Toelichting bij COM(2024)614 -

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

dossier COM(2024)614 - .
bron COM(2024)614
datum 19-06-2024
Aanbeveling voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

inzake het economisch, sociaal, werkgelegenheids-, structuur- en begrotingsbeleid van Letland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad1, en met name artikel 3, lid 3,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

1.

Overwegende hetgeen volgt:


Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad2, waarbij de herstel- en veerkrachtfaciliteit werd ingesteld, is op 19 februari 2021 in werking getreden. De herstel- en veerkrachtfaciliteit biedt de lidstaten financiële ondersteuning voor de uitvoering van hervormingen en investeringen, die worden gerealiseerd met budgettaire stimulansen door de EU. In overeenstemming met de prioriteiten van het Europees Semester draagt zij bij tot het economisch en sociaal herstel en de uitvoering van duurzame hervormingen en investeringen, met name om de groene en de digitale transitie te bevorderen en de economieën van de lidstaten veerkrachtiger te maken. Zij helpt ook de overheidsfinanciën te versterken en de groei en werkgelegenheid op middellange en lange termijn te stimuleren, de territoriale cohesie binnen de EU te verbeteren en de verdere uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten te ondersteunen.

De REPowerEU-verordening3, die op 27 februari 2023 is vastgesteld, heeft tot doel de EU geleidelijk onafhankelijker te maken van de invoer van Russische fossiele brandstoffen. Dit zou moeten bijdragen tot energiezekerheid en de diversificatie van de energievoorziening van de EU en tegelijkertijd het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, de opslagcapaciteit voor energie en de energie-efficiëntie vergroten. Letland heeft een nieuw REPowerEU-hoofdstuk toegevoegd aan zijn nationale herstel- en veerkrachtplan om belangrijke hervormingen en investeringen te financieren die de REPowerEU-doelstellingen helpen verwezenlijken.

Op 16 maart 2023 heeft de Commissie de mededeling “Concurrentievermogen van de EU op lange termijn: blik op de periode na 2030”4 gepubliceerd, als basis voor beleidsbeslissingen en met als doel te werken aan een groeibevorderend regelgevingskader. De mededeling schetst het concurrentievermogen rond negen elkaar versterkende aanjagers. Deze aanjagers zijn onder meer de toegang tot particulier kapitaal, onderzoek en innovatie, onderwijs en vaardigheden, en de eengemaakte markt als de belangrijkste beleidsprioriteiten voor hervormingen en investeringen om de huidige productiviteitsuitdagingen aan te pakken en het concurrentievermogen van de EU en haar lidstaten op lange termijn op te bouwen. Volgend op deze mededeling heeft de Commissie op 14 februari 2024 het jaarverslag over de eengemaakte markt en het concurrentievermogen5 gepubliceerd. In dat verslag worden de sterke punten van en uitdagingen voor de eengemaakte markt van de EU uiteengezet, waarbij de jaarlijkse ontwikkelingen worden gevolgd aan de hand van de negen aanjagers van het concurrentievermogen.

Op 21 november 2023 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse duurzamegroeianalyse 20246 en daarmee de aanzet gegeven tot de cyclus 2024 van het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid. De Europese Raad heeft op 22 maart 2024 zijn goedkeuring gehecht aan de prioriteiten van de analyse rond de vier dimensies van concurrerende duurzaamheid. Op 21 november 2023 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag 2024 aangenomen, waarin zij Letland niet heeft genoemd als een van de lidstaten die mogelijk door onevenwichtigheden is geraakt of het risico loopt daardoor geraakt te worden, en waarvoor een diepgaande evaluatie nodig zou zijn. Op dezelfde datum heeft de Commissie een advies goedgekeurd over het ontwerpbegrotingsplan 2024 van Letland. De Commissie heeft ook een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone goedgekeurd, die de Raad op 12 april 2024 heeft aangenomen, alsook het voorstel voor het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2024 waarin de uitvoering van de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten wordt geanalyseerd, dat de Raad op 11 maart 2024 heeft aangenomen.

Op 30 april 2024 is het nieuwe EU-kader voor economische governance in werking getreden. Het kader omvat de nieuwe Verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad. Het bevat ook de gewijzigde Verordening (EG) nr. 1467/97 over de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten en de gewijzigde Richtlijn 2011/85/EU over de begrotingskaders van de lidstaten7. Het nieuwe kader beoogt het houdbaarder maken van de overheidsschuld en duurzame en inclusieve groei door middel van geleidelijke begrotingsconsolidatie en hervormingen en investeringen. Het bevordert de nationale verantwoordelijkheid en heeft een grotere focus op de middellange termijn, in combinatie met een meer doeltreffende en coherentere handhaving. Elke lidstaat moet bij de Raad en de Commissie een nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn indienen. De nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn bevatten de budgettaire, hervormings- en investeringsverbintenissen van een lidstaat, die een planningsperiode van vier of vijf jaar bestrijken, afhankelijk van de normale duur van de nationale zittingsperiode. Het netto-uitgaventraject8 in de nationale budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn moet voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) 2024/1263, met inbegrip van de vereisten om de overheidsschuld uiterlijk aan het einde van de aanpassingsperiode op een plausibel neerwaarts pad te brengen of te houden, of om op een prudent niveau onder 60 % van het bbp te blijven, en om het overheidstekort op middellange termijn onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp te brengen en/of te handhaven. Wanneer een lidstaat zich overeenkomstig de criteria van Verordening (EU) 2024/1263 verbindt tot een relevante reeks hervormingen en investeringen, kan de aanpassingsperiode met ten hoogste drie jaar worden verlengd. Ter ondersteuning van de voorbereiding van die plannen moet de Commissie de lidstaten op [21 juni] 2024 richtsnoeren verstrekken over de inhoud van de plannen en de daaropvolgende jaarlijkse voortgangsverslagen die zij moeten indienen, en zal zij hun overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2024/1263 technische richtsnoeren over de begrotingsaanpassingen toezenden (referentietrajecten en technische informatie indien van toepassing). Lidstaten moeten hun budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn uiterlijk op 20 september 2024 indienen, tenzij de lidstaat en de Commissie een redelijke verlenging van de termijn overeenkomen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun nationale parlementen hierbij worden betrokken en dat onafhankelijke begrotingsinstellingen, sociale partners en andere nationale belanghebbenden worden geraadpleegd, naargelang het geval.

In 2024 blijft het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid evolueren in overeenstemming met de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit. De volledige uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen blijft essentieel voor de verwezenlijking van de beleidsprioriteiten in het kader van het Europees Semester, aangezien de plannen daadwerkelijk helpen bij het aanpakken van alle of een aanzienlijk deel van de problemen die zijn aangehaald in de relevante landspecifieke aanbevelingen die in de afgelopen jaren zijn gedaan. De landspecifieke aanbevelingen 2019, 2020, 2022 en 2023 blijven ook relevant voor herstel- en veerkrachtplannen die worden herzien, bijgewerkt of gewijzigd overeenkomstig de artikelen 14, 18 en 21 van Verordening (EU) 2021/241.

Op 30 april 2021 heeft Letland in overeenstemming met artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) 2021/241 zijn herstel- en veerkrachtplan ingediend bij de Commissie. Krachtens artikel 19 van Verordening (EU) 2021/241 heeft de Commissie de relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie en samenhang van het herstel- en veerkrachtplan beoordeeld overeenkomstig de beoordelingsrichtsnoeren van bijlage V bij die verordening. Op 13 juli 2021 heeft de Raad zijn besluit betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor Letland aangenomen9, dat werd gewijzigd op 8 december 2023 overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) 2021/241 om de maximale financiële bijdrage voor niet-terugbetaalbare financiële steun bij te werken, en het REPowerEU-hoofdstuk op te nemen10. De tranches worden vrijgegeven mits de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 5, van Verordening (EU) 2021/241 besluit dat Letland de desbetreffende mijlpalen en streefdoelen die in het uitvoeringsbesluit van de Raad zijn vastgelegd, op bevredigende wijze heeft verwezenlijkt. Onder bevredigende verwezenlijking wordt begrepen dat de verwezenlijking van eerdere mijlpalen en streefdoelen niet is teruggedraaid.

Op 14 mei 2024 heeft Letland zijn nationale hervormingsprogramma 2024 ingediend en op 30 april 2024 zijn stabiliteitsprogramma 2024, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1466/97.

De Commissie heeft op 19 juni 2024 het landverslag 2024 voor Letland11 gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Letland heeft geboekt bij de uitvoering van de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen die de Raad tussen 2019 en 2023 heeft vastgesteld en werd de balans opgemaakt van de uitvoering door Letland van het herstel- en veerkrachtplan. Op basis van deze analyse werden in het landverslag lacunes vastgesteld met betrekking tot de uitdagingen die niet of slechts gedeeltelijk worden aangepakt in het herstel- en veerkrachtplan, alsook nieuwe en opkomende uitdagingen. Ook werd de vooruitgang beoordeeld die Letland heeft geboekt bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en bij de verwezenlijking van de kerndoelen van de EU inzake werkgelegenheid, vaardigheden en armoedebestrijding, alsook bij de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN.

Volgens door Eurostat gevalideerde gegevens12 is het tekort van de algemene overheid van Letland gedaald van 4,6 % van het bbp in 2022 tot 2,2 % in 2023, terwijl de overheidsschuld is gestegen van 41,8 % van het bbp eind 2022 tot 43,6 % eind 2023.

Op 12 juli 2022 heeft de Raad aanbevolen13 dat Letland actie onderneemt om er in 2023 voor te zorgen dat de groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven in overeenstemming is met een algemeen neutrale beleidskoers14, rekening houdend met de aanhoudende tijdelijke en gerichte steun aan huishoudens en bedrijven die het meest kwetsbaar zijn voor stijgingen van de energieprijzen en aan mensen die Oekraïne ontvluchten. Letland moest klaarstaan om de lopende uitgaven aan te passen aan de veranderende situatie. Letland werd ook aanbevolen de overheidsinvesteringen voor de groene en digitale transitie en voor energiezekerheid uit te breiden, met inachtneming van het REPowerEU-initiatief, onder meer door gebruik te maken van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere fondsen van de Unie. Volgens ramingen van de Commissie was de begrotingskoers15 in 2023 expansief, met 0,5 % van het bbp, tegen een achtergrond van hoge inflatie. De groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven (ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde) in 2023 heeft een expansieve bijdrage aan de begrotingskoers van 1,1 % van het bbp geleverd. Dit omvat de verminderde kosten van de gerichte noodsteunmaatregelen voor huishoudens en bedrijven die het meest kwetsbaar zijn voor stijgingen van de energieprijzen met 0,4 % van het bbp. De expansieve bijdrage van nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven in 2023 was dus niet toe te schrijven aan de gerichte noodmaatregelen voor huishoudens en bedrijven die het meest kwetsbaar zijn voor stijgingen van de energieprijzen. De groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven (ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde) was toe te schrijven aan verhogingen van de lonen in de publieke sector en sociale uitkeringen. Kortom, de geraamde groei van de nationaal gefinancierde primaire lopende uitgaven in 2023 was niet in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad. In 2023 bedroegen de met subsidies uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen gefinancierde uitgaven 1,5 % van het bbp. De nationaal gefinancierde investeringen bedroegen 3,3 % van het bbp in 2023, een jaarlijkse daling van 0,1 procentpunten ten opzichte van 2022. Letland financierde aanvullende investeringen via de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen. Het deed overheidsinvesteringen voor de groene en de digitale transitie en voor energiezekerheid, bijvoorbeeld de aankoop van elektrische voertuigen voor het openbaar vervoer, de verbetering van de energie-efficiëntie in gebouwen met meerdere appartementen en bedrijfspanden, de modernisering van de elektriciteitstransmissie- en -distributienetwerken, de centralisering van digitale bestuursplatforms en -systemen in de overheidssector, de ontwikkeling van digitale vaardigheden en de digitalisering van processen in bedrijven, de ontwikkeling van breedbandinfrastructuur en de bevordering van digitalisering in de onderwijssector, die grotendeels worden gefinancierd door de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen.

De belangrijkste prognoses in het stabiliteitsprogramma 2024 kunnen als volgt worden samengevat. Het macro-economische scenario dat aan de begrotingsprognoses ten grondslag ligt, gaat ervan uit dat het reële bbp in 2024 met 1,4 % en in 2025 met 2,9 % zal groeien, terwijl wordt uitgegaan van een GICP-inflatie van 1,6 % in 2024 en 2,5 % in 2025. Het overheidstekort zal met het huidige beleid16 in het stabiliteitsprogramma 2024 naar verwachting toenemen tot 2,9 % van het bbp in 2024 en dalen tot 2,7 % in 2025, terwijl de overheidsschuldquote naar verwachting zal stijgen tot 45,2 % eind 2024 en 46,3 % eind 2025. Het overheidstekort zal naar verwachting na 2025 dalen tot 2,2 % van het bbp in 2026, ,2,0 % in 2027 en 1,7 % in 2028. Daarom zal de overheidsbalans binnen de looptijd van het programma naar verwachting onder de tekortreferentie van 3 % van het bbp blijven. De overheidsschuldquote zal daarentegen na 2025 naar verwachting dalen tot 46,2 % van het bbp in 2026, stijgen tot 48,8 % in 2027 en dalen tot 48,2 % in 2028.

Volgens de voorjaarsprognoses 2024 van de Commissie zal het reële bbp in 2024 groeien met 1,7 % en in 2025 met 2,6 %, met een GICP-inflatie van 1,6 % in 2024 en 2,0 % in 2025.

In de voorjaarsprognoses 2024 van de Commissie wordt uitgegaan van een overheidstekort van 2,8 % van het bbp in 2024, terwijl de overheidsschuldquote naar verwachting zal stijgen tot 44,5 % eind 2024. In 2024 zal het effect van de volledige uitfasering van energiegerelateerde maatregelen tegen eind 2023 ruimschoots worden gecompenseerd door extra uitgaven voor de verhoging van de overheidssalarissen voor leerkrachten en administratie, gezondheidszorg en onderwijs en aanvullende betalingen aan gepensioneerden. De ontwikkeling van technische infrastructuur aan de grens van het land zal bijdragen tot een stijging van de uitgaven voor overheidsinvesteringen. De invoering van voorafbetalingen voor de vennootschapsbelasting uit de financiële sector, een verhoging van de tarieven voor verschillende accijnsproducten en aanvullende dividenduitkeringen van staatsbedrijven zullen naar verwachting een bescheiden stijging van de inkomsten opleveren. Op basis van de ramingen van de Commissie zal de begrotingskoers in 2024 naar verwachting expansief zijn, met 0,9 % van het bbp.

Volgens de voorjaarsprognoses 2024 van de Commissie zullen in 2024 uitgaven ten belope van 1,6 % van het bbp worden gefinancierd met niet-terugbetaalbare steun (subsidies) uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit, tegenover 0,4 % van het bbp in 2023. Uitgaven die met subsidies uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit worden gefinancierd, zullen hoogwaardige investeringen en productiviteitsverhogende hervormingen mogelijk maken zonder rechtstreekse gevolgen voor het overheidssaldo en de overheidsschuld van Letland.

Op 14 juli 2023 heeft de Raad Letland aanbevolen17 een voorzichtig begrotingsbeleid te voeren, met name door de nominale stijging van de netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven18 in 2024 te beperken tot 3,0 %. Bij het uitvoeren van hun begroting 2023 en het opstellen van hun ontwerpbegrotingsplan voor 2024 werden de lidstaten verzocht er rekening mee te houden dat de Commissie aan de Raad zou voorstellen op het tekort gebaseerde buitensporigtekortprocedures in te leiden op basis van de begrotingsresultaten voor 2023. Volgens de voorjaarsprognoses 2024 van de Commissie nemen de netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven van Letland in 2024 toe met 4,9 %, hetgeen meer dan de aanbevolen maximale groei is. Deze overschrijding van de aanbevolen maximale groei van de netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven komt overeen met 0,7 % van het bbp in 2024. De netto-uitgaven in 2023 waren echter lager dan ten tijde van de aanbeveling werd verwacht (verschil van 0,9 % van het bbp). Aangezien de aanbeveling voor 2024 als groeipercentage werd geformuleerd, moet bij de beoordeling van de naleving ook het basiseffect van 2023 in aanmerking worden genomen. Indien de netto-uitgaven in 2023 gelijk zouden zijn geweest aan die welke ten tijde van de aanbeveling werden verwacht, zou het resulterende groeipercentage van de netto-uitgaven in 2024 0,2 % van het bbp onder het aanbevolen groeipercentage liggen. In het algemeen wordt geoordeeld dat het risico bestaat dat de netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven niet volledig met de aanbeveling in overeenstemming zijn.

Bovendien heeft de Raad Letland aanbevolen om de van kracht zijnde noodsteunmaatregelen voor energie zo snel mogelijk af te bouwen in 2023 en 2024 en de daarmee gepaard gaande besparingen te gebruiken om het overheidstekort terug te dringen. De Raad heeft verder aangegeven dat indien nieuwe energieprijsstijgingen nieuwe of voortgezette steunmaatregelen vereisen, Letland ervoor moet zorgen dat deze gericht zijn op de bescherming van kwetsbare huishoudens en bedrijven, budgettair haalbaar zijn en stimulansen voor energiebesparing blijven bieden. Volgens de voorjaarsprognoses 2024 van de Commissie worden de netto begrotingskosten19 van de noodsteunmaatregelen voor energie geraamd op 1,0 % van het bbp in 2023, en 0,0 % van het bbp in 2024 en in 2025. Indien de daarmee gepaard gaande besparingen worden gebruikt om het overheidstekort terug te dringen, zoals aanbevolen door de Raad, zouden deze prognoses een begrotingsaanpassing van 1,0 % van het bbp in 2024 impliceren, terwijl de netto nationaal gefinancierde primaire uitgaven20 een contractieve bijdrage aan de begrotingskoers van 0,5 % van het bbp in dat jaar leveren. De verwachting is dat de noodsteunmaatregelen voor energie zo snel mogelijk zullen worden afgebouwd in 2023 en 2024. Dit is in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad. De daarmee gepaard gaande besparingen zullen naar verwachting echter niet volledig worden gebruikt om het overheidstekort terug te dringen. Daardoor bestaat het gevaar dat afgeweken wordt van de aanbeveling van de Raad.

Daarnaast heeft de Raad Letland ook aanbevolen nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen in stand te houden en te zorgen voor een doeltreffende absorptie van subsidies uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen, met name om de groene en de digitale transitie te bevorderen. Volgens de voorjaarsprognoses 2024 van de Commissie zullen de nationaal gefinancierde overheidsinvesteringen naar verwachting toenemen tot 3,4 % van het bbp in 2024 (tegenover 3,3 % van het bbp in 2023). Dit is in overeenstemming met wat de Raad heeft aanbevolen.

Op basis van de op de afsluitdatum van de prognose bekende beleidsmaatregelen en uitgaand van ongewijzigd beleid, wordt in de voorjaarsprognose 2024 van de Commissie uitgegaan van een overheidstekort van 2,9 % van het bbp in 2025. De overheidsschuldquote zou tegen eind 2025 stijgen tot 46,3 %. De stijging van de schuldquote in 2025 is voornamelijk het gevolg van een positieve stock-flow adjustment en het overheidstekort.

De belastinginkomsten van Letland als percentage van het bbp blijven aanzienlijk onder het EU-gemiddelde, waardoor de middelen zijn voor openbare diensten., met name voor gezondheidszorg en sociale bescherming, beperkt zijn. In 2022 daalde het aandeel van de belastinginkomsten tot 30,3 % van het bbp (40,2 % van het bbp in de EU), het laagste niveau van de afgelopen 3 jaar. Wat betreft de belastinggebieden die minder nadelig zijn voor de groei, met name de belasting op kapitaal en onroerend goed, scoort Letland nog steeds onder het EU-gemiddelde. De inkomsten uit de vennootschapsbelasting herstellen zich geleidelijk na de scherpe neerwaartse correctie na de hervorming van 2018, terwijl de kadastrale hervorming om de huidige marktwaarden tot uiting te laten komen in de onroerendgoedbelasting nog niet is goedgekeurd. De relatief lage inkomsten uit de belasting op arbeid, ondanks de relatief hoge belastingtarieven, wijzen erop dat er potentieel is om de inkomsten uit belastingen op arbeid te verhogen. Dit vereist aanhoudende inspanningen om de naleving van de belastingwetgeving te verbeteren en de economische activiteit van de schaduweconomie naar de formele economie te verschuiven. Ondertussen blijven de armoede en de inkomensongelijkheid in Letland hoog. Letland heeft in de EU een van de hoogste percentages mensen die met armoede en sociale uitsluiting worden bedreigd, een van de hoogste armoederisico’s voor ouderen en sommige van de laagste pensioenen in vergelijking met de lonen. Bovendien ligt de inkomensongelijkheid nog steeds aanzienlijk boven het EU-gemiddelde. De versnippering van de sociale steun op gemeentelijk niveau, de slechte kwaliteit en de beperkte beschikbaarheid van bestaande sociale huisvesting en de aanzienlijke sociaal-economische verschillen tussen regio’s blijven uitdagingen vormen voor de sociale inclusie en de arbeidsmarkt. De overheidsuitgaven voor gezondheidszorg in Letland behoren nog steeds tot de laagste in de EU, wat leidt tot een hoog niveau van onvervulde zorgbehoeften en zwakke gezondheidsresultaten. De afgelopen jaren zijn de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg en sociale steun tijdelijk gestegen tegen de achtergrond van crisissteun tijdens de pandemie en andere aanvullende begrotingstoewijzingen op ad-hocbasis. Volgens de begroting 2024 zullen de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg echter dalen tot het niveau van 2020 (4,7 % van het bbp) en zullen de uitgaven voor sociale bescherming dalen tot onder het niveau van 2020 (12,4 % van het bbp gepland in 2024, tegen 13,3 % in 2020). De middellangetermijnplannen voorzien in een verdere vermindering van de overheidsuitgaven voor gezondheidszorg, die in 2028 zouden dalen tot 4,1 %, terwijl de overheidsuitgaven voor sociale bescherming naar verwachting geleidelijk zullen stijgen tot 13,8 % van het bbp in 2028.

Overeenkomstig artikel 19, lid 3, punt b), van en criterium 2.2 van bijlage V bij Verordening (EU) 2021/241 bevat het herstel- en veerkrachtplan een uitgebreide reeks elkaar versterkende hervormingen en investeringen die uiterlijk in 2026 moeten zijn uitgevoerd. Daarvan wordt verwacht dat zij helpen bij het doeltreffend aanpakken van alle of een aanzienlijk deel van de uitdagingen die in de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen (LSA’s) zijn vastgesteld. Om het concurrentievermogen van Letland op lange termijn te stimuleren door middel van de groene en de digitale transitie, en tegelijkertijd sociale rechtvaardigheid te waarborgen, is het van essentieel belang om binnen deze krappe termijn snel werk te maken van de doeltreffende uitvoering van het plan, inclusief het REPowerEU-hoofdstuk. Om de toezeggingen in het plan uiterlijk in augustus 2026 na te komen, moet Letland de hervormingen en investeringen verder doorvoeren. De systematische betrokkenheid van lokale en regionale autoriteiten, sociale partners, het maatschappelijk middenveld en andere relevante belanghebbenden blijft belangrijk om te zorgen voor een breed draagvlak voor de uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan.

Als onderdeel van de tussentijdse evaluatie van de cohesiefondsen moet Letland overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) 2021/1060 uiterlijk in maart 2025 elk programma evalueren, en daarbij onder meer rekening houden met de uitdagingen die zijn vermeld in de landspecifieke aanbevelingen van 2024 en zijn nationale energie- en klimaatplan. Die evaluatie is de basis voor de definitieve toewijzing van de in elk programma opgenomen EU-financiering. Letland heeft vooruitgang geboekt bij de uitvoering van het cohesiebeleid en de Europese pijler van sociale rechten, maar er blijven uitdagingen bestaan en er blijft sprake van aanzienlijke regionale verschillen tussen de hoofdstad Riga en de rest van Letland, met name Latgale in het oosten. Een snellere uitvoering van de programma’s van het cohesiebeleid is van cruciaal belang. De in het programma overeengekomen prioriteiten blijven relevant. Het is belangrijk ondersteuning te bieden voor het vermogen van bedrijven om te innoveren en te digitaliseren om de productiviteit te verhogen. Het ondersteunen van energie-efficiëntiemaatregelen in gebouwen en bedrijven blijft een prioriteit. Het is evenzeer belangrijk te zorgen voor tijdige gelijke toegang tot gezondheidsdiensten en -infrastructuur, sociale diensten van goede kwaliteit, met inbegrip van sociale huisvesting, en de overgang naar zelfstandig wonen en gemeenschapsgebaseerde zorg voort te zetten. Activering, omscholing en bijscholing van werklozen en stimulering van de arbeidsmarktparticipatie van ondervertegenwoordigde groepen blijven een prioriteit. Het verbeteren van de kwaliteit en inclusiviteit van het onderwijs in combinatie met bij- en omscholing van de volwassen bevolking moet worden voortgezet. In het kader van de tussentijdse evaluatie van de programma’s van het cohesiebeleid moet specifiek aandacht worden besteed aan de bestaande regionale verschillen en het waarborgen van een adequaat investeringsniveau op het gebied van materiële deprivatie (met inbegrip van voedselhulp en materiële bijstand). Letland zou ook het platform voor strategische technologieën voor Europa kunnen gebruiken om de transformatie van de industrie te ondersteunen, met de nadruk op slimme en hernieuwbare energie (bv. windenergieparken op zee) indien internationale investeerders belangstelling hebben, alsook op kennisintensieve bio-economie en biotechnologie.

Naast de economische en sociale uitdagingen die met het herstel- en veerkrachtplan en andere EU-middelen worden aangepakt, heeft Letland te maken met verschillende extra uitdagingen in verband met het ondernemingsklimaat, het tekort aan arbeidskrachten en vaardigheden en de transitie naar schoen energie en een groene economie.

Met 14,9 % van het bbp in 2022 liggen de bedrijfsinvesteringen in Letland iets onder het niveau van Estland met 16,5 % van het bbp en iets hoger dan de 13,1 % van het bbp in Litouwen. Het niveau van de netto particuliere investeringen is echter nog steeds een van de laagste in de EU, namelijk 0,5 % in de afgelopen 5 jaar, tegenover een EU-gemiddelde van 3,5 %. Uit de resultaten van de investeringsenquête van de EIB van 2023 blijkt dat particuliere investeringen worden beïnvloed door grote onzekerheid, het gebrek aan gekwalificeerd personeel en hoge energiekosten. In 2023 beschouwde 77 % van de Letse ondernemingen bedrijfsvoorschriften als een langetermijnbelemmering voor investeringen, een van de hoogste percentages in de EU. Bovendien was de kredietverlening door banken zwak, wat een verdere belemmering vormde voor bedrijfsinvesteringen. Kleine en middelgrote ondernemingen vinden het bijzonder moeilijk om krediet te krijgen. Dit is deels te wijten aan hun hogere kredietrisico, maar ook aan de hoge kredietkosten, strenge zekerheidsvereisten en administratieve lasten. De banksector is geconcentreerd, wat leidt tot zwakke concurrentie tussen banken, een van de factoren achter de hoge rentetarieven. Verdere inspanningen om de concurrentie in de banksector te vergroten, onder meer door een grotere transparantie van de rentetarieven en andere kosten in verband met leningen, zouden de kredietverlening op middellange termijn bevorderen. Bovendien zouden overheidskrediet- en/of -garantieregelingen voor strategisch belangrijke investeringsgebieden zoals de groene transitie en regionale ontwikkeling de daadwerkelijke concurrentie op de bankenmarkt kunnen vergroten. Bovendien zou het stimuleren van de beschikbaarheid van andere financieringsbronnen dan banken nuttig zijn voor de bedrijfsinvesteringen. De schaduweconomie is al lang een probleem voor het ondernemingsklimaat, en belemmert investeringen, de ontwikkeling van vaardigheden en daarmee het concurrentievermogen op lange termijn. Volgens Letse bedrijfsorganisaties wordt daardoor de concurrentie verstoord en worden bedrijven gestimuleerd om klein te blijven. De prevalentie van de schaduweconomie en de zwakke bedrijfsbalansen vormen volgens de Letse banken bovendien een belangrijk obstakel voor een hogere kredietverlening aan bedrijven.

Het tekort aan arbeidskrachten en vaardigheden in Letland neemt toe. In combinatie met demografische uitdagingen en de afname van de beroepsbevolking vormt dit een uitdaging voor het concurrentievermogen van het land. In 2023 deden de grootste tekorten aan arbeidskrachten zich voor in wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM), sectoren die zeer relevant zijn voor productiviteitswinsten, alsook in de groene en de digitale transitie. Tegen 2030 worden de voornaamste tekorten verwacht in engineering, productie en bouw, wetenschap, wiskunde en IT. Daarnaast heeft Letland nog steeds te kampen met tekorten in de gezondheidszorg en de sociale zorg. Het gebrek aan geschoolde arbeidskrachten wordt door 91 % van de Letse bedrijven genoemd als een belemmering voor investeringen, wat boven het EU-gemiddelde van 81 % ligt. Het lage percentage afgestudeerden in technologie, engineering en wetenschap en het daaruit voortvloeiende gebrek aan onderzoekers op deze gebieden, vormen een van de belangrijkste belemmeringen voor de versterking van de Letse onderzoeks- en innovatiecapaciteit, met name in de particuliere sector. Hoogwaardige onderwijs- en opleidingsstelsels die zijn afgestemd op de veranderende behoeften van de arbeidsmarkt en doelgerichte bij- en omscholingsmaatregelen zijn van cruciaal belang om de tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden te verminderen, het concurrentievermogen van het land te verbeteren en de digitale en groene transitie te stimuleren. Hoewel recente hervormingen beroepsonderwijs en -opleiding flexibeler en aantrekkelijker hebben gemaakt, zijn verdere inspanningen nodig om het opleidingsaanbod te moderniseren en te verbeteren. Om het onbenutte aanbod aan arbeidskrachten te ontsluiten, moeten opleidingsmaatregelen toegankelijk zijn, ook voor laaggeschoolden en in alle regio’s.

Het percentage energie uit hernieuwbare bronnen in Letland is een van de hoogste in de EU. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de productie van elektriciteit uit waterkrachtcentrales en het grootschalige gebruik van biomassa, voornamelijk in de verwarmingssector. Er is ruimte om de hernieuwbare-energiemix van het land verder te diversifiëren. In 2022 en 2023 steeg de geïnstalleerde capaciteit voor zonne- en windenergie in Letland, maar deze capaciteit blijft aanzienlijk lager dan in Estland en Litouwen. Om zijn aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik van energie te verhogen, zou Letland met name baat hebben om in te zetten op wind- en zonne-energie en de productie uit deze bronnen op te voeren. Ondanks enkele beperkte maatregelen die in het kader van het nationale herstel- en veerkrachtplan zijn gepland, zijn extra inspanningen nodig om de resterende belemmeringen bij het verlenen van vergunningen voor de bouw of installatie van installaties voor de opwekking van wind- en zonne-energie weg te nemen. Bovendien zou Letland verdere maatregelen kunnen nemen om flexibiliteit aan de vraagzijde te bevorderen, zoals energieopslag in handen van eindverbruikers en deelname aan gedistribueerde energiebronnen en aan balancerings- en flexibiliteitsdiensten. Ook zouden de rollen van bepaalde spelers op de energiemarkt, zoals aggregatoren van de kleinschalige vraag, duidelijk kunnen worden omschreven. Los daarvan overschrijden de aanvragen voor vergunningen om installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie op het net aan te sluiten aanzienlijk de beschikbare capaciteit van het elektriciteitsnet, en daarom is de afgifte van nieuwe vergunningen sinds juli 2023 stopgezet. Hieruit blijkt dat er ruimte is voor verdere regelgeving.

Letland moet sneller vooruitgang boeken in de richting van een circulaire economie om de doelstellingen van de EU op het gebied van de circulaire economie te verwezenlijken. De indicatoren voor duurzame economische groei liggen onder het EU-gemiddelde en de materiële voetafdruk van het land wordt groter. Letland presteert gemiddeld op het gebied van eco-innovatie en zou baat hebben bij het versnellen van de invoering van circulaire bedrijfsmodellen en het stimuleren van investeringen in eco-innovatie om de hulpbronnenefficiëntie en het concurrentievermogen te vergroten. Letland heeft vooruitgang geboekt met zijn afvalbeheersysteem, maar stort nog steeds meer dan de helft van zijn stedelijk afval.

Aangezien de economieën van de lidstaten van de eurozone in hoge mate met elkaar zijn verweven en zij collectief bijdragen tot de werking van de economische en monetaire unie, heeft de Raad in 2024 de lidstaten van de eurozone aanbevolen actie te ondernemen, onder meer via hun herstel- en veerkrachtplannen, teneinde uitvoering te geven aan de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone. Voor Letland dragen de aanbevelingen 1, 2, 3 en 4 bij tot de uitvoering van de eerste, tweede, derde en vierde aanbeveling voor de eurozone.

2.

BEVEELT AAN dat Letland in 2024 en 2025 de volgende actie onderneemt:


1. het budgettair-structurele plan voor de middellange termijn tijdig in te dienen. Overeenkomstig de vereisten van het hervormde stabiliteits- en groeipact de groei van de netto-uitgaven21 in 2025 te beperken tot een percentage dat verenigbaar is met het behoud van het overheidstekort onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp en de overheidsschuld op middellange termijn op een prudent niveau te handhaven. De belastingheffing, ook op kapitaal en onroerend goed, uit te breiden en de toereikendheid van de gezondheidszorg en de sociale bescherming te versterken;

2. door te gaan met de snelle en doeltreffende uitvoering van het herstel- en veerkrachtplan, met inbegrip van het REPowerEU-hoofdstuk, en ervoor te zorgen dat de hervormingen en investeringen uiterlijk in augustus 2026 worden voltooid. De uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s te versnellen. Bij de tussentijdse evaluatie aandacht te blijven besteden aan de overeengekomen prioriteiten, actie te ondernemen om de aanhoudende verschillen en ongelijkheden aan te pakken, daarbij de mogelijkheden die het platform voor strategische technologieën voor Europa biedt om het concurrentievermogen te verbeteren, in overweging nemend;

3. het ondernemingsklimaat te verbeteren door de administratieve en regelgevingslasten voor ondernemingen te verminderen en de toegang tot financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen te verbeteren, onder meer door middel van overheidskrediet- en -garantieregelingen die erop gericht zijn investeringen van strategisch belang te vergemakkelijken en de concurrentie op de financiële markten te stimuleren. Tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden aan te pakken, met name in STEM, en in andere specialisaties die nodig zijn voor de groene en digitale transitie, alsook in de sociale en de gezondheidszorg, onder meer door middel van gerichte bij- en omscholing;

4. de uitrol van wind- en zonne-energie te versnellen door de vergunningsprocedures te verbeteren en flexibiliteit aan de vraagzijde te bevorderen. De overgang naar een circulaire economie te bevorderen door middel van eco-innovatie en praktijken voor duurzaam beheer van hulpbronnen.


Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

1PB L 2024/1263 van 30.4.2024, blz. 1, ELI: data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj.

2Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17), ELI: data.europa.eu/eli/reg/2021/241/oj.

3Verordening (EU) 2023/435 van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2021/241 wat betreft REPowerEU-hoofdstukken in herstel- en veerkrachtplannen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1755 en Richtlijn 2003/87/EG (PB L 63 van 28.2.2023, blz. 1), ELI: data.europa.eu/eli/reg/2023/435/oj.

4COM(2023) 168 final.

5COM(2024) 77 final.

6COM(2023) 901 final.

7Verordening (EU) 2024/1264 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L, 2024/1264, 30.4.2024, ELI: data.europa.eu/eli/reg/2024/1264/oj), en Richtlijn (EU) 2024/1265 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU betreffende voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (PB L, 2024/1265, 30.4.2024, ELI: data.europa.eu/eli/dir/2024/1265/oj).

8Netto-uitgaven zoals gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EU) 2024/1263 van de Raad van 29 april 2024 (PB L 2024/1263, 30.4.2024, ELI: data.europa.eu/eli/reg/2024/1263/oj). Netto-uitgaven zijn overheidsuitgaven ongerekend i) rente-uitgaven, ii) discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, iii) uitgaven voor programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd, iv) nationale uitgaven voor medefinanciering van door de Unie gefinancierde programma’s, v) cyclische elementen van de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen, en vi) eenmalige en andere tijdelijke maatregelen.

9Uitvoeringsbesluit van de Raad van 13 juli 2021 betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor Letland (10157/2021).

10Uitvoeringsbesluit van de Raad van 8 december 2023 tot wijziging van het uitvoeringsbesluit van 13 juli 2021 betreffende de goedkeuring van de beoordeling van het herstel- en veerkrachtplan voor Letland (15569/2023).

11SWD(2024) 614 final.

12Eurostat-Euro Indicators, 22.4.2024.

13Aanbeveling van de Raad van 12 juli 2022 over het nationale hervormingsprogramma van Letland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2022 van Letland (PB C 334 van 1.9.2022, blz. 112).

14Op basis van de voorjaarsprognoses 2024 van de Commissie wordt de potentiële outputgroei van Letland op middellange termijn in 2023, die wordt gebruikt als maatstaf voor de begrotingskoers, geraamd op 7,6 % in nominale termen, op basis van de gemiddelde reële potentiële groei over tien jaar en de bbp-deflator van 2023.

15De begrotingskoers wordt gedefinieerd als een maatstaf van de jaarlijkse verandering in de onderliggende begrotingssituatie van de overheid. Die koers heeft tot doel de economische impuls te beoordelen die voortvloeit uit het begrotingsbeleid, zowel dat wat nationaal als dat wat uit de EU-begroting wordt gefinancierd. De begrotingskoers wordt gemeten als het verschil tussen i) de potentiële groei op middellange termijn en ii) de verandering in de primaire uitgaven ongerekend de discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde (en exclusief de tijdelijke COVID-19-crisismaatregelen), maar met inbegrip van uitgaven gefinancierd met niet-terugvorderbare steun (subsidies) uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen.

16Volgens het stabiliteitsprogramma 2024 zal het begrotingstekort in 2025 volgens het huidige beleid 0,5 procentpunt hoger zijn dan de tekortdoelstelling van het programma. Het stabiliteitsprogramma bevat geen details over beleidsmaatregelen die moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de tekortdoelstellingen worden gehaald.

17Aanbeveling van de Raad van 14 juli 2023 over het nationale hervormingsprogramma 2023 van Letland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2023 van Letland (PB C 312 van 1.9.2023, blz. 125).

18De netto primaire uitgaven worden gedefinieerd als nationaal gefinancierde uitgaven ongerekend i) discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, ii) rente-uitgaven, iii) cyclische werkloosheidsuitgaven, en iv) eenmalige en andere tijdelijke maatregelen.

19Het cijfer geeft het niveau weer van de jaarlijkse begrotingskosten van die maatregelen, inclusief inkomsten en uitgaven en, in voorkomend geval, exclusief de inkomsten uit belastingen op uitzonderlijke winsten van energieleveranciers.

20Deze bijdrage wordt gemeten als de verandering in primaire overheidsuitgaven ongerekend i) incrementele begrotingsgevolgen van discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, ii) eenmalige en iii) conjuncturele werkloosheidsuitgaven, en iv) uitgaven gefinancierd met niet-terugbetaalbare steun (subsidies) uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere EU-fondsen, ten opzichte van de gemiddelde potentiële nominale bbp-groei op middellange termijn (tien jaar), uitgedrukt als een verhouding tot het nominale bbp.

21Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) 2024/1263 wordt onder “netto-uitgaven” verstaan: de overheidsuitgaven ongerekend rente-uitgaven, discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, uitgaven voor programma’s van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd, nationale uitgaven voor medefinanciering van door de Unie gefinancierde programma’s, cyclische elementen van de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen en eenmalige en andere tijdelijke maatregelen.

NL NL