Toelichting bij COM(2023)228 - Wijziging van Richtlijn 2014/49/EU betreffende de omvang van depositobescherming, het gebruik van de middelen van depositogarantiestelsels, grensoverschrijdende samenwerking en transparantie

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

De voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 2014/49/EU 1 (de richtlijn depositogarantiestelsels of DGSD) maken deel uit van het wetgevingspakket inzake crisisbeheer en depositoverzekeringen (CMDI), dat ook wijzigingen omvat van Richtlijn 2014/59/EU 2 (de richtlijn herstel en afwikkeling van banken of BRRD) en Verordening (EU) nr. 806/2014 3 (de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme of SRMR).

Het kader voor crisisbeheer van de EU heeft zich voldoende bewezen, maar eerdere gevallen van bankfalen hebben aangetoond dat er behoefte is aan verbetering. Het doel van de CMDI-hervorming is voort te bouwen op de doelstellingen van het kader crisisbeheer en te zorgen voor een consequentere aanpak van de afwikkeling, zodat elke noodlijdende bank op een ordelijke manier de markt kan verlaten, terwijl tegelijkertijd de financiële stabiliteit, het behoud van het geld van belastingbetalers en het vertrouwen van deposanten worden gewaarborgd. Met name het bestaande afwikkelingskader voor kleine en middelgrote banken moet worden versterkt wat betreft het ontwerp, de uitvoering en, nog belangrijker, de stimulansen voor de toepassing ervan, zodat het geloofwaardiger kan worden toegepast op die banken. Bovendien moet het kader voor deposantenbescherming worden verbeterd om te zorgen voor een samenhangende toepassing van de regels en een beter gelijk speelveld, terwijl tegelijkertijd de financiële stabiliteit wordt beschermd, het vertrouwen van deposanten wordt vergroot en besmetting wordt voorkomen.

Achtergrond van het voorstel

In de nasleep van de wereldwijde financiële en staatsschuldencrises heeft de EU, in overeenstemming met internationale oproepen tot hervormingen, resolute maatregelen genomen om een veiligere financiële sector te creëren voor de interne markt van de EU. Deze maatregelen omvatten het beschikbaar stellen van instrumenten en bevoegdheden om bankfalen op een ordelijke manier aan te pakken, met behoud van financiële stabiliteit, en bescherming van de overheidsfinanciën en deposanten. De bankenunie werd opgericht in 2014 en bestaat momenteel uit twee pijlers: een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) en een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM). De bankenunie is echter nog steeds onvolledig en haar derde pijler ontbreekt: een Europees depositoverzekeringsstelsel (EDIS) 4 . Het voorstel van de Commissie, aangenomen op 24 november 2015, inzake de oprichting van EDIS 5 , is nog steeds in behandeling.

De bankenunie wordt ondersteund door één rulebook dat, wat het CMDI betreft, bestaat uit drie rechtshandelingen van de EU die in 2014 zijn vastgesteld: de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD), de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (SRMR) en de richtlijn depositogarantiestelsels (DGSD). De richtlijn herstel en afwikkeling van banken definieert de bevoegdheden, regels en procedures voor het herstel en de afwikkeling van banken, met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerkingsregelingen om grensoverschrijdend bankfalen aan te pakken. Bij de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme zijn de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) en het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds (GAF) opgericht en worden de bevoegdheden, regels en procedures gedefinieerd voor de afwikkeling van entiteiten die zijn gevestigd in de bankenunie, in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme. In de richtlijn depositogarantiestelsels wordt de bescherming van deposanten geborgd en worden de regels vastgesteld voor het gebruik van DGS-middelen. De richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de richtlijn depositogarantiestelsels zijn van toepassing in alle lidstaten, terwijl de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme van toepassing is in de lidstaten die deelnemen aan de bankenunie.

Het bankenpakket van 2019, ook bekend als het “pakket risicoverminderende maatregelen”, omvat herzieningen van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken, de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de verordening kapitaalvereisten 6 en de richtlijn kapitaalvereisten (CRD) 7 . Deze herzieningen omvatten maatregelen om te voldoen aan de toezeggingen van de EU die in internationale fora 8 zijn gedaan en betekenden verdere stappen in de richting van de voltooiing van de bankenunie door geloofwaardige risicoverminderende maatregelen te bieden om bedreigingen voor de financiële stabiliteit te beperken.

In november 2020 heeft de Eurogroep overeenstemming bereikt over de oprichting en vervroegde invoering van een gemeenschappelijk achtervangmechanisme voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds door het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) 9 .

De hervorming inzake crisisbeheer en depositoverzekeringen (CMDI) en de bredere implicaties voor de bankenunie

Samen met de CMDI-hervormingen zou een volledige bankenunie, met inbegrip van de derde pijler, EDIS, huishoudens en bedrijven in de EU een hoger niveau van financiële bescherming en zekerheid bieden, het vertrouwen vergroten en de financiële stabiliteit versterken, wat noodzakelijke voorwaarden zijn voor groei, welvaart en veerkracht in de Economische en Monetaire Unie en in de EU in het algemeen. De kapitaalmarktenunie vormt een aanvulling op de bankenunie, aangezien beide initiatieven essentieel zijn om de dubbele transities (digitaal en groen) te financieren, de internationale rol van de euro te intensiveren en de open strategische autonomie en het concurrentievermogen van de EU in een veranderende wereld te versterken, met name gezien de huidige uitdaging op economisch en geopolitiek vlak 10 , 11 .

In juni 2022 ging de Eurogroep niet akkoord met een uitgebreider werkplan om de bankenunie te voltooien door EDIS erbij te betrekken. In plaats daarvan nodigde de Eurogroep de Commissie uit om meer gerichte wetgevingsvoorstellen in te dienen voor de hervorming van het EU-kader voor crisisbeheer bij banken en nationale depositoverzekeringen 12 .

Tegelijkertijd benadrukte het Europees Parlement in zijn jaarverslag 2021 over de bankenunie 13 ook hoe belangrijk het is om de bankenunie te voltooien met de oprichting van EDIS, en steunde het de Commissie bij het indienen van een wetgevingsvoorstel over de CMDI-herzieningen. Hoewel EDIS niet expliciet door de Eurogroep werd ondersteund, zou het voor robuustere CMDI-hervormingen zorgen en synergieën en efficiëntiewinsten opleveren voor de sector. Een dergelijk wetgevingspakket zou deel uitmaken van de agenda voor de voltooiing van de bankenunie, zoals benadrukt in de politieke richtsnoeren van voorzitter Von der Leyen, waarin ook werd gewezen op het belang van EDIS, en waar ook regelmatig door leiders aandacht voor wordt gevraagd 14 .

1.

De doelstellingen van de richtlijn depositogarantiestelsels (DGSD)


Bij de richtlijn depositogarantiestelsels werden de depositobeschermingsmechanismen in de hele EU geharmoniseerd. Depositobescherming is essentieel om het vertrouwen van deposanten te vergroten, de financiële stabiliteit van het banksysteem te versterken en de werking van de interne markt te waarborgen. Daartoe werd in elke lidstaat ten minste één depositogarantiestelsel (DGS) ingesteld om te zorgen voor een snelle compensatie van deposanten in geval van bankfalen (uitbetaling) en werd een geharmoniseerd beschermingsniveau vastgesteld op 100 000 EUR. Belangrijk is dat depositogarantiestelsels ook een rol spelen bij crisisbeheer. Zij kunnen bijdragen aan afwikkeling of andere maatregelen financieren, waardoor deposanten toegang houden tot gedekte deposito’s.

Motivering van het voorstel

In overeenstemming met haar taak op grond van artikel 19, lid 6, DGSD, heeft de Commissie een uitgebreide evaluatie uitgevoerd van de werking van de richtlijn depositogarantiestelsels. De conclusie van deze evaluatie bevestigde dat de belangrijkste componenten van de richtlijn depositogarantiestelsels, met name het standaarddekkingsniveau van 100 000 EUR per deposant per bank, het minimale streefbedrag voor financiering van depositogarantiestelsels en de korte termijnen voor de uitbetaling aan deposanten, in het algemeen positieve voordelen opleverden voor deposanten.

De toepassing van dit kader in de praktijk heeft echter aangetoond dat er verbeterpunten zijn. Deze punten hebben betrekking op de omvang van de bescherming van deposanten, de uiteenlopende interpretaties van de voorwaarden voor het gebruik van middelen van depositogarantiestelsels voor interventies anders dan de uitbetaling van gedekte deposito’s, de operationele effectiviteit en efficiëntie van de manier waarop depositogarantiestelsels werken, ruime nationale discreties en opties, en de behoefte aan een betere coördinatie tussen afwikkelings- en depositoverzekeringsvangnetten.

Als integraal onderdeel van de evaluatie van het CMDI-wetgevingspakket door de Commissie is het DGSD-voorstel grotendeels gebaseerd op de voorbereidende werkzaamheden en op de aanbevelingen van de Europese Bankautoriteit (EBA) in haar vijf adviezen 15 over de toepassing van de richtlijn depositogarantiestelsels, en wordt er rekening gehouden met gevallen waarin de praktische toepassing ervan enkele van haar belangrijke doelstellingen niet of slechts gedeeltelijk heeft bereikt.

Samenvatting van de wijzigingen in de richtlijn depositogarantiestelsels (DGSD) als onderdeel van de hervorming inzake crisisbeheer en depositoverzekeringen (CMDI)

2.

Het DGSD-voorstel bestrijkt een reeks beleidsaspecten en vormt een samenhangend antwoord op de problemen die zijn vastgesteld. Het voorstel heeft daarom tot doel:


de omvang van de bescherming van deposanten te verduidelijken door vastgestelde discrepanties aan te pakken, zodat deposanten in de EU een geharmoniseerd en robuust beschermingsniveau kan worden geboden;

de laagstekostentoets te harmoniseren voor alle soorten DGS-interventies anders dan de uitbetaling van gedekte deposito’s in geval van insolventie, om het gelijke speelveld te verbeteren en te zorgen voor consistente resultaten bij het beheer van bankfalen;

de werking van depositogarantiestelsels te verbeteren door administratieve procedures te vereenvoudigen en tegelijkertijd de transparantie van hun financiële robuustheid en het gebruik van middelen te verbeteren;

de convergentie in DGS-praktijken en tussen instanties te vergroten; en

de grensoverschrijdende samenwerking tussen depositogarantiestelsels bij de terugbetaling van deposanten die gevestigd zijn in andere EU-lidstaten of als banken hun deelneming aan een depositogarantiestelsel wijzigen, te verbeteren.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het voorstel bouwt voort op en versterkt het bestaande kader voor depositoverzekeringen dat is vastgelegd in de richtlijn depositogarantiestelsels. Om deze reden volgen veel elementen van het voorstel het werk van de EBA, uitgevoerd in samenwerking met nationale depositogarantiestelsels en aangewezen autoriteiten. Er worden wijzigingen voorgesteld om de praktijkervaring te weerspiegelen die is opgedaan met de nationale omzetting van EU-wetgeving en met de toepassing van enkele bepalingen, onder meer tegen de achtergrond van de bankenunie. Het voorstel wordt gelijktijdig met de herzieningen van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme geïnitieerd, om de algemene consistentie van het kader voor crisisbeheer in de EU te waarborgen.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het voorstel bouwt voort op de hervormingen die zijn doorgevoerd in de nasleep van de financiële crisis en die hebben geleid tot de oprichting van de bankenunie en één rulebook voor alle banken in de EU.

Door het vertrouwen van deposanten en de financiële stabiliteit te versterken, draagt het voorstel bij aan de veerkracht van de banksector in de EU en aan haar vermogen om het economisch herstel na de COVID-19-pandemie te ondersteunen, in overeenstemming met de politieke doelstellingen van de Europese open strategische autonomie. Meer specifiek verbetert het voorstel ook de consumentenbescherming door het beschermingsniveau en de periode van bescherming van specifieke retaildeposito’s die kortlopend zijn en afhankelijk zijn van specifieke levensgebeurtenissen (“tijdelijke hoge saldi”) te harmoniseren of door de verstrekking van informatie aan consumenten te verbeteren.

Om het risico te beperken dat depositogarantiestelsels deposanten compenseren die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering, bouwen de wijzigingen bovendien voort op Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en houden ze rekening met de richting die wordt voorgesteld in het wetgevingspakket van de Commissie inzake de EU-regels ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering (AML/CFT), dat op 20 juli 2021 is vastgesteld.

Om de afdwingbaarheid van de DGSD-regels te versterken, verwijzen de wijzigingen naar de toezichtbevoegdheden die zijn vastgelegd in Richtlijn 2013/36/EU (richtlijn kapitaalvereisten of CRD). In deze benadering wordt het idee verankerd dat naleving van de DGS-vereisten een primair vereiste is voor alle banken en de basis vormt voor de volgorde van de stappen om sancties op te leggen aan een bank die niet aan de opgelegde verplichtingen voldoet.

De wijzigingen harmoniseren en verduidelijken ook de regels die van toepassing zijn op preventieve en alternatieve maatregelen die worden gefinancierd vanuit DGS-middelen. Deze regels moeten worden beoordeeld in het licht van de reeds bestaande vereisten inzake staatssteun voor financiële instellingen, zoals uiteengezet in de bankenmededeling van de Commissie 16 .

De wijzigingen geven ook meer duidelijkheid wat betreft de bescherming van gelden van cliënten die worden aangehouden door niet-bancaire financiële instellingen bij een bank, overeenkomstig de vereisten voor de scheiding van gelden van cliënten, zoals vastgelegd in de richtlijn betalingsdiensten 17 , de richtlijn elektronisch geld en de gedelegeerde richtlijn (EU) 2017/593 van de Commissie 18 . Gezien de snelle ontwikkelingen op het gebied van innovatieve financiële diensten is de verduidelijking gericht op het vergroten van het vertrouwen van cliënten in niet-bancaire financiële instellingen en in hun bedrijfscontinuïteit in geval van bankfalen.

2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Met het voorstel wordt een bestaande richtlijn, de richtlijn depositogarantiestelsels (DGSD), gewijzigd, met name wat betreft de verbeterde toepassing van de instrumenten die al beschikbaar zijn in het kader van depositobescherming.

Bijgevolg is de rechtsgrondslag van het voorstel dezelfde als de rechtsgrondslag van de oorspronkelijke wetgevingshandeling, namelijk artikel 53, lid 1, van het VWEU inzake het recht van vestiging; dezelfde rechtsgrondslag als die voor de richtlijn die wordt gewijzigd. Volgens de jurisprudentie van de EU 19 heeft de wetgever, wanneer een wetgevingshandeling uitsluitend bedoeld is als aanvulling op of correctie van een andere wetgevingshandeling — en het oorspronkelijke doel ervan niet wordt gewijzigd — het volledige recht om die laatste handeling te baseren op de rechtsgrondslag van de eerste handeling.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

De wijzigingen in de richtlijn depositogarantiestelsels voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel. Nationale regels kunnen niet zorgen voor een geharmoniseerd niveau van deposantenbescherming en een uniform geheel van regels voor de financiering en werking van depositogarantiestelsels. Om die reden is optreden op het niveau van de EU nodig, om te zorgen voor een gelijk speelveld in de hele EU en om ongepaste concurrentievoordelen tussen financiële instellingen in verband met uiteenlopende regelgeving inzake depositobescherming te vermijden. De EBA heeft dit ook onderstreept in haar adviezen over de herziening van de richtlijn depositogarantiestelsels.

Bovendien kunnen de oprichting van banken en het verlenen van bankdiensten, waaronder het in ontvangst nemen van deposito’s, grensoverschrijdende activiteiten zijn. Het grensoverschrijdende karakter van banksystemen kan voor veel uitdagingen zorgen voor depositogarantiestelsels (wijziging van de deelneming aan een depositogarantiestelsel door een bank, bijhouden van gegevens van cliënten of grensoverschrijdende samenwerking), waardoor interventie op het niveau van EU noodzakelijk is.

De meeste wijzigingen in het voorstel omvatten een actualisatie van de bestaande EU-wetgeving en hebben als zodanig betrekking op gebieden waarop de EU haar bevoegdheden al heeft uitgeoefend. Het voorstel bevat verschillende maatregelen die een extra mate van harmonisatie introduceren om consequent de doelstellingen van de richtlijn depositogarantiestelsels te bewerkstelligen.

Evenredigheid

De wijzigingen staan in verhouding tot wat nodig is om de doelstellingen van de richtlijn depositogarantiestelsels te bewerkstelligen.

De wijzigingen bevatten gemeenschappelijke vereisten om het niveau van deposantenbescherming binnen de EU te verbeteren en te harmoniseren. Het voorstel heeft echter geen betrekking op de organisatiemodellen, de juridische structuur of het interne bestuur van de depositogarantiestelsels in de EU. De bestaande structuur van depositoverzekeringen in de EU is daarom afhankelijk van, en zal blijven steunen op, een netwerk van nationale depositogarantiestelsels, georganiseerd volgens verschillende modellen (openbaar depositogarantiestelsel, particuliere depositogarantiestelsels, institutionele protectiestelsels (IPS)) en soorten relaties tussen de door het depositogarantiestelsel aangewezen autoriteit en de afwikkelingsautoriteit (onder dezelfde overkoepelende entiteit of in verschillende instellingen).

Bovendien verleent het voorstel aanzienlijke bevoegdheden aan nationale autoriteiten, te beginnen met de uitvoering van de laagstekostentoets, die de kostenefficiëntie van het gebruik van DGS-middelen bepaalt. De meeste onderwerpen die in het voorstel aan bod komen (een gemeenschappelijk niveau van tijdelijke hoge saldi, bescherming van gelden van cliënten, bescherming van overheden) hebben betrekking op gebieden waar EU-lidstaten expliciet om een EU-brede norm hebben gevraagd, om meer rechtszekerheid te bieden bij de bescherming van deposanten. De taken voor de EBA waarin het voorstel voorziet (via richtsnoeren en normen) zijn beperkt tot de meest technische onderwerpen van de richtlijn depositogarantiestelsels waarvoor een meer gedetailleerde uitleg van de vereisten nodig is.

Het voorstel handhaaft ook bestaande bepalingen waarin nationale specifieke kenmerken worden erkend en die zorgen voor een evenredige toepassing van de regels van de richtlijn depositogarantiestelsels, bijvoorbeeld door de keuze van nationale opties, de mogelijkheid voor bepaalde lidstaten om een lager streefbedrag toe te passen of deelnemers aan institutionele protectiestelsels een lagere bijdrage te laten betalen.

Keuze van het instrument

Voorgesteld wordt om de maatregelen uit te voeren door een wijziging van de richtlijn depositogarantiestelsels door te voeren middels een richtlijn. De voorgestelde maatregelen verwijzen inderdaad naar reeds bestaande bepalingen in dit rechtsinstrument. Aangezien depositoverzekeringen nauw verbonden zijn met niet-geharmoniseerde gebieden van nationaal recht, zoals het insolventierecht, is omzetting noodzakelijk om de voorgestelde bepalingen zo goed mogelijk in nationale wetgeving te integreren.

3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie en geschiktheidscontrole van bestaande wetgeving

Het CMDI-kader is ontworpen om het falen van instellingen, ongeacht de omvang of het bedrijfsmodel, te voorkomen en te beheersen. Het werd ontwikkeld met als doel de financiële stabiliteit te handhaven, deposanten te beschermen, het gebruik van overheidssteun tot een minimum te beperken, de morele risico’s te beperken en de interne markt voor financiële diensten te verbeteren. De conclusie van de evaluatie was dat het CMDI-kader in het algemeen in bepaalde opzichten moest worden verbeterd.

Uit de evaluatie blijkt met name dat de rechtszekerheid en voorspelbaarheid bij het beheer van bankfalen ontoereikend blijven. De beslissing van overheden om al dan niet over te gaan tot afwikkeling of insolventie kan aanzienlijk verschillen van lidstaat tot lidstaat. Bovendien zijn door de industrie gefinancierde vangnetten niet altijd doeltreffend en blijven er uiteenlopende voorwaarden bestaan voor toegang tot financiering bij afwikkeling en externe afwikkeling. Deze hebben invloed op stimulansen en creëren mogelijkheden voor arbitrage wanneer er beslissingen worden genomen over de keuze voor het te gebruiken crisisbeheerinstrument. Tot slot blijft de bescherming van deposanten in de lidstaten op een aantal gebieden ongelijk en inconsistent.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft via verschillende raadplegingsinstrumenten uitgebreide uitwisselingen gehouden om alle betrokken belanghebbenden te bereiken, om beter te begrijpen hoe het kader presteerde en welke mogelijke verbeterpunten er waren.

In 2020 lanceerde de Commissie een raadpleging over een gecombineerde aanvangseffectbeoordeling en een stappenplan, gericht op een gedetailleerde analyse van de maatregelen die op EU-niveau moeten worden genomen en de mogelijke impact van verschillende beleidsopties op de economie, de samenleving en het milieu.

In 2021 lanceerde de Commissie twee raadplegingen: een gerichte en een openbare raadpleging om feedback van belanghebbenden te verkrijgen over hoe het CMDI-kader werd toegepast en hun standpunten over mogelijke wijzigingen. De gerichte raadpleging, bestaande uit 39 algemene en specifieke technische vragen, was alleen beschikbaar in het Engels en liep van 26 januari tot en met 20 april 2021. De openbare raadpleging bestond uit 10 algemene vragen, was beschikbaar in alle EU-talen en liep gedurende de feedbackperiode van 25 februari tot en met 20 mei 2021. Op 7 juli 2021 werd een verslag gepubliceerd met een samenvatting van de feedback op deze raadpleging 20 . Uit de raadplegingen bleek dat de meeste respondenten van mening waren dat deposito’s van overheden, waaronder lokale autoriteiten, ook door het depositogarantiestelsel zouden moeten worden beschermd. De meeste banken en depositogarantiestelsels waren van mening dat de huidige regelmatige openbaarmaking van informatie voldoende was en dat er geen wijzigingen nodig waren. Digitale communicatie werd vaak beschouwd als het meest geschikte middel om kosten te besparen.

Daarnaast organiseerde de Commissie op 18 maart 2021 een conferentie op hoog niveau met vertegenwoordigers van alle relevante belanghebbenden. De conferentie bevestigde het belang van een effectief kader, maar benadrukte ook de huidige zwakke punten. Panelleden op de conferentie merkten op dat het DGSD-kader gebaat zou zijn bij verdere harmonisatie en een beter samenspel met de regels zoals vastgelegd in de antiwitwasrichtlijn (AMLD), de richtlijn betalingsdiensten en de staatssteunregels. Ook moet het consumentenvertrouwen tot uiting komen in de herziening van de richtlijn depositogarantiestelsels, net als de situatie op kleinere markten.

Personeel van de Commissie heeft de lidstaten ook herhaaldelijk geraadpleegd over de uitvoering in de EU van het CMDI-kader en over mogelijke herzieningen van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken/verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en de richtlijn depositogarantiestelsels in het kader van de deskundigengroep banken, betalingen en verzekeringen van de Commissie. Parallel aan de discussies in de deskundigengroep werden de kwesties die in dit voorstel aan de orde komen ook behandeld tijdens bijeenkomsten van de voorbereidende instanties van de Raad, namelijk de groep financiële diensten en bankenunie en de werkgroep op hoog niveau inzake EDIS.

Bovendien heeft personeel van de Commissie tijdens de voorbereidende fase van de wetgeving talrijke gesprekken gevoerd (fysiek en virtueel) met vertegenwoordigers van de banksector en met andere belanghebbenden.

De uitkomsten van al deze genoemde initiatieven zijn meegenomen in de voorbereiding van dit voorstel en in de bijgevoegde effectbeoordeling. Zij tonen duidelijk aan dat de huidige regels moeten worden geactualiseerd en aangevuld om de doelstellingen van het kader zo goed mogelijk te bewerkstelligen. Bijlage 2 bij de effectbeoordeling bevat een samenvatting van de raadplegingen en van de openbare conferentie.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Ter ondersteuning van haar werk met betrekking tot de evaluatie van de richtlijn depositogarantiestelsels heeft de Commissie een uitgebreid verzoek om advies aan de EBA gedaan 21 . De EBA heeft hierop gereageerd door vijf adviezen uit te brengen. Het eerste advies over de in aanmerking komende deposito’s, het dekkingsniveau en de samenwerking tussen depositogarantiestelsels werd in augustus 2019 uitgebracht 22 . Het tweede advies over de uitbetalingen door depositogarantiestelsels werd in oktober 2019 uitgebracht 23 . Het derde advies over de financiering van depositogarantiestelsels en het gebruik van DSG-middelen werd in januari 2020 uitgebracht 24 . Het vierde advies over de behandeling van gelden van cliënten werd in oktober 2021 uitgebracht 25 . Daarnaast heeft de Commissie rekening gehouden met het advies van de EBA van 2020 over de wisselwerking tussen de EU-antiwitwasrichtlijn en de EU-richtlijn inzake depositogarantiestelsels 26 en het tweejaarlijkse advies van de EBA van 2021 over de risico’s van het witwassen van geld en terrorismefinanciering voor de financiële sector in de EU 27 .

Bovendien heeft de Commissie het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS) opdracht gegeven om twee verslagen over depositoverzekeringen op te stellen, getiteld “Harmonising insolvency laws in the Euro area” 28 (Harmonisatie van de insolventiewetgeving in de eurozone) en “Options and national discretions under the DGSD” 29 (Opties en nationale discreties in het kader van de DGSD), die respectievelijk in december 2016 en november 2019 zijn gepubliceerd.

Naast het raadplegen van belanghebbenden heeft de Commissie deelgenomen aan discussies en gedachtewisselingen die fungeerden als basis voor de werkzaamheden van de EBA-taskforce depositogarantiestelsels en de deskundigengroep banken, betalingen en verzekeringen van de Commissie.

Effectbeoordeling 30

Bij dit voorstel hoort dezelfde effectbeoordeling als bij de voorstellen tot herziening van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, waarbij rekening wordt gehouden met de feedback van belanghebbenden en met de noodzaak om verschillende onderling verbonden kwesties, verspreid over drie verschillende wetteksten, aan te pakken. In bijlage 6 van de effectbeoordeling worden de problemen rond de huidige werking van het depositogarantiestelsel en de mogelijke scenario’s voor verbetering van het depositogarantiestelsel beschreven en worden de beleidsopties zoals die in de voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen, onderbouwd. De conclusie is dat de richtlijn depositogarantiestelsels in grote lijnen doeltreffend is geweest in het verbeteren van het niveau voor deposantenbescherming in de hele EU. De waarborgen van de richtlijn depositogarantiestelsels worden door de nationale depositogarantiestelsels echter nog steeds ongelijk toegepast, wat de noodzaak van geharmoniseerde regels onderstreept, om verschillen aan te pakken die negatieve gevolgen hebben voor deposanten. Het benadrukt ook de noodzaak om de dekking voor bepaalde soorten deposanten te verduidelijken.

Bij alle beleidsopties is rekening gehouden met de suggesties van de EBA en de daaropvolgende feedback van deskundigen van de lidstaten in de deskundigengroep banken, betalingen en verzekeringen van de Commissie en, voor zover beschikbaar, met ander analytisch bewijs.

In de effectbeoordeling wordt benadrukt dat de beoordeelde beleidsopties de toepassing van depositoverzekeringen in de lidstaten zouden verbeteren en de rechtszekerheid en het vertrouwen van de deposanten zouden vergroten. Zij zouden de deposantenbescherming adequaat aanpassen aan de recente ontwikkelingen en kwetsbaarheden van het financiële ecosysteem, door middel van specifieke bepalingen gericht op grensoverschrijdende activiteiten, fintech-diensten en de bestrijding van het witwassen van geld. Zij zouden ook het gebruik van DGS-middelen vergemakkelijken anders dan de uitbetaling van gedekte deposito’s door middel van een herziene laagstekostentoets, wanneer dergelijke interventies de toegang van deposanten tot hun deposito’s op een kosteneffectievere manier garanderen.

Door bepaalde soorten deposanten en deposito’s echter expliciet onder de dekking te laten vallen (overheden, gelden van cliënten) en door enkele regels verder te harmoniseren (minimumniveau voor dekking van tijdelijke hoge saldi, schrappen van de mogelijkheid om vervallen verplichtingen van deposanten af te trekken van het terug te betalen bedrag), kunnen deze wijzigingen echter een — zij het beperkt — effect hebben op de kosten voor depositogarantiestelsels. Evenzo kunnen de wijzigingen in de laagstekostentoets voor het gebruik van het depositogarantiestelsel voor interventies anders dan uitbetalingen ook financiële gevolgen hebben voor depositogarantiestelsels. Deze kosten zouden door de banksector worden gedragen in de vorm van bijdragen aan het depositogarantiestelsel en zouden geen gevolgen hebben voor belastingbetalers, overeenkomstig het beginsel van bescherming van overheidsgeld dat is vastgelegd in de richtlijn depositogarantiestelsels.

De effectbeoordeling bevestigde ook dat het DGS-kader in de EU veerkrachtiger zou zijn indien het wordt ondersteund door een EDIS. Het bundelen van middelen in een gedeeld stelsel zou het depositoverzekeringsstelsel in de bankenunie beter in staat stellen om hoge uitbetalingen het hoofd te bieden en zou het vertrouwen van deposanten vergroten. Hoewel de beleidsoptie om een EDIS op te zetten technisch gezien de meest robuuste optie is, is deze in dit stadium politiek niet haalbaar.

De Raad voor regelgevingstoetsing heeft de effectbeoordeling na een eerste negatief advies bekrachtigd. Om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad voor regelgevingstoetsing met betrekking tot de werking van het depositogarantiestelsel, is de effectbeoordeling gewijzigd om de verbanden tussen het EBA-advies en de in de effectbeoordeling beschreven opties beter te verduidelijken.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Het voorstel moet helpen om de regelgevings- en administratieve lasten van het depositogarantiestelsel te verminderen door bepaalde nationale opties en discreties te schrappen, bijkantoren van in derde landen gevestigde kredietinstellingen gelijk te behandelen en de regelingen voor grensoverschrijdende samenwerking tussen depositogarantiestelsels te versterken. Door de vereiste openbaarmakingen te stroomlijnen en deze af te stemmen op wat noodzakelijk is voor de ontvangers, zullen de wijzigingen het administratieve werk bij de uitvoering van de vereisten voor depositogarantiestelsels vergemakkelijken.

Wat digitale paraatheid betreft, bouwt het voorstel voort op de technologische en juridische vooruitgang om ervoor te zorgen dat informatie over deposanten gemakkelijk toegankelijk is en dat het uitbetalingsproces zo snel mogelijk verloopt.

Daarnaast zullen bevoegdheden voor de EBA verdere aanpassingen mogelijk maken om de praktische uitvoering van de bepalingen van de richtlijn depositogarantiestelsels nog verder te verbeteren en te harmoniseren.

De kosten voor banken en nationale autoriteiten zouden zeer beperkt zijn. Elke verbetering van de deposantenbescherming waarin het DGSD-voorstel voorziet (tijdelijke hoge saldi, gelden van cliënten, overheden) zal naar verwachting een zeer marginale impact hebben op de middelen van een depositogarantiestelsel. In 13 lidstaten vormt het bedrag aan gelden van cliënten bijvoorbeeld minder dan 1 % van alle gedekte deposito’s in die lidstaat. Het voorstel zal daarom het concurrentievermogen van de banksector in de EU handhaven en tegelijkertijd de bescherming die aan deposanten in de EU wordt geboden, versterken. Bovendien zouden de mogelijke — zij het beperkte — extra kosten als gevolg van deze verbeteringen grotendeels worden gecompenseerd door de lagere kosten voor depositogarantiestelsels bij de uitvoering van hun dagelijkse activiteiten in het kader van de herziene richtlijn. Door het aantal opties te verminderen, de bestaande mechanismen voor grensoverschrijdende samenwerking te vereenvoudigen en op EU-niveau een gemeenschappelijke methode vast te stellen om de laagstekostentoets af te ronden, zullen met het voorstel inderdaad administratieve middelen van het depositogarantiestelsel worden vrijgemaakt.

Door de grotere rol die depositogarantiestelsels gaan spelen bij crisisbeheer kan het gebruik van hun financiële middelen, die worden geïnd bij de banksector, een frequentere aanvulling van hun middelen vereisen. In overeenstemming met de laagstekostentoets zijn deze maatregelen echter alleen toegestaan als ze voor het depositogarantiestelsel als goedkoper worden beschouwd dan een uitbetalingsscenario. Deze aanpak stelt de financiële middelen op lange termijn veilig.

Grondrechten

Dit voorstel eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de EU erkende beginselen in acht, met name de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16), het recht op eigendom (artikel 17) en de consumentenbescherming (artikel 38).

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de EU. Het voorstel zou vereisen dat de EBA zeven technische normen en zes richtsnoeren ontwikkelt, in aanvulling op de normen die al in de richtlijn depositogarantiestelsels zijn opgenomen. Van deze zes nieuwe instructies voor richtsnoeren zijn er drie uitsluitend gericht op het codificeren van reeds bestaande richtsnoeren (stresstests, afbakening en verslaglegging van beschikbare financiële middelen, samenwerkingsovereenkomsten), die op eigen initiatief van de EBA zijn opgesteld. Daarom zouden deze richtsnoeren geen aanzienlijke extra werklast vergen. De andere bevoegdheden waarin het voorstel voorziet, hebben betrekking op verschillende onderwerpen, die gaan over zowel zeer gerichte taken (beginsel van diversificatie van activa met een laag risico) als bredere onderwerpen (definitie van de laagste kosten).

Gezien de vroegere en huidige werkzaamheden op het gebied van crisisbeheer bij de EBA wordt ervan uitgegaan dat de voorgestelde taken voor de EBA geen extra posten vereisen en kunnen worden uitgevoerd met de huidige middelen.

De technische normen moeten twaalf maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn worden ingediend. Deze termijn moet de EBA voldoende tijd bieden om ze te ontwikkelen, rekening houdend met haar huidige middelen.

5. OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Door regelmatige interacties met de EBA-taskforce depositogarantiestelsels evalueert de Commissie de uitvoering van wettelijke bepalingen 31 en draagt zij bij tot de harmonisatie van het niveau van deposantenbescherming in de hele EU.

Zoals reeds is vastgelegd in de bestaande richtlijn depositogarantiestelsels, zullen de nationale autoriteiten aan de EBA verslag blijven uitbrengen over de hoeveelheid beschikbare financiële middelen, alternatieve financieringsregelingen en het gebruik van middelen van depositogarantiestelsels, wat de EBA op haar beurt openbaar moet maken. Het voorstel handhaaft ook de periodieke en vervolgonderzoeken die al in de oorspronkelijke richtlijn waren voorzien, voor het uitvoeren van stresstests bij depositogarantiestelsels, criteria voor risicogebaseerde bijdragen en hernieuwd onderzoek van het dekkingsniveau.

Artikelsgewijze toelichting

De voorgestelde wijzigingen bouwen voort op en verduidelijken de taak van de depositogarantiestelsels om deposito’s beter te beschermen in het kader van de terugbetaling van deposanten. Zij versterken ook de rol van het depositogarantiestelsel in situaties anders dan die waarin deposanten door het depositogarantiestelsel worden terugbetaald na het falen van een bank ten behoeve van crisisbeheer met het oog op het behoud van het vertrouwen van deposanten en de financiële stabiliteit van banken. Ten slotte omvatten zij specifieke vereisten om de dagelijkse activiteiten van het depositogarantiestelsel te vereenvoudigen en om te gaan met administratief complexe situaties.

3.

Het voorstel wijzigt de volgende bepalingen van de richtlijn depositogarantiestelsels:


Gezien de verbeterde mogelijkheden voor het gebruik van depositogarantiestelsels voor de financiering van preventieve maatregelen, overdrachtsstrategieën bij afwikkeling en alternatieve maatregelen bij insolventie, wordt artikel 1 (“Voorwerp en toepassingsgebied”) gewijzigd om te verduidelijken dat naast de oprichting en werking van het depositogarantiestelsel ook de dekking en terugbetaling van deposito’s en het gebruik van middelen van het depositogarantiestelsel voor maatregelen om de toegang van deposanten tot hun deposito’s te behouden, onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Lid 2, punt d), van dit artikel wordt gewijzigd om te verduidelijken dat bijkantoren van in derde landen gevestigde kredietinstellingen onder de richtlijn vallen.

Artikel 2 bevat de bepalingen en definities die in deze richtlijn worden gebruikt. Het artikel is gewijzigd om definities toe te voegen, in overeenstemming met de nieuwe bepalingen die in het voorstel zijn opgenomen naar aanleiding van de aanbevelingen in de adviezen van de EBA, met name over de door de cliënten gedeponeerde gelden en de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.

Artikel 4, lid 8, is geconsolideerd in het nieuwe artikel 16 bis over de uitwisseling van informatie tussen kredietinstellingen en het depositogarantiestelsel en de verslaglegging door de autoriteiten (zie hieronder).

In haar advies wees de EBA op de verschillen in de uitvoering van de definitie van overheden. Dit leidde tot een verschil in beschermingsgraad van deposito’s in de lidstaten, waardoor overheden zoals scholen, ziekenhuizen of gemeentelijke diensten, die geen ervaren deposanten zijn, in sommige gevallen van bescherming werden uitgesloten. De bestaande differentiatie tussen overheden op basis van hun budget en andere kenmerken zorgt voor operationele problemen voor kredietinstellingen en depositogarantiestelsels. Daarom zijn in artikel 5 overheden niet langer uitgesloten van het toepassingsgebied van de deposantenbescherming, met als doel hun bescherming te harmoniseren en te verbeteren. Het artikel verduidelijkt ook dat deposito’s in verband met terrorismefinanciering zijn uitgesloten van de bescherming door het depositogarantiestelsel.

Artikel 6, dat het dekkingsniveau van de deposantenbescherming regelt, wordt gewijzigd om het minimumbeschermingsniveau voor tijdelijke hoge saldi en de bijbehorende beschermingsperiode te harmoniseren en om het bereik van beschermde deposito’s die worden aangehouden met het oog op onroerendgoedtransacties te verduidelijken.

Gezien de uiteenlopende interpretaties van de bestaande optie met betrekking tot de aftrek van het terugbetaalbare bedrag van verplichtingen van deposanten die verschuldigd zijn geworden, wordt artikel 7, lid 5, geschrapt om de regels voor de berekening van het terugbetaalbare bedrag te harmoniseren. Lid 7 wordt gewijzigd om rekening te houden met situaties waarin de rente negatief is.

Er wordt een nieuw artikel 7 bis over de bewijslast ingevoegd, om het procedurele aspect van het in aanmerking komen voor of het recht hebben op deposito’s te verduidelijken; daaarbij blijft de bewijslast bij de deposanten en rekeninghouders om aan te tonen dat zij absoluut recht hebben op de deposito’s op de rekeningen van begunstigden of rekeningen met tijdelijke hoge saldi.

Om meer tijd te geven om na te gaan of er sprake is van een recht op terugbetaling, en in overeenstemming met de bepaling over de bewijslast van artikel 7 bis, wordt artikel 8 gewijzigd om het depositogarantiestelsel in staat te stellen een langere periode van maximaal 20 werkdagen toe te passen in geval van terugbetaling van rekeningen van begunstigden, gelden van cliënten en tijdelijke hoge saldi. De afsluitingstermijn wordt geteld vanaf de datum waarop een depositogarantiestelsel de volledige documentatie heeft ontvangen op basis waarvan de aanvragen kunnen worden onderzocht en de voorwaarden voor terugbetaling kunnen worden geverifieerd. Het gewijzigde artikel biedt het depositogarantiestelsel ook de mogelijkheid om een drempel vast te stellen voor de terugbetaling van slapende rekeningen.

Er wordt een nieuw artikel 8 bis ingevoegd om ervoor te zorgen dat deposanten boven een drempel van 10 000 EUR via overboekingen worden terugbetaald, in overeenstemming met de AML/CFT-doelstellingen.

Financiële instellingen zoals beleggingsondernemingen, instellingen voor betalingen of elektronisch geld innen gelden bij hun cliënten en zijn volgens de sectorspecifieke regels verplicht om deze gelden te beschermen, onder meer door ze op gescheiden rekeningen bij kredietinstellingen te plaatsen. Een nieuw artikel 8 ter bevat regels om het toepassingsgebied van de depositobescherming te harmoniseren voor dergelijke gelden die namens en voor rekening van hun cliënten worden gedeponeerd, met het oog op scheiding van gelden. Het artikel beschrijft ook de modaliteiten voor de terugbetaling van de rekeninghouder of de cliënt en geeft de EBA de opdracht om ontwerpen van technische reguleringsnormen te ontwikkelen voor de identificatie van cliënten in dergelijke gevallen.

Het voorstel van de Commissie voor een verordening ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering 32 vereist dat financiële toezichthouders samenwerken met afwikkelingsautoriteiten of aangewezen autoriteiten en deze autoriteiten op de hoogte brengen van de resultaten van cliëntenonderzoeksmaatregelen. Er wordt een nieuw artikel 8 quater ingevoegd om te voorkomen dat deposito’s worden terugbetaald wanneer uit de resultaten van het cliëntenonderzoek blijkt dat er een vermoeden bestaat van het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en om te zorgen voor een soepele uitwisseling van informatie tussen de aangewezen autoriteit en het depositogarantiestelsel in deze gevallen. Deze nieuwe bepaling voorziet ook in een regeling voor het opschorten van terugbetalingen door het depositogarantiestelsel bij uitbetalingen van gedekte deposito’s als er reden is tot bezorgheid met betrekking tot het witwassen van geld of terrorismefinanciering.

Artikel 9 DGSD bepaalt dat wanneer een depositogarantiestelsel uitkeringen doet in het kader van een afwikkelingsprocedure, het depositogarantiestelsel een vordering heeft tegen de betrokken kredietinstelling voor een bedrag dat gelijk is aan de uitkering. Deze vordering moet in de rangorde dezelfde plaats bekleden als gedekte deposito’s. Deze bepaling maakt geen onderscheid tussen de bijdrage van het depositogarantiestelsel aan een open-bank bail-in-oplossing (waarbij de entiteit van de bank blijft bestaan en de activiteiten worden voortzet) en bijdragen van het depositogarantiestelsel aan de financiering van een overdrachtsstrategie (verkoop van een bedrijf of instrument van de overbruggingsinstelling en liquidatie van de rest van de entiteit). Het ontbreken van een dergelijk onderscheid kan onzekerheid veroorzaken met betrekking tot het bestaan en de hoogte van een vordering van een depositogarantiestelsel in verschillende scenario’s. Om die reden wordt artikel 9 gewijzigd om te specificeren dat, wanneer middelen van een depositogarantiestelsel worden gebruikt in het kader van overdrachtsstrategieën bij afwikkeling of alternatieve maatregelen in insolventieprocedures, het depositogarantiestelsel een vordering heeft tegen de rest van de instelling of entiteit in de daaropvolgende liquidatieprocedure overeenkomstig het nationale recht. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat de middelen van het depositogarantiestelsel worden gebruikt in verband met verliezen die anders door deposanten zouden zijn gedragen. Deze vordering moet volgens de nationale insolventieregels in de rangorde dezelfde plaats bekleden als deposito’s, om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders en crediteuren die achterblijven in de rest van de instelling of entiteit de verliezen van de instelling effectief opvangen en om de mogelijkheid van terugvorderingen door het depositogarantiestelsel bij insolventie te vergroten. Daarentegen mag een bijdrage van het depositogarantiestelsel aan een open-bank bail-in-oplossing in plaats van gedekte deposito’s voor het bedrag waarmee de gedekte deposito’s zouden zijn afgeschreven of omgerekend, indien zij aan een bail-in waren onderworpen, geen vordering tegen de instelling in afwikkeling opleveren, aangezien dit het doel van de bijdrage van het depositogarantiestelsel teniet zou doen.

Artikel 9, lid 3, wordt gewijzigd om de periode waarin deposanten een vordering tegen het depositogarantiestelsel hebben, te harmoniseren tot vijf jaar.

Artikel 10 wordt gewijzigd om de referentieperiode voor de berekening van het streefbedrag te specificeren en het feit dat alleen geld dat rechtstreeks aan het depositogarantiestelsel is bijgedragen of door het depositogarantiestelsel wordt teruggevorderd, in aanmerking wordt genomen voor het bereiken van het streefbedrag. Deze verduidelijking is in overeenstemming met de huidige regels die van toepassing zijn op grond van de richtsnoeren van de EBA. Het doel is duidelijk te maken dat geld dat via leningen wordt geïnd, niet in aamerking wordt genomen voor het bereiken van het streefniveau.

Artikel 10, lid 4, wordt geschrapt omdat er in de praktijk geen gebruik is gemaakt van de optie om de beschikbare financiële middelen bijeen te brengen via de verplichte bijdragen die door de deelnemende instellingen worden betaald aan bestaande stelsels van verplichte bijdragen die door een lidstaat zijn ingesteld.

In overeenstemming met de adviezen van de EBA om de convergentie van praktijken te verbeteren en ervoor te zorgen dat er middelen beschikbaar kunnen worden gesteld om te voldoen aan de uiterste termijn voor de terugbetaling aan deposanten, wordt aan artikel 10 een nieuw lid 11 toegevoegd dat de depositogarantiestelsels de flexibiliteit biedt om gebruik te maken van alternatieve financieringsregelingen die via particuliere bronnen worden gefinancierd alvorens gebruik te maken van de beschikbare financiële middelen en gelden die via buitengewone bijdragen zijn geïnd. Bovendien zou een dergelijke flexibiliteit de depositogarantiestelsels in staat stellen te voorkomen dat zij onmiddellijk buitengewone bijdragen moeten innen wanneer het verhogen van dergelijke bijdragen de financiële stabiliteit in gevaar zou brengen (bv. in een systeemcrisis). Volledige flexibiliteit is ook nodig om depositogarantiestelsels in staat te stellen hun middelen op de meest efficiënte manier te gebruiken en te voorkomen dat hun activa (beschikbare financiële middelen) op het moment van een crisis tegen afbraakprijzen worden verkocht. Tegelijkertijd zorgt de bepaling ervoor dat financiering uit openbare bronnen alleen als laatste redmiddel kan worden gebruikt.

Daarnaast verduidelijkt het nieuwe lid van artikel 10 de vereisten om te zorgen voor een goed beheer van middelen van depositogarantiestelsels en krijgt de EBA de opdracht richtsnoeren op te stellen voor de diversificatie van de beleggingsstrategie van depositogarantiestelsels. Ook wordt voorzien in de mogelijkheid om middelen van depositogarantiestelsels op een gescheiden rekening bij de nationale centrale bank of het nationale Ministerie van Financiën te deponeren. Bovendien krijgt de EBA de opdracht om technische reguleringsnormen te ontwikkelen voor de afbakening van beschikbare financiële middelen voor depositogarantiestelsels.

Artikel 11 wordt gewijzigd om het onderscheid tussen preventieve en alternatieve maatregelen te verduidelijken. Preventieve maatregelen zijn interventies van het depositogarantiestelsel om een bank in nood financieel te ondersteunen, bijvoorbeeld in de vorm van garanties, financiële injecties of deelname aan een kapitaalverhoging, voordat de bank voldoet aan de voorwaarden om te falen of waarschijnlijk te falen, met als doel haar financiële soliditeit te behouden. Alternatieve maatregelen zijn interventies van het depositogarantiestelsel ter ondersteuning van de overdracht van deposito’s en activa van de noodlijdende bank naar een andere bank (bv. in de vorm van een financiële bijdrage om de kloof tussen activa en deposito’s te dichten, garanties) in het kader van insolventie, zodat deposanten toegang behouden tot hun geld.

Artikel 11 bis voorziet in een reeks waarborgen voor preventieve maatregelen en verdeelt de verantwoordelijkheden om te beoordelen hoe preventieve maatregelen worden toegepast over de autoriteiten. Dit heeft tot doel ervoor te zorgen dat het gebruik van deze maatregelen tijdig en kosteneffectief is en zij in alle lidstaten consistent worden toegepast, als verbetering van de huidige situatie.

Artikel 11 ter voorziet in de voorwaarden die ten grondslag liggen aan de nota van maatregelen waartoe een kredietinstelling zich verplicht, om ervoor te zorgen dat aan de prudentiële vereisten wordt voldaan of naleving wordt hersteld. Voor een dergelijke nota van maatregelen moet de bevoegde autoriteit worden geraadpleegd.

Artikel 11 quater bevat vereisten voor kredietinstellingen die hun verplichtingen niet zijn nagekomen of de financiële steun die met preventieve maatregelen is verleend, niet hebben terugbetaald. De EBA krijgt de opdracht om richtsnoeren op te stellen over de inhoud van de nota van maatregelen die nodig zijn voor de efficiënte uitvoering van een preventieve maatregel en van het plan van corrigerende maatregelen.

Wanneer middelen van een depositogarantiestelsel worden gebruikt voor alternatieve maatregelen als bedoeld in artikel 11, lid 5, voorziet artikel 11 quinquies in de voorwaarden voor de verkoop van de activa, rechten en passiva van de bank. Dit proces moet worden geharmoniseerd om de negatieve gevolgen voor de mededinging te beperken en om het aantrekken van potentiële kopers te vergemakkelijken. Dit moet ook zorgen voor consistentie met de overdrachtsinstrumenten in het kader van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken. In overeenstemming met de richtlijn herstel en afwikkeling van banken moeten de procedures om de rest van de entiteit op een ordelijke manier te liquideren, onverwijld worden gestart.

Bij een laagstekostentoets worden de kosten van een interventie door het depositogarantiestelsel ter voorkoming van een verdere verslechtering van de financiële situatie van een bank of de kosten van het depositogarantiestelsel voor de overdracht van activiteiten aan een andere bank vergeleken met de kosten van een hypothetisch scenario van een uitbetaling van gedekte deposito’s bij liquidatie. Dit vereiste is in de lidstaten op verschillende manieren uitgevoerd. Een nieuw artikel 11 sexies verduidelijkt en harmoniseert de wijze waarop een laagstekostentoets wordt uitgevoerd, waarbij wordt bepaald welk maximumbedrag een depositogarantiestelsel buiten de uitbetaling mag bijdragen, om preventieve, afwikkelings- en alternatieve maatregelen te financieren. Een uitbetaling van gedekte deposito’s in geval van insolventie kan directe en indirecte kosten met zich meebrengen voor het depositogarantiestelsel en zijn deelnemers. De directe kosten komen overeen met het bedrag dat door het depositogarantiestelsel wordt uitbetaald, verminderd met de terugvorderingen uit de liquidatieprocedure. Bij indirecte kosten moet rekening worden gehouden met de aanvulling van de door het depositogarantiestelsel uitgegeven middelen en met de extra financieringskosten voor het depositogarantiestelsel in verband met de uitbetaling. Wanneer de laagstekostentoets wordt uitgevoerd met het oog op preventieve maatregelen, moet bij de berekening van de uitbetaling in het nulscenario ook rekening worden gehouden met het belang van dergelijke maatregelen voor de wettelijke of contractuele bevoegdheden van het depositogarantiestelsel. Bij de kosten van interventies anders dan uitbetaling moet rekening worden gehouden met verwachte inkomsten, operationele kosten en mogelijke verliezen in verband met de interventie. De EBA krijgt de opdracht om ontwerpen van technische reguleringsnormen op te stellen waarin de methodologie voor de berekening van de laagstekostentoets wordt gespecificeerd.

Artikel 14 wordt gewijzigd om te verduidelijken dat de bescherming door depositogarantiestelsels ook geldt voor deposanten die gevestigd zijn in lidstaten waar deelnemende kredietinstellingen gebruikmaken van de vrijheid van dienstverrichting. In dit artikel worden de voorwaarden gegeven die een depositogarantiestelsel in een lidstaat van herkomst de mogelijkheid bieden om deposanten bij in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren rechtstreeks terug te betalen en om een depositogarantiestelsel in een lidstaat van ontvangst in staat te stellen als contactpunt te fungeren voor deposanten bij kredietinstellingen die gebruikmaken van de vrijheid van dienstverrichting. De EBA krijgt de opdracht om richtsnoeren te ontwikkelen voor de respectieve rollen van depositogarantiestelsels in de lidstaten van herkomst en van ontvangst en voor de omstandigheden en voorwaarden waaronder een depositogarantiestelsel in een lidstaat van herkomst moet besluiten om deposanten bij bijkantoren in een andere lidstaat terug te betalen. Voorts worden de regels gespecificeerd die van toepassing zijn op de berekening van de gelden die moeten worden overgedragen wanneer een deelnemende instelling de deelneming wijzigt van de ene naar de andere lidstaat.

Artikel 15 wordt gewijzigd om het vereiste te bevatten dat bijkantoren van in derde landen gevestigde kredietinstellingen zich bij een depositogarantiestelsel in een lidstaat moeten aansluiten als zij bankdiensten willen verlenen en daarvoor in aanmerking komende deposito’s in de EU willen aannemen. Volgens het advies van de EBA neemt de overgrote meerderheid van de bijkantoren van derde landen in de EU-lidstaten al deel aan een EU-depositogarantiestelsel, ofwel omdat de beschermingsregeling voor deposanten in het derde land als niet-gelijkwaardig wordt beschouwd, ofwel omdat er geen formele gelijkwaardigheidsbeoordeling is uitgevoerd. Sommige van de resterende bijkantoren waren niet verplicht zich aan te sluiten bij een respectief EU-depositogarantiestelsel, ondanks de resultaten van de gelijkwaardigheidsbeoordeling waaruit bleek dat hun deposantenbescherming niet gelijkwaardig was. In overeenstemming met de aanbeveling van de EBA omvat dit wijzigingsvoorstel dit lidmaatschapsvereiste en wordt er gezorgd voor gelijke bescherming van deposanten bij EU-bijkantoren van banken uit derde landen en bij banken in de EU en hun bijkantoren in verschillende lidstaten. Dit verbetert de bescherming van deposanten omdat het risico wordt weggenomen dat zij deposito’s in de EU hebben waarvan de bescherming door een niet-EU-depositogarantiestelsel niet aan de EU-normen zou voldoen (volgens het advies van de EBA namen 5 van de 74 bijkantoren in de EU van in derde landen gevestigde kredietinstellingen niet deel aan een EU-depositogarantiestelsel). EU-filialen van banken in derde landen verplichten zich aan te sluiten bij een EU-depositogarantiestelsel is ook in overeenstemming met een van de belangrijkste doelstellingen van deze herziening, namelijk het vergemakkelijken van het gebruik van middelen van depositogarantiestelsels bij afwikkeling.

Om te voorkomen dat middelen van een depositogarantiestelsel worden blootgesteld aan economische en financiële risico’s in derde landen, staat een nieuw artikel 15 bis het depositogarantiestelsel alleen toe om deposanten bij bijkantoren van in derde landen gevestigde instellingen te dekken als het geïnde bedrag boven het minimale streefbedrag ligt.

Artikel 16 wordt gewijzigd om de informatie die banken jaarlijks aan hun cliënten moeten verstrekken over de bescherming van hun deposito’s te harmoniseren. Ook de vereisten voor de verstrekking van informatie aan deposanten in geval van fusies of andere grote reorganisaties van kredietinstellingen, wijzigingen in de deelneming aan een depositogarantiestelsel en het niet beschikbaar zijn van deposito’s als gevolg van de kritieke financiële situatie van banken, worden aangescherpt. De lidstaten zijn bevoegd om na te gaan of de informatie die aan deposanten wordt verstrekt juist is en de EBA is bevoegd om ontwerpnormen op te stellen voor het formaat en de inhoud van het informatieblad en de procedures en de informatie voor deposanten, ook met betrekking tot deposito’s van cliëntengelden en situaties waarin sprake is van terrorismefinanciering/witwassen van geld.

Er wordt een nieuw artikel 16 bis ingevoegd om de verslagleggingsregels te verduidelijken en de uitwisseling van informatie van de kredietinstelling naar de depositogarantiestelsels en van de depositogarantiestelsels en de aangewezen autoriteiten naar de EBA te verbeteren. Het is belangrijk dat het depositogarantiestelsel te allen tijde en op verzoek informatie ontvangt over door het depositogarantiestelsel gedekte deposito’s. Dit is noodzakelijk om het depositogarantiestelsel op doeltreffende wijze te laten functioneren, zoals gevraagd in deze richtlijn. Deze verslagleggingsvereisten zijn afgeleid van bestaande verplichtingen van banken om te zorgen voor onmiddellijke identificatie van deposito’s of vloeien voort uit de uitbreiding van de deposantenbescherming en zijn daarom niet in strijd met de algemene doelstelling om de administratieve lasten voor kredietinstellingen te verminderen. Voorts is het belangrijk dat de EBA naar behoren wordt geïnformeerd over situaties die zich voordoen en waarin het depositogarantiestelsel overeenkomstig deze richtlijn tot een interventie kan overgaan, om de EBA te ondersteunen bij haar taken om toe te zien op de financiële integriteit, stabiliteit en zekerheid van het Europese banksysteem. De EBA krijgt de opdracht om ontwerpen van technische uitvoeringsnormen te ontwikkelen met betrekking tot het model, de procedures en de inhoud van deze informatie.

De lidstaten moeten deze wijzigingen binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn omzetten. De nieuwe regels met betrekking tot de toepassing van waarborgen bij het gebruik van preventieve maatregelen door depositogarantiestelsels op grond van artikel 11 bis vereisen organisatorische veranderingen en een geleidelijke opbouw van operationele capaciteiten door depositogarantiestelsels en aangewezen autoriteiten, hetgeen een langere uitvoeringsperiode rechtvaardigt. Rekening houdend met de specifieke kenmerken van institutionele protectiestelsels die als depositogarantiestelsel worden erkend, kan deze uitvoeringsperiode verder worden verlengd.