Artikelen bij COM(2025)100 - Niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2025)100 - Niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed. |
---|---|
document | COM(2025)100 |
datum | 11 maart 2025 |
Artikel 1
Onderwerp
Deze verordening stelt een gemeenschappelijk kader vast voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) “niet-financiële statistieken”: statistische gegevens die betrekking hebben op niet-financiële activa volgens de classificatie van bijlage A, hoofdstuk 7, punt 7.20, bij Verordening (EU) nr. 549/2013(11).
2) “zakelijk onroerend goed”: elk voor bewoning bestemd onroerend goed dat wordt verworven door of eigendom is van een rechtspersoon, en elk niet voor bewoning bestemd onroerend goed dat wordt verworven door of eigendom is van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, en omvat:
a) inkomstengenererend onroerend goed, hetzij bestaand of in aanbouw, met inbegrip van huurwoningen;
b) niet voor bewoning bestemd onroerend goed, hetzij bestaand of in aanbouw, dat door de eigenaars wordt gebruikt voor de uitoefening van hun bedrijf, doel of activiteit;
c) sociale huisvesting.
3) “rechtspersoon”: een rechtspersoon in de zin van de indeling van deel II, punt A, van de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad (12);
4) “onroerend goed”: een gebouw samen met het terrein waarop het is gelegen;
5) “voor bewoning bestemd onroerend goed”: een onroerend goed dat is bestemd en wordt gebruikt voor bewoning;
6) “niet voor bewoning bestemd onroerend goed”: onroerend goed dat is bestemd en wordt gebruikt voor andere doeleinden dan bewoning;
7) “inkomstengenererend onroerend goed”: onroerend goed dat inkomsten genereert door huur of winst uit de verkoop ervan;
8) “inkomstengenererend onroerend goed in aanbouw”: al het onroerend goed in aanbouw dat na voltooiing voor zijn eigenaar inkomsten moet opleveren in de vorm van huur of winst uit zijn verkoop; dit omvat niet de sloop van gebouwen of grond die met het oog op mogelijke toekomstige ontwikkeling vrijgemaakt wordt;
9) “huurwoningen”: elk voor bewoning bestemd onroerend goed dat wordt verworven door of eigendom is van een rechtspersoon met als hoofddoel verhuur;
10) “sociale huisvesting”: elk voor bewoning bestemd onroerend goed dat wordt verworven door, eigendom is van, of wordt beheerd door een rechtspersoon met als hoofddoel verhuur aan huurders – met name kansarme personen of sociaal achtergestelde groepen – tegen huurprijzen die lager liggen dan de marktprijzen, overeenkomstig specifieke regels in plaats van marktmechanismen.
Artikel 3
Gegevensbronnen en methoden
Voor de productie van de krachtens deze verordening vereiste statistieken trachten de lidstaten zoveel mogelijk gebruik te maken van administratieve gegevens om de responslast te verminderen.
Wanneer het niet mogelijk is met administratieve gegevens statistieken te produceren die voldoen aan de kwaliteitseisen van artikel 6 van deze verordening, kunnen de lidstaten daarnaast andere relevante gegevensbronnen gebruiken, waaronder enquêtes en gegevens van particuliere gegevenshouders, alsook wetenschappelijk onderbouwde, goed gedocumenteerde en openbaar toegankelijke methoden of innovatieve benaderingen, waarbij buitensporige lasten voor respondenten moeten worden vermeden.
Artikel 4
Toegang tot gegevens
1. De informatie die nodig is om niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed op te stellen, wordt verkregen van statistische eenheden als vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 696/93 van de Raad, van houders van administratieve bestanden, van particuliere gegevenshouders of van andere bronnen, mits de resultaten voldoen aan de kwaliteitscriteria van artikel 6 van deze verordening.
2. De statistische eenheden die informatie over zakelijk onroerend goed verstrekken, werken samen bij het verzamelen of verstrekken van informatie, indien vereist. De statistische eenheden verstrekken tijdige, nauwkeurige en volledige informatie die nodig is voor de productie van de in deze verordening bedoelde statistieken. De statistische eenheden verstrekken deze informatie aan de nationale statistische diensten die belast zijn met de opstelling van niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed.
3. Op verzoek van de nationale statistische diensten die belast zijn met het opstellen van niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed verstrekken de statistische eenheden – voor zover beschikbaar – elektronische transactiegegevens met het niveau van gedetailleerdheid dat nodig is voor de opstelling van niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed.
4. De nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale statistische diensten krijgen kosteloos toegang tot gegevens en de relevante metagegevens van administratieve gegevensbronnen, databanken, interoperabiliteitssystemen of alle relevante en noodzakelijke gegevens, en wel tijdig en met voldoende frequentie en granulariteit, met het oog op de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken over niet-financieel zakelijk onroerend goed, overeenkomstig artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009. De toegang tot dergelijke gegevens en metagegevens voor de nationale statistische diensten die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed, moet beperkt blijven tot administratieve bestanden binnen hun eigen openbare administratieve systeem.
5. Een nationaal bureau voor de statistiek of de Commissie (Eurostat) kan een particuliere gegevenshouder verzoeken gegevens en de relevante metagegevens kosteloos beschikbaar te stellen, indien de gevraagde gegevens strikt noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken over commercieel onroerend goed en niet op andere wijze kunnen worden verkregen, of indien het hergebruik ervan zal leiden tot een aanzienlijke vermindering van de responslast voor gegevenshouders en andere bedrijven, overeenkomstig artikel 17 ter van Verordening (EG) nr. 223/2009.
Artikel 5
Gegevensvereisten
1. Niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed hebben betrekking op de variabelen in de bijlage.
2. De lidstaten verzamelen gegevens die relevant zijn voor elke in lid 1 bedoelde variabele en dienen deze in bij de Commissie (Eurostat).
3. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 9 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijst van gedetailleerde onderwerpen in de bijlage te wijzigen.
4. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de volgende elementen van de in te dienen gegevens en de technische definities en vereenvoudigingen daarvan specificeren:
a) meeteenheid;
b) statistische populatie;
c) indelingen en uitsplitsingen;
d) de samenstelling van het indexcijfer;
e) gebruik van benaderingen en kwaliteitseisen;
f) referentieperiode;
g) termijn voor de toezending van gegevens;
h) eerste referentieperiode.
5. Wat vereenvoudigingen betreft, houdt de Commissie bij de uitoefening van de bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast te stellen op grond van lid 4 rekening met de omvang van de markten voor zakelijk onroerend goed, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel.
6. De in lid 4 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 10 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 6
Kwaliteitsvereisten en kwaliteitsrapportage
1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om de kwaliteit van de niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed en de bijbehorende metagegevens te waarborgen.
2. Voor de toepassing van deze verordening gelden de kwaliteitscriteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 223/2009.
3. De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de door de lidstaten ingediende gegevens en metagegevens.
4. De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) de volgende informatie:
a) jaarlijkse referentiemetagegevens en kwaliteitsverslagen;
b) jaarlijks bijgewerkte inventarissen met details over de gegevensbronnen, definities en gebruikte methoden.
5. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot nadere bepaling van de praktische regelingen voor de indiening van de gegevens, voor de inhoud van en de termijnen voor de indiening van de referentiemetagegevens en kwaliteitsverslagen, alsmede voor de indiening van de in lid 4 bedoelde inventarissen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 10, bedoelde onderzoeksprocedure.
6. De lidstaten stellen de Commissie (Eurostat) in kennis van elke informatie of wijziging in verband met de uitvoering van deze verordening die van invloed kan zijn op de kwaliteit van de ingediende gegevens.
7. Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de Commissie (Eurostat) verstrekken de lidstaten alle aanvullende informatie die nodig is om de kwaliteit van de gegevens en metagegevens te beoordelen.
Artikel 7
Proefstudies
1. Wanneer de Commissie (Eurostat) vaststelt dat er behoefte is aan belangrijke nieuwe gegevensvereisten of verbeteringen in de gegevens die onder deze verordening vallen, kan zij proefstudies starten die door de lidstaten op vrijwillige basis worden verricht voordat nieuwe gegevens worden verzameld.
2. De in lid 1 bedoelde proefstudies worden verricht om te beoordelen of het relevantie en haalbaar is om te voldoen aan de nieuwe gegevensvereisten of verbeteringen. De Commissie doet, in voorkomend geval en rekening houdend met de resultaten van de proefstudies, voorstellen voor de invoering van nieuwe gegevensvereisten.
3. De lidstaten zorgen er samen met de Commissie (Eurostat) voor dat die studies representatief zijn op het niveau van de Unie.
Artikel 8
Financiering
1. Voor de uitvoering van deze verordening kan een financiële bijdrage uit de algemene begroting van de Unie worden verstrekt aan de nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale autoriteiten als bedoeld in de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009 bedoelde lijst, ter dekking van de kosten van de volgende activiteiten:
a) de ontwikkeling van de op grond van deze verordening vereiste niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed;
b) de ontwikkeling van methoden die erop gericht zijn de kwaliteit van niet-financiële statistieken over zakelijk onroerend goed te verbeteren;
c) de ontwikkeling van methoden voor het verlichten van de administratieve en financiële lasten van het verstrekken van de vereiste informatie door de rapportage-eenheden, met name kleine en middelgrote ondernemingen;
d) deelname aan de in artikel 7 bedoelde proefstudies;
e) de ontwikkeling of verbetering van processen, software en vergelijkbare ondersteunende functies met als doel statistieken van hogere kwaliteit te produceren of de administratieve en financiële lasten te verlagen.
2. Het bedrag van de in lid 1 bedoelde financiële bijdrage van de Unie wordt vastgesteld overeenkomstig de regels van het desbetreffende financieringsprogramma, afhankelijk van de beschikbaarheid van financiering, met name overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad13.
Artikel 9
Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheid om de gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de in dat besluit genoemde bevoegdheidsdelegatie. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 5, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 10
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het Europees statistisch systeem. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 (14).
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 11
Afwijkingen
1. Wanneer voor de toepassing van deze verordening of van de op grond daarvan vastgestelde uitvoeringsmaatregelen en gedelegeerde handelingen ingrijpende aanpassingen van een nationaal statistisch systeem van een lidstaat noodzakelijk zijn, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij aan de desbetreffende lidstaat afwijkingen worden toegestaan voor een maximale duur van drie jaar.
2. De betrokken lidstaat dient binnen drie maanden na de datum van inwerkingtreding van de handeling ten aanzien waarvan om de afwijking wordt verzocht, bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek in om een afwijking overeenkomstig lid 1.
3. Het effect van in lid 1 bedoelde afwijkingen op de vergelijkbaarheid van de gegevens van de lidstaten of op de berekening van de vereiste tijdige en representatieve Europese aggregaten moet tot een minimum worden beperkt. De Commissie houdt bij het verlenen van afwijkingen rekening met de lasten voor de respondenten.
4. De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 10 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 12
Wijziging van Verordening (EU) 2019/2152
Verordening (EU) 2019/2152 wordt als volgt gewijzigd:
a) Artikel 6, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:
i) punt l) wordt vervangen door: “l) O&O-inputs”;
ii) punt m) wordt geschrapt;
b) in bijlage I, tabel “Domein 1. Kortetermijnbedrijfsstatistieken”, wordt de laatste rij geschrapt;
c) in bijlage II, tabel “Domein 1. Kortetermijnbedrijfsstatistieken” wordt de laatste rij geschrapt.
Artikel 13
1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2026.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.