Toelichting bij COM(2025)129 - Standpunt EU tijdens de tweede zitting van de Toezichthoudende Autoriteit, opgericht krachtens artikel XII van het Protocol van Luxemburg bij het Verdrag inzake internationale zekerheden op mobiel materieel betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Dit voorstel betreft de vaststelling van het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen tijdens de tweede zitting van de Toezichthoudende Autoriteit die is opgericht op grond van artikel 17 van het Verdrag inzake internationale zekerheden op mobiel materieel (het Verdrag van Kaapstad) en artikel XII van het Protocol bij het Verdrag van Kaapstad betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden, dat is vastgesteld te Luxemburg op 23 februari 2007 (het Protocol van Luxemburg), met betrekking tot de beoogde:

1. goedkeuring van de modelvoorschriften zoals gewijzigd op 13 november 2024 voor de toepassing van het Reglement voor het Internationaal Register van zekerheden op rollend materieel (de modelvoorschriften);

2. herziening van de statuten en procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit.

De tweede zitting van de Toezichthoudende Autoriteit van het Protocol van Luxemburg staat gepland op 23 april 2025 in Bern, Zwitserland.


Het Protocol van Luxemburg bij het Verdrag van Kaapstad

Achtergrond

Het Protocol bij het Verdrag inzake internationale zekerheden op mobiel materieel betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden (het Protocol van Luxemburg) werd aangenomen door een diplomatieke conferentie, gehouden in Luxemburg op 23 februari 2007, onder auspiciën van het Internationale Instituut voor de eenmaking van het privaatrecht (Unidroit) en de Intergouvernementele organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF).

Met het Protocol van Luxemburg wordt een wereldwijd rechtskader vastgesteld voor de erkenning, de prioriteiten en de uitoefening van de rechten van schuldeisers en verhuurders, die overeenkomstig artikel 16 van het Verdrag van Kaapstad in een internationaal register moeten worden ingeschreven.

Belangrijk is dat artikel XIV van het Protocol van Luxemburg voorziet in de invoering van een systeem voor de toekenning van identificatienummers door de bewaarder die de unieke identificatie van onderdelen van rijdend spoorwegmaterieel mogelijk maken.

Het Protocol brengt ook een gemeenschappelijk systeem tot stand voor de terugneming1 van activa bij wanbetaling of insolventie van de schuldenaar, met inachtneming van waarborgen van algemeen belang. Dit is nuttig met betrekking tot mobiel materieel dat over de grenzen heen wordt vervoerd, waardoor de huidige rechtsonzekerheid wordt vermeden wanneer een wet op grond waarvan het actief is gefinancierd, wordt aangevochten bij de rechtbanken van een ander rechtsgebied waar het actief zich bevindt. Door de risico’s voor financiers van spoorwegmaterieel te verminderen, zou het Protocol van Luxemburg meer particuliere kredietverstrekkers moeten aantrekken, wat resulteert in goedkopere financiering en de exploitanten keuzemogelijkheden biedt met betrekking tot kosten en financieringsvormen.

Het moet ook kapitaalinvesteringen aanmoedigen, die op hun beurt de productie van rijdend materieel bevorderen en de leasing van nieuw, modern rijdend materieel vergemakkelijken. In zijn conclusies van 3 juni 20212 heeft de Raad van de Europese Unie erkend dat “de sector grote investeringen in internationaal rollend materieel voor langeafstandsvervoer nodig heeft” en “dat de particuliere sector dringend moet investeren”, waarbij de lidstaten werden herinnerd aan “het bestaan van internationale overeenkomsten en verdragen die particuliere investeringen vergemakkelijken, zoals het Protocol van Luxemburg voor spoorwegen bij het Verdrag van Kaapstad [inzake internationale zekerheden op mobiel materieel]”.

Toetreding van de Europese Unie

De Europese Unie heeft op grond van haar bevoegdheden het Protocol van Luxemburg goedgekeurd overeenkomstig Besluit 2014/888/EU van de Raad van 4 december 2014 inzake de goedkeuring namens de Europese Unie van het Protocol bij het Verdrag inzake internationale zekerheden op mobiel materieel betreffende voor rijdend spoorwegmaterieel specifieke aangelegenheden, vastgesteld te Luxemburg op 23 februari 20073, met de status van regionale organisatie voor economische integratie (overeenkomstig artikel XXII van het Protocol van Luxemburg).

De bijlage bij Besluit 2014/888/EU van de Raad bevat een verklaring betreffende de bevoegdheid van de Europese Unie voor de aangelegenheden waarop het Protocol van Luxemburg van toepassing is, waarvoor de lidstaten hun bevoegdheid aan de Unie hebben overgedragen. Dit heeft betrekking op een aantal gebieden die verband houden met de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de uitvoering van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, insolventieprocedures en het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, en op sommige gebieden van het acquis voor het spoorvervoer, met name de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem, de werking van het Spoorwegbureau van de Europese Unie, het nummeringssysteem van rijdend spoorwegmaterieel en voertuigregistratie binnen de EU, die onder de volgende wetgeving van de Unie vallen:

- Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie4;

- Verordening (EU) 2016/796 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie5;

- Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie van 16 mei 2019 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie en verkeersleiding van het spoorwegsysteem in de Europese Unie6;

- Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad7.

Naast de Europese Unie zijn Luxemburg, Zweden en Spanje tot op heden de enige EU-lidstaten die momenteel ook partij zijn bij het Protocol van Luxemburg.


De Toezichthoudende Autoriteit

De Toezichthoudende Autoriteit is opgericht krachtens artikel 17 van het Verdrag van Kaapstad en artikel XII van het Protocol van Luxemburg. Haar taken en functies, zoals die voortvloeien uit de bepalingen van het Protocol van Luxemburg en artikel 17, lid 2, van het Verdrag van Kaapstad, zijn vermeld in artikel 5 van de statuten8 en bestaan in hoofdzaak uit administratieve en operationele taken.

Tijdens haar zevende (Bern, 23-24 november 2005) en twaalfde (Bern, 29-30 september 2015) Algemene Vergaderingen9 heeft de OTIF besloten de taken van het secretariaat van de Toezichthoudende Autoriteit over te nemen, in overeenstemming met artikel XII, lid 6, van het Protocol van Luxemburg.

Het lidmaatschap van de Toezichthoudende Autoriteit wordt bepaald in overeenstemming met artikel XII, lid 1, van het Protocol van Luxemburg. In punt a) is bepaald dat elke staat die partij is, lid moet zijn, met de mogelijkheid om elk een vertegenwoordiger aan te wijzen. In de punten b) en c) is bepaald dat respectievelijk Unidroit en de OTIF ten hoogste drie andere staten aanwijzen, waarvan de ambtstermijn uiterlijk twee jaar na de datum waarop het Protocol van Luxemburg in werking treedt, afloopt.


De beoogde handelingen van de Toezichthoudende Autoriteit

Naar verwachting zal de Toezichthoudende Autoriteit overeenkomstig artikel 5, lid 8, van haar statuten op 23 april 2025 tijdens haar tweede zitting onder andere de modelvoorschriften zoals gewijzigd op 13 november 2024 goedkeuren voor de toepassing van het reglement voor het Internationale Register van zekerheden op rollend materieel, en haar eigen statuten en procedureregels herzien, overeenkomstig artikel 12 van de statuten en artikel 18 van de procedureregels.

De modelvoorschriften leggen de methoden en verantwoordelijkheden vast voor het aanbrengen van een unieke identificatiecode uit het identificatiesysteem voor spoorwegvoertuigen (Urvis) op rijdend spoorwegmaterieel, zoals bedoeld in het Protocol van Luxemburg. Het standpunt van de Unie met betrekking tot de goedkeuring in de oorspronkelijke versie is vastgesteld in Besluit (EU) 2024/851 van de Raad. Deze voorschriften zijn vrijwillig, tenzij ze verplicht worden gesteld in specifieke wetten; in elk geval moet een partij de naleving van deze voorschriften bevestigen als zij een in het Internationale Register van het Protocol van Luxemburg opgenomen inschrijfbare zekerheid wil registreren of er begunstigde van wil zijn. Krachtens punt 4.2 van de modelvoorschriften moet een partij die door deze voorschriften wenst te worden gebonden, een verklaring afleggen10 en de bewaarder daarvan in kennis stellen.

Dit onderwerp – de markering van rijdend spoorwegmaterieel – wordt op Unieniveau geregeld door Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie, met name in aanhangsel H (Aanbrengen van het Europees voertuignummer en aanvullende letters op de wagenbak). Daarom kan de goedkeuring van deze modelvoorschriften een beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-wetgeving.

De statuten en procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit hebben betrekking op het volledige werkterrein van de Toezichthoudende Autoriteit, waaronder dus ook aangelegenheden waarvoor de Unie overeenkomstig de verklaring in de bijlage bij Besluit 2014/888/EU van de Raad exclusief bevoegd is, en de wijzigingen daarvan zullen rechtstreeks van invloed zijn op de deelname van de Unie aan dat orgaan11.

Zoals vermeld in Besluit (EU) 2024/851 van de Raad12, is de Europese Unie exclusief bevoegd met betrekking tot de statuten en procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit en de modelvoorschriften, overeenkomstig artikel 3, lid 2, VWEU.


Namens de Unie in te nemen standpunt

Goedkeuring van de modelvoorschriften zoals gewijzigd op 13 november 2024 voor de doeleinden van het reglement voor het Internationale Register van zekerheden op rollend materieel

Het Protocol van Luxemburg moet gebaseerd zijn op een duidelijk identificatie- en markeringssysteem voor rijdend spoorwegmaterieel op basis van internationale normen. Dit wordt erkend in artikel XIV (Identificatie van rijdend spoorwegmaterieel met het oog op inschrijving) in het Protocol van Luxemburg, dat zelf verwijst naar artikel 18, lid 1, punt a), van het Verdrag van Kaapstad. De modelvoorschriften bieden een kader voor de toekenning van de Urvis-identificatiecode en de markering ervan op rijdend spoorwegmaterieel. De Urvis-identificatiecode en de markering ervan op rijdend spoorwegmaterieel zijn een aanvulling op en hebben geen invloed op de bestaande nummeringssystemen die worden toegepast in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving inzake de toelating of exploitatie van rijdend spoorwegmaterieel, en vormen geen vervanging van het bestaande register of de bestaande informatiesystemen die in staten of groepen van staten worden gebruikt voor de exploitatie van rijdend spoorwegmaterieel, zoals, voor de Europese Unie, het EVR en het EVN, geregeld bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie.

De voorgestelde actualiseringen van die regels zijn klein en in het belang van de uitvoering van het Protocol van Luxemburg. De beoogde actualiseringen zorgen voor een redelijke aanpak die niet in strijd is met het relevante rechtskader van de Europese Unie. Daarom wordt voorgesteld de goedkeuring van de modelvoorschriften, zoals gewijzigd op 13 november 2024 (herziening 2), te steunen.

Herziening van de statuten en de procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit

In de statuten van de Toezichthoudende Autoriteit worden aspecten zoals de rechtspersoonlijkheid, de taken en het administratieve kader van de Toezichthoudende Autoriteit vastgelegd, zoals vereist door het Verdrag van Kaapstad en het Protocol van Luxemburg. De beoogde wijziging van de statuten is minimaal van aard en is in het belang van de Europese Unie, aangezien verduidelijkt wordt dat elke verwijzing in de statuten naar een staat die partij is ook betrekking heeft op regionale organisaties, en dat de EU dus dezelfde rol vervult als een staat die partij is. Zowel staten als regionale organisaties die het verdrag en het protocol hebben geratificeerd of ertoe zijn toegetreden, worden dus beschouwd als staten die partij zijn. Daarom wordt voorgesteld deze wijzigingen te steunen.

In de procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit worden aspecten als vergaderregels, vertegenwoordigingsregels, voorstellen, besluiten en stemprocedures vastgelegd.

Het standpunt van de Unie over de goedkeuring van de statuten en de vaststelling van de procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit in het kader van de eerste zitting van de Toezichthoudende Autoriteit is vastgesteld in Besluit (EU) 2024/851 van de Raad. De beoogde wijzigingen van de procedureregels betreffen een verduidelijking van de uitoefening van stemming met gekwalificeerde meerderheid en de organisatie van tussentijdse vergaderingen, waaronder spoedvergaderingen. Hoewel deze extra regels een goede zaak zijn, kan de mogelijkheid om documenten voor spoedvergaderingen slechts drie weken vóór de opening van de vergadering te verspreiden, aanzienlijke problemen opleveren voor de procedure voor de coördinatie van de standpunten van de Unie over de aangelegenheden die tijdens die vergaderingen worden besproken. Bovendien kan de opstelling van een niet-uitputtende lijst van dringende aangelegenheden bepaalde aangelegenheden automatisch een dringend karakter geven die, afhankelijk van de situatie, in de praktijk niet dringend zijn.

Daarom wordt voorgesteld de goedkeuring van de wijzigingen van de procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit te steunen, maar de wijziging van de termijnen voor de indiening van de documenten voor de vergadering te verwerpen en niet te specificeren welke aangelegenheden als dringend kunnen worden aangemerkt, om ervoor te zorgen dat de Unie de standpunten over aangelegenheden die voor haar van belang zijn doeltreffend kan coördineren.

2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Procedurele rechtsgrondslag

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”13.

De Toezichthoudende Autoriteit is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, namelijk het Verdrag van Kaapstad (artikel 17) en het Protocol van Luxemburg (artikel XII).

De handelingen die de Toezichthoudende Autoriteit moet vaststellen, zijn handelingen met rechtsgevolgen. De goedkeuring van de modelvoorschriften kan beslissende invloed hebben op de inhoud van EU-wetgeving, namelijk Richtlijn (EU) 2016/797, Uitvoeringsverordening (EU) 2019/773 van de Commissie en Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie.

De goedkeuring van de herziene statuten en procedureregels van de Toezichthoudende Autoriteit zal rechtsgevolgen hebben doordat die een aanzienlijke invloed zal hebben op de deelname van de Unie aan de werking van het Protocol van Luxemburg, die is vastgesteld in Besluit 2014/888/EU van de Raad.

De beoogde handelingen strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.


Materiële rechtsgrondslag

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

De hoofddoelstelling en de inhoud van de geplande handeling hebben betrekking op het spoorvervoer. De materiële rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is derhalve artikel 91 VWEU.

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 91 VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.