, een noodtrustfonds van de Europese Unie voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van onregelmatige migratie en ontheemding in Afrika. Opgericht op 12 november 2015;
- het EU-Trustfonds voor Colombia, voor de ondersteuning van de uitvoering van het vredesakkoord bij de eerste wederopbouw- en stabiliseringsfase na afloop van het conflict. Opgericht op 12 december 2016.
Opdracht
Het EU-trustfonds Bêkou werd opgericht met als doel de stabilisering en wederopbouw van de Centraal-Afrikaanse Republiek te bevorderen. Volgens de oprichtingsovereenkomst is de belangrijkste doelstelling van het trustfonds om samenhangende, gerichte steun te bieden voor de weerbaarheid van kwetsbare groepen, en om de wederopbouw en de uitweg uit de crisis van de Centraal-Afrikaanse Republiek op alle gebieden te ondersteunen, om acties op korte, middellange en lange termijn te coördineren, en om buurlanden te helpen om te gaan met de gevolgen van de crisis.
Belangrijkste operationele activiteiten
Het trustfonds van de Unie bundelt middelen van verschillende donoren om programma’s te financieren op basis van overeengekomen doelstellingen. Sinds de oprichting van het EU-trustfonds Bêkou in juli 2014 heeft het trustfonds 22 programma’s vastgesteld en meer dan 2,5 miljoen begunstigden bereikt. De programma’s zijn bedoeld om de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) en haar bevolking bij te staan in de nasleep van de crisis van 2013. Het EU-trustfonds Bêkou heeft in het bijzonder tot doel de toegang tot basisdiensten (voornamelijk gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen) te garanderen, het economisch herstel en het scheppen van banen te ondersteunen en sociale cohesie en verzoening te bevorderen.
Governance
Het bestuur van het EU-trustfonds Bêkou is toevertrouwd aan de Europese Commissie, die ook optreedt als het secretariaat van zijn twee bestuursorganen — de raad van bestuur van het trustfonds en het operationeel comité. De raad van bestuur van het trustfonds en het operationeel comité van het EU-trustfonds Bêkou bestaan uit vertegenwoordigers van de donoren, de Commissie, het Europees Parlement, een vertegenwoordiger van de autoriteiten van de Centraal-Afrikaanse Republiek en waarnemers. De regels voor de samenstelling van de raad van bestuur en zijn reglement van orde worden vastgesteld in de oprichtingsovereenkomst van het trustfonds van de Unie.
De belangrijkste taak van de raad van bestuur bestaat erin om de algemene strategie van het trustfonds vast te stellen en te evalueren. Het operationele bestuursorgaan is verantwoordelijk voor de selectie van de door het trustfonds gefinancierde acties en houdt toezicht op de uitvoering ervan. Daarnaast keurt het de jaarrekening en de jaarverslagen over door het trustfonds gefinancierde activiteiten goed.
Financieringsbronnen
Het EU-trustfonds Bêkou wordt gefinancierd met bijdragen van donoren.
Jaarrekening
Opstellingsgrondslag
Het rechtskader en de termijnen voor de opstelling van de jaarrekeningen zijn vastgelegd in de overeenkomst tot oprichting van het EU-trustfonds voor de Centraal-Afrikaanse Republiek, het zogeheten “EU-trustfonds Bêkou” en de interne regels daarvan (hierna “de oprichtingsovereenkomst” genoemd). Overeenkomstig deze oprichtingsovereenkomst worden de jaarrekeningen opgesteld overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie (boekhoudregels van de Europese Unie), die gebaseerd zijn op internationale standaarden voor overheidsboekhouding (IPSAS).
Rekenplichtige
De rekenplichtige van de Commissie treedt op als rekenplichtige van de trustfondsen van de Unie. De rekenplichtige is verantwoordelijk voor het vaststellen van de boekhoudprocedures en een rekeningstelsel die alle trustfondsen van de Unie gemeenschappelijk hebben. De intern controleur van de Commissie, OLAF en de Rekenkamer oefenen ten aanzien van de trustfondsen van de Unie dezelfde bevoegdheden uit als ten aanzien van andere acties die door de Commissie worden uitgevoerd. De trustfondsen van de Unie worden jaarlijks aan een onafhankelijke externe audit onderworpen.
Samenstelling van de jaarrekeningen
De jaarrekening bestrijkt de periode van 1 januari tot en met 31 december en omvat de financiële overzichten en de verslagen over de uitvoering van de begroting. Hoewel de financiële overzichten en de aanvullende toelichtingen op transactiebasis worden opgesteld, zijn de verslagen over de begrotingsuitvoering hoofdzakelijk gebaseerd op kasbewegingen.
Proces van voorlopige rekeningen tot kwijting
De jaarrekeningen worden onderworpen aan een onafhankelijke externe audit. De door de rekenplichtige opgestelde voorlopige jaarrekeningen worden uiterlijk op 15 februari van het volgende jaar toegezonden aan het operationeel comité, dat ze vervolgens toezendt aan het accountantskantoor dat na een aanbestedingsprocedure door de entiteit is geselecteerd. Na de audit stelt de rekenplichtige de definitieve jaarrekening op en legt deze ter goedkeuring voor aan het operationeel comité (artikel 8, lid 3, punt 4, c)).
De jaarrekening van het EU-trustfonds Bêkou wordt geconsolideerd in de jaarrekening van het Europees Ontwikkelingsfonds.
Belangrijke operationele gebeurtenissen
Belangrijkste verwezenlijkingen tijdens het jaar
De EU startte in juli 2014 haar allereerste trustfonds (EUTF), dat de naam “Bêkou” draagt (hetgeen “hoop” betekent in het Sango), om de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) en haar bevolking in de nasleep van de crisis van 2013 bij te staan. Het EU-trustfonds Bêkou heeft tot doel de toegang tot basisdiensten (voornamelijk gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen) te garanderen, de plattelandsontwikkeling en het economisch herstel te ondersteunen en de verzoening te bevorderen. Sinds de oprichting ervan heeft het EU-trustfonds Bêkou 22 programma’s gefinancierd en meer dan de helft van de bevolking van het land bereikt.
In 2023 werd de veiligheidssituatie in de Centraal-Afrikaanse Republiek gekenmerkt door een toename van het aantal incidenten in verband met botsingen tussen de Centraal-Afrikaanse strijdkrachten en de Coalitie van Patriotten voor de Centraal-Afrikaanse Republiek (CPC), maar het aantal doden als gevolg van gewapend geweld neemt af. Bovendien blijkt uit het feit dat het merendeel van de gevechten plaatsvindt in de afgelegen regio’s van het land dat het geweld tegen burgers aanzienlijk is afgenomen.
In het politieke domein is in augustus een nieuwe grondwet aangenomen en is er vooruitgang geboekt in de strijd tegen straffeloosheid zoals bepleit door president Touadera. Zo heeft het Speciale Strafhof Abdoulaye Hissène, een oorlogsleider en politicus uit de Centraal-Afrikaanse Republiek, gearresteerd en veroordeeld voor oorlogsmisdaden.
In 2023 zorgde de destabilisatie van buurlanden voor meer politieke en veiligheidsspanningen in de CAR. Het conflict in Sudan heeft geleid tot een massale toestroom van ontheemden in de prefectuur Vakaga. Ten slotte verhoogt de vestiging van twee nieuwe Tsjadische gewapende groepen in het uiterste noorden van de CAR de spanningen tussen de twee landen en leidt dit tot ontheemdingen.
In deze aanhoudend volatiele context hadden in augustus 2023 3,4 miljoen mensen humanitaire hulp nodig, ofwel 56 % van de Centraal-Afrikaanse bevolking. Hoewel zorgwekkend is deze situatie stabiel in vergelijking met 2022. De sectoren waarvoor de nood in 2023 het hoogste was, wat de hoogste aantallen mensen betreft, zijn water, hygiëne en sanitaire voorzieningen, voedselveiligheid, gezondheid en bescherming. Nu conflicten zich verplaatsen uit de belangrijkste stedelijke gebieden van het land, blijft het aantal intern ontheemden in de CAR voor het derde jaar op rij dalen. Daarmee is het laagste niveau sinds 2016 bereikt, met 489 000 ontheemden op 31 augustus 2023 (een daling met 515 700 in 2022).
Belangrijkste verwezenlijkingen op specifieke aandachtsgebieden
De belangrijkste verwezenlijkingen in 2023 die hieronder worden gepresenteerd, weerspiegelen de belangrijkste specifieke doelstellingen/actiegebieden van het trustfonds.
Op het gebied van de toegang tot diensten is in het kader van het trustfonds Bêkou verdere steun verleend aan de sectoren gezondheid en water, sanitaire voorzieningen en hygiëne.
In 2023 hebben nog eens 44 566 mensen geprofiteerd van een betere toegang tot water, hygiëne en sanitaire voorzieningen (EHA – indicator 1.1), wat het totaal op 1 068 695 begunstigden sinds de start van het fonds brengt.
In 2023 werden 55 289 medische consultaties en gezondheidsinterventies uitgevoerd (indicator 1.2), een aanzienlijke daling ten opzichte van voorgaande jaren als gevolg van de afsluiting van projecten in het kader van het derde onderdeel van het HEALTH-programma eind 2022. Medische consultaties waren goed voor 63 % van de geboden gezondheidsinterventies, en psychosociale ondersteuning voor 24 %. Opgemerkt zij dat het aantal consultaties en interventies in verband met de gezondheid van moeder en kind en vaccinaties in 2023 dramatisch is gedaald, hoewel dat aandeel sinds de start van de HEALTH-projecten van jaar tot jaar constant was.
Op het gebied van sociale cohesie waren de meeste activiteiten die met de steun van het EU-trustfonds Bêkou zijn uitgevoerd, gericht op het versterken van de positie van vrouwen, het bestrijden van gendergerelateerd geweld, en het versterken van de media in het land. In 2023 hebben 32 529 meisjes of vrouwen geprofiteerd van activiteiten op het gebied van sociaal-economische empowerment in 13 van de 20 prefecturen van het land (indicator 2.1), waarvan meer dan de helft van de begunstigden (58 %) economische steun ontving, 30 % sociaal-economische steun en 12 % sociale steun. 4 092 overlevenden van gendergerelateerd geweld werden door Bêkou (indicator 2.2) ondersteund met psychosociale ondersteuning, medische zorg, juridische bijstand, levering van waardigheidspakketten enz.
Op nationaal niveau draagt technische bijstand aan het ministerie van Vrouwen-, Gezins- en Kinderbescherming (MPFFPE) en aan de relevante sectorale ministeries bij tot de formalisering, versterking en harmonisatie van de bewustmakingsinspanningen op het gebied van gendergerelateerd geweld.
Met betrekking tot de ondersteuning van het herstel van de economische en productieve sectoren is met het EU-trustfonds Bêkou bijstand verleend aan zowel productielandbouw als op levensonderhoud gerichte landbouw, zijn landbouwgroeperingen en kleine landbouwbedrijven ondersteund, zijn banen geschept (arbeidsintensief werk, beroepsopleiding, ontwikkeling van inkomensgenererende activiteiten) en is de toegang tot financiële diensten voor kleine bedrijven en particulieren vergemakkelijkt. In 2023 ontvingen 28 093 personen steun voor het opzetten van een inkomensgenererende activiteit (indicator 3.4), wat neerkomt op 30 % van de totale indicator sinds de aanvang van het Fonds. Daarnaast werden in 2023 5 551 kleine landbouwers in het kader van de projecten RELSUDE ACTED en PAPEUR Rural ondersteund om hun productie op duurzame wijze te verhogen (indicator 3.3). In het plattelandsproject PAPEUR is de steun aan de 35 coöperaties die in de voorgaande jaren zijn opgericht, voortgezet en zijn in dit verband 5 498 extra coöperanten bereikt met verschillende soorten steun. 3 469 personen hebben in de loop van het jaar geprofiteerd van beroepsopleidingsactiviteiten (indicator 3.6), een stijging met 40 % ten opzichte van het voorgaande jaar. Dankzij de geleidelijke afronding van de rehabilitatieactiviteiten van de opleidings- en opleiderscentra in het kader van het DEVRUR II-project konden de opleidingsactiviteiten voor de begunstigden in 2023 worden versneld.
Begroting en uitvoering van de begroting
Eind 2023 bedroegen de bijdragen aan het EU-trustfonds Bêkou meer dan 310 miljoen EUR. Op 31 december 2021 werd voor het trustfonds het vastleggen en contracteren van alle ontvangen bijdragen afgerond, met uitzondering van de middelen die waren gereserveerd voor toezicht, evaluatie, audit en communicatie, die na deze datum nog steeds kunnen worden gecontracteerd.
In 2023 werden vijf nieuwe contracten gesloten voor een totaalbedrag van 128 303 EUR. Deze contracten hadden betrekking op audit- en communicatieactiviteiten.
In 2023 werd meer dan 19 miljoen EUR uitbetaald; sinds de oprichting van het EU-trustfonds Bêkou is meer dan 283 miljoen EUR uitgekeerd.
Impact van de activiteiten op de financiële staten
In de financiële staten is de impact van de bovenvermelde activiteiten het meest zichtbaar bij:
- voorfinanciering: een daling met 7 420 000 EUR als gevolg van de afwikkeling van het trustfonds en een daaruit voortvloeiende daling van het aantal lopende contracten: in 2023 werden slechts vier contracten ondertekend met betrekking tot audit-, evaluatie- en communicatieactiviteiten voor een bedrag van 1 111 000 EUR;
- financiële verplichtingen: een stijging met 18 449 000 EUR, voornamelijk doordat de ontvangen bijdragen van de donoren hoger waren dan de aan de donoren toegewezen netto-uitgaven.
- exploitatiekosten: een stijging met 4 027 EUR als gevolg van de toename van de geraamde uitgaven van drie programma’s: hulp bij wederopbouw en rehabilitatie, basisgezondheidszorg en stadsontwikkeling.
BALANS
X 1 000 EUR | |||
31.12.2023 | 31.12.2022 | ||
VASTE ACTIVA | |||
Voorfinanciering | – | 336 | |
– | 336 | ||
VLOTTENDE ACTIVA | |||
Voorfinanciering | 3 745 | 10 829 | |
Vorderingen uit ruiltransacties en verhaalbare bedragen uit niet-ruiltransacties | 3 462 | 3 595 | |
Geldmiddelen en kasequivalenten | 28 420 | 4 316 | |
35 627 | 18 740 | ||
TOTAAL ACTIVA | 35 627 | 19 076 | |
LANGLOPENDE VERPLICHTINGEN | |||
Financiële verplichtingen | (31 001) | (12 552) | |
(31 001) | (12 552) | ||
KORTLOPENDE VERPLICHTINGEN | |||
Schulden | – | (4 563) | |
Toegerekende lasten | (4 626) | (1 961) | |
(4 626) | (6 524) | ||
TOTAAL PASSIVA | (35 627) | (19 076) | |
NETTOACTIVA | – | – |
STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN
X 1 000 EUR | |||
2023 | 2022 | ||
ONTVANGSTEN | |||
Ontvangsten uit niet-ruiltransacties | |||
Ontvangsten uit giften | 24 550 | 21 504 | |
Teruggevorderde uitgaven | 717 | 42 | |
25 268 | 21 546 | ||
Ontvangsten uit ruiltransacties | |||
Financiële ontvangsten | 636 | 40 | |
636 | 40 | ||
Totaal ontvangsten | 25 904 | 21 586 | |
UITGAVEN | |||
Exploitatiekosten | (24 278) | (20 251) | |
Financieringskosten | – | (12) | |
Overige uitgaven | (1 626) | (1 323) | |
Totaal uitgaven | (25 904) | (21 586) | |
ECONOMISCH RESULTAAT OVER HET JAAR | – | – |
KASSTROOMOVERZICHT
X 1 000 EUR | ||
2023 | 2022 | |
Economisch resultaat over het jaar | – | – |
(Toename)/afname voorfinanciering | 7 420 | 811 |
(Toename)/afname vorderingen uit ruiltransacties en verhaalbare bedragen uit niet-ruiltransacties | 132 | 851 |
Toename/(afname) financiële verplichtingen | 18 450 | 9 385 |
Toename/(afname) schulden | (4 563) | 1 716 |
Toename/(afname) in toegerekende lasten | 2 665 | (12 240) |
NETTOKASSTROOM | 24 104 | 524 |
Nettotoename/(afname) geldmiddelen en kasequivalenten | 24 104 | 524 |
Geldmiddelen en kasequivalenten bij het begin van het jaar | 4 316 | 3 792 |
Geldmiddelen en kasequivalenten aan het einde van het jaar | 28 420 | 4 316 |
FINANCIËLE STATEN 2023 VAN HET EU-TRUSTFONDS VOOR AFRIKA
Opgelet: doordat de cijfers afgerond zijn tot duizend euro, kan het lijken alsof sommige financiële gegevens in de tabellen niet correct zijn opgeteld.
ACHTERGRONDINFORMATIE OVER HET EU-TRUSTFONDS VOOR AFRIKA
Algemene achtergrond bij de EU-trustfondsen
Oprichting
Overeenkomstig de artikelen 234 en 235 van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Unie5 en artikel 35 van het Financieel Reglement van toepassing op het 11e EOF6is de Commissie gemachtigd trustfondsen van de Unie voor extern optreden (“trustfondsen van de Unie”) op te richten. Trustfondsen van de Unie worden opgericht in het kader van een met andere donoren gesloten overeenkomst voor acties in en na noodsituaties die nodig zijn om te reageren op een crisis, of voor thematische acties.
Trustfondsen van de Unie worden opgericht door de Europese Commissie bij een besluit na raadpleging of goedkeuring van het Europees Parlement en de Raad. Dit besluit omvat de oprichtingsovereenkomst met andere donoren.
Trustfondsen van de Unie worden alleen opgericht en uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:
- het optreden van de Unie heeft toegevoegde waarde: de doelstellingen van trustfondsen van de Unie, met name vanwege de omvang of de mogelijke gevolgen, kunnen beter op het niveau van de Unie dan op nationaal niveau worden bereikt en het gebruik van de bestaande financieringsinstrumenten zou niet voldoende zijn om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken;
- trustfondsen van de Unie leveren duidelijke politieke zichtbaarheid van de Unie en voordelen met betrekking tot het beheer op, evenals betere controle door de Unie op de risico’s en het gebruik van de bijdragen van de Unie en andere donoren;
- trustfondsen van de Unie vormen geen doublure van andere financieringskanalen of vergelijkbare instrumenten zonder enige additionaliteit;
- de doelstellingen van trustfondsen van de Unie zijn afgestemd op de doelstellingen van het instrument van de Unie of de begrotingspost waaruit zij gefinancierd worden.
De huidige EU-trustfondsen
Momenteel heeft de Commissie vier EU-trustfondsen opgericht:
- het EU-trustfonds Bêkou, dat tot doel heeft de Centraal-Afrikaanse Republiek in alle opzichten te helpen bij het vinden van een uitweg uit de crisis en bij de wederopbouw. Opgericht op 15 juli 2014;
- het EU-trustfonds voor Syrië (Madad-fonds), een regionaal trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis. Opgericht op 15 december 2014;
- het EU-trustfonds voor Afrika, een noodtrustfonds van de Europese Unie voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van onregelmatige migratie en ontheemding in Afrika. Opgericht op 12 november 2015;
- het EU-Trustfonds voor Colombia, voor de ondersteuning van de uitvoering van het vredesakkoord bij de eerste wederopbouw- en stabiliseringsfase na afloop van het conflict. Opgericht op 12 december 2016.
Opdracht
De belangrijkste doelstellingen van het EU-trustfonds voor Afrika zijn de ondersteuning van alle dimensies van stabiliteit en het bijdragen tot een beter migratiebeheer, alsook de aanpak van de grondoorzaken van destabilisatie, gedwongen verplaatsing en irreguliere migratie, in het bijzonder door veerkracht, economische en gelijke kansen, veiligheid en ontwikkeling te bevorderen en schendingen van mensenrechten aan te pakken.
Belangrijkste operationele activiteiten
Het trustfonds van de Unie bundelt middelen van verschillende donoren om een actie te financieren op basis van overeengekomen doelstellingen. Het EU-trustfonds voor Afrika is actief in drie belangrijke geografische gebieden, namelijk de Sahel en de regio rond het Tsjaadmeer, de Hoorn van Afrika en het noorden van Afrika. De buurlanden van de in aanmerking komende landen kunnen per geval profiteren van de projecten van het trustfonds. Het trustfonds is opgericht voor een beperkte periode om een antwoord op korte en middellange termijn te verstrekken op problemen waarmee de regio heeft te kampen.
Governance
Het bestuur van het EU-trustfonds voor Afrika is toevertrouwd aan de Europese Commissie, die ook optreedt als het secretariaat van zijn twee bestuursorganen — de raad van bestuur van het trustfonds en het operationele bestuursorgaan. De raad van bestuur en het operationeel comité van het EU-trustfonds voor Afrika bestaan uit vertegenwoordigers van de donoren en de Commissie, alsook uit vertegenwoordigers van niet-bijdragende EU-lidstaten, autoriteiten van begunstigde landen en regionale organisaties als waarnemers. De regels voor de samenstelling van de raad van bestuur en zijn reglement van orde worden vastgesteld in de oprichtingsovereenkomst van het trustfonds van de Unie.
De belangrijkste taak van de raad van bestuur bestaat erin om de algemene strategie van het trustfonds vast te stellen en te evalueren. Het operationele bestuursorgaan is verantwoordelijk voor de selectie van de door het trustfonds gefinancierde acties en houdt toezicht op de uitvoering ervan. Daarnaast keurt het de jaarrekening en de jaarverslagen over door het trustfonds gefinancierde activiteiten goed.
Financieringsbronnen
Het EU-trustfonds voor Afrika wordt gefinancierd met bijdragen van donoren.
Opstellingsgrondslag
Het rechtskader en de termijnen voor de opstelling van de jaarrekeningen zijn vastgelegd in de Overeenkomst tot oprichting van een EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika en de interne regels van dit EU-trustfonds (hierna “de oprichtingsovereenkomst” genoemd). Overeenkomstig deze oprichtingsovereenkomst worden de jaarrekeningen opgesteld overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie (boekhoudregels van de Europese Unie), die gebaseerd zijn op internationale standaarden voor overheidsboekhouding (IPSAS).
Rekenplichtige
Op basis van de oprichtingsovereenkomst treedt de rekenplichtige van de Commissie op als rekenplichtige van het trustfonds.
Samenstelling van de jaarrekeningen
De jaarrekening bestrijkt de periode van 1 januari tot en met 31 december en omvat de financiële overzichten en de verslagen over de uitvoering van de begroting. Hoewel de financiële overzichten en de aanvullende toelichtingen op transactiebasis worden opgesteld, zijn de verslagen over de begrotingsuitvoering hoofdzakelijk gebaseerd op kasbewegingen.
Proces van voorlopige rekeningen tot kwijting
De jaarrekeningen worden onderworpen aan een onafhankelijke externe audit. De door de rekenplichtige opgestelde voorlopige jaarrekeningen worden uiterlijk op 15 februari van het volgende jaar toegezonden aan het operationeel comité, dat ze vervolgens toezendt aan het accountantskantoor dat na een aanbestedingsprocedure door de entiteit is geselecteerd. Na de audit stelt de rekenplichtige de definitieve jaarrekening op en legt deze ter goedkeuring voor aan het operationeel comité.
De jaarrekening van het EU-trustfonds voor Afrika wordt geconsolideerd in de jaarrekening van het Europees Ontwikkelingsfonds.
Belangrijke operationele gebeurtenissen
Belangrijkste verwezenlijkingen tijdens het jaar
In overeenstemming met het einde van de periode voor de sluiting van contracten op 31 december 2021 zullen uit het EU-trustfonds voor Afrika vanaf januari 2022 geen nieuwe financiële vastleggingen of begrotingsaanvullingen worden gefinancierd. Alleen financiële vastleggingen in verband met administratieve activiteiten zoals audits, evaluaties, toezicht- en communicatieactiviteiten, kunnen worden aangegaan. De programma’s van het EU-trustfonds voor Afrika zullen tot eind 2025 worden uitgevoerd.
In de loop van 2023 heeft het EU-trustfonds voor Afrika verder aangetoond dat het een snel en doeltreffend uitvoeringsinstrument is dat de beleidsdialoog met Afrikaanse partnerlanden vergemakkelijkt, innovatieve benaderingen toepast en tastbare resultaten oplevert in de drie regio’s (de Sahel en de regio rond het Tsjaadmeer, de Hoorn van Afrika en het noorden van Afrika).
De Hoorn van Afrika (HvA) bleef in 2023 de gevolgen van klimaatverandering ondervinden. Ernstige overstromingen in Somalië, Kenia, Ethiopië en Zuid-Sudan hebben tientallen mensen het leven gekost en de ontheemding van meer dan twee miljoen mensen veroorzaakt, terwijl de voedselonzekerheidscrisis in de hele regio verergerde. De economische, sociale en veiligheidsuitdagingen zijn groot en niet-aflatend en het gewapende conflict dat in april 2023 in Sudan uitbrak, werkt door op de hele regio. Als gevolg daarvan is Sudan volgens het UNHCR nu het land met het grootste aantal ontheemden en de grootste kinderontheemdingscrisis ter wereld. Niettemin lijkt de veiligheidssituatie in Somalië voorzichtig te verbeteren, terwijl Kenia en Djibouti ondanks de aanhoudende uitdagingen hun weg naar stabiliteit voortzetten.
In deze moeilijke context heeft het EU-trustfonds in de eerste helft van 2023 de hoogste halfjaarlijkse output op het gebied van voedingshulp gerapporteerd sinds het operationeel worden van het fonds in de Hoorn van Afrika. In deze eerste zes maanden hebben 433 728 personen geprofiteerd van de verstrekking van voedingshulp van het fonds, oftewel 15 % van het totale aantal begunstigden tot nu toe (2 833 594 personen). Dit outputniveau werd met name bereikt door de distributie van poeder met meerdere micronutriënten aan kinderen tot vijf jaar en door de verstrekking van schoolmaaltijden ter plaatse in Sudan.
Evenzo heeft het EU-trustfonds dit halfjaar de grootste halfjaarlijkse output aan begeleide of beschermde migranten, vluchtelingen, repatrianten en binnenlandse ontheemden gerapporteerd (voornamelijk voor Sudan), namelijk 103 436 personen van de 198 826 die tot nu toe zijn ondersteund.
Het EU-trustfonds heeft ook steun verleend voor de inspanningen op het gebied van stabilisatie en vredesopbouw in de regio, waar in totaal 65 369 personeelsleden van statelijke en niet-statelijke actoren profiteren van capaciteitsopbouwactiviteiten voor de verwerving van vaardigheden op het gebied van vrede, veiligheid en bestuur, waaronder 2 392 nieuwe begunstigden in de eerste helft van 2023. Dit jaar worden de outputs voor het merendeel gerealiseerd in de Gambella-regio van Ethiopië en in Zuid-Sudan.
De Sahel en het gebied rond het Tsjaadmeer werden in 2023 geconfronteerd met tal van economische en humanitaire uitdagingen, zoals inflatie, vertraagde economische groei, zware schuldenlasten, voedselcrises, ontheemding, migratie, veiligheidscrises en geweld.
Investeren in menselijk kapitaal was een belangrijke aanpak van het EU-trustfonds bij het ondersteunen van het scheppen van banen in de regio. In de eerste helft van 2023 hebben door de EU-trustfonds gefinancierde programma’s 11 087 banen gecreëerd of ondersteund, de meeste in Niger, Guinee en Senegal. Technisch en beroepsonderwijs en -opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden zijn van cruciaal belang om de arbeidsproductiviteit te verbeteren, en 23 266 personen hebben deelgenomen aan de activiteiten en de ontwikkeling van vaardigheden.
Ook in de eerste helft van 2023 lag de focus van door het EU-trustfonds gefinancierde activiteiten op bewustmaking van de risico’s in verband met irreguliere migratie, waarbij 2 943 412 personen werden bereikt. Het trustfonds ondersteunde 420 vrijwillige terugkeeroperaties en de re-integratie van 509 terugkerende migranten. Sinds de oprichting van het trustfonds hebben 73 215 terugkerende migranten steun ontvangen voor vrijwillige terugkeer en 91 642 voor re-integratie in de Sahel en het gebied rond het Tsjaadmeer.
In een zeer gespannen situatie, nu de veiligheidscrisis in de regio verergert, hebben de door het EU-trustfonds gefinancierde programma’s in de eerste helft van 2023 11 520 personen opgeleid op het gebied van bestuur, conflictpreventie en mensenrechten in de Sahel en het gebied rond het Tsjaadmeer. Een opmerkelijk resultaat van het semester was de opleiding van 8 823 personen in Mali ter ondersteuning van het referendumproces dat heeft geleid tot de goedkeuring van een nieuwe grondwet in juni. Daarnaast hebben 1 397 417 personen deelgenomen aan activiteiten op het gebied van conflictpreventie en mensenrechten. Tot slot werden in de door het EU-trustfonds gefinancierde programma’s 10 034 stuks uitrusting verstrekt aan civiele instellingen en veiligheidsmachten om het bestuur en de veiligheid te versterken.
Terwijl de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne zich ook in 2023 lieten voelen, werd het jaar gekenmerkt door verschillende onvoorziene crises die landen in Noord-Afrika en hun buurlanden troffen, waaronder Sudan, Niger en meest recentelijk de Palestijnse gebieden, met een aanhoudende politieke en economische neergang in de regio en verdere spanningen en migratiebewegingen tot gevolg. In 2023 is het aantal irreguliere grensoverschrijdingen op de route door het centrale Middellandse Zeegebied, van Tunesië en Libië naar Italië en Malta, in 2023 met 50 % toegenomen ten opzichte van 2022, met in totaal 157 951 aankomsten. Tunesië blijft in 2023 het belangrijkste vertrekland richting Italië (en de EU), gevolgd door Libië. In 2023 bleven Guinee en Tunesië de belangrijkste nationaliteiten van de irreguliere migranten die aankwamen in Italië, elk goed voor meer dan 17 000 aankomsten, gevolgd door Ivoorkust en Bangladesh. Ook de druk op de westelijke Middellandse Zeeroute en de Atlantische route is aanzienlijk toegenomen ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder, met in totaal 56 039 aankomsten (+95 % ten opzichte van 2022).
Begroting en uitvoering van de begroting
In 2023 zijn in geen van de drie regio’s van het EU-trustfonds voor Afrika nieuwe programma’s gestart of begrotingsaanvullingen verricht, in overeenstemming met het einde van de periode voor het sluiten van contracten op 31 december 2021. De totale financiering die sinds het begin van het EU-trustfonds voor Afrika in de Sahel en het gebied rond het Tsjaadmeer is goedgekeurd, bedraagt 5 053,27 miljoen EUR. Het bedrag van de goedgekeurde operationele programma’s sinds de aanvang van het EU-trustfonds voor Afrika bedraagt 1 810 miljoen EUR voor de Hoorn van Afrika; 2 217,8 miljoen EUR werd toegekend voor de Sahel en het gebied rond het Tsjaadmeer, en 907,3 miljoen EUR voor Noord-Afrika.
In 2023 werden 28 nieuwe contracten gesloten voor een totaalbedrag van 5,08 miljoen EUR. Deze contracten hadden alleen betrekking op administratieve activiteiten (audit, evaluatie, communicatie, toezicht), aangezien operationele programma’s of activiteiten sinds 31 december 2021 niet meer kunnen worden gefinancierd.
De betalingen in de verslagperiode bedroegen 332,4 miljoen EUR, 110 miljoen EUR minder dan in 2022 (442 miljoen EUR). De betalingen zijn in 2023 lager omdat verschillende projecten het einde van hun uitvoeringsperiode bereikten;
Impact van de activiteiten op de financiële staten
In de financiële staten is de impact van de bovenvermelde activiteiten het meest zichtbaar bij:
- voorfinanciering: een daling met 122 362 000 EUR als gevolg van de afwikkeling van het trustfonds en een daaruit voortvloeiende afname van het aantal lopende contracten; In 2023 werden slechts 28 contracten voor administratieve activiteiten ondertekend: audit, evaluatie, communicatie en toezicht voor een bedrag van 5,08 miljoen EUR;
- financiële verplichtingen: een daling met 70 236 000 EUR, voornamelijk als gevolg van het feit dat de in het jaar geïnde bijdragen niet toereikend waren om de aan de donoren toegerekende netto-uitgaven te dekken.
- exploitatiekosten: een daling met 203 251 000 EUR als gevolg van de afwikkeling van het trustfonds en een daaruit voortvloeiende afname van het aantal lopende contracten;
BALANS
STAAT VAN DE FINANCIËLE RESULTATEN
KASSTROOMOVERZICHT
GECONSOLIDEERDE FINANCIËLE STATEN VAN HET EOF EN DE EU-TRUSTFONDSEN
Opgelet: doordat de cijfers afgerond zijn tot miljoen euro, kan het lijken alsof sommige financiële gegevens in de tabellen niet correct zijn opgeteld.
GECONSOLIDEERDE BALANS
GECONSOLIDEERDE STAAT VAN DE FINANCIËLE PRESTATIES
GECONSOLIDEERD KASSTROOMOVERZICHT
GECONSOLIDEERDE STAAT VAN MUTATIEOVERZICHT VAN DE NETTOACTIVA
in miljoen EUR | ||||||
Middelen van het fonds — actieve EOF’s (A) | Niet-afgeroepen middelen — actieve EOF’s (B) | Afgeroepen middelen van het fonds — actieve EOF’s (C)=(A)-(B) | Gecumuleerde reserves (D) | Overdracht van afgeroepen middelen van afgesloten EOF’s (E) | Totaal nettoactiva (C)+(D)+(E)+(F) | |
SALDO OP 31.12.2021 | 72 998 | 10 355 | 62 643 | (62 834) | 2 252 | 2 061 |
Kapitaalverhoging — bijdragen | (43) | (2 500) | 2 457 | – | – | 2 457 |
Economisch resultaat over het jaar | – | – | – | (2 813) | – | (2 813) |
SALDO OP 31.12.2022 | 72 955 | 7 855 | 65 100 | (65 647) | 2 252 | 1 705 |
Kapitaalverhoging — bijdragen | (185) | (1 815) | 1 630 | 1 630 | ||
Afsluiting van het 8e EOF | (12 164) | (12 164) | 12 164 | – | ||
Economisch resultaat over het jaar | – | (2 249) | (2 249) | |||
SALDO OP 31.12.2023 | 60 607 | 6 040 | 54 566 | (55 733) | 2 252 | 1 086 |
EOF VERSLAG OVER DE TENUITVOERLEGGING VAN DE MIDDELEN
INHOUDSOPGAVE
1. ACHTERGROND 82
1.1. Vorige EOF’s 82
1.2. 10e en 11e EOF 83
2. FINANCIËLE UITVOERING 85
2.1. FINANCIEEL RESULTAAT 85
2.2. MIDDELEN 90
2.3. BELEIDSUITGAVEN EN SPECIFIEKE PROGRAMMA’S 91
3. VERKLARENDE BEGRIPPENLIJST 98
2. ACHTERGROND
Het in 1959 opgerichte Europees Ontwikkelingsfonds is het voornaamste instrument voor het verstrekken van steun van de EU in het kader van de ontwikkelingssamenwerking aan de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten) en de landen en gebieden overzee (LGO). De belangrijkste doelstelling ervan is om armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen.
Het EOF is opgericht krachtens een interne overeenkomst van de vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt beheerd door een eigen comité. De EOF-middelen zijn ad-hocbijdragen van de EU-lidstaten, die een totaalbedrag vaststellen dat aan het fonds zal worden toegewezen (over een periode van vijf jaar). Naast deze bijdragen kunnen lidstaten ook cofinancieringsregelingen aangaan of op vrijwillige basis financiële bijdragen leveren aan het EOF. De Europese Commissie is verantwoordelijk voor de financiële uitvoering van de verrichtingen die met middelen van het EOF worden uitgevoerd. De Europese Investeringsbank beheert de investeringsfaciliteit.
De werking van het EOF heeft een meerjarig karakter. Elk EOF wordt vastgesteld voor een periode van ongeveer vijf jaar, en op elk EOF is een eigen Financieel Reglement van toepassing. Het Intern Akkoord tot oprichting van het laatste EOF (11e EOF (2014-2020)) trad op 1 maart 2015 in werking. Vanaf 2021 is de samenwerking met de ACS-landen opgenomen in het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld (NDICI). De lopende projecten, die in het kader van het EOF worden gefinancierd, zullen echter verder worden uitgevoerd op basis van de respectieve rechtsgrondslag van het EOF.
Dit verslag wordt opgesteld overeenkomstig artikel 39 van het Financieel Reglement van het 11e EOF7. Het verslag bevat informatie over de ontvangsten en uitgaven van het EOF, met een focus op belangrijke gebeurtenissen die aanzienlijke gevolgen hebben gehad voor de financiële uitvoering van het jaar.
Aangezien er geen acties in het kader van eerdere EOF’s8 lopen, bevat dit verslag alleen cijfers voor het 10e en 11e EOF.
3. Vorige EOF’s
6e en 7e EOF
Het 6e EOF werd in 2006 afgesloten en het 7e EOF werd in 2008 afgesloten.
Overeenkomstig artikel 1, lid 2, punt b), van het Intern Akkoord van het 9e EOF zijn de saldi en vrijmakingen van vorige EOF’s overgeheveld naar het 9e EOF.
8e en 9e EOF
In 2021 werd het 8e EOF financieel en operationeel afgesloten voor een totaalbedrag van 10 374 miljoen EUR aan uitgaven. De Commissie heeft de afsluiting van het 8e EOF aan de lidstaten meegedeeld in de mededeling van oktober 2021 aan de Raad.
Alle activiteiten in het kader van het 8e EOF zijn afgerond, alle verificaties en controles zijn uitgevoerd en alle contracten en financiële besluiten zijn afgesloten in de EOF-rekeningen. Alle invorderingsopdrachten die nog open stonden na de operationele afsluiting werden geïnd, of er werd afstand van gedaan, met uitzondering van tien invorderingsopdrachten (waaronder zes geschillen die door de juridische dienst zijn opgevolgd). In overeenstemming met Besluit C(2003)19044 van de Commissie werden deze invorderingsopdrachten overgedragen naar het 9e EOF.
De afsluiting van het 9e EOF vordert gestaag. Er staan nog tien contracten open, waarvan er zes betrekking hebben op acties in Zuid-Sudan (Besluit 2011/315/EU van de Raad). De desbetreffende besluiten zijn genomen na de inwerkingtreding van de vervalclausule van het 9e EOF en de contracten moeten in beginsel voor 2024 zijn afgesloten.
Van 2015 tot en met 2023 heeft de Commissie drie restituties van kredieten betaald in het kader van het 8e/9e EOF, voor een totaalbedrag van 1 911,1 miljoen EUR9. In januari 202410 werd een saldo van 7,8 miljoen EUR terugbetaald in het kader van de betaling van de eerste tranche van bijdragen van de lidstaten aan het EOF voor het jaar 2024.
4. 10e en 11e EOF
De ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, die de lidstaten van de Europese Gemeenschap en de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) op 23 juni 2000 in Cotonou hebben ondertekend, is op 1 april 2003 in werking getreden (waarbij het 9e EOF werd opgericht). De overeenkomst van Cotonou is tweemaal gewijzigd, eerst bij de in Luxemburg op 25 juni 2005 ondertekende overeenkomst (waarbij het 10e EOF werd opgericht) en vervolgens door de in Ouagadougou op 22 juni 2010 ondertekende overeenkomst (waarbij het 11e EOF werd opgericht).
Het besluit betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee (LGO) met de Europese Gemeenschap (Besluit 2001/822/EG), dat op 27 november 2001 door de Raad van de Europese Unie is goedgekeurd, is op 2 december 2001 in werking getreden. Dit besluit is op 19 maart 2007 gewijzigd bij Besluit 2007/249/EG.
Het Intern Akkoord inzake de financiering van communautaire steun binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020, overeenkomstig de herziene overeenkomst van Cotonou, goedgekeurd door de Vertegenwoordigers van de regeringen van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap in augustus 2013, is in maart 2015 in werking getreden.
In het kader van de Overeenkomst van Cotonou beschikte het 10e EOF voor de tweede periode (2008-2013) over een totale begroting van 22 682 miljoen EUR. Hiervan werd:
- 21 966 miljoen EUR toegewezen aan de ACS-landen;
- 286 miljoen EUR aan de LGO; en
- 430 miljoen EUR aan de Commissie als ondersteuningsuitgaven voor de programmering en uitvoering van het EOF.
Het bedrag voor de ACS-landen is als volgt verdeeld:
- 17 766 miljoen EUR voor de nationale en regionale indicatieve programma’s;
- 2 700 miljoen EUR voor intra-ACS- en intraregionale samenwerking, en
- 1 500 miljoen EUR voor investeringsfaciliteiten.
Met name wordt een groter deel van de begroting besteed aan regionale programma’s, waardoor het belang van regionale economische integratie als basiskader voor nationale en lokale ontwikkeling wordt benadrukt. Een innovatie in het 10e EOF was de instelling van “aanmoedigingsbedragen” voor elk land.
In het kader van de Overeenkomst van Cotonou wordt de derde periode (2014-2020) van communautaire steun aan de ACS-Staten en de LGO gefinancierd door het 11e EOF, dat over een bedrag van 30 506 miljoen EUR aan middelen beschikt, waarvan:
- 29 089 miljoen EUR bestemd is voor de ACS-staten overeenkomstig artikel 1, lid 2, punt a), en artikel 2, punt d), van het Intern Akkoord, waarvan 27 955 miljoen EUR door de Europese Commissie wordt beheerd;
- 364,5 miljoen EUR bestemd is voor de LGO overeenkomstig artikel 1, lid 2, punt a), en artikel 3, lid 1, van het Intern Akkoord, waarvan 359,5 miljoen EUR door de Europese Commissie wordt beheerd; en
- 1 052,5 miljoen EUR bestemd is voor de Commissie voor de financiering van de kosten die voortvloeien uit de programmering en besteding van de middelen van het 11e EOF, overeenkomstig artikel 1, lid 2, punt a), van het Intern Akkoord.
5. FINANCIËLE UITVOERING
6. FINANCIEEL RESULTAAT
OVERZICHT VAN KREDIETEN 10e EOF
10e EOF OVERZICHT VAN DE KREDIETEN: 31 december 2023 ANALYSE VAN DE KREDIETEN PER INSTRUMENT | ||||||
(in miljoen EUR) | ||||||
INSTRUMENT | INITIËLE TOEWIJZING | TOE-/AFNAME VAN DE GECUMULEERDE MIDDELEN OP 31 DECEMBER 2022 | TOE-/AFNAME VAN DE MIDDELEN IN 2023 | Toelichting | HUIDIGE TOEWIJZING | |
ACS | Cofinanciering | 0 | 202 | 202 | ||
Periodieke bijdragen van de lidstaten | 21.326 | (526) | (95) | 20.705 | ||
SUBTOTAAL ACS | 21.326 | (324) | (95) | 20.907 | ||
LGO | Periodieke bijdragen van de lidstaten | 0 | 240 | (0) | 239 | |
SUBTOTAAL LGO | 0 | 240 | (0) | 239 | ||
TOTAAL 10e EOF | 21.326 | (84) | (96) | 21.146 |
OVERZICHT VAN KREDIETEN 11e EOF
11e EOF OVERZICHT VAN DE KREDIETEN: 31 december 2023 ANALYSE VAN DE KREDIETEN PER INSTRUMENT | ||||||
(in miljoen EUR) | ||||||
INSTRUMENT | INITIËLE TOEWIJZING | TOE-/AFNAME VAN DE GECUMULEERDE MIDDELEN OP 31 DECEMBER 2022 | TOE-/AFNAME VAN DE MIDDELEN IN 2023 | Toelichting | HUIDIGE TOEWIJZING | |
ACS | Cofinanciering | 0 | 89 | 0 | 89 | |
EC interne DNO | 0 | 1 | 1 | |||
Periodieke bijdragen van de lidstaten | 30.060 | (822) | (74) | 29.164 | ||
SUBTOTAAL ACS | 30.060 | (732) | 29.255 | |||
LGO | Cofinanciering | 0 | 0 | 0 | ||
EC interne DNO | 0 | 0 | 0 | |||
Periodieke bijdragen van de lidstaten | 0 | 355 | (4) | 351 | ||
SUBTOTAAL LGO | 0 | 355 | 351 | |||
TOTAAL 11e EOF | 30.060 | (526) | 71 | 29.605 |
ONTWIKKELING VAN VASTLEGGINGEN, TOEGEWEZEN MIDDELEN EN BETALINGEN VOOR HET 10e EOF
EOF GEAGGREGEERDE REKENINGEN OP 31 DECEMBER 2023 SOORT STEUN | |||||||||||
ACS + LGO — 10e EOF | |||||||||||
(in miljoen EUR) | |||||||||||
KREDIETEN | BESLUITEN | TOEGEWEZEN FONDSEN | BETALINGEN | ||||||||
GEAGGR. | JAARLIJKS | % | GEAGGR. | JAARLIJKS | % | GEAGGR. | JAARLIJKS | % | |||
(1) | (2) | (2) : (1) | (3) | (3) : (2) | (4) | (4) : (3) | |||||
Periodieke bijdragen van de lidstaten | |||||||||||
Toewijzingen | |||||||||||
ACS | SUBTOTAAL: A-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 12.297 | 12.288 | (36) | 100 % | 12.264 | (19) | 100 % | 12.199 | 37 | 99 % |
SUBTOTAAL: B-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 1.965 | 1.962 | (4) | 100 % | 1.961 | (0) | 100 % | 1.960 | 1 | 100 % | |
SUBTOTAAL: VOEDSELZEKERHEID | 343 | 484 | 0 | 141 % | 482 | 166 | 100 % | 306 | 74 | 64 % | |
SUBTOTAAL: UITVOERINGSKOSTEN EN RENTENBATEN | 527 | 526 | (0) | 100 % | 526 | 0 | 100 % | 522 | 99 % | ||
SUBTOTAAL: INTRA-ACS-TOEWIJZINGEN | 3.612 | 3.596 | (22) | 100 % | 3.572 | 23 | 99 % | 3.384 | 60 | 95 % | |
SUBTOTAAL: REGIONALE TOEWIJZINGEN | 1.948 | 1.792 | (18) | 92 % | 1.768 | (10) | 99 % | 1.692 | (2) | 96 % | |
Cofinanciering | |||||||||||
Toewijzingen | |||||||||||
SUBTOTAAL: A-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 185 | 175 | (3) | 95 % | 175 | (0) | 100 % | 173 | 1 | 99 % | |
SUBTOTAAL: UITVOERINGSKOSTEN EN RENTENBATEN | 5 | 5 | (0) | 110 % | 5 | (0) | 100 % | 5 | 1 | 100 % | |
SUBTOTAAL: INTRA-ACS-TOEWIJZINGEN | 12 | 11 | 91 % | 11 | 100 % | 11 | 100 % | ||||
Niet-besteedbare reserve | |||||||||||
SUBTOTAAL: NIET-BESTEEDBARE RESERVE 8e/9e EOF | 14 | ||||||||||
Periodieke bijdragen van de lidstaten | |||||||||||
Toewijzingen | |||||||||||
LGO | SUBTOTAAL: A-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 186 | 186 | 0 | 100 % | 182 | (1) | 98 % | 172 | 2 | 95 % |
SUBTOTAAL: B-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 14 | 14 | 0 | 100 % | 14 | 100 % | 14 | 100 % | |||
SUBTOTAAL: UITVOERINGSKOSTEN EN RENTENBATEN | 5 | 5 | 100 % | 5 | 100 % | 5 | 100 % | ||||
SUBTOTAAL: REGIONALE TOEWIJZINGEN | 34 | 34 | 0 | 100 % | 34 | (0) | 99 % | 34 | (0) | 100 % | |
TOTAAL: ACS+LGO (INCL. RESERVES) (A+B) | 21.146 | 21.078 | (84) | 100 % | 20.999 | 158 | 100 % | 20.477 | 175 | 98 % |
ONTWIKKELING VAN VASTLEGGINGEN, TOEGEWEZEN MIDDELEN EN BETALINGEN VOOR HET 11e EOF
EOF GEAGGREGEERDE REKENINGEN OP 31 DECEMBER 2023 SOORT STEUN | |||||||||||
ACS + LGO — 11e EOF | |||||||||||
(in miljoen EUR) | |||||||||||
KREDIETEN | BESLUITEN | TOEGEWEZEN FONDSEN | BETALINGEN | ||||||||
GEAGGR. | JAARLIJKS | % | GEAGGR. | JAARLIJKS | % | GEAGGR. | JAARLIJKS | % | |||
(1) | (2) | (2) : (1) | (3) | (3) : (2) | (4) | (4) : (3) | |||||
Periodieke bijdragen van de lidstaten | |||||||||||
Toewijzingen | |||||||||||
ACS | SUBTOTAAL: A-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 15.369 | 15.329 | (92) | 100 % | 14.723 | 311 | 96 % | 12.124 | 1.061 | 82 % |
SUBTOTAAL: B-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 1.060 | 1.059 | (0) | 100 % | 1.053 | 13 | 99 % | 1.007 | 27 | 96 % | |
SUBTOTAAL: VOEDSELZEKERHEID | 112 | 112 | 0 | 100 % | 112 | 91 | 100 % | 41 | 37 | 36 % | |
SUBTOTAAL: UITVOERINGSKOSTEN EN RENTENBATEN | 1.072 | 1.066 | (1) | 99 % | 1.062 | (0) | 100 % | 958 | 48 | 90 % | |
SUBTOTAAL: INTRA-ACS-TOEWIJZINGEN | 4.004 | 3.894 | (13) | 97 % | 3.926 | 104 | 101 % | 3.340 | 155 | 85 % | |
SUBTOTAAL: REGIONALE TOEWIJZINGEN | 7.253 | 7.227 | (59) | 100 % | 7.090 | 44 | 98 % | 5.964 | 512 | 84 % | |
Cofinanciering | |||||||||||
Toewijzingen | |||||||||||
SUBTOTAAL: A-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 46 | 45 | (1) | 99 % | 45 | 0 | 100 % | 40 | 14 | 89 % | |
SUBTOTAAL: UITVOERINGSKOSTEN EN RENTENBATEN | 4 | 4 | 100 % | 4 | 0 | 100 % | 4 | 3 | 100 % | ||
SUBTOTAAL: INTRA-ACS-TOEWIJZINGEN | 33 | 33 | 0 | 100 % | 33 | (0) | 100 % | 28 | 0 | 85 % | |
SUBTOTAAL: REGIONALE TOEWIJZINGEN | 8 | 6 | 0 | 75 % | 6 | 0 | 100 % | 6 | 2 | 100 % | |
Niet-besteedbare reserve | |||||||||||
Reserves | |||||||||||
SUBTOTAAL: NIET-BESTEEDBARE RESERVE 10e EOF | 128 | ||||||||||
SUBTOTAAL: NIET-BESTEEDBARE RESERVE 11e EOF | 167 | ||||||||||
EC interne DNO | |||||||||||
Reserves | |||||||||||
SUBTOTAAL: A-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 1 | 1 | 52 % | 1 | 100 % | 1 | 100 % | ||||
Periodieke bijdragen van de lidstaten | |||||||||||
Toewijzingen | |||||||||||
LGO | SUBTOTAAL: A-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 211 | 211 | (0) | 100 % | 194 | 0 | 92 % | 193 | 1 | 100 % |
SUBTOTAAL: B-ENVELOPPE — NATIONALE TOEWIJZINGEN | 12 | 12 | 0 | 100 % | 12 | 0 | 100 % | 12 | 0 | 99 % | |
SUBTOTAAL: OVERBRUGGINGSFACILITEIT | 0 | ||||||||||
SUBTOTAAL: UITVOERINGSKOSTEN EN RENTENBATEN | 8 | 7 | (2) | 79 % | 6 | (0) | 96 % | 6 | 1 | 94 % | |
SUBTOTAAL: REGIONALE TOEWIJZINGEN | 102 | 102 | 0 | 100 % | 102 | 0 | 100 % | 69 | 17 | 67 % | |
Niet-besteedbare reserve | |||||||||||
Reserves | |||||||||||
SUBTOTAAL: NIET-BESTEEDBARE RESERVE 10e EOF | 15 | ||||||||||
SUBTOTAAL: NIET-BESTEEDBARE RESERVE 11e EOF | 1 | ||||||||||
TOTAAL: ACS+LGO (INCL. RESERVES) (A+B) | 29.605 | 29.106 | (168) | 98 % | 28.368 | 562 | 97 % | 23.791 | 1.878 | 84 % |
7. MIDDELEN
AARD VAN DE MIDDELEN
De voornaamste ontvangsten van het EOF zijn de bijdragen van de lidstaten. De Europese Commissie en de Europese Investeringsbank roepen drie keer per jaar bijdragen van de lidstaten aan het EOF af. Het bedrag van de bijdragen die elk jaar worden afgeroepen, weerspiegelt het bedrag van de betalingen die in de loop van het jaar moet worden gedekt.
Overzicht van de bijdragen per lidstaat
8. BELEIDSUITGAVEN EN SPECIFIEKE PROGRAMMA’S
Soort uitgave
Het in het meerjarig financieel kader beschikbare bedrag is uitgesplitst in 3 % toegewezen aan de Commissie voor ondersteunende uitgaven en 97 % voor de uitvoering van EOF-projecten. De bedragen worden in elk Intern Akkoord vastgesteld en kunnen worden verhoogd met vrijwillige bijdragen en inkomsten uit verrichtingen.
Uitsplitsing van vastgelegde, contractueel vastgelegde en betaalde bedragen naar aard van de uitgaven
KREDIETEN | BESLUITEN | TOEGEWEZEN FONDSEN | BETALINGEN | |||||||||
GEAGGR. | JAARLIJKS | % | GEAGGR. | JAARLIJKS | % | GEAGGR. | JAARLIJKS | % | ||||
(1) | (2) | (2) : (1) | (3) | (3) : (2) | (4) | (4) : (3) | ||||||
UITVOERINGSKOSTEN EN RENTENBATEN 10e + 11e EOF | 1.620 | 1.612 | (3) | 99,5 % | 1.608 | (1) | 99,8 % | 1.499 | 53 | 93,2 % | ||
OPERATIONELE UITVOERING (A+B) 10e + 11e EOF | 50.751 | 50.184 | (252) | 98,9 % | 49.367 | 720 | 98,4 % | 44.268 | 2.053 | 89,7 % |
Uitsplitsing van vastgelegde, contractueel vastgelegde en betaalde bedragen per regio en per land
GECUMULEERDE EOF-REKENINGEN OP 31 december 2023 PER LAND % KREDIETEN | ||||||||
10e + 11e EOF | TOTAAL 10e en 11e EOF (in miljoen EUR) | |||||||
Cumulatief 2023 | Kredieten | Besluiten | % van kredieten | Toegewezen middelen | % van kredieten | Betalingen | % van kredieten | |
ACS | Algemene/administratieve uitgaven/rente | 1.624 | 1.614 | 99 % | 1.615 | 99 % | 1.494 | 92 % |
Reserve/Niet uitgekeerd per land | 2.862 | 2.553 | 89 % | 2.553 | 89 % | 2.553 | 89 % | |
Alle ACS-landen | 4.486 | 4.167 | 93 % | 4.168 | 93 % | 4.047 | 90 % | |
Angola | 346 | 346 | 100 % | 344 | 99 % | 300 | 87 % | |
Benin | 735 | 732 | 100 % | 720 | 98 % | 679 | 92 % | |
Botswana | 129 | 127 | 98 % | 126 | 97 % | 126 | 97 % | |
Burkina Faso | 1.302 | 1.302 | 100 % | 1.297 | 100 % | 1.261 | 97 % | |
Burundi | 569 | 567 | 100 % | 564 | 99 % | 541 | 95 % | |
Kameroen | 521 | 520 | 100 % | 519 | 100 % | 482 | 93 % | |
Kaapverdië | 145 | 145 | 100 % | 144 | 100 % | 144 | 100 % | |
Comoren | 78 | 77 | 99 % | 76 | 98 % | 72 | 92 % | |
Congo | 163 | 163 | 100 % | 159 | 98 % | 139 | 85 % | |
Democratische Republiek Congo | 1.409 | 1.407 | 100 % | 1.371 | 97 % | 1.219 | 87 % | |
Ivoorkust | 705 | 705 | 100 % | 701 | 100 % | 676 | 96 % | |
Djibouti | 181 | 181 | 100 % | 178 | 98 % | 156 | 86 % | |
Eritrea | 215 | 215 | 100 % | 215 | 100 % | 75 | 35 % | |
Ethiopië | 1.604 | 1.603 | 100 % | 1.594 | 99 % | 1.400 | 87 % | |
Gabon | 33 | 33 | 99 % | 32 | 97 % | 30 | 91 % | |
Gambia | 314 | 303 | 96 % | 301 | 96 % | 277 | 88 % | |
Ghana | 787 | 786 | 100 % | 782 | 99 % | 726 | 92 % | |
Guinee-Bissau | 186 | 186 | 100 % | 185 | 100 % | 175 | 94 % | |
Guinee (Conakry) | 502 | 502 | 100 % | 494 | 98 % | 434 | 86 % | |
Mauritius | 82 | 82 | 100 % | 82 | 100 % | 82 | 100 % | |
Kenia | 863 | 863 | 100 % | 855 | 99 % | 753 | 87 % | |
Lesotho | 250 | 249 | 100 % | 248 | 99 % | 197 | 79 % | |
Liberia | 488 | 487 | 100 % | 443 | 91 % | 436 | 89 % | |
Madagaskar | 782 | 782 | 100 % | 730 | 93 % | 591 | 76 % | |
Malawi | 1.020 | 1.020 | 100 % | 970 | 95 % | 883 | 87 % | |
Mali | 1.423 | 1.421 | 100 % | 1.414 | 99 % | 1.230 | 86 % | |
Mauritanië | 344 | 344 | 100 % | 341 | 99 % | 321 | 93 % | |
Mozambique | 1.455 | 1.448 | 100 % | 1.391 | 96 % | 1.124 | 77 % | |
Namibië | 188 | 188 | 100 % | 178 | 95 % | 169 | 90 % | |
Niger | 1.275 | 1.275 | 100 % | 1.259 | 99 % | 1.247 | 98 % | |
Nigeria | 1.101 | 1.100 | 100 % | 1.097 | 100 % | 1.025 | 93 % | |
Uganda | 989 | 989 | 100 % | 983 | 99 % | 834 | 84 % | |
Centraal-Afrikaanse Republiek | 610 | 610 | 100 % | 609 | 100 % | 584 | 96 % | |
Rwanda | 840 | 840 | 100 % | 831 | 99 % | 816 | 97 % | |
Sao Tomé en Principe | 56 | 56 | 100 % | 54 | 96 % | 49 | 88 % | |
Senegal | 663 | 663 | 100 % | 659 | 99 % | 620 | 94 % | |
Seychellen | 23 | 23 | 100 % | 23 | 100 % | 22 | 98 % | |
Sierra Leone | 662 | 659 | 99 % | 646 | 98 % | 597 | 90 % | |
Somalië | 900 | 898 | 100 % | 895 | 99 % | 889 | 99 % | |
Sudan | 298 | 298 | 100 % | 298 | 100 % | 298 | 100 % | |
Zuid-Sudan | 91 | 91 | 100 % | 91 | 100 % | 91 | 100 % | |
Eswatini (Swaziland) | 125 | 124 | 99 % | 122 | 97 % | 108 | 86 % | |
Tanzania | 1.172 | 1.171 | 100 % | 1.161 | 99 % | 1.060 | 90 % | |
Tsjaad | 936 | 936 | 100 % | 902 | 96 % | 794 | 85 % | |
Togo | 377 | 377 | 100 % | 375 | 99 % | 355 | 94 % | |
Zambia | 830 | 830 | 100 % | 784 | 94 % | 648 | 78 % | |
Zimbabwe | 469 | 462 | 99 % | 460 | 98 % | 453 | 97 % | |
* Totaal Afrika | 28.235 | 28.185 | 100 % | 27.703 | 98 % | 25.192 | 89 % | |
Antigua en Barbuda | 15 | 15 | 100 % | 15 | 100 % | 15 | 95 % | |
Barbados | 22 | 22 | 99 % | 22 | 99 % | 21 | 94 % | |
Belize | 42 | 42 | 100 % | 41 | 96 % | 35 | 83 % | |
Dominica | 41 | 41 | 100 % | 40 | 98 % | 40 | 98 % | |
Grenada | 21 | 21 | 100 % | 21 | 100 % | 20 | 98 % | |
Guyana | 79 | 79 | 100 % | 77 | 97 % | 77 | 97 % | |
Haïti | 1.009 | 1.002 | 99 % | 876 | 87 % | 773 | 77 % | |
Jamaica | 236 | 236 | 100 % | 233 | 99 % | 222 | 94 % | |
Dominicaanse Republiek | 283 | 281 | 99 % | 280 | 99 % | 278 | 98 % | |
Saint Lucia | 32 | 32 | 100 % | 32 | 100 % | 31 | 96 % | |
Saint Kitts en Nevis | 8 | 8 | 100 % | 6 | 72 % | 6 | 72 % | |
Saint Vincent en de Grenadines | 26 | 26 | 100 % | 26 | 99 % | 22 | 84 % | |
Suriname | 27 | 27 | 100 % | 27 | 99 % | 26 | 96 % | |
Trinidad en Tobago | 29 | 28 | 99 % | 28 | 99 % | 24 | 85 % | |
* Totaal Caribisch gebied | 1.870 | 1.861 | 100 % | 1.724 | 92 % | 1.590 | 85 % | |
Fiji | 48 | 48 | 100 % | 48 | 99 % | 48 | 98 % | |
Cookeilanden | 5 | 5 | 100 % | 5 | 100 % | 5 | 100 % | |
Salomonseilanden | 68 | 68 | 100 % | 68 | 100 % | 61 | 90 % | |
Kiribati | 42 | 42 | 100 % | 41 | 98 % | 37 | 87 % | |
Marshalleilanden | 17 | 17 | 100 % | 17 | 100 % | 16 | 98 % | |
Micronesia | 23 | 23 | 100 % | 22 | 97 % | 16 | 68 % | |
Nauru | 4 | 4 | 98 % | 4 | 98 % | 4 | 98 % | |
Niue | 3 | 3 | 100 % | 3 | 100 % | 3 | 100 % | |
Palau | 5 | 5 | 100 % | 4 | 70 % | 4 | 68 % | |
Papoea-Nieuw-Guinea | 239 | 239 | 100 % | 233 | 97 % | 202 | 84 % | |
Samoa (voormalig West-Samoa) | 67 | 67 | 100 % | 67 | 99 % | 67 | 99 % | |
Oost-Timor | 174 | 171 | 98 % | 169 | 97 % | 157 | 90 % | |
Tonga | 28 | 28 | 100 % | 28 | 100 % | 28 | 100 % | |
Tuvalu | 13 | 13 | 100 % | 13 | 99 % | 13 | 97 % | |
Vanuatu | 55 | 55 | 100 % | 54 | 99 % | 49 | 90 % | |
* Totaal Stille Oceaan | 793 | 789 | 100 % | 776 | 98 % | 709 | 89 % | |
Intra-ACS-toewijzingen | 8.097 | 7.970 | 98 % | 7.973 | 98 % | 6.988 | 86 % | |
PALOP | 60 | 60 | 100 % | 60 | 99 % | 55 | 91 % | |
Regio Zuid-Afrika FED 10 | 137 | 135 | 99 % | 135 | 99 % | 132 | 96 % | |
Regio Centraal-Afrika | 558 | 554 | 99 % | 546 | 98 % | 422 | 76 % | |
Oostelijk en zuidelijk Afrika | 3.092 | 3.066 | 99 % | 2.973 | 96 % | 2.383 | 77 % | |
Regio West-Afrika | 1.946 | 1.943 | 100 % | 1.917 | 99 % | 1.613 | 83 % | |
Caribisch gebied | 539 | 538 | 100 % | 526 | 98 % | 397 | 74 % | |
ACS | Regio Stille Oceaan | 323 | 321 | 99 % | 299 | 93 % | 224 | 69 % |
Reserve/Niet uitgekeerd per regio | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
LGO | * Totaal regionale samenwerking LGO | 14.752 | 14.587 | 99 % | 14.429 | 98 % | 12.213 | 83 % |
ACS | 50.137 | 49.589 | 99 % | 48.801 | 97 % | 43.750 | 87 % | |
Reserve/Niet uitgekeerd per land/grondgebied | 30 | 12 | 39 % | 11 | 38 % | 11 | 36 % | |
Alle LGO-landen | 30 | 12 | 39 % | 11 | 38 % | 11 | 36 % | |
Anguilla | 28 | 27 | 99 % | 27 | 99 % | 27 | 99 % | |
Falklandeilanden | 10 | 10 | 100 % | 10 | 100 % | 10 | 100 % | |
Pitcairneilanden | 5 | 5 | 100 % | 5 | 100 % | 5 | 100 % | |
Turks- en Caicoseilanden | 32 | 32 | 100 % | 32 | 100 % | 32 | 100 % | |
Britse Maagdeneilanden | 2 | 2 | 100 % | 2 | 98 % | 2 | 93 % | |
Montserrat | 33 | 33 | 100 % | 33 | 100 % | 33 | 100 % | |
Sint-Helena | 38 | 38 | 100 % | 38 | 100 % | 38 | 100 % | |
* Totaal Britse LGO | 147 | 146 | 100 % | 146 | 100 % | 146 | 100 % | |
Nederlandse Antillen | 40 | 40 | 100 % | 23 | 56 % | 20 | 51 % | |
Nederlandse Antillen – Bonaire | 4 | 4 | 100 % | 4 | 98 % | 2 | 56 % | |
Nederlandse Antillen – Saba | 3 | 3 | 100 % | 3 | 100 % | 3 | 100 % | |
Nederlandse Antillen – Sint-Eustatius | 2 | 2 | 100 % | 2 | 100 % | 2 | 100 % | |
Aruba | 21 | 21 | 100 % | 21 | 99 % | 21 | 96 % | |
Sint-Maarten | 14 | 14 | 100 % | 8 | 55 % | 5 | 33 % | |
* Totaal Nederlandse LGO | 85 | 85 | 100 % | 61 | 72 % | 54 | 63 % | |
Wallis en Futuna | 39 | 39 | 100 % | 37 | 95 % | 29 | 75 % | |
Mayotte | 29 | 29 | 100 % | 29 | 100 % | 29 | 100 % | |
Nieuw-Caledonië | 50 | 50 | 100 % | 50 | 100 % | 50 | 100 % | |
Frans-Polynesië | 51 | 51 | 100 % | 49 | 97 % | 49 | 97 % | |
Saint-Pierre en Miquelon | 47 | 47 | 100 % | 47 | 100 % | 47 | 100 % | |
* Totaal Franse LGO | 215 | 215 | 100 % | 212 | 98 % | 204 | 95 % | |
Regio | 137 | 137 | 100 % | 136 | 99 % | 103 | 75 % | |
LGO Regionale samenwerking | 137 | 137 | 100 % | 136 | 99 % | 103 | 75 % | |
LGO | 614 | 595 | 97 % | 566 | 92 % | 517 | 84 % | |
TOTAAL: ACS+LGO | 50.751 | 50.184 | 99 % | 49.367 | 97 % | 44.268 | 87 % |
Uitsplitsing van vastgelegde, contractueel vastgelegde en betaalde bedragen per uitgaventerrein voor het 11e EOF
Uitsplitsing van vastgelegde, contractueel vastgelegde en betaalde bedragen per uitgaventerrein (DAC-sectorcodes) van het 11e EOF11 | |||
(in miljoen EUR) | |||
Sector | Vastgelegd | Contractueel vastgelegd | Betaald |
Sociale infrastructuur en dienstverlening | |||
110-Onderwijs | 1 192,46 | 1 132,83 | 995,48 |
120-Gezondheidszorg | 2 131,40 | 2 510,72 | 2 263,73 |
130-Bevolkingspolitiek/programma’s en reproductieve gezondheid | 352,44 | 50,31 | 35,95 |
140-Water en sanitaire voorzieningen | 788,50 | 848,83 | 547,53 |
150-Overheid en maatschappelijk middenveld | 5 826,37 | 6 047,02 | 5 540,34 |
160-Overige sociale infrastructuur en dienstverlening | 996,71 | 1 385,46 | 1 611,09 |
Sociale infrastructuur en dienstverlening TOTAAL | 11 287,88 | 11 975,17 | 10 994,13 |
Economische infrastructuur en dienstverlening | |||
210-Vervoer en opslag | 1 425,48 | 2 055,09 | 1 083,29 |
220-Communicatie | 140,96 | 146,96 | 114,64 |
230-Energie | 2 015,13 | 1 943,06 | 1 220,76 |
240-Bankdiensten en financiële dienstverlening | 82,03 | 129,29 | 83,97 |
250-Zakelijke en andere diensten | 343,43 | 324,93 | 223,51 |
Economische infrastructuur en dienstverlening TOTAAL | 4 007,01 | 4 599,33 | 2 726,17 |
Productiesectoren | |||
310-Landbouw, bosbouw en visserij | 3 344,16 | 3 105,92 | 2 351,62 |
320-Industrie, delfstoffen en mijnbouw, bouwnijverheid | 641,59 | 492,66 | 297,21 |
330-Handel en toerisme | 507,49 | 436,11 | 272,06 |
Productiesectoren TOTAAL | 4 493,24 | 4 034,69 | 2 920,88 |
Multisectoraal/transversaal | |||
410-Algemene milieubescherming | 989,82 | 841,85 | 658,36 |
430-Overige multisectoraal | 3 886,22 | 2 610,66 | 1 685,71 |
Multisectoraal/transversaal TOTAAL | 4 876,04 | 3 452,51 | 2 344,07 |
Hulp in de vorm van goederen en algemene programmasteun | |||
510-Algemene begrotingssteun | 3 116,32 | 3 165,05 | 2 480,30 |
520-Voedselhulp in het kader van ontwikkelingssteun | 617,50 | 391,67 | 367,06 |
Hulp in de vorm van goederen en algemene programmasteun TOTAAL | 3 733,82 | 3 556,73 | 2 847,36 |
Maatregelen met betrekking tot schulden | |||
600-Maatregelen met betrekking tot schulden | 183,00 | 183,00 | 183,00 |
Maatregelen met betrekking tot schulden TOTAAL | 183,00 | 183,00 | 183,00 |
Humanitaire hulp | |||
720-Respons in noodsituaties | 746,19 | 452,54 | 451,93 |
730-Hulp voor wederopbouw en herstel | 137,83 | 65,05 | 42,29 |
740-Paraatheid bij rampen | 72,79 | 110,05 | 93,41 |
Humanitaire hulp TOTAAL | 956,81 | 627,64 | 587,63 |
Administratieve kosten van donoren/Niet toegewezen/Niet nader gespecificeerd | |||
910-Administratieve kosten van donoren | 995,52 | 948,63 | 857,45 |
998-Niet toegewezen/niet gespecificeerd | 183,74 | 56,05 | 38,45 |
N.b.-Niet beschikbaar | 260,50 | 1,64 | 1,21 |
Administratieve kosten van donoren/Niet toegewezen/Niet nader gespecificeerd TOTAAL | 1 439,76 | 1 006,32 | 897,11 |
TOTAAL-GENERAAL VAN 11e EOF | 30 977,56 | 29 435,38 | 23 500,34 |
Ontwikkeling van cumulatief vastgelegd, contractueel vastgelegd en betaald bedrag per uitgaventerrein voor het 11e EOF
9. VERKLARENDE BEGRIPPENLIJST
Administratieve kredieten
Kredieten ter dekking van de huishoudelijke uitgaven van de instellingen (personeel, gebouwen, kantoorapparatuur).
Vastgestelde begroting
De ontwerpbegroting wordt de vastgestelde begroting zodra zij door de begrotingsautoriteit is goedgekeurd.
Gewijzigde begroting
Tijdens het begrotingsjaar genomen besluit tot wijziging (verhoging, verlaging, overschrijving) van onderdelen van de goedgekeurde begroting van dat jaar.
Kredieten
Begrotingsmiddelen.
De begroting bevat ramingen van zowel vastleggingen (juridische verbintenissen om voor financiering te zorgen) als betalingen (geld dat contant of per bankoverschrijving aan de begunstigden wordt uitbetaald). Er is vaak een verschil tussen de kredieten voor vastleggingen en die voor betalingen — de “gesplitste” kredieten — omdat de middelen voor meerjarige programma’s en projecten gewoonlijk volledig worden vastgelegd in het jaar waarin de desbetreffende besluiten worden genomen en de betalingen worden gespreid over een aantal jaren, in het tempo waarin programma’s en projecten worden uitgevoerd.
Bestemmingsontvangsten
Ontvangsten bestemd voor de financiering van welbepaalde uitgaven.
Begrotingsresultaat
Het verschil tussen ontvangen inkomsten en de betaalde bedragen, met inbegrip van de aanpassingen voor overdrachten, annuleringen en wisselkoersverschillen.
Voor de agentschappen moet het resulterende bedrag worden terugbetaald aan de financierende autoriteit.
Uitvoering van de begroting
Besteding van de begroting door middel van uitgaven en ontvangsten.
Begrotingspost/Begrotingsonderdeel
De begroting is gestructureerd in ontvangsten en uitgaven die worden weergegeven overeenkomstig een bindende nomenclatuur die de door de begrotingsautoriteit vastgestelde aard en het doel van elke post weerspiegelt. De afzonderlijke rubrieken (titel, hoofdstuk, artikel of post) vormen een formele beschrijving van de nomenclatuur.
Vastlegging in de begroting
Verrichting waarmee de bevoegde ordonnateur in de begroting de begrotingskredieten vastlegt die nodig zijn voor de latere betalingen ter uitvoering van juridische verbintenissen.
Annulering van kredieten
Kredieten die tegen het einde van het begrotingsjaar niet zijn gebruikt en die niet kunnen worden overgedragen, worden geannuleerd.
Overdracht van kredieten
Uitzondering op het beginsel van jaarperiodiciteit, waarbij kredieten die in een bepaald begrotingsjaar niet konden worden gebruikt, bij wijze van uitzondering en onder strikte voorwaarden worden overgedragen voor gebruik in het volgende jaar.
Vastleggingskredieten
Vastleggingskredieten dekken de totale waarde van juridische verplichtingen (contracten, subsidieovereenkomsten of -besluiten) die kunnen worden aangegaan in het lopende begrotingsjaar.
Vrijmaking
Verrichting waarbij de bevoegde ordonnateur de reservering van eerder in de begroting vastgelegde kredieten geheel of gedeeltelijk annuleert.
Gesplitste kredieten
Gesplitste kredieten worden gebruikt voor de financiering van meerjarenacties; zij dekken alle kosten die voortvloeien uit de juridische verbintenissen die gedurende het lopende begrotingsjaar zijn aangegaan voor activiteiten waarvan de tenuitvoerlegging zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt.
Economisch resultaat
Effect op de balans van uitgaven en ontvangsten op basis van de regels van boekhouding op transactiebasis.
Vastgestelde rechten
Het recht om inkomsten te ontvangen van een debiteur zoals erkend door middel van een invorderingsopdracht.
Wisselkoersverschil
Het verschil dat voortvloeit uit de wisselkoersen die gelden voor de transacties met betrekking tot landen buiten de eurozone, of uit de herwaardering van in buitenlandse valuta luidende activa en passiva op de datum van de jaarrekening.
Uitgaven
Term die wordt gebruikt voor de besteding van de begroting uit alle soorten financieringsbronnen.
Subsidies
Rechtstreekse financiële bijdragen ten laste van de begroting aan derden-begunstigden die zijn betrokken bij activiteiten die het beleid van de Unie dienen.
Vervallen kredieten
Ongebruikte kredieten die op het einde van het begrotingsjaar worden geannuleerd. Vervallen betekent de volledige of gedeeltelijke intrekking van de machtiging om uitgaven te doen en/of verplichtingen aan te gaan, zoals belichaamd door een krediet.
Voor gemeenschappelijke ondernemingen (en EIT) kunnen ongebruikte kredieten overeenkomstig hun financiële regels worden opgenomen in de raming van ontvangsten en uitgaven van de volgende drie begrotingsjaren (de zogeheten “n+3“-regel). Vervallen kredieten voor gemeenschappelijke ondernemingen kunnen met andere woorden tot begrotingsjaar “n+3” opnieuw worden opgevoerd.
Rechtsgrondslag/basishandeling
De rechtshandeling die wordt vastgesteld door de wetgevende macht (gewoonlijk de Raad en het Europees Parlement) waarin de doelstelling van een uitgavenprogramma van de Unie wordt bepaald, alsook het doel van de kredieten, de regels voor interventie, de vervaldatum en de relevante financiële regels die als rechtsgrondslag voor de uitvoering van het uitgavenprogramma moeten dienen.
Juridische verbintenis
Handeling waarbij de ordonnateur een verplichting ten aanzien van derden aangaat die tot een uitgave ten laste van de begroting van de Unie kan leiden.
Veelvoorkomende vormen van juridische verbintenissen zijn contracten in geval van aanbestedingen, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten.
Niet-gesplitste kredieten
Kredieten die in de jaarlijkse behoeften voorzien en derhalve gedurende het begrotingsjaar moeten worden vastgelegd. Alleen bedragen die in aanmerking komen om automatisch te worden overgedragen, kunnen in het volgende jaar worden uitgekeerd. Niet-gesplitste kredieten die aan het einde van het jaar niet zijn gebruikt, d.w.z. vastgelegd, worden geannuleerd (tenzij, bij wijze van uitzondering, bij een besluit van de Commissie toestemming voor een niet-automatische overdracht wordt verleend). Niet-gesplitste kredieten betreffen administratieve uitgaven. Vastleggingskredieten en betalingskredieten zijn in dat geval gelijk.
Beleidskredieten
De beleidskredieten financieren de verschillende beleidsmaatregelen, hoofdzakelijk in de vorm van subsidies of overheidsopdrachten.
Nog betaalbaar te stellen vastleggingen
De nog betaalbaar te stellen vastleggingen (of RAL, van het Franse “reste à liquider”) worden gedefinieerd als het bedrag van de vastgelegde kredieten die nog niet zijn betaald. Zij zijn het directe gevolg van de spreiding van programma’s over meerdere jaren en de splitsing in vastleggings- en betalingskredieten.
Betalingskredieten
Betalingskredieten dekken uitgaven die in het lopende jaar moeten worden gedaan uit hoofde van juridische verplichtingen van het lopende en/of eerdere jaren.
RAL (Reste à liquider)
Het resterende bedrag dat op een bepaald moment moet worden betaald ten aanzien van een vastlegging in de begroting. Zie Nog betaalbaar te stellen vastlegging.
Overschot
Positief verschil tussen ontvangsten en uitgaven dat moet worden terugbetaald aan de financierende autoriteit. Zie Begrotingsresultaat.
Overschrijving tussen begrotingsonderdelen
Overschrijvingen houden de verplaatsing in van kredieten van het ene begrotingsonderdeel naar het andere in de loop van het begrotingsjaar en vormen dus een uitzondering op het begrotingsspecialiteitsbeginsel.
JAARVERSLAG OVER DE UITVOERING — DE DOOR DE EUROPESE INVESTERINGSBANK BEHEERDE MIDDELEN
OVERZICHT VAN DE FINANCIËLE POSITIE
per 31 december 2023
(× 1 000 EUR)
Toelichting | 31.12.2023 | 31.12.2022 | |
ACTIVA | |||
Geldmiddelen en kasequivalenten | 5 | 1 376 824 | 1 451 970 |
Door contribuanten te storten bedragen | 9/16 | 85 321 | 85 321 |
Thesauriemiddelen | 10 | - | 73 003 |
Afgeleide financiële instrumenten | 6 | 55 765 | 75 852 |
Leningen en voorschotten | 7 | 1 683 312 | 1 849 786 |
Aandelen en andere effecten met variabele rente | 8 | 820 713 | 797 341 |
Overige activa | 11 | 616 | 950 |
Totaal activa | 4 022 551 | 4 334 223 | |
PASSIVA EN MIDDELEN VAN CONTRIBUANTEN | |||
PASSIVA | |||
Uitgestelde baten | 12 | 48 515 | 52 417 |
Voorzieningen voor toegezegde leningen | 13 | 19 038 | 16 583 |
Aan derde partijen verschuldigde bedragen | 14 | 427 828 | 190 927 |
Overige verplichtingen | 15 | 3 338 | 2 419 |
Totaal verplichtingen | 498 719 | 262 346 | |
Middelen contribuanten | 16/17 | 3 523 832 | 4 071 877 |
Totaal passiva en middelen contribuanten | 4 022 551 | 4 334 223 |
VOOR HET JAAR GEëINDIGD OP 31 DECEMBER 2023
(× 1 000 EUR)
Toelichting | Vanaf 1.1.2023 | Vanaf 1.1.2022 | |
t/m 31.12.2023 | t/m 31.12.2022 | ||
Rente en soortgelijke baten* | 19 | 148 336 | 93 786 |
Rente en soortgelijke uitgaven | 19 | - | -5.479 |
Nettorente en soortgelijke baten | 148 336 | 88 307 | |
Baten uit vergoedingen en provisies | 20 | 25 | 511 |
Uitgaven aan vergoedingen en provisies | 20 | -62 | -761 |
Netto vergoedings- en provisiebaten | -37 | -250 | |
Wijziging in reële waarde van afgeleide financiële instrumenten | 6 | -20 087 | 94 680 |
Nettoresultaat op aandelen en andere effecten met variabele rente | 21 | -8 457 | 24 432 |
Nettoresultaat van de leningen en voorschotten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies | 7 | -8 932 | -3 080 |
Nettowisselkoersresultaat | 22 | -67 885 | -140 104 |
Nettoresultaten van financiële transacties | -105 361 | -24 072 | |
Wijziging bij waardevermindering op leningen en voorschotten, minus terugboekingen | 7.2 | 9 055 | 8 562 |
Wijziging in voorzieningen voor toegezegde leningen, minus terugboekingen | 13 | -2 470 | 20 |
Algemene beheerskosten | 23 | -29 655 | -33 628 |
Winst over het boekjaar | 19 868 | 38 939 | |
Totaal niet-gerealiseerde resultaten winst voor het jaar | 19 868 | 38 939 | |
* Voor het op 31 december 2023 afgesloten jaar bedroegen rente en soortgelijke baten 118,5 miljoen EUR (2022: 85,8 miljoen EUR) berekend op basis van de geamortiseerde kostprijs op basis van de effectieverentemethode. |
VOOR HET JAAR GEËINDIGD OP 31 DECEMBER 2023
(× 1 000 EUR)
Afgeroepen bijdrage | Betaalde bijdragen | Ingehouden winsten | Totaal | ||
Per 1 januari 2023 | Toelichting | 3 701 695 | - | 370 182 | 4 071 877 |
Bijdragen lidstaten afgeroepen in de loop van het jaar | 16 | 20 000 | - | - | 20 000 |
Bijdragen lidstaten afgeroepen in de loop van het jaar | 17 | - | -587 913 | - | -587 913 |
Winst voor het jaar 2023 | - | - | 19 868 | 19 868 | |
Wijzigingen middelen contribuanten | 20 000 | -587 913 | 19 868 | -548 045 | |
Per 31 december 2023 | 3 721 695 | -587 913 | 390 050 | 3 523 832 | |
Afgeroepen bijdrage | Betaalde bijdragen | Ingehouden winsten | Totaal | ||
Per 1 januari 2022 | 3 471 695 | - | 331 243 | 3 802 938 | |
Bijdrage lidstaten afgeroepen in de loop van het jaar | 230 000 | - | - | 230 000 | |
Winst voor het jaar 2022 | - | - | 38 939 | 38 939 | |
Wijzigingen middelen contribuanten | 230 000 | - | 38 939 | 268 939 | |
Per 31 december 2022 | 3 701 695 | - | 370 182 | 4 071 877 | |
VOOR HET JAAR GEËINDIGD OP 31 DECEMBER 2023
(× 1 000 EUR)
Toelichting | Van 1.1.2023 tot 31.12.2023 | Van 1.1.2022 tot 31.12.2022 | |
OPERATIONELE ACTIVITEITEN | |||
Winst over het boekjaar | 19 868 | 38 939 | |
Aanpassingen voor: | |||
Nettoresultaat in reële waarde op aandelen en andere effecten met variabele rente | 8 | 15 142 | -9 271 |
Wijziging bij waardevermindering op leningen en voorschotten, minus terugboekingen | 7.2 | -9 055 | -8 562 |
Nettoresultaat van de leningen en voorschotten gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies | 7 | 8 932 | 3 080 |
Wijziging opgelopen rente en geamortiseerde kostprijs leningen en voorschotten | 708 | 2 291 | |
Nettowijziging in voorzieningen voor toegezegde leningen, minus terugboekingen | 2 455 | -19 | |
Wijziging reële waarde derivaten | 20 087 | -94 680 | |
Wijziging opgelopen rente en geamortiseerde kostprijs van financiële activa | 10 | -248 | 321 |
Wijziging uitgestelde baten | -3 902 | 3 985 | |
Gevolgen wijzigingen wisselkoers op leningen | 7.1 | 86 765 | -53 747 |
Effect van wisselkoerswijzigingen op aandelen en andere effecten met variabele rente | 8 | 30 026 | -25 463 |
Gevolgen wijzigingen wisselkoers op aangehouden tegoeden | -8 031 | -12 006 | |
(Verlies)/winst beleidsactiviteiten voor wijzigingen in beleidsactiva en -passiva | 162 747 | -155 132 | |
Uitkeringen lening | 7 | -207 237 | -260 493 |
Terugbetalingen leningen | 7 | 288 155 | 458 381 |
Wijziging opgelopen rentebaten op geldmiddelen en kasequivalenten | 5 | 4 039 | 1 822 |
Verwerving van thesauriemiddelen | 10 | -348 523 | -920 290 |
Looptijden thesauriemiddelen | 10 | 421 278 | 847 608 |
Toename aandelen en andere effecten met variabele rente | 8 | -101 100 | -139 935 |
Netto-opbrengsten op aandelen en andere effecten met variabele rente | 39 246 | 90 219 | |
Afname andere activa | 334 | 136 | |
Toename andere passiva | 919 | 86 | |
Stijging/(daling) van andere bedragen te betalen aan Europese Investeringsbank | 33 951 | -58 093 | |
Nettokasstromen (gebruikt in) van operationele activiteiten | 293 809 | -135 691 | |
FINANCIERINGSACTIVITEITEN | |||
Bijdrage van lidstaten | 79 710 | 238 450 | |
Bedragen ontvangen van lidstaten met betrekking tot rentesubsidies en technische bijstand | 220 290 | 61 450 | |
Bedragen betaald namens lidstaten met betrekking tot rentesubsidies en technische bijstand | -77 050 | -60 619 | |
Bijdragen betaald namens lidstaten | 17 | -587 913 | - |
Nettokasstromen van financieringsactiviteiten | -364 963 | 239 281 | |
Nettotoename geldmiddelen en kasequivalenten | -71 154 | 103 590 | |
Samenvattende staat van kasstromen: | |||
Geldmiddelen en kasequivalenten bij het begin van het begrotingsjaar | 1 450 589 | 1 359 005 | |
Nettokasstromen (gebruikt in) / van: | |||
Operationele activiteiten | 293 809 | -135 691 | |
Financieringsactiviteiten | -364 963 | 239 281 | |
Effect wijzigingen wisselkoers op geldmiddelen en kasequivalenten | -8 031 | -12 006 | |
Geldmiddelen en kasequivalenten bij het einde van het begrotingsjaar | 1 371 404 | 1 450 589 | |
Geldmiddelen en kasequivalenten zijn samengesteld uit: | |||
Contanten | 5 | 146 494 | 328 079 |
Termijndeposito’s (exclusief opgelopen rente) | 5 | 625 403 | 963 004 |
Commercial papers | 5 | 599 507 | 159 506 |
1 371 404 | 1 450 589 |
Toelichtingen bij de financiële staten per 31 december 2023
1 Algemene informatie
De investeringsfaciliteit (de “faciliteit”) is opgericht in het kader van de Overeenkomst van Cotonou (de “Overeenkomst”) betreffende steun voor samenwerking en ontwikkeling, die door de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (“de ACS-staten”) en de Europese Unie en haar lidstaten op 23 juni 2000 is gesloten en op 25 juni 2005 en 22 juni 2010 is herzien.
De faciliteit is geen afzonderlijke rechtspersoon en de Europese Investeringsbank (“EIB”) beheert de bijdragen namens de lidstaten (“donoren”) overeenkomstig de voorwaarden van de Overeenkomst en treedt op als een beheerder van de faciliteit.
De in het kader van de Overeenkomst vastgelegde financiering is afkomstig uit de begrotingen van de EU-lidstaten. EU-lidstaten dragen bij met bedragen voor de financiering van de faciliteit en subsidies die worden gebruikt voor de financiering van rentesubsidies zoals is voorzien in de meerjarige financiële kaders (het eerste financiële protocol voor de periode 2000-2007 waarnaar wordt verwezen als het 9e EOF, het tweede financiële protocol voor de periode 2008-2013 waarnaar wordt verwezen als het 10e EOF en het derde financiële protocol voor de periode 2014-2020 waarnaar wordt verwezen als het 11e EOF). De EIB is belast met het beheer van:
i. de faciliteit, een risicodragend revolverend fonds ten belope van 3 685,5 miljoen EUR dat ertoe strekt de investeringen in de particuliere sector in de ACS-staten te bevorderen, waarbij een bedrag van 48,5 miljoen EUR aan de landen en gebieden overzee (“LGO’s”) is toegewezen;
ii. subsidies voor de financiering van rentesubsidies ten belope van maximaal 1 220,85 miljoen EUR voor ACS-staten en maximaal 8,5 miljoen EUR voor LGO’s. Tot 15 % van deze subsidies kan worden benut voor de financiering van projectgerelateerde technische bijstand.
Op 23 december 2020 heeft de Raad besloten de vastleggingsperiode van de investeringsfaciliteit met ten minste zes maanden te verlengen. Naar aanleiding van de verlenging heeft de bank, conform haar mandaat, operaties goedgekeurd tot 30 juni 2021 (Besluit 2020/2233 van de Raad van 23 december 2020 betreffende de vastlegging van de middelen die afkomstig zijn van gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit van operaties uit hoofde van het 9e, 10e en 11e EOF (PB L 437/188 van 28.12.2020)).
De EU en de ACS zijn overeengekomen om het besluit inzake overgangsmaatregelen te wijzigen teneinde de toepassing van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst te verlengen tot 31 december 2023, of tot de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomst, of tot de voorlopige toepassing van de nieuwe overeenkomst tussen de Unie en de ACS-staten, indien dat eerder is (Besluit nr. 2/2019 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs tot vaststelling van overgangsmaatregelen op grond van artikel 95, lid 4, van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, dat nadien is gewijzigd bij Besluit nr. 3/2021 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 26 november 2021 tot wijziging van Besluit nr. 970/2022 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 16 juni 2022 en van Besluit nr. 2/2023 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 25 oktober 2023).
De financiële staten zijn op continuïteitsbasis opgesteld, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de investeringsfaciliteit in staat zal zijn om in de voorzienbare toekomst alle schulden uit hoofde van de operaties te honoreren. De duur van de faciliteit wordt niet bepaald. Het Intern Akkoord van het 11e EOF blijft van kracht (overeenkomstig artikel 14, lid 3, van het Intern Akkoord) zolang dit nodig is om alle operaties die uit hoofde van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, het LGO-besluit en het meerjarig financieel kader worden gefinancierd, volledig uit te voeren.
De NDICI-verordening – Europa in de wereld, die van kracht werd op 14 juni 2021 (Verordening (EU) 2021/947 van 9 juni 2021), voorziet in de primaire rechtsgrondslag voor EU-bijstand buiten de EU in 2021-2027, en de governance voor het nieuwe institutionele mandaat van de bank voor acties buiten de Europese Unie, met inbegrip van de ACS-regio. Dit omvat de integratie van het huidige buiten de begroting gehouden EOF in de EU-begroting. De NDICI-verordening voorziet in de rechtsgrondslag op grond waarvan de Commissie toekomstige EU-mandaten kan toevertrouwen aan de EIB voor haar activiteiten buiten de EU. De verordening voorziet tevens in het kader voor externe investeringen waarbinnen de Unie kan samenwerken met partnerinstellingen via subsidies of garanties uit de EU-begroting.
Voor de toekomst zullen terugvloeiende middelen uit de investeringsfaciliteit worden ingezet binnen het NDICI-kader door middel van een combinatie van een specifiek segment voor de particuliere sector in de ACS-staten in het kader van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO+) en een trustfonds. Op 15 februari 2023 is een overdrachtsovereenkomst tussen de EIB en de Europese Commissie ondertekend (“Overdrachtsovereenkomst”). Het doel van deze overeenkomst is de overdracht van de middelen die voortvloeien uit terugvloeiingen in het kader van de faciliteit, zodra deze beschikbaar komen, in overeenstemming met Besluit (EU) 2020/2233 (“gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit”) en Besluit (EU) 2021/1764 (“gelden die terugvloeien in het kader van de LGO-associatie”, en samen met gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit, de “gelden die terugvloeien” genoemd). Voor meer informatie, zie toelichting 2.4.6 en toelichting 17.
De huidige financiële overzichten bestrijken de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023.
Op voorstel van het beheerscomité heeft het directiecomité de financiële staten op 21 maart 2024 vastgesteld en besloten deze ter goedkeuring aan de raad van bestuur voor te leggen op zijn vergadering van 26 april 2024.
2. Belangrijkste grondslagen voor financiële verslaglegging
2. Grondslag voor de voorbereiding — verklaring van overeenstemming
De financiële staten van de faciliteit zijn opgemaakt in overeenstemming met de International Financial Reporting Standards (IFRS), die door de Europese Unie zijn goedgekeurd. De financiële staten per 31 december 2023 omvatten het overzicht van de financiële positie, het overzicht van winst op verlies en niet-gerealiseerde resultaten, het mutatieoverzicht van de middelen van de bijdragebetalers, het kasstroomoverzicht en de toelichtingen.
2. Belangrijke boekhoudkundige beoordelingen, aannamen en schattingen
Het opstellen van financiële staten vereist het maken van schattingen en het vaststellen van aannamen die van invloed zijn op de gerapporteerde inkomsten, uitgaven, activa en verplichtingen en op de informatieverschaffing over voorwaardelijke activa en verplichtingen. Het gebruik van de beschikbare informatie en de toepassing van het oordeel zijn inherent aan de vorming van ramingen. De werkelijke resultaten in de toekomst kunnen afwijken van die ramingen, en de verschillen kunnen van materieel belang zijn voor de financiële staten. De schattingen en de onderliggende aannamen worden voortdurend herzien. Schattingen van herzieningen worden op prospectieve basis opgenomen.
Onder meer in volgende gevallen werd een beroep gedaan op beoordelingen en schattingen:
- Reële waarde van financiële instrumenten
Wanneer de reële waarde van financiële instrumenten op de balans niet uit actieve markten kan worden afgeleid, wordt de waarde bepaald met gebruikmaking van uiteenlopende waarderingstechnieken, waaronder mathematische modellen. De input voor deze modellen wordt waar mogelijk uit waarneembare markten gehaald. Is dit niet mogelijk, dan is er een zekere mate van beoordeling vereist voor de vaststelling van de reële waarde. De waarderingen kunnen worden ingedeeld in verschillende niveaus van de reëlewaardehiërarchie op grond van de inputs die worden gebruikt bij de waarderingstechnieken zoals beschreven en bekendgemaakt in de toelichtingen 2.4.2 en 4.
- Waardevermindering op leningen en voorschotten
De meting van verwachte kredietverliezen (“expected credit loss” — ECL) vereist dat het management een aantal belangrijke evaluaties verricht, met name met betrekking tot een significante toename van het kredietrisico sinds de eerste opname, de toepassing van toekomstgerichte informatie, het bedrag en het tijdschema van toekomstige kasstromen en de waarde van de zekerheden bij de vaststelling van waardeverminderingsverliezen. Deze ramingen zijn ingegeven door een aantal factoren, die kunnen resulteren in significante wijzigingen in de timing en het bedrag van de te erkennen kredietverliezen (toelichting 2.4.2). Relevante veronderstellingen over de effecten op waardeverminderingen die voortvloeien uit de algemene context van onzekerheid en turbulentie die is ontstaan in 2022 en is blijven bestaan in 2023, worden nader belicht in de toelichtingen 2.4.2.2 en 3.2.3.7.
- Waardering van investeringen in niet-beursgenoteerde aandelen
Bij de waardering van investeringen in niet-beursgenoteerde aandelen wordt normaal gesproken rekening gehouden met een van volgende elementen:
- recente zakelijke en objectieve markttransacties;
- actuele reële waarde van andere instrumenten die in wezen hetzelfde zijn;
- de verwachte kasstromen die verdisconteerd zijn met behulp van actuele rentevoeten die gelden voor instrumenten met soortgelijke voorwaarden en risicokenmerken;
- de methode op basis van de aangepaste intrinsieke waarde; of
- andere waarderingsmodellen.
De bepaling van de kasstromen en discontofactoren voor investeringen in niet-beursgenoteerde aandelen berust in grote mate op ramingen. De faciliteit stemt de waarderingstechnieken op gezette tijden op elkaar af en toetst hun geldigheid hetzij aan de prijzen van waarneembare actuele marktverrichtingen in hetzelfde instrument, hetzij aan andere beschikbare waarneembare marktgegevens.
- Consolidatie van entiteiten waarin de faciliteit belangen aanhoudt
De EIB is tot de beoordeling gekomen dat geen enkele entiteit waarin zij een belang aanhoudt door de faciliteit wordt gecontroleerd. Dit kan worden toegeschreven aan het feit dat in al die entiteiten hetzij de beherende vennoot, hetzij de fondsbeheerder, hetzij de raad van bestuur als enige beslissingsbevoegdheid heeft voor het beheer en de controle van de activiteiten en de aangelegenheden van het partnerschap. Zij beschikken over de bevoegdheid en het gezag om alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het partnerschap in overeenstemming met de investerings- en beleidsrichtsnoeren.
2. Wijzigingen in de grondslagen voor financiële verslaggeving
Met uitzondering van de hierna vermelde wijzigingen, heeft de faciliteit consequent het in toelichting 2.4 beschreven waarderingsbeleid toegepast op alle perioden die in deze financiële staten zijn opgenomen. De faciliteit heeft de volgende nieuwe standaarden en wijzigingen in standaarden vastgesteld.
Nieuwe en gewijzigde standaarden die door de faciliteit zijn vastgesteld
De volgende wijzigingen in bestaande standaarden zijn sinds
1 januari 2023 van kracht voor de financiële staten van de faciliteit:
- Wijzigingen in IAS 1 Presentatie van de jaarrekening en IFRS Practice Statement 2: Informatieverschaffing over de grondslagen voor financiële verslaggeving;
- Wijzigingen in IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten: vaststelling van boekhoudkundige schattingen;
Bovengenoemde wijzigingen hadden geen gevolgen voor de in voorgaande perioden opgenomen bedragen en zullen naar verwachting geen materiële gevolgen hebben voor de huidige of toekomstige perioden.
Nieuwe standaarden, wijzigingen en interpretaties die nog niet door de faciliteit zijn goedgekeurd
Op 31 december 2023 waren de volgende standaarden en wijzigingen in bestaande standaarden gepubliceerd, maar waren deze niet verplicht voor jaarlijkse verslagperioden die eindigen op 31 december 2023:
Standaarden en wijzigingen in bestaande standaarden die door de EU zijn goedgekeurd en die van kracht zijn voor jaarlijkse perioden die aanvangen op of na 1 januari 2024:
Wijzigingen in IAS 1 Presentatie van de jaarrekening: Classificatie van verplichtingen als kortlopend of langlopend en langlopende verplichtingen met convenanten.
Wijzigingen in bestaande standaarden die nog niet door de EU zijn bekrachtigd:
- wijzigingen in IAS 7 Het kasstroomoverzicht en IFRS 7 Financiële instrumenten: regelingen voor leveranciersfinanciering;
- wijzigingen in IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen: gebrek aan uitwisselbaarheid;
- wijzigingen in IFRS 10 Geconsolideerde Jaarrekening en IAS 28 Langetermijnbelangen in geassocieerde ondernemingen en joint ventures: verkoop of inbreng van activa tussen een investeerder en zijn geassocieerde deelneming of joint venture.
Op de datum van goedkeuring van deze financiële staten zijn geen van de bovengenoemde standaarden of wijzigingen in bestaande standaarden in een vroeg stadium door de faciliteit goedgekeurd en zijn er geen interpretaties verstrekt die van toepassing zijn en door de faciliteit op de verslagleggingsdatum in aanmerking moeten worden genomen. Het management verwacht dat alle relevante uitspraken zullen worden aangenomen voor de eerste periode die aanvangt op of na de ingangsdatum van de uitspraak, en dat er geen materiële gevolgen zullen zijn voor de financiële staten van de faciliteit.
2. Overzicht van de belangrijkste grondslagen voor financiële verslaglegging
In het overzicht van de financiële positie zijn de activa en passiva opgenomen in dalende volgorde van liquiditeit en wordt er geen onderscheid gemaakt tussen vlottende en niet-vlottende posten.
1. Omrekening valuta
Voor de presentatie van de financiële staten wordt de euro (EUR) gebruikt, die ook de functionele munteenheid is. Tenzij anders aangegeven, is de financiële verslaglegging in EUR is afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van duizend euro.
De verrichtingen in vreemde valuta worden omgerekend tegen de wisselkoers van de datum van de verrichting.
Financiële activa en passiva die in andere valuta dan de euro zijn uitgedrukt, worden in euro omgerekend tegen de wisselkoers van de datum van het overzicht van de financiële positie. De winst of het verlies uit die omrekening wordt in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten opgevoerd.
Niet-monetaire posten die worden geboekt tegen in een vreemde munteenheid uitgedrukte historische kosten, worden omgerekend tegen de wisselkoers van de datum van de initiële transactie. Niet-monetaire posten die worden geboekt tegen de in een vreemde munteenheid uitgedrukte reële waarde, worden omgerekend tegen de wisselkoers van de datum waarop de reële waarde werd bepaald.
Wisselkoersverschillen die voortvloeien uit de vereffening van verrichtingen tegen een andere koers dan die van de datum van de transactie, en niet-gerealiseerde wisselkoersverschillen op in vreemde valuta uitgedrukte monetaire activa en passiva die niet zijn vereffend, worden in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten opgevoerd.
2. Andere financiële activa dan derivaten
Niet-afgeleide financiële instrumenten worden initieel opgenomen op basis van de valutadatum.
Indeling en waardering
Financiële activa
Bij eerste opname wordt een financieel actief geclassificeerd als gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs (“AC”), of tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (“FVTPL”) en wordt een financiële verplichting geclassificeerd als gewaardeerd tegen AC of FVTPL.
Volgens IFRS 9 begint de classificatie met het bepalen of het financiële actief als een schuldinstrument of als eigenvermogensinstrument moet worden beschouwd. IFRS 9 verwijst naar de definities in IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie.
Schuldbewijzen zijn instrumenten die voldoen aan de definitie van een financiële verplichting uit het oogpunt van de tegenpartij, zoals leningen en schuldbewijzen, met inbegrip van obligaties, promesses, of certificaten die zijn uitgegeven door gestructureerde entiteiten, overheden of bedrijven.
Een schuldbewijs wordt gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs (“AC”), indien het aan beide volgende voorwaarden voldoet en niet geldt als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (“FVTPL”):
- het actief wordt aangehouden aangehouden binnen een bedrijfsmodel dat erop gericht is activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen; en
- de contractvoorwaarden van het financiële actief op bepaalde datums aanleiding geven tot kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen (SPPI-criteria — “solely payments of principal and interest”).
De bovenstaande vereisten dienen van toepassing te zijn op een volledig financieel actief, ook al bevat het een in een contract besloten derivaat.
Eigenvermogensinstrumenten zijn instrumenten die vanuit het perspectief van de uitgevende instelling aan de definitie van eigen vermogen voldoen; dat wil zeggen instrumenten die geen contractuele verplichting tot betaling bevatten en het overblijvende recht omvatten op een belang in de nettoactiva van de uitgevende instelling. Eigenvermogensinstrumenten worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (“FVTPL”).
Bij de eerste opname van een eigenvermogensinstrument dat niet voor handelsdoeleinden wordt aangehouden, kan de faciliteit de onherroepelijke keuze maken om latere veranderingen in niet-gerealiseerde resultaten te presenteren. Deze keuze wordt voor elke investering afzonderlijk gemaakt.
Alle andere financiële activa worden geclassificeerd als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (“FVTPL”).
Beoordeling van het bedrijfsmodel
De EIB, als beheerder van de faciliteit, maakt een beoordeling van de doelstelling van een bedrijfsmodel waarin een schuldinstrument op portefeuilleniveau wordt aangehouden omdat dit het best de wijze weergeeft waarop het bedrijf wordt beheerd en informatie aan het management wordt verstrekt. De in aanmerking genomen informatie omvat:
- de vastgestelde beleggingsdoelstellingen en beleggingsbeleid voor de portefeuille en de uitvoering van dit beleid in de praktijk. In het bijzonder of de strategie van het management gericht is op het genereren van contractuele rentebaten, het handhaven van een specifiek renteprofiel, de afstemming van de duration van de financiële activa op de duration van de verplichtingen die met deze activa worden gefinancierd of het realiseren van kasstromen door de activa te verkopen;
- hoe de prestaties van de portefeuille worden geëvalueerd en aan het management van de faciliteit worden gerapporteerd;
- de risico’s die van invloed zijn op de prestaties van het bedrijfsmodel (en de binnen dat bedrijfsmodel aangehouden financiële activa) en de wijze waarop die risico’s worden beheerd; en
- de frequentie, het volume en de timing van verkopen in vorige perioden, de redenen voor deze verkopen en verwachtingen met betrekking tot toekomstige verkoopactiviteiten.
Informatie over verkoopactiviteiten wordt echter niet afzonderlijk beschouwd, maar als onderdeel van een algemene beoordeling van de wijze waarop de doelstelling van de faciliteit voor het beheer van de financiële activa wordt bereikt en van de wijze waarop kasstromen worden gerealiseerd.
Het bedrijfsmodel voor de impactfinancieringsenveloppe voor rechtstreekse verstrekking van kredieten is beschreven en bekendgemaakt in toelichting 25.
SPPI-criteria (Uitsluitend aflossingen en rentebetalingen criteria)
In het kader van deze beoordeling wordt onder “hoofdsom” verstaan de reële waarde van het schuldinstrument bij eerste opname. “Rente” wordt gedefinieerd als vergoeding voor de tijdswaarde van geld, voor het tijdens een bepaalde periode aan het uitstaande hoofdsombedrag verbonden kredietrisico en voor andere met kredietverlening samenhangende basisrisico’s en -kosten (bv. liquiditeitsrisico en administratieve kosten), alsook uit een winstmarge.
Bij de beoordeling of de contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen betreffen, wordt rekening gehouden met de contractuele voorwaarden van het instrument. Dit houdt onder meer in dat moet worden beoordeeld of het financiële actief een contractuele bepaling bevat die het tijdstip of het bedrag van contractuele kasstromen zou kunnen wijzigen, zodat het actief niet aan deze voorwaarde zou voldoen.
Verwijdering uit de balans
De faciliteit verwijdert een financieel actief uit de balans wanneer de contractuele rechten op de kasstromen uit het financiële actief aflopen, of wanneer het recht wordt overgedragen om de contractuele kasstromen te ontvangen in een transactie waarbij de risico’s en voordelen van de eigendom van het financiële actief worden overgedragen door de faciliteit of waarbij de faciliteit nagenoeg alle risico’s en voordelen van de eigendom behoudt maar de zeggenschap over het financiële actief niet behoudt.
Bij het niet langer opnemen van een financieel actief of een financiële verplichting (zie toelichting 2.4.4) wordt het verschil tussen de boekwaarde van het actief of de verplichting (of de boekwaarde die is toegerekend aan het deel van het actief of de verplichting dat niet langer wordt opgenomen) en de som van i) de ontvangen of betaalde vergoeding en ii) elke cumulatieve winst die, of elk cumulatief verlies dat, rechtstreeks in niet-gerealiseerde resultaten was opgenomen, in winst of verlies opgenomen, met uitzondering van de in de overige onderdelen van het totaalresultaat opgenomen cumulatieve winsten of verliezen voor investeringen in aandelen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen die bij afstoting in het reservefonds worden gestort en niet in winst of verlies.
In de context van de IBOR-hervorming wordt de beoordeling of er sprake is van een aanzienlijke wijziging aan een financieel instrument tegen geamortiseerde kostprijs, gemaakt na toepassing van de praktische oplossing die bij de IBOR-hervorming fase 2 is geïntroduceerd. In overeenstemming met de door de IASB gepubliceerde wijzigingen boekt de faciliteit geen financieel instrument uit waarvan contractuele kasstromen worden gewijzigd als een rechtstreeks gevolg van de hervorming en de wijziging economisch vergelijkbaar is met de vorige grondslag voor het bepalen van de contractuele kasstromen (d.w.z. de grondslag onmiddellijk vóór de wijziging).
Herclassificatie
Financiële activa worden na hun eerste opname niet heringedeeld, behalve in de periode na de wijziging door de faciliteit van haar bedrijfsmodel voor het beheer van financiële activa.
Wijziging
Een financieel actief dat tegen geamortiseerde kostprijs wordt gewaardeerd, wordt als gewijzigd beschouwd wanneer de contractuele kasstromen ervan opnieuw worden heronderhandeld of anderszins worden gewijzigd. Heronderhandeling of herziening kan al dan niet leiden tot het niet langer opnemen van de oude en de erkenning van het nieuwe financiële instrument.
Een substantiële contractuele wijziging van de kasstromen van een financieel actief gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs die resulteert in het niet langer opnemen van het financiële actief, leidt tot de opname van het nieuwe financiële actief tegen de reële waarde ervan en tot de opname van het waarderingsverschil in de winst- en verliesrekening in de geconsolideerde winst- en verliesrekening onder “resultaat met betrekking tot financiële operaties”.
Een contractuele wijziging wordt geacht aanzienlijk te zijn indien de contante waarde van de kasstromen onder de herziene voorwaarden (gedisconteerd tegen de oorspronkelijke effectieve rentevoet) ten minste 10 % verschilt van de contante waarde van de resterende kasstromen van het oorspronkelijke financiële actief. Kwalitatieve factoren zoals een verandering in de valuta waarin het financiële actief luidt en de omrekeningskenmerken worden eveneens in aanmerking genomen.
In de context van de IBOR-hervorming wordt de beoordeling of er sprake is van een aanzienlijke wijziging aan een financieel instrument tegen geamortiseerde kostprijs, gemaakt na toepassing van de praktische oplossing die bij de IBOR-hervorming fase 2 is geïntroduceerd. De faciliteit actualiseert de effectieve rentevoet zonder de boekwaarde van het financiële instrument te wijzigen als de grondslag voor het bepalen van de contractuele kasstromen van het financiële instrument, gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, verandert als een rechtstreeks gevolg van de hervorming en als de wijziging economisch vergelijkbaar is met de vorige grondslag (d.w.z. de grondslag onmiddellijk vóór de wijziging).
Vaststelling van de reële waarde van financiële instrumenten
De reële waarde van een financieel instrument is de prijs die zou worden ontvangen om een activum te verkopen of die zou worden betaald om een verplichting over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum in de hoofdsom; of bij ontstentenis hiervan op de voordeligste markt waartoe de faciliteit op dat moment toegang heeft.
In voorkomend geval bepaalt de EIB namens de faciliteit de reële waarde van een instrument, waarbij gebruikt wordt gemaakt van een prijsnotering op een actieve markt voor dat instrument. Een actieve markt is een markt waarop transacties voor het actief of de verplichting voldoende frequent en in voldoende volume plaatsvinden om op permanente basis prijsinformatie te verschaffen.
Wanneer de reële waarde van financiële activa en financiële passiva in de balans niet uit actieve markten kan worden afgeleid, wordt de waarde bepaald met gebruikmaking van uiteenlopende waarderingstechnieken, waaronder mathematische modellen. De input voor deze modellen wordt waar mogelijk uit waarneembare markten gehaald. Is dit niet mogelijk, dan is er een zekere mate van beoordeling vereist voor de vaststelling van de reële waarde. De gekozen waarderingstechniek omvat alle factoren waarmee marktdeelnemers rekening zouden houden bij de prijszetting van een transactie.
Bij deze waarderingstechnieken kan onder meer gebruik worden gemaakt van de methoden van netto contante waarde en geactualiseerde waarde van de kasstroom, vergelijking met soortgelijke instrumenten waarvoor waarneembare marktprijzen bestaan, de Black-Scholes en polynomische prijsbepalingsmodellen en andere waarderingsmodellen. De bij de waarderingstechnieken gebruikte veronderstellingen en inputs omvatten risicovrije rentevoeten en basisrentevoeten, kredietspreads die worden gebruikt bij de raming van discontovoeten, obligatie- en aandelenkoersen, wisselkoersen, aandelen- en aandelenindexkoersen en verwachte prijsschommelingen en correlaties.
De waarderingstechnieken hebben tot doel om te komen tot een waardering tegen reële waarde, die een weergave is van de prijs die zou worden ontvangen om het actief te verkopen of die zou worden betaald om de verplichting over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum.
De EIB gebruikt algemeen erkende waarderingstechnieken voor het bepalen van de reële waarde van veel voorkomende en meer eenvoudige financiële instrumenten, zoals rentevoeten en valutaswaps die alleen gebruikmaken van waarneembare marktgegevens en een geringe beoordeling en inschatting door het management vereisen. Waarneembare prijzen en modelinputs zijn doorgaans beschikbaar op de markt voor beursgenoteerde schuldbewijzen en gewone aandelen, op de beurs verhandelde derivaten en eenvoudige over-the-counter-derivaten, zoals renteswaps. Door de beschikbaarheid van waarneembare marktprijzen en modelinputs zijn beoordelingen en inschattingen door het management minder vereist en wordt ook de onzekerheid over de vaststelling van de reële waarden verminderd. De beschikbaarheid van waarneembare marktprijzen en inputs hangt af van de producten en de markten en is onderhevig aan wijzigingen als gevolg van specifieke gebeurtenissen en de algemene omstandigheden die zich op de financiële markten voordoen.
Voor meer complexe modellen maakt de bank gebruik van haar eigen waarderingsmodellen, die zijn ontwikkeld op basis van erkende waarderingsmodellen. Sommige of alle belangrijke inputs voor deze modellen kunnen niet waarneembaar zijn op de markt en zijn afgeleid van marktprijzen of koersen of zijn geraamd op basis van veronderstellingen. Voorbeelden van instrumenten waarbij gebruik wordt gemaakt van aanzienlijke niet-waarneembare inputs zijn onder meer leningen en garanties waarvoor geen actieve markt bestaat. Voor waarderingsmodellen die gebruikmaken van aanzienlijke niet-waarneembare inputs moet in hogere mate een beroep worden gedaan op de beoordelingen en inschattingen door het management bij de vaststelling van de reële waarde. Beoordelingen en inschattingen door het management zijn doorgaans vereist bij de keuze van het geschikte waarderingsmodel, de vaststelling van verwachte toekomstige kasstromen voor het te waarderen financieel instrument, de vaststelling van kans op wanbetaling door tegenpartijen en vervroegde aflossing en de selectie van geschikte disconteringspercentages.
Bij de vaststelling van reële waarden maakt de EIB gebruik van de volgende reëlewaardehiërarchie die het belang van de bij de waarderingen gebruikte inputs weerspiegelt:
- Niveau 1: inputs die niet zijn aangepast aan op actieve markten genoteerde marktprijzen voor identieke instrumenten waartoe de faciliteit toegang heeft;
- Niveau 2: andere inputs dan de in niveau 1 ondergebrachte prijsnoteringen die waarneembaar zijn, hetzij rechtstreeks (dus als prijzen), hetzij onrechtstreeks (dus afgeleid van prijzen). Deze categorie omvat instrumenten die zijn gewaardeerd op grond van op actieve markten genoteerde marktprijzen voor soortgelijke instrumenten, prijsnoteringen voor identieke of soortgelijke instrumenten op markten die als minder actief worden beschouwd of andere waarderingstechnieken waarbij alle significante inputs direct of indirect waarneembaar zijn van marktgegevens;
- Niveau 3: inputs die niet waarneembaar zijn. Deze categorie omvat alle instrumenten waarvoor de waarderingstechniek inputs omvat die niet gebaseerd zijn op waarneembare gegevens en waarbij de niet-waarneembare inputs een significant effect hebben op de waardering van het instrument. Deze categorie omvat instrumenten die zijn gewaardeerd op grond van prijsnoteringen voor soortgelijke instrumenten waarbij aanzienlijke niet-waarneembare aanpassingen of veronderstellingen vereist zijn om de verschillen tussen de instrumenten weer te geven.
De faciliteit erkent overdrachten tussen de niveaus van de reëlewaardehiërarchie op het einde van de verslagperiode waarin de wijziging heeft plaatsgevonden.
Bijzondere waardevermindering van financiële activa
IFRS 9 is gebaseerd op een toekomstgericht model voor te verwachten kredietverliezen (“expected credit loss” — ECL). De EIB heeft een kader vastgesteld voor de berekening van “verwacht kredietverlies”, afhankelijk van de toestand van de macro-economie. Dit omvat de vaststelling van tijdstipgerelateerde (“point-in-time”/PIT) parameters voor het kredietrisico (“kans op wanbetaling” — “Probability of default”/PD) en “verlies bij wanbetaling” — “loss given default”/LGD) op basis van een systematische factor (kredietcyclus) die wordt aangestuurd door de macro-economie en wordt geprojecteerd via macro-economische prognoses of scenario’s. Het uiteindelijke te verwachten kredietverlies is een kansgewogen gemiddelde van het respectieve macro-economische ECL-scenario. Dit toekomstgerichte waardeverminderingsmodel zal gelden voor zowel financiële activa die worden gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs als financiëlegarantiecontracten en voor buiten de balans vallende verplichtingen.
Onder IFRS 9 worden voorzieningen voor verliezen op een van de volgende grondslagen gewaardeerd:
- binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen: dit zijn te verwachten kredietverliezen die voortvloeien uit wanbetalingsgebeurtenissen ten aanzien van een financieel instrument, die mogelijk zijn binnen de twaalf maanden na de verslagleggingsdatum, en
- tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen: dit zijn te verwachten kredietverliezen die voortvloeien uit alle mogelijke gebeurtenissen waardoor tijdens de verwachte looptijd van een financieel instrument wanbetaling met betrekking tot het financiële instrument ontstaat.
De norm IFRS 9 voorziet in een model met drie fasen voor waardevermindering gebaseerd op wijzigingen in kredietkwaliteit sinds de eerste opname. Financiële instrumenten worden gerangschikt in fase 1 met uitzondering voor die instrumenten waarvoor een significante toename van het kredietrisico sinds de eerste opname is vastgesteld. Dit omvat kwantitatieve en kwalitatieve informatie en analyse, gebaseerd op de deskundigheid van de bank en met inbegrip van toekomstgerichte informatie.
Verworven of gecreëerde activa met verminderde kredietwaardigheid (purchased or originated credit-impaired assets — “POCI”) zijn de financiële activa die vanaf het moment van eerste opname worden geacht te worden geclassificeerd als fase 3. Voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid worden de cumulatieve wijzigingen in tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen sinds de eerste opname in het overzicht van winst of verlies opgenomen.
De beoordeling door de bank van de gefaseerde uitvoering van IFRS 9 is gebaseerd op een sequentiële aanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van voor een tegenpartij of instrument specifieke informatie die in overeenstemming is met interne richtsnoeren en procedures, met name voor aanleidingen voor vroegtijdige waarschuwing, de interne rating (een daling van drie trappen of meer ten opzichte van de historische interne rating voor tegenpartijen met een actuele interne rating onder de investeringsgraad) en de achterstallen (meer dan dertig dagen achterstalligheid).
De EIB is van mening dat de effecten op de waardevermindering die voortvloeien uit de algemene context van onzekerheid en diverse risico’s die ontstaan als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne tot uiting komen in het bestaande toekomstgerichte model voor te verwachten kredietverliezen, dat voldoende robuust wordt geacht om rekening te kunnen houden met dergelijke extreme gebeurtenissen. De respectieve effecten zijn met name rechtstreeks weergegeven in de macro-economische projecties en de looptijdstructuren van de kans op wanbetaling.
De EIB is van mening dat het bestaande toekomstgerichte model voor te verwachten kredietverliezen voldoende robuust moet worden geacht om rekening te houden met extreme economische gebeurtenissen, die rechtstreeks zijn weergegeven in de macro-economische projecties en de looptijdstructuren van de kans op wanbetaling. Zoals vermeld in toelichting 3.2.3.8, hanteert de EIB het oordeel van deskundigen bij de beoordeling van het kredietrisico van dergelijke tegenpartijen.
Indien zich een significante toename van het kredietrisico heeft voorgedaan, wordt het financieel instrument naar fase 2 verplaatst zonder dat er evenwel een verminderde kredietwaardigheid geldt voor het instrument. Indien het financieel instrument door een verminderde kredietwaardigheid wordt gekenmerkt, wordt het vervolgens in fase 3 ondergebracht.
Om in fase 3 blootstellingen vast te stellen, bepaalt de bank of er al dan niet objectieve aanwijzingen voor niet-renderende blootstelling zijn. Er wordt vanuit gegaan dat er sprake is van wanbetaling bij een financieel actief wanneer het onwaarschijnlijk is dat de kredietnemer zijn kredietverplichtingen ten aanzien van de faciliteit volledig zal nakomen, zonder dat de faciliteit zal moeten overgaan tot acties of wanneer de kredietnemer meer dan 90 dagen achterstallig is bij het nakomen van een aanzienlijke kredietverplichting jegens de faciliteit.
In dit verband wordt een financieel actief geacht onderhevig te zijn aan een bijzondere waardevermindering wanneer wordt vastgesteld dat het waarschijnlijk is dat de faciliteit niet alle verschuldigde bedragen zal kunnen innen volgens de oorspronkelijke contractvoorwaarden of een equivalente waarde. De individuele kredietblootstellingen worden beoordeeld op basis van de kenmerken van de kredietnemer, de algemene financiële toestand, de middelen en de historiek van de gedane betalingen, de vooruitzichten voor de steun van eventuele financieel verantwoordelijke borgstellers en, indien van toepassing, de realiseerbare waarde van zekerheden.
Alle aan een bijzondere waardevermindering onderhevige vorderingen worden ten minste halfjaarlijks getoetst en onderzocht. Alle latere wijzigingen van de bedragen en het tijdstip van de verwachte toekomstige kasstromen ten opzichte van de voorafgaande ramingen zullen resulteren in een wijziging in de voorziening voor kredietverliezen en zullen worden verwerkt op de winst-en-verliesrekening. Een voorziening voor bijzondere waardevermindering wordt alleen teruggeboekt wanneer de kredietkwaliteit ervan zodanig is verbeterd dat redelijke zekerheid bestaat dat de hoofdsom en de rente tijdig kunnen worden geïnd overeenkomstig de oorspronkelijke contractvoorwaarden van de claimovereenkomst. Een afschrijving wordt verricht wanneer een schuldvordering geheel of gedeeltelijk als oninbaar of kwijtgescholden wordt beschouwd. Afschrijvingen worden in mindering gebracht op eerder vastgestelde bijzondere waardeverminderingen of rechtstreeks op de winst- en verliesrekening en verminderen de hoofdsom van een vordering. Voorheen afgeschreven gedeeltelijk of volledig teruggevorderde bedragen worden gecrediteerd op de winst- en verliesrekening. Financiële activa die worden afgeschreven, kunnen nog steeds worden onderworpen aan handhavingsactiviteiten om te voldoen aan de procedures van de bank voor de invordering van verschuldigde bedragen.
Waardering van te verwachten kredietverliezen — Inputs, veronderstellingen en technieken
Waardering van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen geldt voor activa in de fase 2 en fase 3, terwijl waardering van binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen geldt voor activa in fase 1.
De verwachte kredietverliezen werden berekend op basis van de volgende variabelen:
- kredietrating en tijdstipgerelateerde (PIT) kans op wanbetaling (“PD”);
- tijdstipgerelateerd (PIT) verlies bij wanbetaling (Loss Given Default — “LGD”);
- blootstelling bij wanbetaling (Exposure at default — “EAD”).
De rating van een tegenpartij wordt op een bepaalde datum bepaald aan de hand van quoteringmodellen die zijn toegesneden op de verschillende categorieën tegenpartijen en blootstellingen.
Elke kredietrating verwijst naar een specifieke kans op wanbetaling die de waarschijnlijkheid vertegenwoordigt dat een tegenpartij zijn financiële verplichtingen niet kan nakomen, hetzij in de komende twaalf maanden, hetzij in de resterende looptijd van de obligatie. Ratings zijn dus de primaire input voor het bepalen van de tijdstipgerelateerde (PIT) rentetermijnstructuur van kans op wanbetaling voor blootstellingen. De EIB verzamelt gegevens over prestaties en wanbetalingen met betrekking tot de kredietrisicoblootstellingen van de faciliteit. De ingewonnen gegevens worden opgesplitst per bedrijfstak en per type regio. Verschillende bedrijfstakken en regio’s die op een homogene manier reageren op kredietcycli worden samen geanalyseerd.
De EIB gebruikt statistische modellen om de ingewonnen gegevens te analyseren en ramingen op te stellen over de kans op wanbetaling in de resterende looptijd van blootstellingen en hoe deze naar verwachting zullen wijzigingen vanwege het verstrijken van de tijd en gezien de specifieke macro-economische scenario’s.
Het verlies bij wanbetaling is de inschatting van de EIB van de verhouding van het verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling van een tegenpartij ten opzichte van het uitstaande bedrag bij wanbetaling. Verlies bij wanbetaling kan ook worden gedefinieerd als “1 — inningspercentage”. De ramingen met betrekking tot verlies bij wanbetaling worden hoofdzakelijk bepaald op basis van geografische kenmerken en soort tegenpartij, met vijf hoofdblootstellingscategorieën: overheden, openbare instellingen, financiële instellingen, ondernemingen en projectfinanciering. De waarden voor verlies bij wanbetaling kunnen verder worden aangepast op basis van het product en de specifieke kenmerken van de blootstelling.
De EIB verwerkt tijdstipgerelateerde en toekomstgerichte informatie in haar beoordeling of het kredietrisico van een instrument sinds de eerste opname ervan aanzienlijk is toegenomen én bij haar waardering van te verwachten kredietverliezen.
Voor de meting van te verwachten kredietverliezen heeft de EIB een voorwaardelijke modelleringsbenadering, het PIT PD-model genaamd, ontwikkeld voor de berekening van de looptijdstructuren van de kans op wanbetaling, die bestaat uit:
- de definitie van een economisch redelijke verbindingsfunctie tussen de kredietcyclus en macro-economische variabelen, en
- een reeks van drie macro-economische scenario’s (één basisscenario en twee scenario’s die een neergang en een opleving van de economie weerspiegelen) met een meerjarige potentiële verwezenlijking van het bbp en de daarmee samenhangende waarschijnlijkheid.
Om macro-economische scenario’s te genereren, maakt de EIB gebruik van een macro semi-structureel meerlandenmodel met simultane vergelijkingen van de wereldeconomie met landspecifieke blokken. Het centrale/basisscenario is ontworpen om in overeenstemming te zijn met de meest recente prognoses van de Europese Commissie. De positieve en negatieve scenario’s worden rond het centrale scenario ontworpen door de inzet van het meerlandenmodel/model met simultane vergelijkingen. De scenario’s komen tot stand door het bbp, de belangrijkste maatstaf voor de economische activiteit, aan een aantal schokken te onderwerpen. De schokken op het reële bbp worden gekalibreerd om de waargenomen volatiliteit van de variabele te repliceren. Daarnaast wordt in voorkomend geval het oordeel van deskundigen toegepast om de omvang en de persistentie van bbp-schokken te verfijnen. De schokken worden samen met een afnamefunctie vastgesteld om het effect van de schokken in de tijd te bepalen. De aan elk scenario verbonden waarschijnlijkheden worden gedefinieerd op basis van marktindicatoren (volatiliteit) en intern ontwikkelde indicatoren/trackers die in de loop van de tijd op consistente wijze worden ingezet om onzekerheid op te vangen.
Het PIT PD- en het PIT LGD-model van de EIB maken gebruik van dezelfde verwachte waarden van de kredietcyclus als de belangrijkste input in verschillende macro-economische scenario’s. De kredietcyclus wordt berekend op basis van gegevens van een extern ratingbureau over de verlaging en de prognoses van de jaarlijkse groeicijfers van het reële bbp en de spread tussen de langetermijn- en de kortetermijnrente.
Blootstelling bij wanbetaling is de verwachte blootstelling bij een wanbetaling en is gebaseerd op de huidige blootstelling aan de tegenpartij en potentiële wijzigingen aan het huidige bedrag die zijn toegestaan onder het contract met inbegrip van aflossingen. De blootstelling bij wanbetaling van een financieel actief is de brutoboekwaarde. Voor leningtoezeggingen en financiële garanties omvat de blootstelling bij wanbetaling het opgenomen bedrag.
1. Geldmiddelen en kasequivalenten
In het kader van de faciliteit worden lopende rekeningen, kortetermijndeposito’s of schuldpapier met oorspronkelijke looptijden van drie maanden of minder als geldmiddelen en kasequivalenten beschouwd. Geldmiddelen en kasequivalenten worden in het overzicht van de financiële positie tegen kostprijs geboekt.
2. Thesauriemiddelen
Thesauriemiddelen bestaan uit beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde obligaties die men tot einde looptijd wil aanhouden en commercial papers met oorspronkelijke looptijden van meer dan drie maanden, en die bijgevolg tegen geamortiseerde kostprijs worden ingedeeld.
Deze obligaties en commercial papers worden initieel opgenomen tegen reële waarde plus eventuele rechtstreeks aan te rekenen transactiekosten. Het verschil tussen boekwaarde en aflossingswaarde wordt afgeschreven in overeenstemming met de effectieverentemethode over de resterende looptijd van het instrument.
3. Leningen en voorschotten
De portefeuille van leningen en voorschotten kan bestaan uit schuldinstrumenten zoals leningen en schuldbewijzen, met inbegrip van obligaties, promesses of certificaten die zijn uitgegeven door gestructureerde entiteiten met de bedoeling deze tot het einde van de looptijd aan te houden en de contractuele kasstromen te ontvangen.
Leningen en voorschotten omvatten:
- leningen en voorschotten gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs,
- leningen en voorschotten verplicht gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.
Door de faciliteit verstrekte leningen worden bij de activa van de faciliteit opgenomen wanneer de geldmiddelen aan de kredietnemer zijn uitgekeerd. Niet-uitbetaalde delen van leningen worden buiten de balans geregistreerd tegen hun nominale waarde. Leningen die de SPPI-test met succes doorstaan, worden initieel tegen kosten (netto uitgekeerde bedragen) opgenomen, dat wil zeggen de reële waarde van de geldmiddelen waarmee de lening tot stand is gekomen inclusief transactiekosten, en worden vervolgens gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs met behulp van de effectieverentemethode.
Schuldbewijzen worden opgenomen in de activa van de faciliteit wanneer de geldmiddelen worden overgedragen aan de emittent en kunnen de vorm aannemen van een contractueel verbonden schuldinstrument of een schuldinstrument met één tranche. Niet-uitbetaalde delen van leningen worden buiten de balans geregistreerd tegen hun nominale waarde. Schuldbewijzen worden initieel gewaardeerd tegen kostprijs, zijnde de reële waarde vermeerderd met de direct toe te rekenen transactiekosten, en worden vervolgens tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerd met behulp van de effectieverentemethode. Het verschil tussen boekwaarde en aflossingswaarde wordt afgeschreven in overeenstemming met de effectieverentemethode over de resterende looptijd van het instrument.
Het beleid inzake waardevermindering van leningen en voorschotten wordt beschreven in toelichting 2.4.2.
Leningen en voorschotten die niet voldoen aan het SPPI-criterium, worden verplicht gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (“FVTPL”). De gebruikte techniek voor waardering tegen reële waarde is gebaseerd op een techniek van gedisconteerde kasstroom of liquidatiewaarde.
Voor informatie over de impact van de IBOR-hervorming op de herwaardering van leningen en voorschotten tegen geamortiseerde kostprijs, zie de specifieke punten in toelichting 2.4.2 — Indeling en waardering/Wijziging.
4. Aandelen en andere effecten met variabele rente
Er zijn twee soorten kapitaaldeelname bij de faciliteit: i) directe beleggingen in aandelen en ii) durfkapitaalfondsen. De aandelen en andere variabele rendementen van variabele rendementen worden initieel opgenomen tegen reële waarde plus de transactiekosten. Vervolgens worden veranderingen in de reële waarde, met inbegrip van winsten en verliezen in vreemde valuta, opgenomen in het overzicht van het totaalresultaat onder het nettoresultaat op aandelen en andere effecten met variabele rente.
Het niet-opgenomen maar vastgelegde deel van deze investeringen wordt geregistreerd als geconsolideerde buiten de balans vallende verplichtingen tegen hun nominale waarde.
Vaststelling van de reële waarde van financiële instrumenten
De reële waarde wordt bepaald door toepassing van de methode van de geaggregeerde intrinsieke waarde (“NAV”) (waarbij ervan wordt uitgegaan dat, ondanks het ontbreken van een geredelijk vast te stellen marktwaarde, NAV de beste schatting van de reële waarde is). Voor beleggingen in niet-beursgenoteerde aandelen, wanneer de reële waarde niet kan worden afgeleid uit actieve markten, wordt de reële waarde bepaald aan de hand van erkende waarderingstechnieken (zie toelichting 4.2.1).
De toerekenbare NAV wordt gecorrigeerd voor gebeurtenissen die zich voordoen tussen de datum van de meest recent beschikbare NAV en de balansdatum, voor zover deze aanpassing door het beheerscomité als materieel wordt beschouwd. Materiële aanpassingen worden gewijzigd totdat het directiecomité de financiële staten voor het jaar goedkeurt. In dat verband heeft de bank, na de algemene context van onzekerheid, verschillende risico’s die zich opstapelden als gevolg van de Russische invasie van Oekraïne, en de volatiliteit in termen van prestaties, haar waarderingstechnieken verbeterd om een raming te maken van eventuele aanpassingen van de reële waarde van de aandeleninvesteringen voor de NAV’s die op de verslagleggingsdatum van de financiële staten van de faciliteit niet door de fondsbeheerders waren gerapporteerd.
Voor specifieke investeringen waarvoor de NAV’s niet geredelijk kunnen worden vastgesteld, kunnen andere richtsnoeren worden gebruikt, zoals de International Private Equity and Venture Capital Valuation-richtsnoeren (IPEV-richtsnoeren)), zoals gepubliceerd door de IPEV Board, en zullen meer gedetailleerde monitoring en evaluatie nodig zijn. In deze methode worden de fondsen intern in drie categorieën ingedeeld:
- categorie I — fondsen die voldoen aan de voorschriften inzake reële waarde van IFRS 13 of de IPEV-richtsnoeren waarvoor een specifieke toetsing wordt uitgevoerd om te verzekeren dat de NAV een betrouwbare schatting van de reële waarde is;
- categorie II — fondsen die hebben gekozen voor andere waarderingsregels (zoals de vroegere EVCA van 2001) of -normen die in overeenstemming met IFRS 13 kunnen worden geacht, waarvoor een gelijkwaardige NAV kan worden berekend; en
- categorie III — fondsen die de IFRS 13-voorschriften inzake reële waarde of andere daarmee in overeenstemming zijnde regels niet toepassen.
Beoordeling van significante invloed
De deelnemingen van de faciliteit zijn doorgaans investeringen in risicodragend kapitaal of durfkapitaalfondsen. Volgens de gangbare praktijk in de financiële sector wordt op dergelijke investeringen doorgaans gezamenlijk ingeschreven door een aantal investeerders, die elk afzonderlijk niet in staat zijn de dagelijkse transacties en de investeringsactiviteit van een dergelijk fonds te beïnvloeden. Bijgevolg geeft het lidmaatschap van een investeerder in een bestuursorgaan van een dergelijk fonds deze investeerder doorgaans niet het recht de dagelijkse transacties van het fonds te beïnvloeden. Daarnaast bepalen individuele investeerders in risicodragend kapitaal of een durfkapitaalfonds niet het beleid van een dergelijk fonds met betrekking tot het uitkeringsbeleid van dividenden of andere uitkeringen. Dergelijke besluiten worden doorgaans genomen door de directie van een fonds op basis van de aandeelhoudersovereenkomst waarin de rechten en de plichten zijn vastgelegd van de directie en alle aandeelhouders van het fonds. Doorgaans is het individuele investeerders op grond van de aandeelhoudersovereenkomst ook verboden om op bilaterale basis materiële transacties met het fonds uit te voeren, personeelswijzigingen tot stand te brengen binnen het management of bevoorrechte toegang te verkrijgen tot cruciale technische informatie. De investeringen van de faciliteit worden uitgevoerd overeenkomstig de bovenvermelde gangbare praktijk van de financiële sector, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de faciliteit geen controle of significante invloed in de zin van IFRS 10 en IAS 28 uitoefent over deze investeringen, inclusief de investeringen waarin de faciliteit meer dan 20 % van de stemrechten bezit.
3. Financiële garanties
Financiëlegarantiecontracten zijn overeenkomsten waarbij de faciliteit bepaalde betalingen moet verrichten om de garantiehouder een verlies te vergoeden dat ontstaat wanneer een bepaalde debiteur verzuimt een krachtens de voorwaarden van een schuldinstrument verschuldigde betaling te verrichten.
Financiële garanties worden geboekt onder IFRS 9 — Financiële instrumenten, hetzij als “Derivaten”, hetzij als “Financiële garanties”, op basis van hun kenmerken en eigenschappen zoals omschreven door IFRS 9.
Het waarderingsbeleid voor derivaten wordt uiteengezet in toelichting 2.4.5.
Financiële garanties worden initieel opgenomen in het overzicht van de financiële positie onder “Voorzieningen voor verstrekte garanties” tegen reële waarde plus transactiekosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de uitgifte van de financiële garanties. Bij de eerste opname stemt de verplichting tot betalen overeen met de netto contante waarde (NCW) van de verwachte instroom van premies of het initieel verwacht verlies.
Na de eerste opname worden de financiële verplichtingen gewaardeerd tegen het hoogste van de volgende bedragen:
het bedrag van de voorziening voor verliezen zoals bepaald overeenkomstig IFRS 9; en
de initieel opgenomen premie verminderd met de overeenkomstig de beginselen van IFRS 15 opgenomen ontvangsten.
Elke verhoging of verlaging van de nettoverplichting (zoals gewaardeerd overeenkomstig IFRS 9) met betrekking tot andere financiële garanties dan de betaling naar aanleiding van beroepen op de garantie wordt opgenomen in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten onder “Wijziging in voorzieningen voor garanties”.
De ontvangen premie wordt opgenomen in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten onder “Baten uit vergoedingen en provisies” op basis van een aflossingsplan overeenkomstig IFRS 15 voor de looptijd van de financiële garantie.
4. Andere financiële verplichtingen dan derivaten
Indeling en waardering
Financiële verplichtingen
Een financiële verplichting wordt gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, met uitzondering van:
- financiële verplichtingen die verplicht worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst en verlies (bv. afgeleide verplichtingen); en
- financiële verplichtingen die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst en verlies.
De faciliteit neemt een financiële verplichting niet langer in de balans op wanneer zijn contractuele verplichtingen zijn vervuld, geannuleerd of verlopen.
5. Afgeleide financiële instrumenten
Afgeleide financiële instrumenten omvatten cross currency swaps, cross currency renteswaps en kortlopende currency swaps (“FX swaps”).
Niet-afgeleide financiële instrumenten worden initieel opgenomen op basis van de transactiedatum.
De faciliteit mag in de uitoefening van haar normale activiteiten swapovereenkomsten sluiten ter afdekking van specifieke kredietverrichtingen of currency forward-contracten sluiten ter afdekking van haar valutaposities, die in andere actief verhandelde valuta dan de euro luiden, om het risico (winst of verlies) van wisselkoersschommelingen af te dekken.
Alle derivaten worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en worden gerapporteerd als afgeleide financiële instrumenten. Reële waarden worden hoofdzakelijk bepaald op grond van contantewaardeberekeningen, optiewaarderingsmodellen en prijsnoteringen van derde partijen.
Derivaten worden tegen reële waarde als activa geboekt wanneer hun reële waarde positief is en als passiva wanneer hun reële waarde negatief is. Wijzigingen in de reële waarde van afgeleide financiële instrumenten zijn opgenomen in het overzicht van winst en verlies en niet-gerealiseerde resultaten onder de rubriek “Wijziging in reële waarde van afgeleide financiële instrumenten”.
In het kader van IFRS 9 zijn splitsingsvereisten voor in een contract besloten derivaten geschrapt voor financiële activa of financiële passiva. Het hybride contract wordt dienovereenkomstig als geheel beoordeeld voor de indeling van financiële activa of passiva. De kasstromen van derivaten werden dienovereenkomstig bepaald op basis van de terugvaltarieven van de Internationale Vereniging van de Swaphandelaars ter vervanging van LIBOR-benchmarks.
6. Bijdragen
Bijdragen van de lidstaten worden in de balans als te innen schuldvorderingen beschouwd met ingang van de datum van het besluit van de Raad waarin de door de lidstaten te betalen financiële bijdragen aan de faciliteit worden vastgesteld.
De bijdragen van de lidstaten voldoen aan de volgende voorwaarden en worden bijgevolg als vermogen geboekt:
- zoals in de bijdrageovereenkomst is vastgelegd, geven zij de lidstaten het recht om bij een liquidatie van de faciliteit te bepalen hoe de nettoactiva van de faciliteit worden besteed;
- zij behoren tot de categorie instrumenten die bij alle andere categorieën instrumenten is achtergesteld;
- alle financiële instrumenten die deel uitmaken van de categorie instrumenten die bij alle andere categorieën instrumenten zijn achtergesteld, hebben identieke kenmerken;
- het instrument heeft geen kenmerken waardoor het als een passivum zou moeten geboekt; en
- de verwachte totale kasstromen die gedurende de looptijd van het instrument aan het instrument zijn toe te rekenen, zijn in aanzienlijke mate gebaseerd op de winst of het verlies, de verandering in de opgenomen nettoactiva of de verandering in de reële waarde van de opgenomen en niet-opgenomen nettoactiva van de faciliteit gedurende de looptijd van het instrument.
Bijdragen worden in de financiële staten ingedeeld en gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs.
De uitgekeerde bijdragen van de lidstaten vertegenwoordigen de beschikbare terugvloeiingen die worden uitbetaald aan de Commissie en het VK. Overeenkomstig de overdrachtsovereenkomst brengt de EIB, vanaf het jaar 2023 en tot en met het jaar 2027, uiterlijk op 31 maart van elk jaar schriftelijk verslag uit over het bedrag van de beschikbare gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit en het bedrag van de beschikbare gelden die terugvloeien in het kader van de LGO-associatie, respectievelijk geaccumuleerd op 31 december van het voorgaande jaar (het “Verslag over beschikbare gelden die terugvloeien”). In het verslag over beschikbare gelden die terugvloeien, wordt onderscheid gemaakt tussen de terugvloeiende gelden die aan de Commissie moeten worden overgedragen (gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit en gelden die terugvloeien in het kader van de LGO-associatie) en de terugvloeiende gelden die aan het Verenigd Koninkrijk (“VK”) moeten worden overgemaakt. Beschikbare terugvloeiende gelden worden opgenomen in het overzicht van de financiële positie wanneer het overeenkomstige betalingsverzoek wordt verzonden aan de faciliteit.
7. Rente en soortgelijke baten
Rente van door de faciliteit verstrekte leningen wordt geboekt in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten (“Rente en soortgelijke baten”) en in het overzicht van de financiële positie (“Leningen en voorschotten”) volgens het toerekeningsbeginsel met gebruikmaking van de effectieve rentevoet, die de factor is om de geraamde toekomstige kasstromen of ontvangsten tijdens de verwachte looptijd van de lening exact naar de nettoboekwaarde van de lening te verdisconteren. Zodra de boekwaarde van een lening door een waardevermindering is afgenomen, blijven de rentebaten opgenomen met gebruikmaking van de oorspronkelijke effectieve rentevoet die op de nieuwe boekwaarde wordt toegepast.
Rente van verworven of gecreëerde leningen met verminderde kredietwaardigheid wordt geboekt in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten (“Rente en soortgelijke baten”) en in het overzicht van de financiële positie (“Leningen en voorschotten”) volgens het toerekeningsbeginsel met gebruikmaking van de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet tijdens de volledige looptijd van de lening, die de factor is om de geraamde toekomstige kasstromen of ontvangsten tijdens de verwachte looptijd van de lening exact naar de geamortiseerde kostprijs van de lening te verdisconteren.
Rentesubsidies die voor de middelen van de faciliteit zijn ontvangen, worden uitgesteld en erkend als een aanpassing van het effectieve rendement, en worden geboekt onder “Rente en soortgelijke baten” in de winst- en verliesrekening over de periode vanaf de uitbetaling tot de terugbetaling van de gesubsidieerde lening.
Bereidstellingsprovisies worden uitgesteld en als inkomsten erkend, waarbij de effectieverentemethode wordt gebruikt met betrekking tot periode van de uitbetaling tot de terugbetaling van de desbetreffende lening, en worden in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten gepresenteerd onder rentebaten en soortgelijke opbrengsten.
8. Rentesubsidies en technische bijstand
Het beheer van de rentesubsidies en technische bijstand namens de lidstaten is een onderdeel van de activiteiten van de faciliteit.
Het deel van de bijdragen van de lidstaten dat aan de betaling van rentesubsidies en technische bijstand wordt toegewezen, wordt niet opgevoerd in de middelen van de contribuanten van de faciliteit, maar wordt ingedeeld als “aan derden verschuldigd bedrag”. De faciliteit betaalt de eindbegunstigden uit en vermindert vervolgens het aan derden verschuldigde bedrag.
Wanneer bijdragen voor rentesubsidies en technische bijstand niet volledig worden toegekend, worden zij opnieuw geboekt als bijdrage aan de faciliteit.
9. Rentebaten op geldmiddelen en kasequivalenten
Rentebaten van geldmiddelen en kasequivalenten worden volgens het toerekeningsbeginsel opgenomen in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten van de faciliteit.
10. Honoraria, provisies en dividenden
Honoraria die zijn ontvangen met betrekking tot diensten die over een bepaalde periode worden verstrekt, worden als baten opgenomen in de mate dat de diensten zijn verstrekt. Honoraria die zijn ontvangen bij de uitvoering van belangrijke handeling, worden als baten opgenomen wanneer belangrijke handeling heeft plaatsgevonden. Deze honoraria worden opgenomen in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten onder de post “baten van honoraria en provisies”.
Dividenden van aandelen en andere effecten met variabele rente worden bij ontvangst opgenomen en worden in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten gepresenteerd onder netto gerealiseerde baten op aandelen en andere effecten met variabele rente.
11. Belastingen
Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bepaalt dat de bezittingen, inkomsten en andere eigendommen van de instellingen van de Unie vrijgesteld zijn van alle directe belastingen.
3 Risicobeheer
Deze toelichting bevat gegevens over de blootstelling van de faciliteit aan krediet- en financiële risico's, beheer en controle van deze risico's door de faciliteit, in het bijzonder de primaire risico's die verband houden met het gebruik van financiële instrumenten. Die prioriteiten zijn:
- kredietrisico — het risico op verlies als gevolg van het in gebreke blijven van de cliënt of tegenpartij dat zich voordoet bij alle vormen kredietblootstelling, inclusief afwikkelingsrisico12;
- liquiditeitsrisico — het risico dat een entiteit niet in staat is om toename van activa te financieren en te voldoen aan haar verplichtingen wanneer deze vervallen, zonder onaanvaardbare verliezen op te lopen;
- marktrisico — het risico dat wijzigingen in marktprijzen en koersen, zoals rentevoeten, aandelenkoersen, wisselkoersen de ontvangsten van de entiteit of de waarde van haar deelnemingen in financiële instrumenten beïnvloeden.
1. Organisatie van het risicobeheer
De EIB past het risicobeheerkader van de faciliteit voortdurend aan.
Het directoraat risicobeheer van de EIB is verantwoordelijk voor de identificatie en beoordeling van, het toezicht op en de rapportage over de risico’s waaraan de faciliteit is blootgesteld. Binnen een kader waarbij de scheiding van taken in acht wordt genomen, staat het risicobeheer los van de frontoffice en voorziet het in een tweede advies over alle voorstellen van het frontoffice die risicogevolgen hebben.
Op EIB-niveau brengt de directeur risicobeheer voor de EIB-groep (“GCRO”) verslag over de risico’s die de groep loopt uit aan het EIB-beheerscomité, onder toezicht van het met risicobeheer belaste lid van het beheerscomité. De GCRO heeft rechtstreekse toegang tot het risicobeleidscomité en kan rechtstreeks schrijven naar en communiceren met het directiecomité van de EIB over alle aangelegenheden die verband houden met zijn/haar bevoegdheid.
2. Kredietrisico
Kredietrisico is het mogelijke risico op verlies als gevolg van het in gebreke blijven van de cliënt of tegenpartij dat zich voordoet bij alle vormen van kredietblootstelling, inclusief afwikkeling.
1. Beleid op het vlak kredietrisico
Bij het uitvoeren van de kredietanalyse van de tegenpartijen bij de lening beoordeelt de EIB het kredietrisico en het verwachte verlies met het oog op een kwantificering en taxatie van het risico. De EIB heeft een interneratingmethode (IRM) ontwikkeld om de interne ratings te bepalen van de kredietrelevante tegenpartijen die als kredietnemer/borgsteller optreden. De methodiek is gebaseerd op een systeem van puntenlijsten die zijn aangepast aan elke belangrijke tegenpartij (bv. bedrijven, financiële instellingen enz.). Rekening houdend met zowel de beste bancaire praktijken van toepassing op de EIB als de principes in het kader van kapitaalakkoord Basel II, worden alle tegenpartijen die essentieel zijn voor het kredietprofiel van een specifieke transactie gerangschikt in interneratingcategorieën waarbij gebruik wordt het gemaakt van de IRM voor het specifieke type tegenpartij. Aan elke tegenpartij wordt een interne rating toegekend die de kans op wanbetaling weerspiegelt na een diepgaande analyse van het bedrijfsprofiel en financieel risicoprofiel van de tegenpartij en de risicocontext van het land van die tegenpartij. Indien nodig worden aanpassingen door deskundigen aangebracht, waarbij rekening wordt gehouden met de steun van de moederinstelling of de overheid van de juridische entiteiten, en de definitieve rating maakt bijsturingen mogelijk om rekening te houden met informatie (bv. marktprijzen) die niet in de puntenlijst is opgenomen.
Bij de kredietbeoordeling van projectfinanciering en andere gestructureerde transacties met beperkte aanwending wordt gebruik gemaakt van kredietrisico-instrumenten die van belang zijn voor de sector en hoofdzakelijk zijn toegespitst op beschikbaarheid van cash flow en aflossingscapaciteit. Bij deze instrumenten gaat het om de analyse van het contractueel kader van projecten, de analyse van de tegenpartij en cashflowsimulaties. Net zoals bij bedrijven en financiële instellingen, wordt voor elk project een interne risicorating berekend. Ten slotte worden landen van buiten de EU beoordeeld door de afdeling Economie op basis van een statistisch model.
Alle interne ratings worden gemonitord tijdens de looptijd van de lening en periodiek bijgewerkt.
Op verrichtingen zonder de overheid als tegenpartij zijn een specifiek transactieniveau en beperkingen van de grootte van de tegenpartij van toepassing, al naar gelang van het geval. Tegenpartijlimieten worden in voorkomend geval vastgesteld op het geconsolideerde blootstellingsniveau van de groep. Dergelijke beperkingen weerspiegelen onder meer de omvang van de eigen middelen van de tegenpartijen.
Om het kredietrisico te beperken maakt de EIB indien nodig en per geval gebruik van verschillende kredietverbeteringen, zoals onder meer wederpartij- of projectgerelateerde effecten, waarborgen en contractuele bepalingen, afhankelijk van de aard van de kredietnemer en het soort verrichting.
De faciliteit doet geen beroep op kredietderivaten om het kredietrisico te beperken.
2. Maximale blootstelling aan kredietrisico zonder rekening te houden met zekerheidsstellingen en andere kredietbeschermingen
In de onderstaande tabel is de maximale blootstelling aan kredietrisico opgenomen voor de onderdelen van de balans, inclusief derivaten. De maximale blootstelling is een brutoweergave, zonder het risicobeperkende effect van het gebruik van zekerheidsstellingen.
Maximale blootstelling (x 1 000 EUR) | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
ACTIVA | ||
Geldmiddelen en kasequivalenten | 1 376 824 | 1 451 970 |
Door contribuanten te storten bedragen | 85 321 | 85 321 |
Thesauriemiddelen | - | 73 003 |
Afgeleide financiële instrumenten | 55 765 | 75 852 |
Leningen en voorschotten | 1 683 312 | 1 849 786 |
Overige activa | 616 | 950 |
Totaal | 3 201 838 | 3 536 882 |
Voorzieningen voor toegezegde leningen | -19 038 | -16 583 |
POSTEN BUITEN DE BALANS | ||
Voorwaardelijke verplichtingen | ||
— Verstrekte garanties | 985 | - |
Vastleggingen | ||
— Niet-uitgekeerde leningen | 883 092 | 1 671 851 |
— Niet-verstrekte garanties | 46 764 | 49 378 |
Totaal buitenbalansposten | 930 841 | 1 721 229 |
Totaal kredietrisico | 4 113 641 | 5 241 528 |
2. Krredietrisico op leningen en voorschotten
1. Meting kredietrisico op leningen en voorschotten
Leningen, voorschotten of garanties van de faciliteit gaan gepaard met een uitgebreide risicobeoordeling en weging van de prognoses van verwachte verliezen die zijn opgenomen in een rangschikking van de lening. Verrichtingen in het kader van de IFE (zoals uiteengezet in toelichting 25), met uitzondering van via intermediairs verstrekte leningen, zijn niet onderworpen aan de risicobeginselen voor een algemeen mandaat als bedoeld in de richtsnoeren voor krediet- of aandelenrisico van de EIB. De rangschikking wordt opgesteld volgens algemeen aanvaarde criteria, op basis van de kwaliteit van de kredietnemer, de looptijd van de lening, de garantie en, in voorkomend geval, de borgsteller.
Het systeem voor de rangschikking van leningen omvat methodieken, processen, databases en IT-systemen voor de beoordeling van het kredietrisico bij leningen en de weging van de prognoses van verwachte verliezen. Het vormt een samenvatting van een grote hoeveelheid gegevens om een relatieve rangschikking van de kredietrisico’s van de leningen tot stand te brengen. De rangschikking is een weerspiegeling van de huidige waarde van het geraamde niveau van de “verwachte verliezen”, waarbij rekening wordt gehouden met de kans op wanbetaling van de belangrijkste schuldenaars, de risicoblootstelling en de ernst van het verlies bij wanbetaling. Rangschikkingen worden gebruikt voor de volgende doelstellingen:
- als hulpmiddel voor een meer accurate en kwantitatieve beoordeling van de leningrisico’s;
- als indicator van kredietrisicovariaties met het oog op het prioriteren van monitoringinspanningen;
- als beschrijving van de kwaliteit van de kredietportefeuille op een bepaalde datum; en
- als input bij risicowaarderingsbesluiten.
De volgende factoren spelen mee bij de vaststelling van een rangschikking:
i. de kredietwaardigheid van de kredietnemer: hierbij gaat het om een onafhankelijke beoordeling van de kredietnemers en een evaluatie van hun kredietwaardigheid op basis van interne methodieken en externe data. Overeenkomstig de gekozen op interne ratings gebaseerde analyse in het kader van Basel III heeft de bank een interne ratingmethodiek opgesteld om de interne ratings van kredietnemers en borgstellers te bepalen. Dit is gebaseerd op een reeks specifieke puntenlijsten voor elke categorie tegenpartij.
ii. De wanbetaling-correlatie: deze geeft aan hoe waarschijnlijk het is dat zowel de kredietnemer als de borgsteller tegelijkertijd met financieringsmoeilijkheden zullen worden geconfronteerd. Hoe hoger de correlatie tussen kansen op wanbetaling van de kredietnemer en de borgsteller, hoe geringer de waarde van de garantie en dus hoe lager (slechter) de rating.
iii. De waarde van garantie-instrumenten en effecten: deze waarde wordt beoordeeld op basis van de combinatie van de kredietwaardigheid van de emittent en het soort instrument dat wordt gebruikt.
iv. Het toe te passen invorderingspercentage: het bedrag waarvan wordt verondersteld dat het bij wanbetaling kan worden teruggevorderd door de desbetreffende tegenpartij, uitgedrukt als een percentage van de desbetreffende kredietblootstelling.
v. Het contractuele kader: een degelijk contractueel kader versterkt de kwaliteit van de lening en verhoogt de rangschikking van de lening.
vi. De looptijd van de lening of, meer in het algemeen, de kasstromen van de lening: als alle andere parameters gelijk blijven, geldt: hoe langer de looptijd van de lening, hoe hoger het risico op moeilijkheden bij de aflossing van de lening.
Het verwachte verlies op een lening wordt berekend door een combinatie te maken van de vijf bovenvermelde punten. Uitgaande van het niveau van dit verlies wordt een lening ondergebracht in een van de onderstaande categorieën:
“A” Leningen van uitstekende kwaliteit met drie subcategorieën:
“A0” Leningen aan of gegarandeerd door een EU-lidstaat met een verwacht verlies van 0 %.
“A+” Leningen die worden verstrekt aan (of gegarandeerde door) entiteiten die geen EU-lidstaat zijn en waarvan niet verwacht wordt dat er zich gedurende de looptijd een verslechtering van de kwaliteit zal voordoen.
“A-” Leningen waarbij er enige twijfel bestaat ten aanzien van de handhaving van hun huidige status, maar waarbij verwacht wordt dat de neerwaartse druk beperkt zal zijn.
“B” Leningen van hoge kwaliteit: activa waarvoor de bank geen problemen verwacht, hoewel een geringe verslechtering in de toekomst niet wordt uitgesloten. B+ en B- worden gebruikt om de relatieve waarschijnlijkheid aan te geven van de mogelijkheid dat een dergelijke verslechtering zich voordoet.
“C” Leningen van goede kwaliteit: voorbeelden hiervan zijn niet-gegarandeerde leningen aan solide banken en bedrijven die na zeven jaar in één keer worden afgelost (bulletlening), of soortgelijke aflossing, vervaldag bij uitbetaling.
“D” Deze categorie vertegenwoordigt de grensgevallen tussen leningen van “aanvaardbare kwaliteit” en die waarbij zich enige problemen hebben voorgedaan. Dit keerpunt in de rangschikking wordt nauwkeuriger omschreven door de subcategorieën D+ en D-. Leningen met een rating D- vereisen een verhoogd toezicht.
“E” Deze categorie omvat leningen met een groter risicoprofiel dan doorgaans wordt aanvaard. Tot deze categorie behoren ook leningen waarbij zich tijdens de looptijd ernstige problemen hebben voorgedaan en waarbij een verlies niet kan worden uitgesloten. Derhalve zijn deze leningen onderworpen aan een rigoureus en doorgedreven toezicht. Met de subcategorieën E+ en E- wordt het verschil in intensiteit aangegeven van dit speciale toezicht, waarbij de transacties met een rangschikking E- zich in een positie bevinden waarin er een grote kans is dat de aflossing niet tijdig kan plaatsvinden en er dus een vorm van schuldherstructurering noodzakelijk wordt, hetgeen kan resulteren in een waardeverminderingsverlies.
“F” Deze categorie omvat leningen met een groter risicoprofiel dan doorgaans wordt aanvaard. Leningen met een rating F- kunnen alleen het resultaat zijn van lopende transacties die na ondertekening geconfronteerd werden met onvoorziene, uitzonderlijke en bijzonder ongunstige omstandigheden. Alle transacties waarbij zich een verlies van de hoofdsom voor de faciliteit voordoet, worden onder F gerangschikt. Hiervoor geldt een specifieke benadering.
In de tabel in afdeling 3.2.3.3 is de analyse opgenomen van de kredietkwaliteit van de kredietportefeuille van de faciliteit op basis van de bovenstaande rangschikking.
2. Analyse van blootstelling aan kredietrisico van leningen
In de onderstaande tabel wordt de maximale blootstelling (nettoboekwaarde) weergegeven aan kredietrisico van ondertekende leningen en voorschotten (uitbetaald en niet-uitbetaald) per categorie kredietnemer, waarbij rekening wordt gehouden met de garanties die door de borgstellers zijn verstrekt:
Per 31.12.2023 | Gegarandeerd | Andere kredietverbeteraars | Niet gegarandeerd | Totaal | % Totaal uitgekeerd |
× 1 000 EUR | |||||
Financiële instellingen | 54 290 | - | 952 740 | 1 007 030 | 60 % |
Bedrijven | 155 653 | - | 293 302 | 448 955 | 27 % |
Openbare instellingen | 15 138 | - | - | 15 138 | 1 % |
Staten | - | - | 212 189 | 212 189 | 13 % |
Totaal uitgekeerd | 225 081 | - | 1 458 231 | 1 683 312 | 100 % |
Niet uitgekeerd | 43 200 | - | 820 854 | 864 054 | |
Totaal uitbetaald en niet-uitbetaald | 268 281 | - | 2 279 085 | 2 547 366 | |
Per 31.12.2022 | Gegarandeerd | Andere kredietverbeteraars | Niet gegarandeerd | Totaal | % Totaal uitgekeerd |
× 1 000 EUR | |||||
Financiële instellingen | 64 625 | - | 1 095 467 | 1 160 092 | 63 % |
Bedrijven | 182 460 | - | 285 216 | 467 676 | 25 % |
Openbare instellingen | 18 902 | - | 218 | 19 120 | 1 % |
Staten | - | 311 | 202 587 | 202 898 | 11 % |
Totaal uitgekeerd | 265 987 | 311 | 1 583 488 | 1 849 786 | 100 % |
Niet uitgekeerd | 149 506 | - | 1 505 762 | 1 655 268 | |
Totaal uitbetaald en niet-uitbetaald | 415 493 | 311 | 3 089 250 | 3 505 054 | |
3. Analyse kredietkwaliteit per categorie kredietnemer
In de onderstaande tabel wordt de analyse weergegeven van de kredietkwaliteit van de leningportefeuille van de faciliteit per 31 december 2023 en 31 december 2022 uitgaande van de rangschikking van de leningen, op basis van de ondertekende blootstellingen (uitgekeerd en niet-uitgekeerd).
Per 31.12.2023 | Uitstekende rangschikking | Standaard rangschikking | Min. aanvaardbaar Risico | Hoog risico | Geen rangschikking* | Totaal | % v/h totaal | |
× 1 000 EUR | ||||||||
A tot B- | C | D+ | D- en lager | |||||
Kredietnemer | Financiële instellingen | 270 520 | 276 133 | 268 648 | 508 180 | - | 1 323 481 | 52 % |
Bedrijven | 51 505 | 53 | 564 | 347 992 | 194 441 | 594 555 | 23 % | |
Openbare instellingen | - | 15 138 | - | - | - | 15 138 | 1 % | |
Staten | 50 858 | 2 164 | 12 907 | 548 263 | - | 614 192 | 24 % | |
Totaal | 372 883 | 293 488 | 282 119 | 1 404 435 | 194 441 | 2 547 366 | 100 % | |
*Leningen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. | ||||||||
Per 31.12.2022 | Uitstekende rangschikking | Standaard rangschikking | Min. aanvaardbaar Risico | Hoog risico | Geen rangschikking* | Totaal | % v/h totaal | |
× 1 000 EUR | ||||||||
A tot B- | C | D+ | D- en lager | |||||
Kredietnemer | Financiële instellingen | 293 458 | 349 628 | 103 133 | 1 030 131 | - | 1 776 350 | 50 % |
Bedrijven | 96 413 | 52 092 | - | 703 374 | 226 750 | 1 078 629 | 31 % | |
Openbare instellingen | - | 18 902 | - | - | 218 | 19 120 | 1 % | |
Staten | 51 976 | 2 771 | 8 363 | 567 845 | - | 630 955 | 18 % | |
Totaal | 441 847 | 423 393 | 111 496 | 2 301 350 | 226 968 | 3 505 054 | 100 % | |
*Leningen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. |
4. Risicoconcentraties van leningen en voorschotten
1. Geografische analyse
Op basis van het land van de kredietnemer kan de leningportefeuille van de faciliteit worden uitgesplitst in de volgende geografische regio’s (× 1 000 EUR):
Land van de kredietnemer | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Egypte | 260 529 | 309 312 |
Kenia | 248 823 | 338 790 |
Nigeria | 218 521 | 266 294 |
Ethiopië | 121 126 | 107 988 |
Regionaal ACS | 86 505 | 69 920 |
Mauritius | 84 331 | 93 509 |
Togo | 80 267 | - |
Barbados | 72 036 | 82 735 |
Rwanda | 71 525 | 94 247 |
Zambia | 66 947 | 56 729 |
Kameroen | 48 616 | 56 586 |
Zimbabwe | 35 546 | 23 147 |
Uganda | 33 365 | 51 388 |
Congo (Democratische Republiek) | 29 803 | 36 772 |
Senegal | 28 729 | 38 153 |
Nieuw-Caledonië | 26 425 | 31 684 |
Tanzania | 21 394 | 33 431 |
Dominicaanse Republiek | 16 768 | 25 879 |
Benin | 16 742 | 2 958 |
Jamaica | 15 138 | 18 902 |
Guinee | 12 926 | 15 242 |
Ivoorkust | 9 644 | 10 976 |
Mauritanië | 9 374 | 11 029 |
Madagaskar | 9 287 | - |
Mali | 8 158 | 9 856 |
Kaaimaneilanden | 6 575 | 8 521 |
Malawi | 6 476 | 9 587 |
Eswatini | 6 453 | 1 515 |
Kaapverdië | 6 254 | 9 016 |
Mozambique | 5 142 | 7 094 |
Saint Lucia | 4 565 | 4 674 |
Burkina Faso | 4 389 | 4 767 |
Ghana | 4 074 | 8 648 |
Micronesia | 2 342 | 2 811 |
Seychellen | 2 037 | 2 933 |
Frans-Polynesië | 1 838 | 3 118 |
Samoa | 344 | 645 |
Vanuatu | 177 | 525 |
Haïti | 121 | 332 |
Congo | - | 73 |
Totaal | 1 683 312 | 1 849 786 |
2. Analyse op grond van bedrijfstak
In de onderstaande tabel wordt de kredietportefeuille van de faciliteit opgesplitst per bedrijfstak van de kredietnemer. De uitkeringen die eerst worden verstrekt aan een financiële tussenpersoon voordat zij aan de eindbegunstigde worden uitbetaald, zijn opgenomen onder “Tertiaire sector en overige” (× 1 000 EUR):
Bedrijfstak van de kredietnemer | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Financiële diensten | 1 012 001 | 1 160 133 |
Openbaar bestuur | 212 189 | 202 898 |
Elektriciteit | 187 701 | 193 597 |
Chemicaliën | 91 786 | 108 652 |
Telecommunicatie | 60 182 | 62 862 |
Gezondheidszorg | 36 833 | 36 833 |
Zakelijke diensten, IT en media | 33 638 | 31 127 |
Farmaceutische producten en medisch materiaal | 18 526 | 12 388 |
Infrastructuur lucht- en zeevaart | 15 138 | 18 902 |
Metalen en mijnbouw | 7 236 | 8 415 |
Investeringsgoederen | 4 103 | 8 853 |
Terugwinning van afval en recycling | 3 802 | 4 577 |
Gecombineerde nutsbedrijven | 177 | 525 |
Tertiaire sector en overige | - | 24 |
Totaal | 1 683 312 | 1 849 786 |
1. Kredietrisicoblootstelling voor elke interne risicorating
De EIB gebruikt een interne ratingmethode in overeenstemming met de op interne ratings gebaseerde benadering in het kader van Basel III. Op grond van deze methode is aan de meerderheid van de tegenpartijen van de faciliteit een interne rating toegekend. De onderstaande tabel toont een uitsplitsing van de kredietportefeuille van de faciliteit op basis van steeds de beste waarde van interne rating van de kredietnemer of van de borgsteller, voor zover beschikbaar. In gevallen waarin geen interne rating beschikbaar is, is voor deze analyse gebruikgemaakt van de externe rating.
De tabel toont zowel de ondertekende blootstellingen (uitbetaald en niet-uitbetaald) als de risicogewogen blootstelllingen, gebaseerd op een interne methode die de faciliteit gebruikt voor limietbeheer.
2023 | ||||||
× 1 000 EUR | Rating Moody’s of gelijkwaardig | Binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | FVTPL | Totaal |
Leningen en voorschotten tegen geamortiseerde kostprijs | ||||||
Interne rating 1 — minimaal kredietrisico | Aaa | - | 47 534 | - | - | 47 534 |
Interne rating 2 — zeer gering kredietrisico | Aa1 - Aa3 | 72 051 | - | - | - | 72 051 |
Interne rating 3 — gering kredietrisico | A1 - A3 | 10 428 | - | - | - | 10 428 |
Interne rating 4 — gematigd kredietrisico | Baa1 - Baa3 | 33 439 | 263 036 | 3 802 | - | 300 277 |
Interne rating 5 — financieel zwakke tegenpartij | Ba1 - Ba3 | 75 418 | - | - | - | 75 418 |
Interne rating 6 — hoog kredietrisico | B1 - B3 | 533 775 | 206 438 | 20 349 | - | 760 562 |
Interne rating 7 — zeer hoog kredietrisico | onder Caa1 | 77 010 | 246 682 | - | - | 323 692 |
Interne rating 8 — in gebreke blijvende tegenpartij | onder Caa1, maar in gebreke blijvend | - | - | 17 860 | - | 17 860 |
Leningen en voorschotten tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies | - | - | - | 182 080 | 182 080 | |
Voorziening voor verliezen en aanpassing reële waarde | -10 964 | -24 674 | -14 976 | -55 976 | -106 590 | |
Boekwaarde van leningen en voorschotten | 791 157 | 739 016 | 27 035 | 126 104 | 1 683 312 | |
Toegezegde leningen | ||||||
Interne rating 2 — zeer gering kredietrisico | Aa1 - Aa3 | 86 796 | - | - | - | 86 796 |
Interne rating 3 — gering kredietrisico | A1 - A3 | 1 687 | - | - | - | 1 687 |
Interne rating 4 — gematigd kredietrisico | Baa1 - Baa3 | 10 000 | - | - | - | 10 000 |
Interne rating 5 — financieel zwakke tegenpartij | Ba1 - Ba3 | 82 770 | - | - | - | 82 770 |
Interne rating 6 — hoog kredietrisico | B1 - B3 | 327 995 | 45 990 | - | - | 373 985 |
Interne rating 7 — zeer hoog kredietrisico | onder Caa1 | 28 089 | 30 537 | - | - | 58 626 |
Interne rating 8 — in gebreke blijvende tegenpartij | onder Caa1, maar in gebreke blijvend | - | 50 000 | 111 000 | - | 161 000 |
Geen interne rating* | 39 940 | - | - | - | 39 940 | |
Leningen en voorschotten tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies | - | - | - | 68 288 | 68 288 | |
Voorziening voor verliezen en aanpassing reële waarde | -2 715 | -16 323 | - | - | -19 038 | |
Boekwaarde van toegezegde leningen | 574 562 | 110 204 | 111 000 | 68 288 | 864 054 | |
* Agentuurovereenkomsten waarvoor er op de verslagleggingsdatum geen onderliggende tegenpartijen zijn |
1. Kredietrisicoblootstelling voor elke interne risicorating (vervolg)
2022 | ||||||
× 1 000 EUR | Rating Moody’s of gelijkwaardig | Binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | FVTPL | Totaal |
Leningen en voorschotten tegen geamortiseerde kostprijs | ||||||
Interne rating 1 — minimaal kredietrisico | Aaa | - | 56 320 | - | - | 56 320 |
Interne rating 2 — zeer gering kredietrisico | Aa1 - Aa3 | 82 745 | - | - | - | 82 745 |
Interne rating 3 — gering kredietrisico | A1 - A3 | 421 | - | - | - | 421 |
Interne rating 4 — gematigd kredietrisico | Baa1 - Baa3 | 346 538 | - | - | - | 346 538 |
Interne rating 5 — financieel zwakke tegenpartij | Ba1 - Ba3 | 82 126 | - | - | - | 82 126 |
Interne rating 6 — hoog kredietrisico | B1 - B3 | 679 725 | 189 519 | - | - | 869 244 |
Interne rating 7 — zeer hoog kredietrisico | onder Caa1 | 41 450 | 273 167 | - | - | 314 617 |
Interne rating 8 — in gebreke blijvende tegenpartij | onder Caa1, maar in gebreke blijvend | - | - | 63 474 | - | 63 474 |
Leningen en voorschotten tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies | - | - | - | 142 263 | 142 263 | |
Voorziening voor verliezen en aanpassing reële waarde | -11 370 | -28 817 | -21 303 | -46 472 | -107 962 | |
Boekwaarde van leningen en voorschotten | 1 221 635 | 490 189 | 42 171 | 95 791 | 1 849 786 | |
Toegezegde leningen | ||||||
Interne rating 2 — zeer gering kredietrisico | Aa1 - Aa3 | 86 796 | - | - | - | 86 796 |
Interne rating 3 — gering kredietrisico | A1 - A3 | 316 707 | - | - | - | 316 707 |
Interne rating 4 — gematigd kredietrisico | Baa1 - Baa3 | 109 095 | - | - | - | 109 095 |
Interne rating 5 — financieel zwakke tegenpartij | Ba1 - Ba3 | 175 880 | - | - | - | 175 880 |
Interne rating 6 — hoog kredietrisico | B1 - B3 | 538 504 | 50 000 | - | - | 588 504 |
Interne rating 7 — zeer hoog kredietrisico | onder Caa1 | 62 966 | 105 669 | - | - | 168 635 |
Interne rating 8 — in gebreke blijvende tegenpartij | onder Caa1, maar in gebreke blijvend | - | - | 50 000 | - | 50 000 |
Geen interne rating* | 44 982 | - | - | - | 44 982 | |
Leningen en voorschotten tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies | - | - | - | 131 252 | 131 252 | |
Voorziening voor verliezen en aanpassing reële waarde | -4 834 | -11 749 | - | - | -16 583 | |
Boekwaarde van toegezegde leningen | 1 330 096 | 143 920 | 50 000 | 131 252 | 1 655 268 | |
* Agentuurovereenkomsten waarvoor er op de verslagleggingsdatum geen onderliggende tegenpartijen zijn De EIB houdt voortdurend toezicht op gebeurtenissen die van invloed zijn op haar kredietnemers en borgstellers. De EIB beoordeelt met name per geval haar contractuele rechten bij een verslechtering van de rating en streeft naar risicobeperkende maatregelen. Zij volgt ook nauwgezet de verlengingen van bankgaranties voor haar leningen op om ervoor te zorgen dat deze worden vervangen of dat indien nodig tijdig wordt opgetreden. |
6. Achterstallen op leningen en waardeverminderingen
De identificatie, het toezicht en de rapportage over achterstallige bedragen verloopt overeenkomstig de procedures die zijn vastgelegd in de richtsnoeren en procedures voor financieel toezicht die binnen de bank gelden. Deze procedures zijn in overeenstemming met de optimale bancaire werkmethoden en worden gebruikt voor alle leningen die door de EIB worden beheerd.
Het toezicht is gestructureerd om ervoor te zorgen dat i) potentiële achterstallen op betalingen in zo kort mogelijke tijd worden opgespoord en aangemeld bij de bevoegde diensten; (ii) problematische gevallen onverwijld worden behandeld op het juiste operationele en besluitvormingsniveau; (iii) op gezette tijd verslag wordt uitgebracht aan het directiecomité van de faciliteit over de algemene stand van zaken.
De achterstallen en waardeverminderingen op de leningen kunnen als volgt worden geanalyseerd (× 1 000 EUR):
Leningen en voorschotten | Leningen en voorschotten | |
31.12.2023 | 31.12.2022 | |
Boekwaarde | 1 683 312 | 1 849 786 |
Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | ||
Brutobedrag | 17 860 | 63 474 |
Waardeverminderingen — voorzieningen voor verliezen | -14 976 | -21 303 |
Boekwaarde van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | 2 884 | 42 171 |
Achterstallig maar zonder verminderde kredietwaardigheid | ||
“Achterstallig” omvat | ||
0-30 dagen | - | 670 |
30-90 dagen | 23 | 118 |
90-180 dagen | 315 | 95 |
meer dan 180 dagen | - | 25 |
Boekwaarde achterstallig, zonder verminderde kredietwaardigheid | 338 | 908 |
Boekwaarde niet achterstallig en evenmin met verminderde kredietwaardigheid | 1 680 090 | 1 806 707 |
Totale boekwaarde leningen en voorschotten | 1 683 312 | 1 849 786 |
De te verwachten kredietverliezen (Expected Credit Loss — ECL) zijn gevoelig voor oordelen en veronderstellingen met betrekking tot de formulering van toekomstgerichte scenario’s. De EIB voert een gevoeligheidsanalyse uit op de te verwachten kredietverliezen die zijn opgenomen voor wezenlijke categorieën van haar activa.
De prognoses van toekomstige economische omstandigheden (via macro-economische scenario’s) zijn input voor het prognosemodel met voorwaardelijke risicoparameters, die een input vormen voor de berekening van de voorzieningen voor verliezen.
De scenario’s komen tot stand door het bbp, de belangrijkste maatstaf voor de economische activiteit, aan een aantal schokken te onderwerpen. De schokken op het reële bbp worden gekalibreerd om de volatiliteit van de variabele in het verleden te repliceren. Daarnaast wordt in voorkomend geval het oordeel van deskundigen toegepast om de omvang en de persistentie van bbp-schokken te verfijnen. De schokken worden samen met een afnamefunctie vastgesteld om het effect van de schokken in de tijd te bepalen. De aan elk scenario verbonden waarschijnlijkheden worden gedefinieerd op basis van marktindicatoren (volatiliteit) en intern ontwikkelde indicatoren/trackers die in de loop van de tijd op consistente wijze worden ingezet om onzekerheid op te vangen. De weging van positieve en negatieve schokken hangt af van de risicoverhouding in de economie. De weging van positieve en negatieve schokken hangt af van de risicoverhouding in de economie. Gemiddeld genomen werden respectievelijk negatieve en positieve schokken van -7 247 EUR (2022: -9 908 EUR) en 6 007 EUR (2022: 8 356 EUR) toegepast op driemaandelijkse prognoses in het voorbije begrotingsjaar.
Onderstaande tabel toont de voorziening voor verliezen op leningen en voorschotten in de fasen 1 en 2. Elk toekomstgericht scenario (bv. basisscenario, positief en negatief) werd gewogen tegen 100 % in plaats van waarschijnlijkheidsafwegingen voor de drie scenario’s toe te passen.
2023 | |||
(× 1 000 EUR) | Positief | Basisscenario | Negatief |
Brutoblootstelling | 2 258 365 | 2 258 365 | 2 258 365 |
Voorzieningen voor verliezen | 45 603 | 51 610 | 58 857 |
2022 | |||
(× 1 000 EUR) | Positief | Basisscenario | Negatief |
Brutoblootstelling | 3 229 247 | 3 229 247 | 3 229 247 |
Voorzieningen voor verliezen | 43 821 | 52 177 | 62 085 |
8. Leningoversluiting en respijt
De EIB beschouwt leningen als respijtleningen (d.w.z. leningen, schuldbewijzen en leningtoezeggingen) waarvoor respijtmaatregelen zijn verlengd. Respijtmaatregelen bestaan uit “concessies” die de EIB besluit te doen ten aanzien van een debiteur die als gevolg van zijn financiële moeilijkheden niet in staat wordt geacht de contractuele voorwaarden van de schuldendienst na te leven, teneinde de debiteur in staat te stellen de schuld af te lossen of de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te herfinancieren. Blootstellingen worden als respijtblootstellingen behandeld indien er een concessie is gedaan, ongeacht of een bedrag achterstallig is, of indien de blootstelling is aangemerkt als wanbetaling. Blootstellingen worden niet als respijtblootstellingen behandeld indien de debiteur zich niet in financiële moeilijkheden bevindt.
Bij normale bedrijfsvoering zou de verslechtering van de betrokken leningen aan het licht zijn gekomen via de bepalingen van de richtsnoeren en procedures van de bank en zou deze vóór de heronderhandeling zijn gemonitord. Zodra de heronderhandeling is beëindigd, zal de EIB nauwgezet toezicht blijven uitoefenen op deze leningen. Indien het financiële instrument een verminderde kredietwaardigheid heeft, wordt het overgeheveld naar fase 3. De lening zal regelmatig worden gemonitord in overeenstemming met het kader van de bank.
Respijtmaatregelen en -praktijken die tijdens de verslagperiode door de EIB worden uitgevoerd in het kader van haar herstructureringsactiviteiten omvatten, maar blijven niet beperkt tot de verlenging van de looptijd, uitstel van loutere kapitaalaflossing, uitstel van kapitaalaflossing en rentebetaling, inbreuken op belangrijke verbintenissen en kapitalisering van achterstallige betalingen.
3.2.3.8 Leningoversluiting en respijt (vervolg)
Verrichtingen waarvoor respijtmaatregelen gelden, worden als zodanig vermeld in de onderstaande tabel:
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 | ||
Renderende | Niet-renderende | Renderende | Niet-renderende | |
Aantal contracten waarvoor respijtmaatregelen gelden | 13 | 6 | 12 | 7 |
Boekwaarden (inclusief rente en bedragen aan achterstallige betalingen) | 112 554 | 46 432 | 144 399 | 45 497 |
Opgenomen voorziening te verwachten kredietverliezen (ECL) | 1 654 | 22 151 | 16 008 | 14 323 |
Rentebaten met betrekking tot respijtcontracten | 8 594 | 1 776 | 7 745 | 2 280 |
Respijtmaatregelen | |||||||
× 1 000 EUR | 31.12.2022 | Verlenging van de looptijden | Uitstel van kapitaalaflossingen en rentebetaling | Inbreuk op materiële financiële convenanten | Overige | Contractuele terugbetaling, beëindiging en/of afschrijving | 31.12.2023 |
Financiële instellingen | 85 751 | - | - | 12 275 | - | -29 671 | 68 355 |
Bedrijven | 104 145 | - | - | - | - | -13 514 | 90 631 |
Totaal | 189 896 | - | - | 12 275 | - | -43 185 | 158 986 |
2. Kredietrisico met betrekking tot geldmiddelen en kasequivalenten
De beschikbare middelen worden geïnvesteerd overeenkomstig het schema van de faciliteit voor de contractuele uitbetaling van de verplichtingen. Per 31 december 2023 en 31 december 2022 vonden investeringen plaats in de vorm van rekeningtegoeden, depositobewijzen en commercial papers.
De goedgekeurde entiteiten beschikken over een rating die overeenstemt met de ratings op korte en lange termijn die is vereist voor de beleggingen van kasmiddelen die door de EIB voor eigen rekening worden uitgevoerd; Bij verschillende ratings die door meer dan één ratingbureau zijn verleend, geldt de laagste rating. De maximaal toegestane limiet voor elke goedgekeurde bank bedraagt momenteel 50 000 000 EUR (vijftig miljoen EUR). Een uitzondering op deze regel is verleend aan de Société Générale S.A., waar de faciliteit haar operationele kasgeldrekeningen aanhoudt. Het maximum voor kortlopend krediet voor de Société Générale S.A. bedraagt op 31 december 2023 en 31 december 2022 110 000 000 EUR (honderdtien miljoen EUR). Het verhoogde maximum is van toepassing op de som van de tegoeden op de operationele kasgeldrekeningen en de instrumenten die door deze tegenpartij zijn uitgegeven en worden aangehouden door de portfolio thesauriemiddelen.
Alle investeringen worden geplaatst bij de goedgekeurde entiteiten met een maximale looptijd van drie maanden vanaf de valutadatum. Alle inbreuken op de limieten van de kredietblootstelling zijn gemeld aan de lastgevers. Per 31 december 2023 en 31 december 2022 hadden alle termijndeposito’s, commercial papers en kasmiddelen die werden aangehouden door de portfolio thesauriemiddelen van de faciliteit een minimale rating P-2 van Moody’s of gelijkwaardig op de vereffening.
In de onderstaande tabel is het saldo van de geldmiddelen en kasequivalenten inclusief opgelopen rente opgenomen (× 1 000 EUR):
Minimale kortetermijnrating | Minimale langetermijnrating | 31.12.2023 | 31.12.2022 | ||
(terminologie Moody’s) | (terminologie Moody’s) | ||||
P-1 | Aaa | 140 592 | 10 % | 200 167 | 14 % |
P-1 | Aa2 | 29 951 | 2 % | 24 955 | 2 % |
P-1 | Aa3 | 89 682 | 7 % | 4 992 | 0 % |
P-1 | A1 | 360 831 | 26 % | 300 627 | 21 % |
P-1 | A2 | 204 179 | 15 % | 340 252 | 23 % |
P-1 | A3 | 346 275 | 25 % | 491 224 | 34 % |
P-2 | A3 | 205 314 | 15 % | 29 956 | 2 % |
P-2 | Baa1 | - | 0 % | 59 797 | 4 % |
Totaal | 1 376 824 | 100 % | 1 451 970 | 100 % |
5. Kredietrisico met betrekking tot derivaten
1. Beleid op het gebied van kredietrisico van derivaten
Het kredietrisico met betrekking tot derivaten is het verlies dat een bepaalde partij kan oplopen wanneer de tegenpartij bij de transactie niet in staat zou zijn haar contractuele verplichtingen na te komen. Het kredietrisico bij derivaten hangt af van een aantal factoren (zoals rentevoeten en wisselkoersen) en stemt doorgaans overeen met een klein deel van hun referentiewaarde.
De faciliteit mag in de uitoefening van haar normale activiteiten swapovereenkomsten sluiten ter afdekking van specifieke kredietverrichtingen of currency forward-contracten sluiten ter afdekking van haar valutaposities, die in andere actief verhandelde valuta dan de euro luiden. Alle swaps worden uitgevoerd door de Europese Investeringsbank met een externe tegenpartij. De swaps vallen onder dezelfde Master Swap-overeenkomsten en Credit Support-bijlagen die tussen de Europese Investeringsbank en haar externe tegenpartijen zijn afgesloten.
2. Meting van de kredietrisico’s voor derivaten
Alle door de EIB uitgevoerde swaps die betrekking hebben op de faciliteit, worden behandeld binnen hetzelfde contractuele kader en volgens dezelfde methodiek die gelden voor de derivaten die door de EIB voor eigen doeleinden zijn ingezet. Met name wordt de geschiktheid van de tegenpartijen bij de swapovereenkomst door de EIB bepaald op basis van dezelfde geschiktheidsvoorwaarden die gelden voor de algemene swapdoeleinden.
Voor het meten van de blootstelling aan kredietrisico met betrekking tot transacties met swaps en derivaten maakt de EIB gebruik van de Current Unsecured Exposure- en Potential Future Exposure-benadering voor verslaglegging en toezicht op de limieten. De derivaten met betrekking tot de investeringsfaciliteit zijn volledig opgenomen in deze maatstaven.
De faciliteit sluit kortlopende valuataswapcontracten (“FX swaps”) af ter afdekking van het valutarisico op uitkeringen op leningen in andere valuta dan de EUR. FX swaps hebben een looptijd van maximaal drie maanden en worden regelmatig verlengd. Het referentiebedrag van FX swaps bedroeg 1 640,0 miljoen EUR op 31 december 2023, tegen 1 790,0 miljoen EUR op 31 december 2022. De reële waarde van FX swaps bedroeg 45,8 miljoen EUR op 31 december 2023, tegen 71,1 miljoen EUR op 31 december 2022.
De faciliteit sluit cross currency swap-contracten af om het valutarisico af te dekken op uitbetalingen van leningen in andere valuta dan EUR. Cross currency swaps hebben een lange looptijd. Het referentiebedrag van FX swaps bedroeg 43,3 miljoen EUR op 31 december 2023, tegen 47,0 miljoen EUR op 31 december 2022. De reële waarde van FX swaps bedroeg 10,0 miljoen EUR op 31 december 2023, tegen 4,8 miljoen EUR op 31 december 2022.
6. Kredietrisico bij thesauriemiddelen
De volgende tabel geeft een overzicht van de portfolio thesauriemiddelen die geheel bestaat uit commercial papers die zijn uitgegeven door lagere overheden, banken en niet-bancaire entiteiten met een oorspronkelijke looptijd van meer dan drie maanden. EU-lidstaten, hun agentschappen, banken en niet-bancaire entiteiten zijn in aanmerking komende emittenten. De maximaal toegestane limiet voor elke goedgekeurde emittent bedraagt 50 000 000 EUR (vijftig miljoen EUR). Investeringen in obligaties op middellange en lange termijn kwamen ook in aanmerking, afhankelijk van de liquiditeitsbehoeften:
x 1 000 EUR | |||||
Minimale kortetermijnrating | Minimale langetermijnrating | 31.12.2023 | 31.12.2022 | ||
(terminologie Moody’s) | (terminologie Moody’s) | ||||
P-1 | Aa2 | - | 0 % | 32 974 | 45 % |
P-1 | Aa3 | - | 0 % | 4 | 0 % |
P-1 | A3 | - | 0 % | 39 843 | 55 % |
P-2 | A3 | - | 0 % | 182 | 0 % |
Totaal | - | 0 % | 73 003 | 100 % |
3. Liquiditeitsrisico
Liquiditeitsrisico verwijst naar het vermogen van een entiteit om toenamen van activa te financieren en te voldoen aan haar verplichtingen wanneer deze vervallen, zonder onaanvaardbare verliezen op te lopen. Dit risico kan worden opgesplitst in een liquiditeitsfinancieringsrisico en een marktliquiditeitsrisico. Een liquiditeitsfinancieringsrisico is het risico dat een entiteit niet in staat zal zijn om op doeltreffende wijze gevolg te geven aan de verwachte en onverwachte huidige en toekomstige thesauriebehoeften, zonder afbreuk te doen aan haar dagelijkse verrichtingen of haar financiële positie. Een marktliquiditeitsrisico is het risico dat een entiteit een positie niet gemakkelijk kan compenseren of ongedaan kan maken tegen de marktprijs als gevolg van een ontoereikende marktdiepte of verstoring van de markten.
1. Beheer van het liquiditeitsrisico
De faciliteit wordt in eerste instantie gefinancierd met jaarlijkse bijdragen van de lidstaten alsook met terugbetalingen afkomstig van door de faciliteit uitgevoerde verrichtingen. Het liquiditeitsfinancieringsrisico wordt in eerste instantie door de faciliteit beheerd door het inventariseren van haar liquiditeitsbehoeften en de vereiste jaarlijkse bijdragen van de lidstaten.
Om de jaarlijkse bijdragen van de lidstaten te berekenen, worden de uitkeringspatronen van de bestaande en geplande portefeuille onderzocht en tijdens het jaar opgevolgd. Speciale gebeurtenissen, zoals vroegtijdige terugbetalingen, verkoop van aandelen of wanbetalingen, worden in aanmerking genomen met het oog op een aanpassing van de jaarlijkse liquiditeitsvereisten.
Om het liquiditeitsrisico verder te beperken, beschikt de faciliteit over een liquiditeitsreserve die voldoende is om steeds de tijdstipgerelateerde voorspelde uitbetalingen van contanten (op gezette tijden bekendgemaakt door de afdeling Kredietverlening van de EIB) te kunnen dekken. Middelen worden belegd op de geldmarkt en de obligatiemarkten in de vorm van interbancaire deposito’s en andere financiële kortetermijninstrumenten, waarbij rekening wordt gehouden met de verplichtingen inzake uitbetalingen van contanten van de faciliteit. De liquide activa van de faciliteit worden beheerd door de dienst thesaurie van de bank om ervoor te zorgen dat de nodige kasmiddelen worden aangehouden om de faciliteit in staat te stellen haar verplichtingen na te komen. Overeenkomstig Besluit 2020/2233 van de Raad worden terugvloeiende middelen uit de ACS-investeringsfaciliteit worden ingezet binnen het NDICI-kader. Deze over te dragen terugvloeiende middelen zijn echter pas beschikbaar als een toereikend liquiditeitsniveau in het kader van de investeringsfaciliteit wordt aangehouden.
Er moet worden benadrukt dat kapitaal uitsluitend wordt beheerd vanuit een liquiditeitsperspectief, zoals hierboven beschreven.
Overeenkomstig het beginsel van scheiding van taken tussen front- en backoffice vallen afwikkelingstransacties die betrekking hebben op de investering van deze activa onder de verantwoordelijkheid van de EIB-afdeling planning en afwikkeling van transacties. Daarnaast vallen de goedkeuring van tegenprestaties en de limieten voor investeringen in schatkistpapier, alsook het toezicht op deze limieten, onder de verantwoordelijkheid van het directoraat Risicobeheer van de bank.
1. Meting van het liquiditeitsrisico
In de in deze afdeling opgenomen tabellen wordt een overzicht gegeven van de financiële verplichtingen van de faciliteit volgens looptijd op basis van de resterende periode tussen de balansdatum en de contractuele vervaldag (op basis van niet-gedisconteerde kasstromen).
Wat betreft de niet-afgeleide financiële verplichtingen, heeft de faciliteit verbintenissen in de vorm van niet-uitbetaalde delen van het krediet uit hoofde van ondertekende kredietovereenkomsten, niet-uitbetaalde delen van ondertekende inschrijvingen op kapitaal/investeringsovereenkomsten, toegekende leninggaranties, of van toegezegde rentesubsidies en technische bijstand (“TA”).
In het kader van de faciliteit afgesloten leningen hebben een uitbetalingstermijn. De uitbetalingen komen evenwel tot stand op momenten en in bedragen die een weerspiegeling zijn van de geboekte vooruitgang bij de desbetreffende investeringsprojecten. Bovendien zijn de leningen van de faciliteit transacties die tot stand komen in een relatief volatiele werkomgeving. Bijgevolg is het uitbetalingsschema onderworpen aan een aanzienlijke mate van onzekerheid.
Kapitaalinvesteringen worden opeisbaar wanneer en zodra uit hoofde van de fondsenbeheerders geldige opvragingen voor kapitaal tot stand komen, die een beeld geven van de geboekte vooruitgang bij hun investeringsactiviteiten. De trekkingsperiode is gewoonlijk drie jaar en wordt vaak met een of twee jaar verlengd. Sommige uitbetalingsverbintenissen blijven gewoonlijk ook van kracht na afloop van de trekkingsperiode totdat de onderliggende investeringen van het fonds volledig beschikbaar zijn, aangezien de liquiditeiten van het fonds soms ontoereikend kunnen zijn om te voldoen aan de betalingsverplichtingen met betrekking tot vergoedingen en andere kosten.
Garanties gaan niet gepaard met specifieke uitbetalingsverplichtingen, tenzij door de begunstigde van de lening een waarborg wordt afgeroepen. Het bedrag van uitstaande garanties wordt verlaagd volgens het aflossingsschema van gegarandeerde leningen.
Vastgelegde kasuitstromen van rentesubsidies vinden plaats bij gesubsidieerde leningen die met eigen middelen van de EIB worden gefinancierd. De gerapporteerde uitstromen zijn derhalve alleen vastleggingen die verband houden met deze leningen in plaats van het totaalbedrag van vastlegde niet-uitgekeerde rentesubsidies. Zoals bij de leningen, is hun uitbetalingsschema onzeker.
Vastgelegde technische bijstand “Bruto nominale uitstroom” in de tabel “Looptijdprofiel van niet-afgeleide financiële verplichtingen” verwijst naar het totale niet-uitbetaalde deel van de ondertekende contracten voor technische bijstand. Het uitkeringspatroon is in aanzienlijke mate onzeker. Kasuitstromen die zijn ondergebracht in de categorie “drie maanden of minder” vertegenwoordigen het bedrag van uitstaande facturen dat tegen de verslagleggingsdatum wordt ontvangen.
Vastleggingen voor niet-afgeleide financiële verplichtingen zonder vastgestelde contractuele vervaldatum worden gerangschikt onder “Looptijd onbepaald”. Vastleggingen met een vastgelegd verzoek voor uitbetalingen van contanten op de verslagleggingsdatum worden onder de desbetreffende termijn gerangschikt.
3.3.2 Meting van het liquiditeitsrisico (vervolg)
Bij afgeleide financiële verplichtingen vertegenwoordigt het looptijdprofiel de contractuele niet-gedisconteerde kasstromen van swapovereenkomsten met inbegrip van cross currency swaps (CCS), cross currency renteswaps (CCIRS), kortlopende currency swaps en renteswaps.
Looptijdprofiel van niet-afgeleide financiële verplichtingen | 3 maanden of minder | Van 3 maanden tot 1 jaar | Van 1 jaar tot 5 jaar | Meer dan 5 jaar | Looptijd niet bepaald | Bruto nominale uitstroom |
x 1 000 EUR per 31.12.2023 | ||||||
Uitstroom voor vastgelegde maar niet-uitbetaalde leningen | 49 019 | 6 000 | - | - | 828 073 | 883 092 |
Uitstroom voor vastgelegde investeringsmiddelen en inschrijving op aandelen | - | - | - | - | 297 534 | 297 534 |
Andere (getekende niet-verstrekte garanties, verstrekte garanties) | - | - | - | - | 47 749 | 47 749 |
Uitstroom voor vastgelegde rentesubsidies | 4 235 | - | - | - | 343 282 | 347 517 |
Uitstroom voor vastgelegde technische bijstand | 849 | - | - | - | 25 343 | 26 192 |
Totaal | 54 103 | 6 000 | - | - | 1 541 981 | 1 602 084 |
Looptijdprofiel van niet-afgeleide financiële verplichtingen | 3 maanden of minder | Van 3 maanden tot 1 jaar | Van 1 jaar tot 5 jaar | Meer dan 5 jaar | Looptijd niet bepaald | Bruto nominale uitstroom |
x 1 000 EUR per 31.12.2022 | ||||||
Uitstroom voor vastgelegde maar niet-uitbetaalde leningen | 87 210 | 21 208 | - | - | 1 563 433 | 1 671 851 |
Uitstroom voor vastgelegde investeringsmiddelen en inschrijving op aandelen | 4 676 | - | - | - | 406 496 | 411 172 |
Andere (getekende niet-verstrekte garanties, verstrekte garanties) | - | - | - | - | 49 378 | 49 378 |
Uitstroom voor vastgelegde rentesubsidies | - | - | - | - | 350 282 | 350 282 |
Uitstroom voor vastgelegde technische bijstand | 924 | - | - | - | 32 149 | 33 073 |
Totaal | 92 810 | 21 208 | - | - | 2 401 738 | 2 515 756 |
Looptijdprofiel van afgeleide financiële verplichtingen | 3 maanden of minder | Van 3 maanden tot 1 jaar | Van 1 jaar tot 5 jaar | Meer dan 5 jaar | Bruto nominale instroom of uitstroom | |
x 1 000 EUR per 31.12.2023 | ||||||
CCS — instroom | 192 | 10 909 | 32 186 | 1 706 | 44 993 | |
CCS — uitstroom | -90 | -10 212 | -23 783 | -1 828 | -35 913 | |
Kortlopende valutaswaps — instroom | 1 640 000 | - | - | - | 1 640 000 | |
Kortlopende valutaswaps — uitstroom | -1 597 068 | - | - | - | -1 597 068 | |
Totaal | 43 034 | 697 | 8 403 | -122 | 52 012 | |
Looptijdprofiel van afgeleide financiële verplichtingen | 3 maanden of minder | Van 3 maanden tot 1 jaar | Van 1 jaar tot 5 jaar | Meer dan 5 jaar | Bruto nominale instroom of uitstroom | |
x 1 000 EUR per 31.12.2022 | ||||||
CCS en CCIRS – instroom | 88 | 9 474 | 38 431 | 147 | 48 140 | |
CCS en CCIRS — uitstroom | -108 | -11 965 | -30 450 | -146 | -42 669 | |
Kortlopende valutaswaps — instroom | 1 790 000 | - | - | - | 1 790 000 | |
Kortlopende valutaswaps — uitstroom | -1 724 227 | - | - | - | -1 724 227 | |
Totaal | 65 753 | -2 491 | 7 981 | 1 | 71 244 | |
3. Financiële activa en passiva op lange termijn
De onderstaande tabel bevat de niet-afgeleide financiële activa en financiële verplichtingen die naar verwachting meer dan twaalf maanden na de verslagleggingsdatum zullen worden geïnd of afgewikkeld.
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Financiële activa: | ||
Leningen en voorschotten | 1 755 831 | 1 922 784 |
Aandelen en andere effecten met variabele rente | 820 713 | 797 341 |
Totaal | 2 576 544 | 2 720 125 |
financiële verplichtingen: | ||
Aan derden verschuldigde bedragen* | 389 116 | 136 867 |
Voorzieningen voor toegezegde leningen | 19 038 | 16 583 |
Totaal | 408 154 | 153 450 |
* De aan derden verschuldigde bedragen zijn inclusief de rentesubsidies en nog niet verleende technische bijstand aan lidstaten waarbij de looptijd grotendeels onbepaald is. |
Het marktrisico is het risico dat wijzigingen in marktprijzen en koersen, zoals rentevoeten, aandelenkoersen, wisselkoersen de ontvangsten van de entiteit of de waarde van haar deelnemingen in financiële instrumenten beïnvloeden.
1. Renterisico
Het renterisico is de volatiliteit van de economische waarde van, of van de baten afkomstig van, de rentedragende posities als gevolg van ongunstige ontwikkelingen van de rentevoeten.
De fluctuatie van haar economische waarde of incongruenties op het vlak van prijszetting tussen verschillende activa, passiva en afdekkingsinstrumenten hebben geen rechtstreekse weerslag op de faciliteit omdat i) zij geen directe financieringskosten of rentedragende passiva heeft en ii) zij de weerslag aanvaardt van rentefluctuaties op de inkomsten uit haar investeringen.
De gevoeligheid van de kredietportefeuille en de micro hedging swaps van de faciliteit voor rentefluctuaties wordt gemeten op basis van een basispuntwaardeberekening (“BPV”).
In de BPV-berekening wordt de winst of het verlies gemeten van de netto contante waarde van de desbetreffende portfolio, ten opzichte een stijging met 1 basispunt (0,01 %) van rentevoettrends binnen een specifiek tijdsinterval “money market — tot en met 1 jaar”, “very short — 2 tot 3 jaar”, “short — 4 tot 6 jaar”, “medium — 7 tot 11 jaar”, “long — 12 tot 20 jaar” of “extra long — meer dan 21 jaar”.
Voor het verkrijgen van de netto contante waarde (“NCW”) van de kasstromen van de leningen in EUR gebruikt de faciliteit de driemaandse EUR-swapcurve. De netto contante waarde van de kasstromen van de leningen in andere valuta dan EUR wordt bepaald door de driemaandse EUR-swap plus de cross currency swap-basis. Voor valuta anders dan EUR waarvoor geen betrouwbare en voldoende volledige discontocurve beschikbaar is, wordt in plaats daarvan ofwel de EUR- of USD-discontocurve gebruikt.
Voor het berekenen van de netto contante waarde van micro hedging swaps gebruikt de faciliteit de EUR-swapcurve voor kasstromen in EUR en de USD-swapcurve voor kasstromen in USD.
2. Renterisico (vervolg)
Zoals blijkt uit de volgende tabel, zou de netto contante waarde van de kredietportefeuille inclusief de daaraan gerelateerde micro hedging swaps op 31 december 2023 dalen met 491 000 EUR (per 31 december 2022: daling met 500 000 EUR) als alle desbetreffende rentevoeten tegelijkertijd stijgen met 1 basispunt.
Basispuntwaarde × 1 000 EUR | Geld Markt | Zeer kort | Kort | Gemiddeld | Lang | Extra lang | Totaal |
Per 31.12.2023 | 1 jaar | 2 tot 3 jaar | 4 tot 6 jaar | 7 tot 11 jaar | 12 tot 20 jaar | Meer dan 20 jaar | |
Totale gevoeligheid van leningen en micro hedging swaps | -39 | -97 | -153 | -153 | -47 | -2 | -491 |
Basispuntwaarde × 1 000 EUR | Geld Markt | Zeer kort | Kort | Gemiddeld | Lang | Extra lang | Totaal |
Per 31.12.2022 | 1 jaar | 2 tot 3 jaar | 4 tot 6 jaar | 7 tot 11 jaar | 12 tot 20 jaar | Meer dan 20 jaar | |
Totale gevoeligheid van leningen en micro hedging swaps | -34 | -98 | -154 | -162 | -50 | -2 | -500 |
2. Valutarisico
Het valutarisico voor de faciliteit is het risico op het verlies van inkomsten of economische waarde als gevolg van ongunstige ontwikkelingen van de wisselkoersen.
Met een referentierekenvaluta (EUR voor de faciliteit) wordt de faciliteit blootgesteld aan een valutarisico zodra er een incongruentie optreedt tussen in niet-referentierekenvaluta luidende activa en passiva. Onder het valutarisico valt ook het effect van wijzigingen in de waarde van toekomstige in een niet-referentierekenvaluta luidende kasstromen, bv. interest- en dividenduitkeringen, als gevolg van wisselkoersschommelingen.
1. Valutarisico en schatkistpapier
Het schatkistpapier van de faciliteit luidt in EUR of USD.
Het valutarisico wordt gedekt door contante of termijntransacties in vreemde valuta, FX swaps of cross-currency swaps. De afdeling thesaurie van de bank kan, als zij dit nodig en passend acht, gebruikmaken van een ander instrument, overeenkomstig het beleid van de bank, dat bescherming biedt tegen de marktrisico’s met betrekking tot de financiële activiteiten van de faciliteit.
2. Valutarisico en door de faciliteit gefinancierde of gegarandeerde transacties
De bijdragen van de lidstaten aan de faciliteit luiden in EUR. De door de faciliteit gefinancierde of gegarandeerde transacties alsook de rentesubsidies kunnen in EUR, USD of elke andere goedgekeurde valuta luiden.
Een blootstelling aan valutarisico (ten opzichte van de referentievaluta EUR) doet zich voor wanneer transacties in andere valuta dan de EUR niet afgedekt worden. De richtsnoeren voor de afdekking van de wisselkoers van de faciliteit worden hierna toegelicht.
1. Afdekking van verrichtingen in USD
Het valutarisico dat ontstaat door transacties van de faciliteit in USD wordt gedekt op geaggregeerde basis via het gebruik van EUR/USD-FX swaps, waarvan het bedrag periodiek wordt verlengd en aangepast. Het gebruik van FX swaps heeft een dubbel doel. Enerzijds wordt de noodzakelijke liquiditeit voor nieuwe uitkeringen (leningen en vermogen) gegenereerd en anderzijds blijft een macro valutahedging gehandhaafd.
Bij de aanvang van elke periode worden de tijdens de volgende periode in USD te ontvangen of betalen kasstromen geraamd op basis van de geplande of verwachte terugbetalingen/uitkeringen. Vervolgens worden de verlopen FX swaps verlengd, waarbij hun bedrag wordt aangepast om ten minste de voor de volgende periode geraamde liquiditeitsbehoeften in USD te dekken.
Op maandelijkse basis wordt de deviezenpositie in USD afgeschermd, indien zij de desbetreffende limieten overschrijdt, door een contante of termijntransactie.
Binnen een doorrolperiode kunnen onverwachte tekorten aan liquiditeiten in USD worden gedekt door ad-hocvalutaswaptransacties, terwijl liquiditeitsoverschotten in schatkistpapier geïnvesteerd kunnen worden of in EUR kunnen worden omgezet, indien zij het gevolg zijn van een toename van de deviezenpositie.
2. Afdekking van transacties in andere valuta dan EUR of USD
Transacties van de faciliteit in andere valuta dan EUR of USD worden afgedekt met cross-currency swap-contracten met hetzelfde financiële profiel als de onderliggende lening, op voorwaarde dat er een operationele swapmarkt is.
De faciliteit voert transacties uit in valuta waarvoor afdekkingsmogelijkheden hetzij niet op een efficiënte wijze beschikbaar zijn, hetzij tegen een hoge kostprijs beschikbaar zijn. Deze transacties luiden in lokale valuta, maar worden in EUR of USD afgewikkeld. Het kader voor financiële risico’s van de faciliteit, dat op 22 januari 2015 door het comité van de faciliteit is goedgekeurd, biedt de mogelijkheid om de valutarisico’s in lokale valuta met een significante positieve correlatie met de UDS synthetisch af te dekken met in USD luidende derivaten. De met in USD luidende derivaten synthetisch afgedekte lokale valuta zijn opgenomen in de tabel in afdeling 3.4.2.2.3 onder de vermelding “Lokale valuta (onder synthetische dekking)”, terwijl de niet met de USD synthetisch afgedekte lokale valuta in dezelfde tabel zijn weergegeven onder de vermelding “Lokale valuta (niet onder synthetische dekking)”.
Voor leningen die luiden in andere valuta’s dan EUR, USD of valuta's waarvoor afdekking door middel van cross-currency swap-contracten niet mogelijk is, brengt de faciliteit bovendien een extra rentecomponent in rekening, “FX-premie” genaamd, om het risico van mogelijke waardevermindering in lokale valuta te beperken.
3. Deviezenpositie (x 1 000 EUR)
In de tabellen bij deze toelichting wordt de deviezenpositie van de faciliteit weergegeven.
De in de onderstaande tabellen weergegeven deviezenpositie is in overeenstemming met het risicobeleid van de faciliteit (zoals beschreven in het kader voor financiële risico's van de faciliteit). De deviezenpositie per risicobeleid is gebaseerd op boekhoudkundige gegevens en wordt gedefinieerd als het saldo tussen geselecteerde activa en passiva. De activa en passiva in de deviezenpositie per risicobeleid worden geselecteerd om ervoor te zorgen dat de opbrengsten alleen bij ontvangst worden omgezet in de rapporteringsvaluta (EUR).
De verandering in de reële waarde van aandelen en andere effecten met variabele opbrengst is opgenomen in de deviezenpositie per risicobeleid, evenals waardeverminderingen op leningen en voorschotten. In de deviezenpositie per risicobeleid opgenomen derivaten worden gewaardeerd tegen hun nominale waarde, in plaats van hun reële waarde, om in overeenstemming te worden gebracht met de ingehouden waarde van de activa, die ook worden gewaardeerd tegen hun nominale waarde aangepast met de waardevermindering voor leningen.
In de onderstaande tabel is het resterende deel van de activa en passiva, dat grotendeels bestaat uit op leningen opgebouwde rente, derivaten en subsidies, opgenomen als “deviezenpositie buiten risicobeleid”.
Per 31 december 2023 | Activa en passiva | Vastleggingen en voorwaardelijke verplichtingen | |||
Valuta | Deviezenpositie per risicobeleid | Deviezenpositie buiten risicobeleid | Balans deviezenpositie | ||
USD | -194 166 | -16 111 | -210 277 | 306 161 | |
Lokale valuta (onder synthetische dekking)* | |||||
KES | 87 829 | -4 832 | 82 997 | - | |
TZS | 1 071 | 19 | 1 090 | - | |
DOP | 16 663 | 122 | 16 785 | - | |
UGX | 20 283 | 221 | 20 504 | - | |
RWF | 55 837 | 367 | 56 204 | - | |
Lokale valuta (niet onder synthetische dekking)* | |||||
HTG, MUR, MZN, XOF, ZMW, BWP, JMD, NGN, ZAR | 67 992 | -1 136 | 66 856 | - | |
Totaal niet-EUR valuta | 55 509 | -21 350 | 34 159 | 306 161 | |
EUR | - | 3 489 673 | 3 489 673 | 1 344 972 | |
TOTAAL EUR en niet-EUR | 55 509 | 3 468 323 | 3 523 832 | 1 651 133 | |
* Zie punt 3.4.2.2.2 voor een toelichting op synthetische dekking. | |||||
3.4.2.2.3 Deviezenpositie (x 1 000 EUR) (vervolg) | |||||
Per 31 december 2022 | Activa en passiva | Vastleggingen en voorwaardelijke verplichtingen | |||
Valuta | Deviezenpositie per risicobeleid | Deviezenpositie buiten risicobeleid | Balans deviezenpositie | ||
USD | -318 423 | -11 114 | -329 537 | 844 247 | |
Lokale valuta (onder synthetische dekking)* | |||||
KES | 129 513 | 36 883 | 166 396 | - | |
TZS | 7 355 | 123 | 7 478 | - | |
DOP | 24 533 | 301 | 24 834 | - | |
UGX | 32 632 | 489 | 33 121 | - | |
RWF | 75 037 | 698 | 75 735 | - | |
Lokale valuta (niet onder synthetische dekking)* | |||||
HTG, MUR, MZN, XOF, ZMW, BWP, JMD, NGN, ZAR | 86 929 | -479 | 86 450 | - | |
Totaal niet-EUR valuta | 37 576 | 26 901 | 64 477 | 844 247 | |
EUR | - | 4 009 151 | 4 009 151 | 1 726 301 | |
TOTAAL EUR en niet-EUR | 37 576 | 4 036 052 | 4 073 628 | 2 570 548 | |
* Zie punt 3.4.2.2.2 voor een toelichting op synthetische dekking. |
3. Deviezen gevoeligheidsanalyse
Per 31 december 2023 zou een waardevermindering ten belope van 10 % van de EUR ten opzichte van alle niet-EUR valuta resulteren in een stijging van de middelen en de winst van de contribuanten ten belope van 2,9 miljoen EUR (31 december 2022: 7,2 miljoen EUR). Een waardeverhoging ten belope van 10 % van de EUR ten opzichte van alle niet-EUR valuta zou resulteren in een daling van de middelen en de winst van de contribuanten ten belope van -2,4 miljoen EUR (31 december 2022:
-5,9 miljoen EUR).
4. Omrekeningskoers
De volgende omrekeningskoersen werden gebruikt voor het opstellen van de balans op 31 december 2023 en 31 december 2022:
31 december 2023 | 31 december 2022 | |
Andere dan EU-valuta | ||
Botswana pula (BWP) | 14.78 | 13.59 |
Dominicaanse peso (DOP) | 64.08 | 59.84 |
Fijidollar (FJD) | 2.39 | 2.32 |
Haïtiaanse gourde (HTG) | 143.68 | 154.37 |
Jamaicadollar (JMD) | 168.22 | 161.59 |
Keniaanse shilling (KES) | 173.20 | 131.68 |
Mauritaanse ouguiya (MRU) | 43.35 | 39.04 |
Mauritiaanse roepie (MUR) | 48.56 | 46.83 |
Mozambikaanse metical (MZN) | 69.98 | 67.54 |
Nigeriaanse naira (NGN) | 975.04 | 478.02 |
Rwandese frank (RWF) | 1 385,07 | 1 132,20 |
Tanzaniaanse shilling (TZS) | 2 772,53 | 2 487,37 |
Ugandese shilling (UGX) | 4 178,00 | 3 965,00 |
US-dollar (USD) | 1.11 | 1.07 |
CFA-frank (XAF/XOF) | 655.96 | 655.96 |
Zuid-Afrikaanse rand (ZAR) | 20.35 | 18.10 |
Zambiaanse kwacha (ZMW) | 28.45 | 19.28 |
3. Aandelenkoersrisico
Het aandelenkoersrisico is het risico dat de reële waarde van deelname in het aandelenkapitaal daalt als gevolg van de wijzigingen in het niveau van de aandelenkoersen en/of de waarde van de aandeleninvesteringen.
De faciliteit is blootgesteld aan het aandelenkoersrisico via zijn investeringen in directe beleggingen in aandelen en durfkapitaalfondsen.
De waarde van niet-beursgenoteerde activa is niet gemakkelijk beschikbaar met het oog op een toezicht en controle op continue basis. Voor dergelijke posities omvatten de best beschikbare aanwijzingen prijzen van relevante waarderingstechnieken.
Het effect op de middelen van de contribuanten van de faciliteit (naar aanleiding van een verandering van de reële waarde van de eigenvermogeninstrumentenportfolio) als gevolg van een verandering met ± 10 % van de waarde van de individuele directe beleggingen in aandelen en risicokapitaalfondsen, waarbij alle andere variabelen constant blijven, komt neer op
82,1 miljoen EUR respectievelijk -82,1 miljoen EUR per 31 december 2023 (79,7 miljoen EUR respectievelijk -79,7 miljoen EUR per 31 december 2022).
4. Reële waarde van financiële instrumenten
1. Indeling van de rekeningen en reële waarde
In de volgende tabellen zijn de boekwaarden en reële waarden van de financiële activa en financiële verplichtingen opgenomen, inclusief hun niveau in de reëlewaardehiërarchie. In deze tabel zijn geen gegevens over de reële waarde opgenomen voor financiële activa en financiële verplichtingen die tegen geamortiseerde kostprijs zijn gewaardeerd als de boekwaarde een redelijke benadering is van de reële waarde.
Per 31 december 2023 | Boekwaarde | Reële waarde | |||||||||
× 1 000 EUR | Afgeleide financiële instrumenten | Aandelen en andere effecten met variabele rente | Geldmiddelen, leningen en voorschotten | Thesauriemiddelen | Overige financiële activa/verplichtingen | Totaal | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 3 | Totaal | |
Verplicht tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies gewaardeerde financiële activa | |||||||||||
Afgeleide financiële instrumenten | 55 765 | - | - | - | - | 55 765 | - | 55 765 | - | 55 765 | |
Durfkapitaalfonds | - | 693 042 | - | - | - | 693 042 | - | - | 693 042 | 693 042 | |
Directe aandeleninvesteringen | - | 127 671 | - | - | - | 127 671 | - | - | 127 671 | 127 671 | |
Leningen en voorschotten | - | - | 124 323 | - | - | 124 323 | - | - | 124 323 | 124 323 | |
Totaal verplicht tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies gewaardeerde financiële activa | 55 765 | 820 713 | 124 323 | - | - | 1 000 801 | - | 55 765 | 945 036 | 1 000 801 | |
Financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs | |||||||||||
Geldmiddelen en kasequivalenten | - | - | 1 376 824 | - | - | 1 376 824 | |||||
Leningen en voorschotten | - | - | 1 558 989 | - | - | 1 558 989 | |||||
Door contribuanten te storten bedragen | - | - | 85 321 | - | - | 85 321 | |||||
Thesauriemiddelen | - | - | - | - | - | - | |||||
Overige activa | - | - | - | - | 616 | 616 | |||||
Totaal financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs | - | - | 3 021 134 | - | 616 | 3 021 750 | |||||
Totaal financiële activa | 55 765 | 820 713 | 3 145 457 | - | 616 | 4 022 551 | |||||
Financiële verplichtingen tegen geamortiseerde kostprijs | |||||||||||
Voorzieningen voor toegezegde leningen | - | - | - | - | -19 038 | -19 038 | |||||
Aan derde partijen verschuldigde bedragen | - | - | - | - | -427 828 | -427 828 | |||||
Overige verplichtingen | - | - | - | - | -3 338 | -3 338 | |||||
Totaal tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële verplichtingen | - | - | - | - | -450 204 | -450 204 | |||||
Totaal financiële verplichtingen | - | - | - | - | -450 204 | -450 204 |
4. Reële waarde van financiële instrumenten (vervolg)
1. Indeling van de rekeningen en reële waarde (vervolg)
Per 31 december 2022 | Boekwaarde | Reële waarde | |||||||||
× 1 000 EUR | Afgeleide financiële instrumenten | Aandelen en andere effecten met variabele rente | Geldmiddelen, leningen en voorschotten | Thesauriemiddelen | Overige financiële activa/verplichtingen | Totaal | Niveau 1 | Niveau 2 | Niveau 3 | Totaal | |
Verplicht tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies gewaardeerde financiële activa | |||||||||||
Afgeleide financiële instrumenten | 75 852 | - | - | - | - | 75 852 | - | 75 852 | - | 75 852 | |
Durfkapitaalfonds | - | 684 564 | - | - | - | 684 564 | - | - | 684 564 | 684 564 | |
Directe aandeleninvesteringen | - | 112 777 | - | - | - | 112 777 | - | - | 112 777 | 112 777 | |
Leningen en voorschotten | - | - | 95 604 | - | - | 95 604 | - | - | 95 604 | 95 604 | |
Totaal verplicht tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies gewaardeerde financiële activa | 75 852 | 797 341 | 95 604 | - | - | 968 797 | - | 75 852 | 892 945 | 968 797 | |
Financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs | |||||||||||
Geldmiddelen en kasequivalenten | - | - | 1 451 970 | - | - | 1 451 970 | |||||
Leningen en voorschotten | - | - | 1 754 182 | - | - | 1 754 182 | |||||
Door contribuanten te storten bedragen | - | - | 85 321 | - | - | 85 321 | |||||
Thesauriemiddelen | - | - | - | 73 003 | - | 73 003 | |||||
Overige activa | - | - | - | - | 950 | 950 | |||||
Totaal financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs | - | - | 3 291 473 | 73 003 | 950 | 3 365 426 | |||||
Totaal financiële activa | 75 852 | 797 341 | 3 387 077 | 73 003 | 950 | 4 334 223 | |||||
Financiële verplichtingen tegen geamortiseerde kostprijs | |||||||||||
Voorzieningen voor toegezegde leningen | - | - | - | - | -16 583 | -16 583 | |||||
Aan derde partijen verschuldigde bedragen | - | - | - | - | -190 927 | -190 927 | |||||
Overige verplichtingen | - | - | - | - | -2 419 | -2 419 | |||||
Totaal tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde financiële verplichtingen | - | - | - | - | -209 929 | -209 929 | |||||
Totaal financiële verplichtingen | - | - | - | - | -209 929 | -209 929 |
1. Waarderingstechnieken en aanzienlijke niet-waarneembare inputs
In de onderstaande tabel zijn gegevens opgenomen over de waarderingstechnieken en de aanzienlijke niet-waarneembare inputs voor de waardering van financiële instrumenten, die zijn ingedeeld onder niveaus 2 en 3 van de reëlewaardehiërarchie:
Waarderingstechniek | Aanzienlijke niet-waarneembare inputs | Verhouding tussen niet-waarneembare inputs en waardering van reële waarden | |
Financiële instrumenten gewaardeerd tegen reële waarde | |||
Afgeleide financiële instrumenten | Gedisconteerde kasstroom: toekomstige kasstromen worden gewaardeerd op basis van termijnkoersen/rentevoeten (uitgaande van waarneembare termijnkoersen en rentecurven aan het einde van de verslagperiode) en termijncontracten/rentevoeten, gedisconteerd tegen een percentage dat rekening houdt met het kredietrisico van verschillende tegenpartijen. | De curves die worden gebruikt voor het schatten en disconteren van kasstromen worden gekalibreerd op basis van marktgegevens, en de swaps in de portefeuille hebben looptijden die niet langer zijn dan de langste looptijd die beschikbaar is in de inputs. Bijgevolg zijn er geen niet-waarneembare inputs. | Niet van toepassing. |
Durfkapitaalfonds (VCF) | Methode op basis van de aangepaste intrinsieke waarde: de reële waarde wordt bepaald aan de hand van hetzij het percentage van het onderliggende instrument dat de faciliteit in handen heeft, zoals vastgesteld in het laatste voor kasstromen bijgewerkte rapport, hetzij, voor zover deze gegevens beschikbaar zijn, de waarde per aandeel op dezelfde datum, zoals meegedeeld door de desbetreffende fondsbeheerder. Om de kloof tussen de laatst beschikbare intrinsieke waarde en de rapportage op het jaareinde te overbruggen, wordt een daaropvolgende evaluatieprocedure uitgevoerd, en indien nodig wordt de gerapporteerde intrinsieke waarde aangepast. | Aanpassing voor de verstreken tijd tussen de laatste verslagleggingsdatum van het durfkapitaalfonds en de waarderingsdatum, waarbij rekening wordt gehouden met de exploitatiekosten en beheersvergoeding, hieropvolgende wijzigingen in de reële waarde van de onderliggende activa van de durfkapitaalfondsen, opgelopen extra verplichtingen en marktwijzigingen of andere wijzigingen in de economische omstandigheden. | Hoe langer de periode tussen de datum van de waardering van reële waarden en de laatste verslagleggingsdatum van het durfkapitaalfonds, hoe hoger de aanpassing voor de verstreken tijd. |
Directe aandeleninvesteringen | Aangepaste intrinsieke waarde | Aanpassing voor de verstreken tijd tussen de laatste verslagleggingsdatum van de vennootschap waarin is geïnvesteerd en de waarderingsdatum, waarbij rekening wordt gehouden met de exploitatiekosten, hieropvolgende wijzigingen in de reële waarde van de onderliggende activa van de vennootschappen waarin is geïnvesteerd, opgelopen extra verplichtingen en marktwijzigingen of andere wijzigingen in de economische omstandigheden, kapitaalsverhoging, verkoop/wijziging van de controle. | Hoe hoger de korting voor verhandelbaarheid, hoe lager de reële waarde. |
Korting voor het ontbreken aan verhandelbaarheid (liquiditeit), die wordt bepaald door verwijzingen naar vorige transactieprijzen voor soortgelijke aandelen in het land/de regio, variërend van 5 % tot 30 %. | |||
Leningen tegen reële waarde (IFE) | Voor kredietnemers in het kader van de lopende bedrijfsuitoefening (going concern): gedisconteerde kasstroom volgens contractuele/verwachte toekomstige kasstromen, verdisconteerd met een passend voor risico aangepast disconteringspercentage dat het aan de lening inherente risico (met inbegrip van het kredietrisico van de kredietnemer) weergeeft. Het discontopercentage wordt vergeleken/beoordeeld aan de hand van alle relevante marktbenchmarks. Voor kredietnemers indien dit niet gebeurt in de veronderstelling dat de continuïteit van de entiteit is gewaarborgd: nettoactiva benadering (liquidatiewaarde benadering). | nettoactiva benadering (liquidatiewaarde benadering). Onderdelen van het disconteringspercentage om het kredietrisico van de kredietnemer weer te geven in vergelijking met de risicovrije marktrentes. | Hoe hoger het disconteringspercentage, hoe lager de reële waarde. |
2. Waarderingstechnieken en aanzienlijke niet-waarneembare inputs (vervolg)
Waarderingstechniek | Aanzienlijke niet-waarneembare inputs | Verhouding tussen niet-waarneembare inputs en waardering van reële waarden | |
Financiële activa niet gewaardeerd tegen reële waarde | |||
Leningen en voorschotten | Gedisconteerde kasstromen: het waarderingsmodel maakt gebruik van contractuele kasstromen die alleen worden uitgekeerd als de debiteur niet in gebreke blijft. Er wordt geen rekening gehouden met de waarde van de zekerheden of mogelijkheden voor vervroegde aflossing. Om de netto contante waarde (NCW) van de leningen te verkrijgen, worden in het gekozen model de contractuele kasstromen van elke lening verrekend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een aangepaste marktdiscontovoet. De NCW van elke afzonderlijke lening wordt vervolgens aangepast om rekening te kunnen houden met het desbetreffende hiermee samenhangende verwachte verlies. De resultaten worden vervolgens opgeteld om de reële waarde van de leningen en voorschotten te verkrijgen. | Niet van toepassing. | Niet van toepassing. |
Thesauriemiddelen | Gedisconteerde kasstromen. | Niet van toepassing. | Niet van toepassing. |
Bij de toepassing van de norm IFRS 13 worden waarderingsaanpassingen opgenomen in de reële waarde van de derivaten per 31 december 2023 en 2022. Hierbij gaat het om:
- aanpassingen van de kredietwaarderingen (Credit Valuation Adjustments (CVA)), waarbij het tegenpartijkredietrisico bij derivatentransacties in aanmerking wordt genomen, hetgeen resulteert in een daling met 6 100 EUR per 31 december 2023 en in een daling met 6 100 EUR per 31 december 2022;
- aanpassingen aan de debetwaarderingen (Debit Valuation Adjustments (DVA)), waarbij het eigen kredietrisico bij derivatentransacties in aanmerking wordt genomen, hetgeen resulteert in een stijging met +7 200 EUR per
31 december 2023 en een stijging met +7 200 EUR per 31 december 2022.
2. Overdrachten tussen niveau 1 en 2
Het beleid van de faciliteit komt neer op het erkennen van de overdrachten tussen niveaus op de datum waarop de gebeurtenis of de gewijzigde omstandigheden die tot de overdracht hebben geleid zich heeft of hebben voorgedaan.
In 2023 en 2022 vonden er binnen de faciliteit geen overdrachten plaats van niveau 1 naar 2 of van niveau 2 naar 1 van de reëlewaardehiërarchie.
2. Reële waarden niveau 3
Afstemming van reële waarden niveau 3
De onderstaande tabellen tonen de wijzigingen in instrumenten13 van niveau 3 voor de op 31 december 2023 en 31 december 2022 afgesloten jaren:
× 1 000 EUR | Aandelen en andere effecten met variabele rente |
Saldo per 1 januari 2023 Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen | 797 341 |
Baten of verliezen opgenomen in winst of verlies: | |
Verwijdering uit de balans van reëlewaardeaanpassing bij verkoop | - |
Nettoverandering in de reële waarde op aandelen en andere effecten met variabele rente | -15 142 |
Totaal | -15 142 |
Uitgekeerde bedragen | 101 100 |
Terugbetalingen | -32 560 |
Verschillen wisselkoersen | -30 026 |
Saldo per 31 december 2023 | 820 713 |
× 1 000 EUR | Aandelen en andere effecten met variabele rente |
Saldo per 1 januari 2022 Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen | 697 631 |
Baten of verliezen opgenomen in winst of verlies: | |
Verwijdering uit de balans van reëlewaardeaanpassing bij verkoop | 99 |
Nettoverandering in de reële waarde op aandelen en andere effecten met variabele rente | 9 172 |
Totaal | 9 271 |
Uitgekeerde bedragen | 139 935 |
Terugbetalingen | -74 959 |
Verschillen wisselkoersen | 25 463 |
Saldo per 31 december 2022 | 797 341 |
Zowel in 2023 als 2022 vonden er binnen de faciliteit geen overdrachten plaats uit of naar niveau 3 van de reëlewaardehiërarchie. |
Gevoeligheidsanalyse
Het effect op de middelen van de contribuanten van de faciliteit (naar aanleiding van een verandering van de reële waarde van de eigenvermogeninstrumentenportfolio) als gevolg van een verandering met ± 10 % van de waarde van de individuele directe beleggingen in aandelen en durfkapitaalinvesteringen, waarbij alle andere variabelen constant blijven, komt neer op 82,1 miljoen EUR, respectievelijk –82,1 miljoen EUR per 31 december 2023 (79,7 miljoen EUR, respectievelijk –79,7 miljoen EUR per 31 december 2022).
4. Geldmiddelen en kasequivalenten
Geldmiddelen en kasequivalenten zijn samengesteld uit:
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Contanten | 146 494 | 328 079 |
Termijndeposito’s | 625 403 | 963 004 |
Commercial papers | 599 507 | 159 506 |
Geldmiddelen en kasequivalenten in het kasstroomoverzicht | 1 371 404 | 1 450 589 |
Opgebouwde rente | 5 420 | 1 381 |
Geldmiddelen en kasequivalenten in het vermogensoverzicht | 1 376 824 | 1 451 970 |
4. Afgeleide financiële instrumenten
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste onderdelen van de afgeleide financiële instrumenten die voor handelsdoeleinden worden aangehouden:
Per 31 december 2023 | Reële waarde | Nominaal bedrag | |
× 1 000 EUR | Activa | Passiva | |
Cross currency swaps | 9 983 | - | 43 250 |
FX swaps | 45 782 | - | 1 640 000 |
Totaal afgeleide financiële instrumenten | 55 765 | - | 1 683 250 |
Per 31 december 2022 | Reële waarde | Nominaal bedrag | |
× 1 000 EUR | Activa | Passiva | |
Cross-currency renteswaps | 4 778 | - | 47 033 |
FX swaps | 71 074 | - | 1 790 000 |
Totaal afgeleide financiële instrumenten | 75 852 | - | 1 837 033 |
4. Leningen en voorschotten
1. Leningen en voorschotten
In de volgende tabel wordt de afstemming tussen het begin- en het eindsaldo van de leningen en voorschotten weergegeven:
× 1 000 EUR | Globale leningen | Niet-achtergestelde leningen | Achtergestelde leningen | Totaal |
Nominale waarde van leningen tegen geamortiseerde kostprijs per 1 januari 2023 | 1 236 887 | 563 277 | - | 1 800 164 |
Uitgekeerde bedragen | 154 587 | 11 986 | - | 166 573 |
Afschrijvingen | - | - | - | - |
Terugbetalingen | -219 739 | -67 902 | - | -287 641 |
Gekapitaliseerde rente | - | - | - | - |
Verschillen wisselkoersen | -73 614 | -12 024 | - | -85 638 |
Nominale waarde van leningen tegen geamortiseerde kostprijs per 31 december 2023 | 1 098 121 | 495 337 | - | 1 593 458 |
Waardevermindering — voorzieningen voor verliezen per 1 januari 2023 | -37 604 | -22 798 | - | -60 402 |
Nettowijzigingen van binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | -287 | -92 | - | -379 |
Nettowijzigingen van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | -1 060 | 4 887 | - | 3 827 |
Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | - | - | - | - |
Terugboeking van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen met verminderde kredietwaardigheid | 5 205 | 402 | - | 5 607 |
Verschillen wisselkoersen | 1 348 | 402 | - | 1 750 |
Waardevermindering — voorzieningen voor verliezen per 31 december 2023 | -32 398 | -17 199 | - | -49 597 |
Leningen en voorschotten tegen geamortiseerde kostprijs per 31 december 2023 | 1 065 723 | 478 138 | - | 1 543 861 |
Nominale waarde van leningen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies per 1 januari 2023 | 1 080 | 72 923 | 66 833 | 140 836 |
Uitgekeerde bedragen | - | 37 092 | 3 572 | 40 664 |
Terugbetalingen | - | -514 | - | -514 |
Verschillen wisselkoersen | - | -2 925 | 48 | -2 877 |
Nominale waarde van leningen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies per 31 december 2023 | 1 080 | 106 576 | 70 453 | 178 109 |
Reëlewaardeaanpassingen per 1 januari 2023 | -1 080 | -26 420 | -17 732 | -45 232 |
Wijziging reële waarde (netto) | - | -8 941 | 9 | -8 932 |
Verschillen wisselkoersen | - | 378 | - | 378 |
Reëlewaardeaanpassingen per 31 december 2023 | -1 080 | -34 983 | -17 723 | -53 786 |
Leningen en voorschotten tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies per 31 december 2023 | - | 71 593 | 52 730 | 124 323 |
Geamortiseerde kostprijs | -3 518 | -4 040 | - | -7 558 |
Rente | 11 560 | 10 876 | 250 | 22 686 |
Leningen en voorschotten per 31 december 2023 | 1 073 765 | 556 567 | 52 980 | 1 683 312 |
* Inclusief agentuurovereenkomsten. |
7.1 Leningen en voorschotten (vervolg)
(× 1 000 EUR) | Globale leningen | Niet-achtergestelde leningen | Achtergestelde leningen | Totaal |
Nominale waarde van leningen tegen geamortiseerde kostprijs per 1 januari 2022 | 1 260 960 | 549 115 | - | 1 810 075 |
Uitgekeerde bedragen | 186 211 | 68 638 | - | 254 849 |
Terugbetalingen | -246 403 | -74 267 | - | -320 670 |
Verschillen wisselkoersen | 36 119 | 19 791 | - | 55 910 |
Nominale waarde van leningen tegen geamortiseerde kostprijs per 31 december 2022 | 1 236 887 | 563 277 | - | 1 800 164 |
Waardevermindering — voorzieningen voor verliezen per 1 januari 2022 | -43 723 | -22 191 | - | -65 914 |
Nettowijzigingen van binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | -7 009 | -750 | - | -7 759 |
Nettowijzigingen van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | 4 305 | 1 176 | - | 5 481 |
Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | - | -393 | - | -393 |
Terugboeking van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen met verminderde kredietwaardigheid | 11 082 | 151 | - | 11 233 |
Verschillen wisselkoersen | -2 259 | -791 | - | -3 050 |
Waardevermindering — voorzieningen voor verliezen per 31 december 2022 | -37 604 | -22 798 | - | -60 402 |
Leningen en voorschotten tegen geamortiseerde kostprijs per 31 december 2022 | 1 199 283 | 540 479 | - | 1 739 762 |
Nominale waarde van leningen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies per 1 januari 2022 | 1 080 | 70 936 | 200 000 | 272 016 |
Uitgekeerde bedragen | - | 5 644 | - | 5 644 |
Terugbetalingen | - | -4 544 | -133 167 | -137 711 |
Verschillen wisselkoersen | - | 887 | - | 887 |
Nominale waarde van leningen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies per 31 december 2022 | 1 080 | 72 923 | 66 833 | 140 836 |
Reëlewaardeaanpassingen per 1 januari 2022 | -1 080 | -24 613 | -16 332 | -42 025 |
Wijziging reële waarde (netto) | - | -1 680 | -1 400 | -3 080 |
Verschillen wisselkoersen | - | -127 | - | -127 |
Reëlewaardeaanpassingen per 31 december 2022 | -1 080 | -26 420 | -17 732 | -45 232 |
Leningen en voorschotten tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies per 31 december 2022 | - | 46 503 | 49 101 | 95 604 |
Geamortiseerde kostprijs | -3 450 | -3 718 | - | -7 168 |
Rente | 11 809 | 9 741 | 38 | 21 588 |
Leningen en voorschotten per 31 december 2022 | 1 207 642 | 593 005 | 49 139 | 1 849 786 |
* Inclusief agentuurovereenkomsten. |
2. Waardeverminderingen op leningen en voorschotten — Voorzieningen voor verliezen
2023 | ||||
× 1 000 EUR | ||||
× 1 000 EUR | Binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | Totaal |
Leningen en voorschotten tegen geamortiseerde kostprijs | ||||
Saldo per 1 januari 2023 Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen | 11 370 | 28 817 | 20 215 | 60 402 |
Overdracht naar binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | 869 | -4 217 | - | -3 348 |
Overdracht naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | -927 | 3 593 | - | 2 666 |
Nettoberekening van de voorziening voor verliezen | -993 | -4 333 | -2 873 | -8 199 |
Nieuwe financiële activa gecreëerd of verworven | 1 470 | 1 188 | - | 2 658 |
Financiële activa die zijn uitgeboekt | -41 | -57 | -2 734 | -2 832 |
Verschillen wisselkoersen | -784 | -317 | -649 | -1 750 |
Saldo per 31 december 2023 | 10 964 | 24 674 | 13 959 | 49 597 |
2022 | ||||
× 1 000 EUR | ||||
× 1 000 EUR | Binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | Totaal |
Leningen en voorschotten tegen geamortiseerde kostprijs | ||||
Saldo per 1 januari 2022 Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen | 3 565 | 33 268 | 29 081 | 65 914 |
Overdracht naar binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | 2 293 | -7 061 | - | -4 768 |
Overdracht naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | -489 | 3 160 | - | 2 671 |
Overdracht naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | - | -617 | 393 | -224 |
Nettoberekening van de voorziening voor verliezen | 4 101 | -2 472 | -6 045 | -4 416 |
Nieuwe financiële activa gecreëerd of verworven | 1 878 | 1 670 | - | 3 548 |
Financiële activa die zijn uitgeboekt | -24 | -160 | -5 189 | -5 373 |
Verschillen wisselkoersen | 46 | 1 029 | 1 975 | 3 050 |
Saldo per 31 december 2022 | 11 370 | 28 817 | 20 215 | 60 402 |
* Wisselkoersschommelingen worden niet opgenomen in de bedragen die worden gerapporteerd in het overzicht van winst of verlies en niet-gerealiseerde resultaten en in het overzicht van wijzigingen in de middelen van contribuanten. |
4. Aandelen en andere effecten met variabele rente
In de volgende tabel wordt de afstemming tussen het begin- en het eindsaldo van de aandeleninvesteringen weergegeven:
× 1 000 EUR | Durfkapitaalfondsen | Directe aandeleninvesteringen | Totaal |
Kosten per 1 januari 2023 | 580 534 | 81 711 | 662 245 |
Uitgekeerde bedragen | 101 100 | - | 101 100 |
Terugbetalingen/verkoop | -32 560 | - | -32 560 |
Verschillen wisselkoersen | -15 727 | -8 256 | -23 983 |
Kosten per 31 december 2023 | 633 347 | 73 455 | 706 802 |
Niet-gerealiseerde winsten en verliezen per 1 januari 2023 | 104 030 | 31 066 | 135 096 |
Nettowijziging niet-gerealiseerde winsten en verliezen | -43 652 | 28 510 | -15 142 |
Verwijdering uit de balans van reëlewaardeaanpassing bij een swap betreffende aandelen of een aandelenindex | - | - | - |
Verschillen wisselkoersen | -683 | -5 360 | -6 043 |
Niet-gerealiseerde winsten en verliezen per 31 december 2023 | 59 695 | 54 216 | 113 911 |
Aandelen en andere effecten met variabele rente per 31 december 2023 | 693 042 | 127 671 | 820 713 |
× 1 000 EUR | Durfkapitaalfondsen | Directe aandeleninvesteringen | Totaal |
Kosten per 1 januari 2022 | 493 161 | 77 478 | 570 639 |
Uitgekeerde bedragen | 139 935 | - | 139 935 |
Terugbetalingen/verkoop | -74 959 | - | -74 959 |
Swap betreffende aandelen of een aandelenindex | - | 3 598 | 3 598 |
Verschillen wisselkoersen | 22 397 | 635 | 23 032 |
Kosten per 31 december 2022 | 580 534 | 81 711 | 662 245 |
Niet-gerealiseerde winsten en verliezen per 1 januari 2022 | 97 409 | 29 583 | 126 992 |
Nettowijziging niet-gerealiseerde winsten en verliezen | 4 149 | 5 023 | 9 172 |
Verwijdering uit de balans van reëlewaardeaanpassing bij verkoop | - | -3 499 | -3 499 |
Verschillen wisselkoersen | 2 472 | -41 | 2 431 |
Niet-gerealiseerde winsten en verliezen per 31 december 2022 | 104 030 | 31 066 | 135 096 |
Aandelen en andere effecten met variabele rente per 31 december 2022 | 684 564 | 112 777 | 797 341 |
4. Door contribuanten te storten bedragen
De door contribuanten te storten bedragen van 85,3 miljoen EUR (2022: 85,3 miljoen EUR) zijn volledig samengesteld uit afgeroepen, maar door lidstaten nog niet betaalde bijdragen.
4. Thesauriemiddelen
De portfolio thesauriemiddelen bestaat uit beursgenoteerde obligaties met een resterende looptijd van minder dan drie maanden op de verslagleggingsdatum. In de onderstaande tabel worden de bewegingen van de portfolio thesauriemiddelen weergegeven:
× 1 000 EUR | |
Saldo per 1 januari 2023 Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen | 73 003 |
Verwervingen | 348 523 |
Looptijden | -421 278 |
Wijziging inzake afschrijvingen van agio/disagio | -248 |
Verandering in de opgelopen rente | - |
Saldo per 31 december 2023 | - |
× 1 000 EUR | |
Saldo per 1 januari 2022 Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen | - |
Verwervingen | 920 290 |
Looptijden | -847 608 |
Wijziging inzake afschrijvingen van agio/disagio | 247 |
Verandering in de opgelopen rente | 74 |
Saldo per 31 december 2022 | 73 003 |
4. Overige activa
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste onderdelen van de overige activa:
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Door de EIB te betalen bedrag | 616 | 940 |
Financiële garanties | - | 10 |
Totaal overige activa | 616 | 950 |
4. Uitgestelde baten
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de voornaamste onderdelen van uitgestelde baten:
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Uitgestelde rentesubsidies | 47 313 | 51 498 |
Uitgestelde commissies op leningen en voorschotten | 1 202 | 919 |
Totaal uitgestelde baten | 48 515 | 52 417 |
4. Voorzieningen voor toegezegde leningen
In de volgende tabellen wordt de afstemming tussen het begin- en het eindsaldo van de voorzieningen voor verliezen voor niet-uitgekeerde leningen (toegezegde leningen) weergegeven:
2023 | ||||
× 1 000 EUR | Binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | Totaal |
Toegezegde leningen | ||||
Saldo per 1 januari | 4 825 | 11 758 | - | 16 583 |
Overdracht naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | -163 | 1 955 | - | 1 792 |
Nettoberekening van de voorziening voor verliezen | 466 | 8 206 | - | 8 672 |
Nieuwe financiële activa gecreëerd of verworven | -1 295 | -1 461 | - | -2 756 |
Financiële activa die zijn uitgeboekt | -1 120 | -4 118 | - | -5 238 |
Verschillen wisselkoersen | 2 | -17 | - | -15 |
Saldo per 31 december | 2 715 | 16 323 | - | 19 038 |
2022 | ||||
× 1 000 EUR | Binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | Tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, met verminderde kredietwaardigheid | Totaal |
Toegezegde leningen | ||||
Saldo per 1 januari | 1 693 | 14 909 | - | 16 602 |
Overdracht naar tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, zonder verminderde kredietwaardigheid | -302 | 4 687 | - | 4 385 |
Nettoberekening van de voorziening voor verliezen | 3 147 | -6 797 | - | -3 650 |
Nieuwe financiële activa gecreëerd of verworven | 428 | 354 | - | 782 |
Financiële activa die zijn uitgeboekt | -142 | -1 395 | - | -1 537 |
Verschillen wisselkoersen | 1 | - | - | 1 |
Saldo per 31 december | 4 825 | 11 758 | - | 16 583 |
4. Aan derde partijen verschuldigde bedragen
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste onderdelen van de aan derde partijen verschuldigde bedragen:
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Netto algemene administratiekosten aan de EIB te betalen | 29 655 | 33 628 |
Andere aan de EIB te betalen bedragen | 39 384 | 1 460 |
Aan de lidstaten verschuldigde, nog niet uitgekeerde rentesubsidies en technische bijstand | 358 789 | 155 839 |
Totaal aan derde partijen verschuldigde bedragen | 427 828 | 190 927 |
4. Overige verplichtingen
De voornaamste onderdelen van overige verplichtingen zijn:
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Voorschotten op terugbetalingen lening | 2 727 | 1 790 |
Uitgestelde baten van rentesubsidies | 611 | 629 |
Totaal overige verplichtingen | 3 338 | 2 419 |
4. Afgeroepen bijdrage lidstaten (x 1 000 EUR)
Lidstaten | Bijdrage aan de faciliteit | Bijdrage aan rentesubsidies en technische bijstand | Totaal bijgedragen | Afgeroepen en niet betaald* |
Oostenrijk | 94 677 | 20 161 | 114 838 | 2 398 |
België | 138 169 | 28 441 | 16 610 | 3 249 |
Bulgarije | 2 660 | 1 361 | 4 021 | 219 |
Kroatië | 1 126 | 969 | 2 095 | 225 |
Cyprus | 1 566 | 750 | 2 316 | 112 |
Tsjechië | 9 697 | 4 961 | 14 658 | 797 |
Denemarken | 77 279 | 16 633 | 93 912 | 1 980 |
Estland | 992 | 521 | 1 513 | 86 |
Finland | 55 115 | 12 364 | 67 479 | 1 509 |
Frankrijk | 818 754 | 159 285 | 978 039 | 17 813 |
Duitsland | 823 467 | 173 107 | 996 574 | 20 580 |
Griekenland | 50 271 | 12 130 | 62 401 | 1 507 |
Hongarije | 9 230 | 4 295 | 13 525 | 615 |
Ierland | 27 921 | 7 387 | 35 308 | 940 |
Italië | 470 233 | 104 875 | 575 108 | 12 530 |
Letland | 1 364 | 709 | 2 073 | 116 |
Litouwen | 2 248 | 1 138 | 3 386 | 181 |
Luxemburg | 10 395 | 2 194 | 12 589 | 255 |
Malta | 526 | 253 | 779 | 38 |
Nederland | 187 913 | 40 256 | 228 169 | 4 777 |
Polen | 24 591 | 12 537 | 37 128 | 2 007 |
Portugal | 39 250 | 9 557 | 48 807 | 1 197 |
Roemenië | 7 734 | 4 200 | 11 934 | 718 |
Slowakije | 4 231 | 2 248 | 6 479 | 376 |
Slovenië | 3 137 | 1 507 | 4 644 | 225 |
Spanje | 250 314 | 63 448 | 313 762 | 7 932 |
Zweden | 102 760 | 23 561 | 126 321 | 2 939 |
Verenigd Koninkrijk | 506 075 | 120 148 | 626 223 | - |
Totaal per 31 december 2023 | 3 721 695 | 828 996 | 4 550 691 | 85 321 |
Totaal per 31 december 2022 | 3 701 695 | 548 996 | 4 250 691 | 85 321 |
* Op 15 november 2023 heeft de Raad het bedrag vastgesteld van de financiële bijdragen die door elke lidstaat uiterlijk op 21 januari 2024 dienen te worden betaald. Per 31 december 2023 was een bedrag van 85,3 miljoen EUR nog niet uitbetaald. |
4. Betaalde bijdragen lidstaten
× 1 000 EUR | Europese Commissie | VK | Totaal | ||
ACS | LGO | Totaal | |||
Betaalde bijdragen lidstaten per 1 januari 2023 | - | - | - | - | - |
Terugvloeiende bedragen m.b.t jaar 2021 | 251 000 | 7 000 | 258 000 | 44 386 | 302 386 |
Terugvloeiende bedragen m.b.t jaar 2022 | 236 883 | 6 732 | 243 615 | 41 912 | 285 527 |
Betaalde bijdragen lidstaten per 31 december 2023 | 487 883 | 13 732 | 501 615 | 86 298 | 587 913 |
Volgens de overdrachtsovereenkomst draagt de faciliteit vanaf het jaar 2023 en tot en met 31 december 2027 jaarlijks het bedrag aan beschikbare gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit en het bedrag aan beschikbare gelden die terugvloeien in het kader van de LGO-associatie over aan de Europese Commissie. De indicatieve bedragen van de beschikbare gelden die terugvloeien in het kader van de ACS-investeringsfaciliteit en de beschikbare gelden die terugvloeien in het kader van de LGO-associatie zijn
respectievelijk 1 000 miljoen EUR en 35 miljoen EUR. Daarnaast draagt de faciliteit de met het aandeel van het VK in deze beschikbare terugvloeiende gelden overeenkomende bedragen over aan het VK. De bovenstaande tabel geeft een overzicht van de reeds uitbetaalde terugvloeiende gelden.
4. Vastleggingen en voorwaardelijke verplichtingen
× 1 000 EUR | 31.12.2023 | 31.12.2022 |
Vastleggingen | ||
Niet-uitgekeerde leningen | 883 092 | 1 671 851 |
Niet-uitbetaalde vastleggingen met betrekking tot aandelen en andere effecten met variabele rente | 297 534 | 411 172 |
Verstrekte garanties | 985 | - |
Rentesubsidies en technische bijstand | 422 758 | 441 630 |
Voorwaardelijke verplichtingen | ||
Getekende niet-verstrekte garanties | 46 764 | 49 378 |
Totaal vastleggingen en voorwaardelijke verplichtingen | 1 651 133 | 2 574 031 |
4. Rente en soortgelijke baten en lasten
De voornaamste onderdelen van rente en soortgelijke baten zijn als volgt:
× 1 000 EUR | Vanaf 1.1.2023 | Vanaf 1.1.2022 |
t/m 31.12.2023 | t/m 31.12.2022 | |
Geldmiddelen en kasequivalenten | 36 668 | 1 999 |
Leningen en voorschotten | 95 137 | 82 162 |
Rentesubsidies | 10 029 | 9 625 |
Thesauriemiddelen | 3 584 | - |
Afgeleide financiële instrumenten | 2 918 | - |
Totale rente en soortgelijke baten | 148 336 | 93 786 |
De voornaamste onderdelen van rente en soortgelijke uitgaven zijn als volgt: | ||
× 1 000 EUR | Vanaf 1.1. 2023 | Vanaf 1.1. 2022 |
t/m 31.12.2023 | t/m 31.12.2022 | |
Afgeleide financiële instrumenten | - | -5 080 |
Thesauriemiddelen | - | -399 |
Totale rente en soortgelijke uitgaven | - | -5 479 |
4. Baten en lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies
De voornaamste onderdelen van baten uit hoofde van vergoedingen en provisies zijn als volgt:
× 1 000 EUR | Vanaf 1.1.2023 | Vanaf 1.1.2022 |
t/m 31.12.2023 | t/m 31.12.2022 | |
Vergoedingen en provisies op leningen en voorschotten | 1 | 42 |
Vergoedingen en provisies op financiële garanties | 24 | 469 |
Totaal baten uit hoofde van vergoedingen en provisies | 25 | 511 |
De voornaamste onderdelen van lasten uit hoofde van vergoedingen en provisies zijn als volgt: | ||
× 1 000 EUR | Vanaf 1.1.2023 | Vanaf 1.1.2022 |
t/m 31.12.2023 | t/m 31.12.2022 | |
Provisies betaald aan derden met betrekking tot aandelen en andere effecten met variabele rente | -62 | -761 |
Totaal uitgaven uit hoofde van vergoedingen en provisies | -62 | -761 |
4. Nettoresultaat op aandelen en andere effecten met variabele rente
De voornaamste onderdelen van het nettoresultaat op aandelen en andere effecten met variabele rente zijn:
× 1 000 EUR | Vanaf 1.1.2023 | Vanaf 1.1.2022 |
t/m 31.12.2023 | t/m 31.12.2022 | |
Netto-opbrengsten | 130 | 35 |
Baten uit dividenden | 6 555 | 15 225 |
Nettoverandering in de reële waarde | -15 142 | 9 172 |
Nettoresultaat op aandelen en andere effecten met variabele rente | -8 457 | 24 432 |
4. Nettowisselkoersresultaat
De belangrijkste onderdelen van de aan derde partijen verschuldigde bedragen zijn de volgende:
× 1 000 EUR | Van 1.1.2023 tot 31.12.2023 | Van 1.1.2022 tot 31.12.2022 |
Herwaardering FX-posities | ||
Geldmiddelen en kasequivalenten | -123 | 6 687 |
Afgeleide financiële instrumenten | 86 071 | -194 033 |
Leningen en voorschotten | -89 458 | 50 951 |
Aandelen en andere effecten met variabele rente | -30 026 | 25 464 |
Overige | 3 479 | -934 |
Totaal herwaardering FX-posities | -30 057 | -111 865 |
Gerealiseerde resultaten van FX-swaps (afdekkingskosten) | -37 828 | -28 239 |
Nettowisselkoersresultaat | -67 885 | -140 104 |
4. Algemene beheerskosten
De algemene beheerskosten zijn de werkelijke kosten die door de EIB worden gemaakt bij het beheer van de faciliteit minus de baten uit standaardtaxatievergoedingen die direct door de EIB aan de cliënten van de faciliteit in rekening worden gebracht.
Per 31 december 2023 bedroeg het totaal van de algemeen beheerskosten -29,7 miljard EUR (31 december 2022: -33,6 miljoen EUR).
4. Betrokkenheid bij niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten (x 1 000 EUR)
Definitie van een gestructureerde entiteit
Een gestructureerde entiteit is zodanig opgezet dat stemrechten of vergelijkbare rechten niet de dominante factor zijn bij het uitmaken wie zeggenschap over de entiteit uitoefent. Volgens IFRS 12 heeft een gestructureerde entiteit veelal sommige of alle volgende kenmerken of eigenschappen:
- beperkte activiteiten;
- een beperkte en duidelijk omlijnde doelstelling, zoals het uitvoeren van een fiscaal interessante lease, het verrichten van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, het verstrekken aan een entiteit van een bron van kapitaal of financiering, of het bieden van investeringsmogelijkheden aan investeerders door aan de activa van de gestructureerde entiteit verbonden risico’s en voordelen aan investeerders over te dragen;
- ontoereikend eigen vermogen om de gestructureerde entiteit in staat te stellen haar activiteiten te financieren zonder achtergestelde financiële steun;
- financiering in de vorm van diverse contractueel verbonden instrumenten ten behoeve van investeerders welke tot kredietconcentraties of andere risico’s aanleiding geven (tranches).
Niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten
Met “niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten” wordt verwezen naar alle gestructureerde entiteiten die niet door de faciliteit worden gecontroleerd. Hieronder vallen onder meer belangen in gestructureerde entiteiten die niet geconsolideerd zijn.
Definitie van belangen in gestructureerde entiteiten
In IFRS 12 wordt “belang” breed gedefinieerd als een contractuele of niet-contractuele betrokkenheid die de verslaggevende entiteit blootstelt aan veranderlijkheid van opbrengsten uit de prestaties van de andere entiteit. Voorbeelden van dergelijke belangen zijn onder meer het aanhouden van deelnemingen en andere vormen van betrokkenheid, zoals het verstrekken van financiering, liquiditeitssteun, kredietverbetering, verbintenissen en garanties aan de andere entiteit. IFRS 12 bepaalt dat een entiteit niet noodzakelijkerwijze een belang heeft in een andere entiteit enkel en alleen omdat er een typische klanten-leveranciersrelatie bestaat.
In de onderstaande tabel worden de typen gestructureerde entiteiten vermeld die door de faciliteit niet zijn geconsolideerd, maar waarin zij een belang heeft.
Type gestructureerde entiteit | Aard en oogmerk | Door de faciliteit aangehouden belang |
Projectfinanciering — leningen aan voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten (Special Purposes Vehicles, “SPV”) | Projectfinancieringstransacties zijn transacties waarbij de faciliteit voor haar schuldaflossing een beroep doet op een kredietnemer wiens enige of belangrijkste inkomstenbron tot stand komt door een activum of een beperkt aantal activa die met een dergelijke schuld worden gefinancierd of andere reeds bestaande activa die contractueel aan het project zijn gerelateerd. Projectfinancieringstransacties worden vaak gefinancierd met SPV. | Netto uitgekeerde bedragen; Rentebaten. |
Durfkapitaaltransacties | De faciliteit financiert durfkapitaal en beleggingsfondsen. Durfkapitaal en beleggingsfondsen voorzien in het samenvoegen en beheren van middelen van investeerders die op zoek zijn naar deelnemingen in kleine en middelgrote ondernemingen met sterk groeipotentieel en die infrastructuurprojecten willen financieren. | Investeringen in participaties/aandelen die zijn uitgegeven door de durfkapitaalentiteit; Dividenden ontvangen als baten uit dividenden. |
De boekwaarden van de niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten waarin de faciliteit een belang heeft op de verslagleggingsdatum, alsook de maximale blootstelling van de faciliteit aan verlies met betrekking tot deze entiteiten zijn opgenomen in de onderstaande tabel. De maximale blootstelling aan verlies omvat de boekwaarde en de hieraan gerelateerde niet-uitbetaalde vastleggingen.
31.12.2023 | 31.12.2022 | ||||
Type gestructureerde entiteit | Bijschrift | Boekwaarde | Maximale blootstelling aan verlies | Boekwaarde | Maximale blootstelling aan verlies |
Durfkapitaalfondsen | Aandelen en andere effecten met variabele rente | 693 042 | 725 781 | 684 564 | 1 091 122 |
Totaal | 693 042 | 725 781 | 684 564 | 1 091 122 | |
De faciliteit verleent geen steun aan gestructureerde entiteiten die verder gaat dan de respectieve financiering. |
4. Impactfinancieringsenveloppe (× 1 000 EUR)
In juni 2013 heeft de gezamenlijke ACS-EU ministerraad het nieuwe financiële protocol voor het 11e EOF goedgekeurd, dat betrekking heeft op de periode 2014-2020.
Een nieuw dotatiekapitaal ten belope van 500 miljoen EUR werd goedgekeurd voor de investeringsfaciliteit, de zogenaamde “impactfinancieringsenveloppe” (hierna “IFE” genoemd), die de faciliteit in staat moet stellen projecten met een bijzonder veelbelovend ontwikkelingspotentieel te ondersteunen en de grotere risico’s waarmee dergelijke investeringen gepaard gaan op zich te nemen. De enveloppe biedt nieuwe mogelijkheden voor de versterking van de kredietverlening van de faciliteit aan de particuliere sector via investeringen in de volgende instrumenten:
Sociale impact equity-fondsen — worden gepromoot door een opkomende groep beheerders van private equity-fondsen voor wie de verlichting van sociale of ecologische problemen de kern uitmaakt van de investeringsstrategie van hun fondsen, maar die eveneens nog streven naar houdbaarheid op niveau van het fonds alsook de vennootschappen waarin is belegd.
Leningen aan financiële intermediairs — (bv. microfinancieringsinstellingen, lokale banken en kredietcoöperaties) die in ACS-landen actief zijn waarin de EIB geen financiering kan overwegen — in het bijzonder in lokale valuta — onder de bestaande richtsnoeren voor kredietrisico, bv. wegens aanzienlijke landenrisico’s, valutavolatiliteit of een gebrek aan benchmarks voor prijsstelling. De belangrijkste doelstelling van dergelijke leningen is het financieren van projecten met een significant ontwikkelingspotentieel, in het bijzonder op het vlak van steun aan micro- en kleine ondernemingen en landbouw, die doorgaans niet in aanmerking komen voor financiering uit de faciliteit.
Risicodelingsinstrumenten — in de vorm van garanties voor eerste verliezen die risicodelingsoperaties van de EIB met lokale financiële intermediairs (hoofdzakelijk commerciële banken) zullen bevorderen ten voordele van onderbediende kmo’s en kleinschalige projecten die voldoen aan de impactfinancieringscriteria in situaties waar een marktfalen is vastgesteld met betrekking tot de toegang tot financiering voor kmo’s/kleinschalige projecten. Deze garanties voor eerste verliezen zouden worden gestructureerd als een tegengarantie ten voordele van door de EIB — in het kader van de Investeringsfaciliteit — en door andere internationale financiële instellingen/instellingen voor ontwikkelingsfinanciering gefinancierde tranches met een waarborg van hogere rang, waardoor een aanzienlijk hefboomeffect tot stand zou komen.
Directe financiering — door middel van schuld (leningen) — of eigenvermogeninstrumenten in projecten met solide en ervaren initiatiefnemers en aanzienlijk ontwikkelingspotentieel, maar met ook hogere te verwachten verliezen en moeilijkheden om de investering terug te krijgen (aandelenrisico met hogere verliesverwachtingen dan gebruikelijk). De EIB past strikte selectie- en subsidiabiliteitscriteria voor dit instrument toe, aangezien deze projecten, niettegenstaande hun aanzienlijk ontwikkelingspotentieel, niet in staat zouden zijn te voldoen aan aanvaardbare financieringscriteria (bv. lage verwachting inzake het terugkrijgen van de investering of het compenseren van verliezen door rente/vermogensrendement).
De IFE maakt het ook mogelijk om te diversifiëren in nieuwe sectoren, zoals gezondheidszorg en onderwijs, landbouw en voedselzekerheid, en nieuwe en innovatieve risicodelingsinstrumenten te ontwikkelen. In 2016 werd de financieringscapaciteit van de IFE verhoogd tot 800 miljoen EUR door de IFE gedeeltelijk revolverend te maken.
Vanuit financieel en boekhoudkundig oogpunt is de IFE een onderdeel van de portfolio van de faciliteit en maakt zij deel uit van de overkoepelende jaarrekening van de faciliteit.
25 Impactfinancieringsenveloppe (× 1 000 EUR) (vervolg)
In de onderstaande tabel zijn de boekwaarden en de vastgelegde, maar niet-uitgekeerde bedragen opgenomen, per soort activa:
Soort IFE-investering: | Bijschrift | Waardering | Brutoboekwaarde per 31.12.2023 | Voorziening voor verliezen/reële waarde aangepast bedrag per 31.12.2023 | Boekwaarde per 31.12.2023 | Niet uitbetaald bedrag per 31.12.2023 | Posten buiten de balanstelling te verwachten kredietverliezen aangepast bedrag per 31.12.2023 |
Leningen aan financiële intermediairs | Leningen en voorschotten | Geamortiseerde kostprijs | 73 423 | -1 522 | 71 901 | 7 749 | -334 |
Geamortiseerde kostprijs | Leningen en voorschotten | Tegen reële waarde met verwerking van waarde-veranderingen in winst of verlies | 152 155 | -58 759 | 93 396 | 68 288 | - |
Sociale impact equity-fondsen | Aandelen en andere effecten met variabele rente | Tegen reële waarde met verwerking van waarde-veranderingen in winst of verlies | 110 572 | 9 936 | 120 508 | 58 572 | - |
Directe deelnemingen in het aandelenkapitaal | Aandelen en andere effecten met variabele rente | Tegen reële waarde met verwerking van waarde-veranderingen in winst of verlies | 58 889 | 41 490 | 100 379 | 14 | - |
Risicodelingsinstrumenten | Verstrekte garanties | Benadering gebaseerd op de hoogste waarde* | - | - | - | 44 264 | - |
Totaal | 395 039 | -8 855 | 386 184 | 178 887 | -334 | ||
* Zie voor meer informatie Waardering na eerste opname van toelichting 2.4.3. | |||||||
Soort IFE-investering: | Bijschrift | Waardering | Brutoboekwaarde per 31.12.2022 | Voorziening voor verliezen/reële waarde aangepast bedrag per 31.12.2022 | Boekwaarde per 31.12.2022 | Niet uitbetaald bedrag per 31.12.2022 | Posten buiten de balanstelling te verwachten kredietverliezen aangepast bedrag per 31.12.2022 |
Leningen aan financiële intermediairs | Leningen en voorschotten | Geamortiseerde kostprijs | 79 778 | -3 454 | 76 324 | 64 345 | -632 |
Geamortiseerde kostprijs | Leningen en voorschotten | Tegen reële waarde met verwerking van waarde-veranderingen in winst of verlies | 104 709 | -45 224 | 59 485 | 67 215 | - |
Sociale impact equity-fondsen | Aandelen en andere effecten met variabele rente | Tegen reële waarde met verwerking van waarde-veranderingen in winst of verlies | 94 385 | 23 802 | 118 187 | 79 393 | - |
Directe deelnemingen in het aandelenkapitaal | Aandelen en andere effecten met variabele rente | Tegen reële waarde met verwerking van waarde-veranderingen in winst of verlies | 59 429 | 26 939 | 86 368 | 14 | - |
Risicodelingsinstrumenten | Verstrekte garanties | Benadering gebaseerd op de hoogste waarde* | - | - | - | 46 878 | - |
Totaal | 338 301 | 2 063 | 340 364 | 257 845 | -632 | ||
* Zie voor meer informatie Waardering na eerste opname van toelichting 2.4.3. | |||||||
De EIB past de risicobeginselen voor een algemeen mandaat toe op de directe leningactiviteiten van de IFE (met uitzondering van leningen aan financiële intermediairs), zoals voorzien in de richtsnoeren voor krediet- of aandelenrisico van de EIB, en om het risico in verband met de directe leningactiviteiten van de IFE te monitoren en te rapporteren op basis van hun reële waarde. Volgens de methode voert de EIB een kwalitatieve risicobeoordeling (QRA) uit die tot doel heeft om de deugdelijkheid van de beweegredenen voor de investering en de plausibele commerciële levensvatbaarheid van dergelijke activiteiten te beoordelen. |
4. Informatieverschaffing over verbonden partijen
In het kader van IAS 24 is de EIB aangewezen als een verbonden partij, aangezien de EIB van de EU-lidstaten het mandaat heeft gekregen om de faciliteit te beheren in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke rechtskader, met inbegrip van het toezicht op haar verrichtingen tot aan de volledige terugbetaling, en het verlenen van diensten aan het management op sleutelposities (EIB-directiecomité en EIB-auditcomité). In dit verband heeft de EIB het recht om de werkelijke kosten die door de EIB worden gemaakt bij het beheer van de faciliteit, minus de baten uit standaard taxatievergoedingen die direct door de EIB aan de cliënten van de faciliteit in rekening worden gebracht, terug te vorderen. Voor nadere details over de vergoeding, zie toelichting 23.
4. Latere gebeurtenissen
Na de balansdatum zijn er geen gebeurtenissen van materieel belang geweest die aanpassing of vermelding in de financiële overzichten per 31 december 2023 zouden vereisen.
In de context van de Russische invasie in Oekraïne en de bredere economische gevolgen daarvan blijft de bank de situatie nauwlettend volgen, met name in het kader van de daaropvolgende evaluatieprocedure.
1 PB L 83 van 1.4.2003, blz. 27.
2 Overeenkomstig artikel 53 van het Financieel Reglement dat van toepassing is op het 11e EOF is de kas opgenomen in de balans van het 11e EOF. De kenmerken van de verschillende bankrekeningen worden toegelicht in hoofdstuk 5, Financieel risicobeheer.
3 Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie.
4 Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323.
5 Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie.
6 Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad van 26 november 2018 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, en tot intrekking van Verordening (EU) 2015/323.
7 Verordening (EU) 2018/1877 van de Raad.
8 Behalve voor operaties in Zuid-Sudan.
9 1 402,57 miljoen EUR in het kader van de overbruggingsfaciliteit (Besluit 2015/0246 van de Raad), 200 miljoen EUR (Besluit 2017/1206 van de Raad), 223 miljoen EUR (Besluit 2020/1708 van de Raad), 43 miljoen EUR (Besluit 2021/1941 van de Raad) en 42,5 miljoen EUR (Besluit 2022/2242 van de Raad).
10 Besluit (EU) 2023/2586 van de Raad van 13 november 2023.
11 Brutobedragen (d.w.z. exclusief vrijmakingen en invorderingsopdrachten).
Weging van de bedragen in de kolommen “vastgelegd”, “contractueel vastgelegd” en “betaald” in functie van de kleur.
12 Het afwikkelingsrisico wordt gedefinieerd als het risico van potentiële verliezen als gevolg van transacties die na de overeengekomen leveringsdatum nog niet zijn afgewikkeld en/of als gevolg van transacties die later dan de geldende handelsnorm worden afgewikkeld. Gezien de aard van de activiteiten van de faciliteit zijn de meest relevante instrumenten waarop het afwikkelingsrisico van invloed is, de derivaten die door de bank zijn aangegaan en die een omwisseling van vreemde valuta’s impliceren. Het beheer van afwikkelingsrisico’s wordt geregeld in de richtsnoeren voor financiële risico’s.
13 Voor leningen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (FVTPL), zie toelichting 7.
NL NL