Toelichting bij COM(2025)80 - Proposal for a DIRECTIVE OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL amending Directives (EU) 2022/2464 and (EU) 2024/1760 as regards the dates from which Member States are to apply certain corporate sustainability reporting and due diligence requirements - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2025)80 - Proposal for a DIRECTIVE OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL amending Directives (EU) 2022/2464 and (EU) 2024/1760 ... |
---|---|
bron | COM(2025)80 |
datum | 26-02-2025 |
• Motivering en doel van het voorstel
Inhoudsopgave
- Algemene context en doelstellingen
- Specifieke context en doelstellingen van dit voorstel wat betreft de CSRD
- Specifieke context en doelstellingen van dit voorstel wat betreft de CSDDD
- Richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (CSRD)
- Richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (CSRD)
- Richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (CSDDD)
Mario Draghi beklemtoonde in zijn rapport over de toekomst van het Europese concurrentievermogen1 dat Europa een omgeving moet creëren met regelgeving die het concurrentievermogen en de veerkracht bevordert. Daarbij vestigde hij de aandacht op de lasten en compliancekosten die de richtlijn duurzaamheidsrapportage voor ondernemingen (“CSRD”) en de richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (“CSDDD”) met zich brengen. In de Verklaring van Boedapest over de nieuwe deal voor het Europees concurrentievermogen hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de EU opgeroepen tot “een vereenvoudigingsrevolutie [...], om te zorgen voor een duidelijk, eenvoudig en slim regelgevingskader voor bedrijven en om de administratieve, regelgevings-, en rapportagelasten drastisch te verminderen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen”2. Zij riepen de Commissie op om met concrete voorstellen te komen om de rapportageverplichtingen in de eerste helft 2025 met ten minste 25 % te verminderen.
In haar mededeling over het EU-kompas voor concurrentievermogen heeft de Commissie bevestigd dat zij met een voorstel voor een eerste “omnibuspakket voor vereenvoudiging” zou komen dat verregaande vereenvoudigingen zou bevatten op het gebied van rapportage over duurzame financiering, zorgplicht (due-diligence) voor duurzaamheid en de taxonomie3. In haar mededeling met als titel “Een eenvoudiger en sneller Europa: mededeling over uitvoering en vereenvoudiging” tekende de Commissie een uitvoerings- en vereenvoudigingsagenda uit die in de praktijk snelle en tastbare verbeteringen moet opleveren voor mensen en bedrijven, hetgeen meer dan een incrementele aanpak vergt en de noodzaak beklemtoont van gedurfde maatregelen om regels van de EU, lidstaten en regio’s te stroomlijnen en te vereenvoudigen4.
De CSRD is per 5 januari 2023 in werking getreden5. Deze richtlijn versterkte en moderniseerde de eisen inzake duurzaamheidsrapportage voor bedrijven – via wijzigingen van de jaarrekeningrichtlijn, de transparantierichtlijn, de auditrichtlijn en de auditverordening6. De CSRD is een belangrijk onderdeel van de Europese Green Deal en van het actieplan duurzame financiering7. Zij wil ervoor zorgen dat beleggers over de informatie beschikken die deze nodig hebben om de risico’s te begrijpen en te beheersen waaraan ondernemingen waarin zij beleggen, zijn blootgesteld als gevolg van klimaatverandering en andere duurzaamheidsvraagstukken. Ook wil deze richtlijn verzekeren dat beleggers en andere stakeholders over de informatie beschikken die zij nodig hebben wat betreft de impact van ondernemingen op mens en milieu. Daarmee draagt zij bij aan de financiële stabiliteit en de milieu-integriteit. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om financiële middelen naar ondernemingen te laten stromen die op duurzaamheidsdoelen inzetten, en zorgt voor meer verantwoording en transparantie ten aanzien van alle stakeholders wat betreft duurzaamheidsprestaties van ondernemingen.
De CSDDD is op 13 juni 2024 vastgesteld. Het doel van deze richtlijn is bij te dragen aan het bereiken van de ruimere ambitie van de Europese Unie van een transitie naar een duurzame en klimaatneutrale economie, zoals uitgetekend in de Europese Green Deal. Hiervoor moeten ondernemingen negatieve effecten op mensenrechten en het milieu in kaart brengen en aanpakken in hun eigen activiteiten, maar ook in de activiteiten van hun dochterondernemingen en in hun activiteitenketens.
De CSRD en de CSDDD worden nu geïmplementeerd in een nieuwe en moeilijke context. De Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne heeft de energieprijzen voor ondernemingen in de EU opgedreven. Handelsspanningen ontstaan nu er verdere verschuivingen in het geopolitieke landschap optreden. De verschillende aanpak van sommige andere belangrijke jurisdicties ten aanzien van de wetgeving inzake duurzaamheidsrapportage en due-diligence van ondernemingen, doet twijfel rijzen over de effecten van die wetgevingshandelingen op de concurrentiepositie van ondernemingen uit de EU. De mogelijkheden van de Unie om haar waarden veilig te stellen en te beschermen, hangen onder meer af van het vermogen van haar economie om zich aan te passen en te concurreren in een onstabiele en soms vijandige geopolitieke context.
Met dit voorstel wordt dus het van toepassing worden van de CSDDD en van een aantal bepalingen van de CSRD uitgesteld.
De CSRD is momenteel van toepassing op grote ondernemingen, mkb-bedrijven met op gereglementeerde EU-markten genoteerde effecten, moederondernemingen van grote groepen en emittenten die tot deze categorieën ondernemingen behoren. De rapportageverplichtingen die met de CSRD worden ingevoerd, worden gefaseerd van toepassing, afhankelijk van de verschillende categorieën ondernemingen. In de eerste golf moeten grote organisaties van openbaar belang met meer dan 500 werknemers in 2025 voor het eerst rapporteren over het boekjaar 20248. In de tweede golf moeten de overige grote ondernemingen in 2026 rapporteren over het boekjaar 20259. In de derde golf moeten mkb-bedrijven met op gereglementeerde EU-markten genoteerde effecten in 2027 rapporteren over het boekjaar 2026, ook al hebben zij de mogelijkheid van een opt-out voor de boekjaren 2026 en 202710. In de vierde golf moeten bepaalde niet-EU-ondernemingen met activiteiten op het grondgebied van de Unie die bepaalde drempels overschrijden, in 2029 rapporteren over het boekjaar 202811.
De CSRD schrijft voor dat ondernemingen die onder die richtlijn vallen, duurzaamheidsinformatie rapporteren overeenkomstig de European Sustainability Reporting Standards (“ESRS”), en vraagt dat de Commissie dergelijke standaarden vaststelt door middel van gedelegeerde handelingen. In juli 2023 heeft de Commissie een eerste reeks ESRS vastgesteld, die “sector-agnostisch” zijn, d.w.z. dat zij moeten worden toegepast door alle ondernemingen die onder die standaarden vallen, ongeacht de economische sector waarin een onderneming actief is12. Voorts vraagt de CSRD dat de Commissie sectorspecifieke rapportagestandaarden vaststelt, waarbij een eerste reeks van dergelijke standaarden tegen juni 2026 zou moeten worden vastgesteld. De CSRD biedt beursgenoteerde mkb-bedrijven de mogelijkheid om een afzonderlijke en lichtere, evenredige reeks standaarden toe te passen – in plaats van de volledige reeks ESRS.
Op verzoek van de Commissie heeft EFRAG een standaard voor duurzaamheidsrapportage ingediend die vrijwillig kan worden gebruikt door mkb-bedrijven die niet binnen het toepassingsgebied van de rapportageverplichtingen vallen (“VSME-standaard”)13. Het doel van de VSME-standaard is het om mkb-bedrijven een eenvoudig, breed erkend instrument aan te reiken waarmee zij duurzaamheidsinformatie kunnen verschaffen aan banken, grote ondernemingen en andere stakeholders die eventueel om dit soort informatie vragen.
Andere belangrijke aspecten van de CSRD zijn de bepalingen inzake assurance en de rapportage van informatie over de waardeketen. Ondernemingen moeten hun duurzaamheidsinformatie publiceren samen met het oordeel van een wettelijke auditor of, indien de lidstaat dat toestaat, een onafhankelijke verlener van assurancediensten. Momenteel is voor de assurance een opdracht met een beperkte mate van zekerheid verplicht en de CSRD bepaalt dat dit in de toekomst, op bepaalde voorwaarden, een verplichting van een opdracht met een redelijke mate van zekerheid kan worden14. Voorts schrijft de CSRD voor dat de Commissie standaarden voor duurzaamheidsassurance vaststelt door middel van gedelegeerde handelingen.
De CSRD schrijft voor dat ondernemingen informatie over de waardeketen rapporteren voor zover dat voor het begrip van hun duurzaamheidsimpacts, -risico’s en -kansen noodzakelijk is. De CSRD legt een zogenaamd “waardeketenplafond” vast, dat inhoudt dat de ESRS geen rapportagevereisten mogen bevatten die ondernemingen zouden verplichten om van mkb-bedrijven binnen hun waardeketen informatie te verkrijgen die verder gaat dan de informatie die volgens de evenredige standaard voor beursgenoteerde mkb-bedrijven moet worden gerapporteerd.
Dit voorstel wil de rapportagedruk verminderen en het “doorsijpelen” (trickle-down) van verplichtingen naar kleinere ondernemingen beperken. In de eerste plaats zou het afzonderlijke wetgevingsvoorstel dat de Commissie parallel met dit voorstel doet, het raamwerk vereenvoudigen en de lasten op de volgende wijzen verminderen:
- Het aantal ondernemingen waarvoor verplichte eisen inzake duurzaamheidsrapportage gelden, zou met ongeveer 80 % worden verminderd, door grote ondernemingen met tot 1 000 werknemers (d.w.z. een aantal ondernemingen uit de tweede golf en een aantal ondernemingen uit de eerste golf) en beursgenoteerde mkb-bedrijven (d.w.z. alle ondernemingen uit de derde golf) van het toepassingsbereik uit te sluiten. De rapportageverplichtingen zouden alleen gelden voor grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR). Met deze herziene drempel zou de CSRD nauwer worden afgestemd op de CSDDD15.
- Voor ondernemingen waarvoor geen verplichte duurzaamheidseisen gelden, stelt de Commissie een evenredige standaard voor vrijwillig gebruik voor. Deze zou worden gebaseerd op de door EFRAG ontwikkelde VSME-standaard. Volgens het hier voorliggende voorstel zou de Commissie deze vrijwillige standaard vaststellen als een gedelegeerde handeling. In afwachting is de Commissie, om tegemoet te komen aan vragen vanuit de markt, voornemens om zo spoedig mogelijk een aanbeveling over vrijwillige duurzaamheidsrapportage te publiceren, die is gebaseerd op de door EFRAG ontwikkelde VSME-standaard.
- Het “waardeketenplafond” zou worden verruimd en versterkt. Het zou rechtstreeks op de rapporterende onderneming van toepassing zijn – en niet slechts een beperking zijn op wat de ESRS kunnen specificeren. Het zou alle ondernemingen met tot 1 000 werknemers beschermen – in plaats van alleen mkb-bedrijven, zoals thans het geval is. En de beperking zou worden afgebakend door de vrijwillige standaard die de Commissie als gedelegeerde handeling zal vaststellen, op basis van de VSME-standaard die EFRAG heeft uitgewerkt. Een en ander zal het “doorsijpeleffect” substantieel verminderen.
- Er zouden geen sectorspecifieke rapportagestandaarden zijn, om te vermijden dat het aantal voorgeschreven datapunten dat ondernemingen moeten rapporteren, toeneemt.
- Ook de mogelijkheid om over te stappen van assurance met een beperkte mate van zekerheid naar assurance met een redelijke mate van zekerheid, zou worden geschrapt. Dit zal de nodige duidelijkheid bieden dat in de toekomst de assurancekosten voor de betrokken ondernemingen niet zullen stijgen.
- In plaats van een verplichting voor de Commissie om standaarden voor duurzaamheidsassurance vast te stellen tegen 2026, zal de Commissie tegen 2026 gerichte assurancerichtsnoeren publiceren. Zo zal de Commissie sneller kunnen ingaan op zich aandienende probleemkwesties op het gebied van duurzaamheidsassurance die voor ondernemingen die aan de rapportageverplichtingen onderworpen zijn, misschien onnodige lasten met zich brengen.
- Het voorstel komt met een “opt-in”-regeling waarbij grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR) en een netto-omzet van minder dan 450 miljoen EUR die aanvoeren dat hun activiteiten op de EU-taxonomie zijn afgestemd, of gedeeltelijk zijn afgestemd, hun omzet- en CapEx-KPI’s moeten rapporteren en ervoor kunnen kiezen om hun OpEx-KPI te rapporteren. Dankzij deze opt-in-aanpak zullen de kosten voor het naleven van de rapportageregels van de taxonomie volledig wegvallen voor grote ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers (d.w.z. ondernemingen met meer dan 1 000 werknemers en ofwel een omzet van meer dan 50 miljoen EUR of een balanstotaal van meer dan 25 miljoen EUR) en met een netto-omzet van minder dan 450 miljoen die niet aanvoeren dat hun activiteiten verband houden met economische activiteiten die op grond van de taxonomieverordening als ecologisch duurzaam kwalificeren. Daarnaast biedt dit voorstel meer flexibiliteit door deze ondernemingen de mogelijkheid te bieden om te rapporteren over activiteiten die aan bepaalde, maar niet alle technische screeningcriteria van de taxonomie voldoen. Dit soort rapportage over gedeeltelijke afstemming kan op termijn impulsen geven voor een geleidelijke milieutransitie van activiteiten – in lijn met de doelstelling om transitiefinanciering op te schalen.
In de tweede plaats is de Commissie voornemens onverwijld een gedelegeerde handeling vast te stellen om de eerste reeks ESRS te herzien. Om de vereenvoudiging en stroomlijning van de ESRS snel te realiseren, en om ondernemingen duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden, is het de bedoeling van de Commissie om de vereiste gedelegeerde handeling zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn waarbij het rapportageraamwerk waarop het eerder genoemde wetgevingsvoorstel ziet, vast te stellen. De herziening van de delegeerde handeling zal het aantal verplichte ESRS-datapunten gevoelig verminderen door: i) de datapunten te schrappen die het minst belangrijk worden geacht voor de algemene doelstelling van duurzaamheidsrapportage; ii) prioriteit te geven aan kwantitatieve datapunten boven beschrijvende informatie, en iii) een verder onderscheid te maken tussen verplichte en vrijwillige datapunten, zonder de interoperabiliteit met internationale rapportagestandaarden aan te tasten en zonder dat een en ander ten koste gaat van de materialiteitsbeoordeling van elke onderneming. De herziening zal bepalingen verhelderen die onduidelijk worden gevonden. Zij zal de coherentie met andere EU‑wetgeving verbeteren. Deze herziening zal instructies geven die helderder zijn wat betreft de vraag hoe het materialiteitsbeginsel toe te passen, zodat ondernemingen alleen informatie van materieel belang rapporteren en het risico wordt verminderd dat verleners van assurancediensten ondernemingen onbedoeld ertoe aanzetten om informatie te rapporteren die niet noodzakelijk is of om buitensporige middelen in te zetten voor de materialiteitsbeoordeling. Zij zal de structuur en presentatie van de standaarden vereenvoudigen. Zij zal de reeds zeer hoge mate van interoperabiliteit met internationale standaarden voor duurzaamheidsrapportage verder vergroten. Ook zal deze herziening andere wijzigingen aanbrengen die noodzakelijk kunnen blijken in het licht van de ervaring met de eerste toepassing van de ESRS.
In de derde plaats zou dit voorstel de datum van toepassing van de rapportageverplichtingen met twee jaar uitstellen voor de tweede golf (grote ondernemingen niet zijnde entiteiten van openbaar belang en met meer dan 500 werknemers, alsmede grote ondernemingen met minder dan 500 werknemers16) en de derde golf (beursgenoteerde mkb-bedrijven, kleine en niet-complexe kredietinstellingen, en (her)verzekeringscaptives). Dit uitstel moet vermijden dat een situatie ontstaat waarin bepaalde ondernemingen over het boekjaar 2025 (tweede golf) of 2026 (derde golf) moeten rapporteren, en nadien van die verplichting worden ontslagen. Dit soort situatie zou betekenen dat de betrokken ondernemingen onnodige en vermijdbare kosten moeten maken.
De Commissie nodigt de medewetgevers uit om snel overeenstemming te bereiken over het voorgestelde uitstel, en met name om de nodige juridische duidelijkheid te bieden aan ondernemingen uit de tweede golf die momenteel verplicht zijn om in 2026 voor het eerst te rapporteren over het boekjaar 2025.
Volgens de huidige regels moeten lidstaten de CSDDD tegen 26 juli 2026 hebben omgezet. De richtlijn zou in drie fasen van toepassing worden: vanaf juli 2027 zouden de regels alleen van toepassing beginnen te zijn voor de grootste EU-ondernemingen, d.w.z. ondernemingen met meer dan 5 000 werknemers en een gerapporteerde netto (wereldwijde) jaaromzet van meer dan 1,5 miljard EUR, alsmede ondernemingen van buiten de EU die binnen de EU een netto-omzet van meer dan 1,5 miljard EUR behalen. In de tweede golf zouden EU‑ondernemingen met meer dan 3 000 werknemers en meer dan 900 miljoen EUR netto-omzet, alsmede ondernemingen van buiten de EU die binnen de EU dit soort omzet behalen, vanaf juli 2028 aan het nieuwe raamwerk moeten voldoen. Ten slotte zouden in juli 2029 alle overige ondernemingen die onder de richtlijn vallen, de (nationale regels tot omzetting van de) richtlijn moeten beginnen toe te passen. Vanaf die datum zou de CSDDD naar schatting op zo’n 6 000 grote EU-ondernemingen en zo’n 900 ondernemingen van buiten de EU van toepassing zijn. Het soort ondernemingen dat onder de richtlijn valt, en de gefaseerde toepassing houden rekening met het feit dat ondernemingen van verschillende grootte andere mogelijkheden hebben om het nieuwe verplichte raamwerk toe te passen, en zijn dus een sleutelelement om een evenredige benadering te verzekeren.
Daarnaast zou het afzonderlijke wetgevingsvoorstel dat de Commissie parallel met dit voorstel doet, het raamwerk vereenvoudigen en de lasten op een aantal wijzen verminderen. Met dit voorstel zou de eerste fase van het van toepassing worden van de richtlijn met één jaar worden uitgesteld. Dit uitstel moet de eerste groep ondernemingen meer tijd geven om zich voor te voorbereiden op hun verplichtingen uit hoofde van de (gewijzigde) richtlijn, mede rekening houdende met de richtsnoeren die de Commissie zal hebben vastgesteld volgens het striktere tijdschema in het parallelle vereenvoudigingsvoorstel.
Voorts wordt met dit voorstel de omzettingstermijn voor de lidstaten met één jaar uitgesteld om rekening te houden met vertragingen die bij hun lopende inspanningen tot omzetting van de CSDDD mogelijk ontstaan als gevolg van eventuele wijzigingen van die richtlijn door het parallelle vereenvoudigingsvoorstel.
• Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Ondernemingen waarvoor de CSRD-rapportageverplichtingen gelden, moeten automatisch ook bepaalde indicatoren uit hoofde van artikel 8 van de taxonomieverordening rapporteren. Door de toepassing van de rapportageverplichtingen voor ondernemingen uit de tweede en derde golf uit te stellen, zou dit voorstel dus automatisch ook de datum uitstellen tegen wanneer deze ondernemingen die indicatoren op grond van de taxonomieverordening moeten rapporteren.
De rapportage-eisen uit de CSDDD en de ESRS willen onder meer borgen dat financiële-marktdeelnemers, kredietinstellingen en benchmarkbeheerders toegang hebben tot de duurzaamheidsinformatie die zij van ondernemingen nodig hebben, om hun eigen rapportageverplichtingen uit hoofde van de verordening duurzaamheidsinformatie financiële sector (SFDR), de verordening kapitaalvereisten (VKV) en de benchmarkverordening te kunnen vervullen. Met het voorgestelde uitstel komt er ook vertraging in de betere beschikbaarheid van informatie voor financiële-marktdeelnemers, kredietinstellingen en benchmarkbeheerders.
Ondernemingen die onder zowel de CSRD als de CSDDD vallen, hoeven volgens de CSDDD niet meer informatie te rapporteren dan die welke zij op grond van de CSRD moeten rapporteren. Aangezien met dit voorstel zowel de maatregelen uit de CSDDD als de toepassingsdatum van de rapportageverplichtingen voor bepaalde ondernemingen op grond van de CSRD worden uitgesteld, betekent dit dat de coherentie tussen de beide wetgevingshandelingen behouden blijft.
• Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit voorstel spoort met EU-beleid om het concurrentievermogen te versterken, het regelgevingsraamwerk te vereenvoudigen en de druk op het bedrijfsleven te verlichten, zonder evenwel afbreuk te doen aan de beleidsdoelstellingen van de CSRD en de CSDDD. Daarbij gaat het onder meer om het behoud van de Green Deal, omdat het concurrentievermogen op middellange tot lange termijn afhangt van de vraag of ondernemingen duurzaamheidsoverwegingen voldoende laten meewegen in hun activiteiten.
2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
• Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag van het voorstel wordt gevormd door de artikelen 50 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”). Artikel 50 VWEU is de rechtsgrondslag voor het vaststellen van EU-maatregelen die erop gericht zijn het recht van vestiging in de eengemaakte markt in het vennootschapsrecht op te nemen, en machtigt het Europees Parlement en de Raad om bij middel van richtlijnen te handelen. Artikel 114 VWEU is een algemene rechtsgrondslag die ertoe strekt de werking van de eengemaakte markt in te stellen of te verzekeren – in dit geval het vrije kapitaalverkeer. De artikelen 50 en 114 VWEU zijn de rechtsgrondslag voor Richtlijn (EU) 2022/2464 en Richtlijn (EU) 2024/1760.
• Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Dit voorstel wijzigt de toepassingsdatums van een aantal bepalingen van EU-recht. Deze datums kunnen alleen worden gewijzigd door optreden op EU-niveau.
• Evenredigheid
De beleidsdoelstelling is het uitstellen van de toepassingsdatums van een aantal bepalingen van EU-recht. Het enige middel om die doelstelling te bereiken, is voor te stellen om die datums te wijzigen.
• Keuze van het instrument
Dit voorstel bestaat uit een richtlijn waarmee bepalingen worden gewijzigd van de richtlijn duurzaamheidsrapportage voor ondernemingen (CSRD) en de richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (CSDDD). Een “omnibusrichtlijn” wordt als het meest geschikte rechtsinstrument beschouwd om bestaande richtlijnen te wijzigen op het punt van vereenvoudiging en vermindering van de lasten op het gebied van duurzaamheidsrapportage en due-diligence.
3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
• Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
De CSDDD is nog niet omgezet of toegepast door ondernemingen. De CSRD is toegepast door een eerste groep ondernemingen die hun eerste duurzaamheidsverslagen publiceren, de meeste in de eerste helft van 2025. Daarom kon er voor geen van deze beide wetgevingshandelingen geen ex-postevaluatie of fitnesscheck worden uitgevoerd.
• Raadpleging van belanghebbenden
De volgende consultatieactiviteiten hebben de inhoud van dit voorstel mee helpen vorm te geven.
- Europese Commissie, “Verzoek om input over de rationalisering van de rapportagevereisten”, van oktober tot en met december 202317.
- Europese Commissie, “Reality Check on Sustainability Reporting and Roundtable on Simplification”, begin februari 2025.
- De Europese Commissie heeft ook aparte activiteiten voor stakeholders georganiseerd, zoals twee grote hybride stakeholderforums over de CSRD in mei en november 2024 met meer dan 400 fysieke en meer dan 3 000 onlinedeelnemers.
- De Europese Commissie heeft een zeer aanzienlijk aantal brieven en gedetailleerde analyses ontvangen van alle soorten stakeholders (van ondernemingen over beleggers, banken, het maatschappelijke middenveld, ngo’s, kamers van koophandel tot en met nationale overheidsdiensten van de lidstaten).
Met haar verzoek om input over de rationalisering van de rapportagevereisten vroeg de Europese Commissie om bewijsmateriaal en standpunten over regelgeving die wordt gezien als regelgeving die regeldruk creëert. Bijna 200 stakeholders antwoordden op dat verzoek en pleitten in hoofdzaak voor een vereenvoudiging van duurzaamheidsrapportage, due-diligence en de EU-taxonomie.
In de bijeenkomsten van de Europese Commissie met het Europese bedrijfsleven, sociale partners en het maatschappelijke middenveld begin februari 2025 spraken stakeholders hun steun uit voor de overkoepelende doelstellingen van de CSRD en de CSDDD, maar beklemtoonden zij de noodzaak van vereenvoudiging en harmonisatie bij de implementatie daarvan.
Sommige stakeholders, en met name groepen ondernemingen en brancheorganisaties, suggereerden om de toepassing van bestaande wetgeving te pauzeren en te focussen op vereenvoudiging. Volgens hen zou een uitstel van de CSRD-rapportageverplichtingen de Commissie de kans geven om het raamwerk te vereenvoudigen, terwijl ondernemingen meer tijd zouden krijgen om zich voor te bereiden op nakende wijzigingen.
Andere stakeholders, en met name groepen uit het maatschappelijke middenveld, zagen sterke voordelen in het behoud van de regels en pleitten voor het belang van rechtszekerheid en stabiele regelgeving voor ondernemingen, maar ook voor het behoud van de doelstellingen van de Europese Green Deal en het actieplan duurzame financiering. Ook beklemtoonden zij dat van uitvoeringsrichtsnoeren gebruikgemaakt moest worden om bepaalde delen van het raamwerk duurzaamheidsrapportage te verduidelijken en te vereenvoudigen – in plaats van de bestaande voorschriften ingrijpend te wijzigen.
De behoefte aan vereenvoudiging klonk ook door in talrijke andere rapporten, aanbevelingen en stakeholderstandpunten van ondernemingen uit zowel de financiële als de niet-financiële sector. Vele daarvan beklemtoonden het belang van het terugdringen van de complexiteit en de regeldruk en zijn meegenomen in de maatregelen om de druk te verlichten zoals die in dit voorstel worden beschreven.
Richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid (CSDDD)
Consultaties van diverse stakeholders, zoals bedrijven, brancheorganisaties en organisaties uit het maatschappelijke middenveld, maar ook andere contacten met en input van stakeholders zijn in het onderhavige voorstel meegenomen. Daarbij ging het met name ook om een tweedaags stakeholderevent waar de Commissie van mensen in de praktijk te horen kreeg voor welke uitdagingen zij zich met het bestaande wetgevingskader geplaatst zien en wat mogelijke oplossingen kunnen zijn om op die uitdagingen een antwoord te bieden. Sommige stakeholders pleitten voor ingrijpende wijzigingen en verregaand uitstel, terwijl anderen de noodzaak beklemtoonden van zekerheid over de regelgeving en zich verzetten tegen het opnieuw openbreken van de richtlijn – en in plaats daarvan te focussen op de implementatie ervan. Dit voorstel wil, samen met het parallelle vereenvoudigingsvoorstel, een evenwicht bieden tussen deze zienswijzen door de integriteit van de CSDDD te behouden, maar wel veranderingen door te voeren om die richtlijn te vereenvoudigen en te stroomlijnen.
• Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Niet van toepassing.
• Effectbeoordeling
Dit voorstel gaat vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie dat een effectbeoordeling van de voorgestelde maatregelen bevat. Gezien de dringende noodzaak om voorstellen te doen om de geconstateerde problemen aan te pakken, was het niet mogelijk om een volledige effectbeoordeling op te stellen.
• Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Dit voorstel is uitdrukkelijk bedoeld om een belangrijke vereenvoudiging van de regeling voor duurzaamheidsrapportage te faciliteren.
• Grondrechten
Het voorstel eerbiedigt de grondrechten die zijn verankerd, en volgt de beginselen die zijn geformuleerd, in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (CSRD) heeft een indirecte positieve impact op grondrechten, omdat vereisten inzake duurzaamheidsrapportage het handelen van bedrijven ten goede kunnen beïnvloeden. De richtlijn dient om ondernemingen sterker bewust te maken van grondrechten en om positief te beïnvloeden hoe zij daadwerkelijke en potentiële negatieve effecten op grondrechten in kaart brengen en daarmee omgaan. Met het voorgestelde uitstel zouden ook deze positieve effecten worden uitgesteld voor ondernemingen die de rapportagevereisten op een later tijdstip zouden beginnen toe te passen. De vermindering van de druk op die ondernemingen, en met name de vermindering van de druk op ondernemingen die niet meer onder de CSRD zouden vallen als gevolg van het afzonderlijke voorstel dat de Commissie parallel met dit voorstel doet, moet echter andere maatschappelijke baten opleveren in termen van welvaartscreatie, werkgelegenheid en innovatie, waaronder innovatie wat betreft duurzaamheid.
Het voorstel eerbiedigt de grondrechten die zijn verankerd, en volgt de beginselen die zijn geformuleerd, in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Tot de belangrijkste doelstellingen van de CSDDD behoren de bescherming en de bevordering van grondrechten. Hiervoor moeten zeer grote ondernemingen negatieve effecten op mensenrechten en het milieu in kaart brengen en aanpakken in hun eigen activiteiten, maar ook in de activiteiten van hun dochterondernemingen en in hun activiteitenketens. Met het voorgestelde uitstel zouden ook deze positieve effecten worden uitgesteld voor de eerste groep ondernemingen die onder de richtlijn vallen en de rapportagevereisten op een later tijdstip zouden beginnen toe te passen.
4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting.
5. OVERIGE ELEMENTEN
• Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Niet van toepassing.
• Toelichtende stukken (bij richtlijnen)
Toelichtende stukken worden niet nodig geacht.
• Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 wijzigt artikel 5, lid 2, van Richtlijn (EU) 2022/2464 (richtlijn duurzaamheidsrapportage voor ondernemingen – “CSRD”) door voor de verplichtingen inzake duurzaamheidsrapportage een uitstel met twee jaar in te voeren voor alle ondernemingen die onder de CSRD vallen en die deze richtlijn, afhankelijk van hun grootte, moeten naleven vanaf het boekjaar 2025 of 2026.
En meer bepaald als volgt:
- Lid 1, punt a), schrijft voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de volgende ondernemingen over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 (in plaats van 1 januari 2025):
- grote ondernemingen met gemiddeld niet meer dan 500 werknemers over het boekjaar;
- grote ondernemingen niet zijnde organisaties van openbaar belang met gemiddeld meer dan 500 werknemers over het boekjaar;
- moederondernemingen van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, over het boekjaar;
- moederondernemingen van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers op zijn balansdatum, op geconsolideerde basis, over het boekjaar, maar die geen organisaties van openbaar belang zijn;
- lid 1, punt b), schrijft voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat mkb-bedrijven met effecten die tot de handel op een gereglementeerde markt in de EU zijn toegelaten, kleine en niet-complexe instellingen (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn) en EU-(her)verzekeringscaptives (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn) over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028 (in plaats van 1 januari 2026);
- lid 2, punt a), schrijft voor dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de volgende emittenten over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 (in plaats van 1 januari 2025):
- emittenten die grote ondernemingen zijn met gemiddeld niet meer dan 500 werknemers over het boekjaar;
- emittenten die moederondernemingen zijn van een grote groep met gemiddeld meer dan 500 werknemers, op geconsolideerde basis, over het boekjaar;
- lid 2, punt b), schrijft voor dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat emittenten waarbij het gaat om mkb-bedrijven, kleine en niet-complexe instellingen (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn) en EU‑(her)verzekeringscaptives (op voorwaarde dat het grote ondernemingen of beursgenoteerde mkb-bedrijven zijn), over duurzaamheid rapporteren vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2028 (in plaats van 1 januari 2026).
Artikel 2 wijzigt artikel 37 van Richtlijn (EU) 2024/1760 (richtlijn zorgplicht ondernemingen voor duurzaamheid – “CSDDD”) door de omzettingstermijn en de toepassingsdatum van de richtlijn met één jaar uit te stellen voor de eerste groep ondernemingen die onder de richtlijn vallen.
Artikel 3 schrijft voor dat lidstaten artikel 1 van deze richtlijn uiterlijk 31 december 2025 omzetten en de tekst van hun omzettingsmaatregelen aan de Commissie meedelen.
Artikel 4 specificeert dat deze richtlijn in werking treedt op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.