Toelichting bij COM(2025)135 - Standpunt EU in het bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU en Euratom ingestelde Gemengd Comité wat betreft de overeenkomstig artikel 23, lid 5, punt a), van Besluit nr. 1/2023 van het Gemengd Comité af te geven verklaring

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het namens de Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie1 (“terugtrekkingsakkoord”), in verband met de verklaring die de Unie moet afgeven overeenkomstig artikel 23, lid 5, punt a), van Besluit nr. 1/2023 van het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 24 maart 2023 tot vaststelling van regelingen met betrekking tot het Windsor-kader2 (“Besluit nr. 1/2023”). Het Windsor-kader3 maakt integrerend deel uit van het terugtrekkingsakkoord.

2. Achtergrond van het voorstel

2.1. Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Windsor-kader

Het terugtrekkingsakkoord bevat de regelingen voor de ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en Euratom. Het terugtrekkingsakkoord is op 1 februari 2020 in werking getreden. Op 27 februari 2023 hebben de Europese Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk een politiek beginselakkoord over het Windsor-kader bereikt. Het bij het terugtrekkingsakkoord ingestelde Gemengd Comité heeft de nieuwe regelingen met betrekking tot het Windsor-kader op 24 maart 2023 vastgesteld en beide partijen zijn overeengekomen intensief en loyaal samen te werken om alle elementen van het Windsor-kader uit te voeren.

2.2. Gemengd Comité

Het bij artikel 164, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord ingestelde Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk. Het wordt gezamenlijk voorgezeten door de Unie en het Verenigd Koninkrijk. Het reglement van orde van het Gemengd Comité is vastgesteld in bijlage VIII bij het terugtrekkingsakkoord. Het Gemengd Comité komt ten minste eenmaal per jaar bijeen op verzoek van de Unie of het Verenigd Koninkrijk en stelt zijn vergaderrooster en -agenda in onderlinge overeenstemming vast.

1.

De taken van het Gemengd Comité zijn vastgesteld in artikel 164 van het terugtrekkingsakkoord en omvatten hoofdzakelijk:


- toezicht houden op de uitvoering en toepassing van het akkoord, rechtstreeks of via de werkzaamheden van de gespecialiseerde comités die aan het Gemengd Comité rapporteren;

- besluiten en aanbevelingen vaststellen, met inbegrip van wijzigingen van het akkoord in de gevallen waarin daarin is voorzien;

- problemen voorkomen en geschillen oplossen die zich kunnen voordoen in verband met de uitlegging en toepassing van het akkoord.

2.3. Beoogde handeling van het Gemengd Comité

Op de volgende bijeenkomst van het Gemengd Comité zal de Unie de in artikel 23, lid 5, punt a), van het Windsor-kader bedoelde verklaring afgeven.

3. Namens de Unie in te nemen standpunt

3.1. Artikel 23, lid 5, van Besluit nr. 1/2023

Overeenkomstig artikel 23, lid 5, van Besluit nr. 1/2023 zijn, na de inwerkingtreding op 29 juni 2023 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1128 van de Commissie van 24 maart 2023 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 om te voorzien in vereenvoudigde douaneformaliteiten voor betrouwbare handelaren en voor het verzenden van pakketten naar Noord-Ierland vanuit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk4 (dit is de handeling van de Unie die voorziet in faciliteiten met betrekking tot het verkeer van goederen als bedoeld in artikel 7, lid 1, punt a), ii), en artikel 7, lid 1, punt a), iii), van Besluit nr. 1/2023), artikel 7, lid 1, punt a), iii), artikel 13 en artikel 15, lid 3, van hetzelfde besluit van toepassing vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin de laatste van de volgende verklaringen in het Gemengd Comité is afgegeven:

(a) een verklaring van de Unie waarin zij bevestigt dat het Verenigd Koninkrijk de netwerken, informatiesystemen en databanken heeft opgezet met betrekking tot de in artikel 141, lid 1, punt d), vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bedoelde gegevens die aan de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk moeten worden verstrekt, en waarin zij bevestigt dat het Verenigd Koninkrijk uitvoering geeft aan artikel 5 van Besluit nr. 6/2020 van het Gemengd Comité5 door toegang te verlenen tot informatie in deze netwerken, informatiesystemen en databanken; en

(b) een verklaring van het Verenigd Koninkrijk dat alle vervoerders aan wie een vergunning is verleend, aan de in artikel 13 van Besluit nr. 1/2023 vastgestelde verplichtingen kunnen voldoen.

Opgemerkt zij dat Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1128 van de Commissie ook van toepassing moet zijn vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin de laatste van de bovengenoemde verklaringen in het Gemengd Comité is afgegeven.

3.2. De verklaring van de Unie overeenkomstig artikel 23, lid 5, punt a), van Besluit nr. 1/2023

De verklaring van de Unie heeft betrekking op twee punten: i) het opzetten door het Verenigd Koninkrijk van de netwerken, informatiesystemen en databanken met betrekking tot de in artikel 141, lid 1, punt d), vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bedoelde gegevens die aan de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk moeten worden verstrekt; en ii) de uitvoering door het Verenigd Koninkrijk van artikel 5 van Besluit nr. 6/2020 door het verlenen van toegang tot informatie in deze netwerken, informatiesystemen en databanken.

Opzet van de desbetreffende netwerken, informatiesystemen en databanken

Ten behoeve van de naleving van de in punt i) genoemde verplichting heeft het Verenigd Koninkrijk een systeem (“systeem”) opgezet voor het verzamelen van de desbetreffende gegevens voor B2C-pakketten (“Business to Consumer”) die door vergunninghoudende vervoerders uit een ander deel van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland worden verzonden. Deze gegevens moeten door de vergunninghoudende vervoerders bij de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk worden ingediend voordat de goederen aan de particulier worden geleverd.

Het systeem werd voor het eerst ingevoerd in april 2024, voordat het Verenigd Koninkrijk vervoerders de mogelijkheid bood om op 1 mei 2024 een aanvraag in te dienen voor de regeling voor vergunde vervoerders (“UK Carrier Scheme”)6. Sindsdien is het systeem ontwikkeld en wordt het door de in het kader van de UK Carrier Scheme geregistreerde exploitanten op vrijwillige basis gebruikt om gegevens te delen over B2C-pakketten die vanuit een bedrijf in het Verenigd Koninkrijk (met uitzondering van Noord-Ierland) worden verzonden naar een in Noord-Ierland verblijvende particulier. De gegevens die in het systeem worden verstrekt door de vergunninghoudende vervoerders die in het kader van de UK Carrier Scheme zijn geregistreerd, zijn de gegevens waarin bijlage 52-03 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie voorziet.

Op grond hiervan kan de Unie een verklaring in de zin van het eerste deel van artikel 23, lid 5, punt a), van Besluit nr. 1/2023 afgeven waarin zij bevestigt dat het Verenigd Koninkrijk de netwerken, informatiesystemen en databanken heeft opgezet met betrekking tot de in artikel 141, lid 1, punt d), vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bedoelde gegevens.

Toegang tot de informatie in de relevante netwerken, informatiesystemen en databanken

Ten behoeve van de uitvoering van artikel 5 van Besluit nr. 6/2020 met betrekking tot het systeem heeft het Verenigd Koninkrijk er in zijn rechtsstelsel voor gezorgd dat desbetreffende ambtenaren van de Europese Commissie, met inbegrip van de in artikel 12, lid 2, van het Windsor-kader bedoelde vertegenwoordigers van de Unie, toegang krijgen tot de informatie die in het systeem is opgenomen door de in het kader van de UK Carrier Scheme geregistreerde exploitanten. De ambtenaren van de Commissie hebben de werking van het systeem en de tot dusver ingediende gegevens getest. Uit de resultaten van de testfase blijkt dat het systeem voldoet aan de vereiste technische parameters.

Derhalve kan de Unie een verklaring in de zin van het tweede deel van artikel 23, lid 5, punt a), van Besluit nr. 1/2023 afgeven waarin zij bevestigt dat het Verenigd Koninkrijk artikel 5 van Besluit nr. 6/2020 heeft uitgevoerd wat betreft het verlenen van toegang tot informatie in de door het Verenigd Koninkrijk opgezette netwerken, informatiesystemen en databanken met betrekking tot de in artikel 141, lid 1, punt d), vii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie bedoelde gegevens.

4. Rechtsgrondslag

4.1. Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1. Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) voorziet in de vaststelling van besluiten van de Raad tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Voorts omvat het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt7.

4.1.2. Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité is een orgaan dat is ingesteld bij een overeenkomst, zijnde het terugtrekkingsakkoord.

De Unie en het Verenigd Koninkrijk kunnen in het Gemengd Comité unilaterale verklaringen afgeven. De beoogde unilaterale verklaring die de Unie overeenkomstig artikel 23, lid 5, punt a), van Besluit nr. 1/2023 in het Gemengd Comité zal afgeven, is een handeling met rechtsgevolgen in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het terugtrekkingsakkoord.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2. Materiële rechtsgrondslag

4.2.1. Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.

4.2.2. Toepassing op het onderhavige geval

De door de Unie in het Gemengd Comité af te geven unilaterale verklaring heeft betrekking op het Windsor-kader, dat integrerend deel uitmaakt van het op basis van artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) gesloten terugtrekkingsakkoord.

De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 50, lid 2, VEU.

4.3. Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 50, lid 2, VEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.

5. Bekendmaking van de beoogde handeling

Met het oog op de rechtszekerheid en de transparantie is het passend de unilaterale verklaring van de Unie, nadat deze in het Gemengd Comité is afgegeven, bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie. Daarnaast moet worden overwogen in het Publicatieblad van de Europese Unie een mededeling op te nemen om te bevestigen dat de door het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 23, lid 5, punt b), van Besluit nr. 1/2023 in het Gemengd Comité af te geven unilaterale verklaring is afgegeven.