Toelichting bij COM(2025)146 - Wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor effectenfinancieringstransacties in het kader van de nettostabielefinancieringsratio

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Dit voorstel heeft tot doel Verordening (EU) nr. 575/2013 (verordening kapitaalvereisten of “VKV”) te wijzigen zodat de huidige overgangsbenadering ten aanzien van het vereiste inzake de nettostabielefinancieringsratio (Net Stable Funding Ratio – “NSFR”) behouden blijft.

Het NSFR-vereiste maakt deel uit van de internationale Bazel III-normen, waarvoor de Europese Unie (“EU”) akkoord is gegaan om deze uit te voeren in het kader van de brede hervorming van het prudentiële raamwerk voor banken in de nasleep van de internationale financiële crisis van 2008 (“kredietcrisis”). Het NSFR-vereiste moet ervoor zorgen dat banken over stabiele financieringsbronnen beschikken voor het financieren van hun activiteiten en hun afhankelijkheid van kortlopende wholesalefunding terugdringen. Dit vereiste was bedoeld om, als een internationaal coherent toezichtvereiste, het risico van looptijdtransformaties te verminderen, met als doel convergentie tussen jurisdicties te bevorderen en kansen op grensoverschrijdende regelgevingsarbitrage uit te schakelen.

Met name voert de Bazelse NSFR-norm een minimumvereiste in voor het bedrag aan stabiele financiering dat banken moeten uitgeven om hun activiteiten te financieren, op basis van het liquiditeitsprofiel van hun activa. Deze norm vermindert het liquiditeitsrisico van een bank door een niveau aan vereiste stabiele financiering (Required Stable Funding – “RSF”) vast te stellen op basis van de activa van de bank en dit vervolgens af te zetten tegen de beschikbare stabiele financiering (Available Stable Funding – “ASF”) die voortvloeit uit haar passiva-instrumenten.

Effectenfinancieringstransacties (Securities Financing Transactions – “SFT’s”) zoals gedefinieerd op grond van artikel 4, lid 1, punt 139), VKV omvatten uiteenlopende soorten gedekte (secured) transacties waarbij activa (zekerheden) worden omgeruild voor contanten: i) retrocessieovereenkomsten (repo’s) en omgekeerde retrocessieovereenkomsten (reverse repo’s); ii) het in- en uitlenen van effecten; iii) buy/sell-backtransacties, en iv) margeleningstransacties. Repo’s en reverse repo’s maken het grootste deel uit van SFT’s, goed voor 68 % van het totaal, gevolgd door het in- en uitlenen van effecten (23 %), buy/sell-back (8 %) en margelening (1 %) (data van september 2023)1.

Een repo is een leningtransactie, doorgaans met een korte looptijd, op basis van onderpand. Een reverse repo is een leningtransactie op basis van onderpand, die het spiegelbeeld is van een repo, waarbij een bank (de leninggever) tijdelijk effecten of grondstoffen (d.w.z. onderpand) van een wederpartij (de leningnemer) koopt in ruil voor contanten met de toezegging het onderpand in de toekomst tegen een vooraf bepaalde prijs terug te verkopen.

Ongedekte (unsecured) leningtransacties zijn leningen die niet door enig onderpand worden gedekt. Zij zijn gebaseerd op de kredietwaardigheid van de leningnemer en zijn belofte om de lening terug te betalen. Deze transacties kwamen vóór de kredietcrisis vooral voor op de interbankenmarkten.

Sinds de kredietcrisis en de sluiting van de unsecured interbankenmarkten hebben SFT’s een cruciale rol gespeeld bij de circulatie van kortlopende financiering tussen banken en marktspelers via transacties met onderpand. De activiteit op de SFT-markt verbindt ook de geldmarkt (met kortere looptijden) met de kapitaalmarkt (met langere looptijden). Bij het overgrote deel van de SFT’s dient overheidsschuld als onderpand. SFT’s worden beschouwd als een bedrijfsactiviteit met hoge volumes en lage marges voor grote banken, en deze wholesaleactiviteit is gevoelig voor internationale concurrentie zoals mag blijken uit het sterk grensoverschrijdende karakter van deze transacties. Bij slechts 41 % van de SFT-bedragen in de EU gaat het om transacties tussen EU-wederpartijen, terwijl bij 59 % van de SFT-bedragen in de EU een wederpartij van buiten de EU betrokken is2.

Voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s met looptijden tot zes maanden, legt de Bazelse NSFR-norm banken een voorzichtig “non-zero” RSF-vereiste op. Het doel ervan is het ontmoedigen van buitensporige korttermijnblootstellingen tussen banken, die aanleiding kunnen geven tot besmetting in tijden van financiële moeilijkheden.

De NSFR-norm is op 20 mei 2019 geïmplementeerd in EU-recht via een wijziging van de verordening kapitaalvereisten (“VKV2”). De betrokken vereisten werden eind juni 2021 van toepassing. In haar op 23 november 2016 gepubliceerde voorstel tot wijziging van de VKV3 suggereerde de Commissie om permanent RSF-niveaus te hanteren die lager zijn dan die uit het Bazelse akkoord. De Commissie concludeerde toen dat het redelijk lijkt om beperktere wijzigingen aan te brengen in de behandeling van zowel kortlopende transacties met financiële instellingen als HQLA van niveau 1, om het goede functioneren van financiële markten en repomarkten in de EU niet te belemmeren. De argumenten en de analyse die tot die aanpak leidden en de effectbeoordeling waarvan het voorstel van de Commissie vergezeld ging, blijven nog steeds geldig4.

De medewetgevers stonden echter een overgangs-RSF-vereiste van 0 % toe – in plaats van de 10 % RSF waarvan sprake in de Bazel III-normen en het lagere vereiste (5 %) in het voorstel van de Commissie – voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s met looptijden tot zes maanden, wanneer liquide activa van niveau 1 van hoge kwaliteit (“HQLA”)5, zoals overheidsschuld, daarvoor als onderpand dienden. Deze bepaling zou aflopen in juni 2025 wanneer het “non-zero” RSF-vereiste uit de Bazelse norm van toepassing zou worden. De overgangsbepaling diende om banken voldoende tijd te geven zich aan te passen aan het voorzichtigere vereiste dat wordt opgelegd door de Bazelse normen, en om eventuele effecten daarvan op de EU-kapitaalmarkt, en met name de markt voor overheidsschuld, te milderen.

Vergelijkbare overgangsbepalingen zijn ook overeengekomen voor kortlopende gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s met andere activa dan HQLA van niveau 1 als onderpand en voor kortlopende ongedekte transacties met financiële cliënten. Deze blootstellingen zijn van relatief minder materieel belang dan gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s met HQLA van niveau 1 als onderpand. Zij worden ook door hogere marges gekenmerkt. De overwegingen van de medewetgevers om voor deze transacties een overgangsbehandeling toe te staan, waren inherent aan de financieringskenmerken ervan en de impact van het niveau van RSF-factoren voor deze transacties op de marktliquiditeit, en met name van als onderpand bij SFT’s ontvangen activa.

Het prudentiële vereiste (prudential charge) voor de overgangsperiode dat medewetgevers hebben bepaald, behoudt in het stabiele financieringsvereiste dat coherent is met de Bazelse norm, het verschil tussen gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s met HQLA van niveau 1 als onderpand – zoals overheidsobligaties – en gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s met andere activa als onderpand. Het helpt echter om de verwevenheid tussen overheden en banken aan te pakken, zonder de druk op onderpand van zeer hoge kwaliteit te verhogen. Ook ondersteunt het de marktliquiditeit en de diversiteit van als onderpand verstrekte activa die, op grond van de liquiditeitsdekkingsratio (Liquidity Coverage Ratio – “LCR”), in aanmerking komen voor de liquiditeitsbuffer van banken.

Wat betreft ongedekte financieringstransacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, met financiële cliënten, dient de overgangsbehandeling om een evenredig financieringsvereiste toe te passen op deze transacties, in lijn met hun financieringsrisicoprofiel, en om de heropleving te ondersteunen van de markt voor ongedekte financiering, die na de kredietcrisis van 2008 is verdampt. Ongedekte financieringstransacties moeten inderdaad worden beschouwd als een noodzakelijke aanvulling voor gedekte financieringstransacties zoals SFT’s, om de algemene marktliquiditeit en de transmissie van het monetair beleid te ondersteunen, met name in perioden van verkrapping van het monetaire beleid.

De Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Zwitserland hebben voor een vergelijkbare behandeling als de overgangsbehandeling van de EU gekozen, maar deze landen hebben daar een permanente behandeling van gemaakt. Volgens de instanties in de Verenigde Staten vond de toewijzing van de 0 %-RSF-factor plaats op basis van de beslissing dat HQLA van niveau 1 minimaal liquiditeitsrisico inhouden en een belangrijke bijdrage leveren aan het goede functioneren van markten voor kortlopende financiering, d.w.z. dat een non-zero RSF-factor voor HQLA van niveau 1 intermediatie voor Amerikaans schatkistpapier en repomarkten zou kunnen ontmoedigen6.

Het einde van de actuele overgangsbehandeling en de daaruit resulterende aanscherping van het NSFR-vereiste in de EU doet een aantal punten van zorg rijzen. Een en ander zou EU-banken kunnen ontraden om te intermediëren voor overheidsschuld en zou de liquiditeit op deze markten verminderen omdat deze transacties met hoge volumes en lage marges duurder zouden worden. Een verdere verhoging van de kosten van deze transacties wanneer die worden uitgevoerd door EU-wederpartijen, kan, nu bij 59 % van de transacties in de EU een wederpartij van buiten de EU betrokken is, ertoe leiden dat wederpartijen of kapitaalmarkten buiten de EU aantrekkelijker worden. Een en ander zou in tegenspraak zijn met de ontwikkeling en houdbaarheid van kapitaalmarkten en liquiditeit voor activa, zoals overheidsobligaties, die als onderpand dienen, in de EU. Indien de EU de RSF-factoren voor deze transacties – eenzijdig – zou optrekken, zou zij het internationale gelijke speelveld verstoren, waardoor EU-banken in een ongunstige positie terechtkomen ten opzichte van hun concurrenten van buiten de EU die in deze zeer internationale en concurrerende activiteit werkzaam zijn. Het ongelijke speelveld versterken zou in zekere zin indruisen tegen een van de initiële doelstellingen van de Bazelse normen om de implementatie van mondiaal coherente regelgevingseisen te ondersteunen en de kansen voor grensoverschrijdende regelgevingsarbitrage te verminderen.

Omgekeerd zou het aanhouden van de huidige behandeling, in lijn met de door andere jurisdicties behouden aanpak, kunnen helpen bij de ontwikkeling van een liquide en aantrekkelijke markt voor overheidsschuld en van een diepe SFT-markt voor zekerheidsinstrumenten.

De huidige vereisten zijn uit prudentieel oogpunt robuust gebleken sinds zij medio 2021 van toepassing zijn geworden, en lijken geen aanleiding tot zorgen over financiële stabiliteit te hebben gegeven, en met name tijdens de recente stressepisodes (Russische agressie, de crisis met Brits staatspapier (Gilts), de bankencrisis in de VS in maart 2023). Sinds medio 2021 hebben EU-banken sterke NSFR-buffers opgebouwd, die groter zijn dan de minimumvereisten, met inachtneming van doorlopend toezicht door bevoegde autoriteiten. Effecten van het behoud van de overgangsbehandeling zullen verder worden gemonitord en onderworpen blijven aan afdoende onderzoek door toezichthouders, onder meer wat betreft de financieringspraktijken en het liquiditeitsrisicoprofiel van banken, door doorlopend toezicht en periodieke rapportage.

Op grond van artikel 510, lid 7, VKV2 moet de Commissie uiterlijk eind juni 2024 de relevantie van de overgangs-NSFR-behandeling van gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s en ongedekte transacties, met financiële cliënten, met een resterende looptijd van minder dan zes maanden beoordelen op basis van een verslag van de Europese Bankautoriteit (“EBA”). Zoals uitgelegd in afdeling 3 heeft het EBA-verslag alleen het effect beoordeeld op de NSFR-niveaus van banken – dat verwaarloosbaar blijkt te zijn. Toch wijst een ruimere analyse op mogelijk ongewenste effecten van de overschakeling naar de door het Bazelse akkoord voorgeschreven RSF. De SFT-markt in de EU speelt een cruciale rol bij het financieren van overheidsschuld in de EU aangezien overheidsschuld als onderpand dient voor het merendeel van de SFT’s. Daarnaast ondersteunt het behoud van de overgangsbehandeling de liquiditeit en diversiteit van activa die ook in aanmerking komen voor de liquiditeitsbuffer van banken in het kader van de LCR. Het is misschien zelfs niet passend om de beide dimensies van de liquiditeitsvereisten van elkaar los te koppelen.

Ook is het van belang om de bestaande stappen tussen de RSF-factoren voor overheidsobligaties die als onderpand dienen, en ander onderpand dat bij SFT’s wordt gebruikt, te behouden, omdat dit anders de voorkeur in de ene of de andere richting zou beïnvloeden, met het risico dat de druk op (schaars) onderpand van hoge kwaliteit zou worden verhoogd, en zo ook de verwevenheid tussen overheden en banken verder wordt versterkt.

De markt voor ongedekte financiering voor banken is na de kredietcrisis van 2008 stilgevallen en is nooit meer opgeleefd, of toch niet tot een significant niveau. Een non-zero RSF-factor is al van toepassing op kortlopende ongedekte transacties in het kader van de NSFR. Een verhoging van deze factor zal het prudentiële profiel van banken niet materieel versterken, d.w.z. de impact op de NSFR zou verwaarloosbaar zijn, terwijl dit ontradend kan werken voor het gebruik van ongedekte financieringstransacties die nuttig kunnen blijken in een periode van verkrapping van het monetaire beleid.

Een verhoging van het RSF-niveau voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s en ongedekte transacties zou EU-banken kunnen ontmoedigen om te intermediëren voor overheidsschuld en ander onderpand, en kan meer algemeen de liquiditeit op de EU-kapitaalmarkten verminderen. Een verhoging van de RSF voor deze transacties zal niet leiden tot een materiële verandering in het gemiddelde niveau van de NSFR-ratio van EU-banken die al boven de minimumvereisten blijkt te liggen en al onderworpen is aan doorlopend toezicht door bevoegde autoriteiten. Daarom zal een en ander niet fundamenteel afdoen aan het prudentiële profiel van EU-banken. Dit kan dan weer de financieringskosten voor lidstaten en spelers op EU-markten doen stijgen in een periode van genormaliseerd monetair beleid waarin van centrale banken wordt verwacht dat zij hun marktaanwezigheid inkrimpen en van particuliere marktspelers dat zij het overnemen.

Om eventuele onbedoelde gevolgen voor de liquiditeit van kapitaalmarkten te vermijden en rekening houdende met de garanties die het huidige raamwerk voor banken biedt, stelt de Commissie voor om de overgangsbehandeling te behouden voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s en voor ongedekte transacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, met financiële cliënten. De Commissie stelt voor dat de EBA, naast de doorlopende monitoring door centrale banken van ontwikkelingen op de kapitaalmarkt en het doorlopende toezicht door bevoegde autoriteiten, opdracht krijgt om over het effect van deze behandeling om de vijf jaar verslag te doen. Zo zou de Commissie naar bevind van zaken kunnen optreden en wijzigingen voorstellen indien die periodieke monitoringverslagen bewijsmateriaal opleveren.

- Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Op grond van artikel 510, lid 7, VKV verlangen de medewetgevers uitdrukkelijk dat de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel indient. Dit voorstel moet rekening houden met zowel het effect van de bestaande behandeling voor de NSFR van instellingen als het financieringsrisico dat verbonden is aan SFT’s en ongedekte transacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, met financiële cliënten. Het mandaat van de Commissie omvat ook het behoud van het internationale gelijke speelveld in deze sector, die bijzonder gevoelig is voor internationale concurrentie.

Het behoud van de NSFR-overgangsbehandeling van artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), artikel 428 vicies, lid 1, punt b), en artikel 428 tervicies, punt a), VKV is in lijn met dit mandaat.

Allereerst is het zo dat, omdat EU-banken afdoende NSFR-buffers hebben die boven hun minimumvereisten liggen, en hun financieringscapaciteit onder doorlopend toezicht staat, het behoud van de overgangsbehandeling de ontwikkeling zal bevorderen van liquide kapitaalmarkten in de EU en de beschikbaarheid van een gediversifieerde pool van beleenbare liquide activa in het kader van de liquiditeitsdekkingsratio (LCR). SFT-transacties ondersteunen de snelle en gecontroleerde omzetting van effecten in contanten tegen een economische prijs – en vormen zo een essentieel element voor de monetarisering van liquiditeitspools. Een negatief beïnvloede SFT-markt zou een gevaar kunnen betekenen voor de doeltreffendheid van de LCR, die dient om te kunnen beschikken over een buffer van liquide activa die gemakkelijk kunnen worden omgezet in contanten via SFT’s of op markten kunnen worden verkocht, in het geval van een scenario van een liquiditeitsstress van dertig dagen.

Meer algemeen zal het behouden van de overgangsbehandeling de EU-financieringsvereisten dus afgestemd houden op andere belangrijke jurisdicties en vermijden dat er een eenzijdige afwijking optreedt van de internationale consensus die het gelijke speelveld voor EU-banken kan beïnvloeden. Een permanente benadering zal belanghebbenden ook de nodige rechtszekerheid bieden ten aanzien van het voortbestaan en de stabiliteit van hun zakelijke activiteiten.

Ten slotte biedt deze benadering – op basis van een periodiek verslag door de EBA – de Commissie ook de mogelijkheid om voorstellen voor wijzigingen te doen indien zich bewijsmateriaal aandient dat dergelijke wijzigingen staaft.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Doel van de voorgestelde wijziging van de VKV is het behoud van de activiteit op de SFT-markt en de liquiditeit van markten voor overheidsschuld in de EU, hetgeen zal bijdragen tot de efficiëntie van de bank- en kapitaalmarkten in de EU zonder de financiële stabiliteit te ondermijnen.

De beoordeling van de mate van afstemming op internationale prudentiële normen die van even groot belang is als de impact ervan op de economie, heeft tot de conclusie geleid dat de huidige overgangsbehandeling geen aanleiding geeft tot aanzienlijke zorgen over de financiële stabiliteit, zoals met name mag blijken uit recente stressepisodes (Russische agressie, de crisis met Brits staatspapier (Gilts), de bankencrisis in de VS in maart 2023) die geen toegenomen zorgen aan het licht brachten in termen van financieringsrisico’s bij banken in de EU. Hoewel het einde van de overgangsbehandeling geen significante invloed op het prudentiële profiel van banken zou hebben, kan een en ander toch de marktliquiditeit negatief veranderen, met name op de markt voor overheidsschuld.

De huidige overgangsbehandeling stabiel handhaven met regelmatige rapportage en doorlopend toezicht door bevoegde autoriteiten zal marktdeelnemers rechtszekerheid bieden, en zodoende het voortbestaan en de stabiliteit van hun zakelijke activiteiten ondersteunen. Een stabiele prudentiële behandeling van gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s en van ongedekte transacties kan ook bijdragen aan de stabiliteit van het rapportageraamwerk voor banken, omdat een verandering in het bereik daarvan een aanpassing van de betrokken templates zou vergen.

Naast het behoud van de overgangsbehandeling voor SFT’s met overheidsschuld als onderpand, zal de voortzetting van de overgangsbehandeling voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s met andere activa als onderpand de diversificatie ondersteunen van liquiditeitsbuffers van banken en de verwevenheid tussen overheden en banken.

De RSF-factor behouden die sinds juni 2021 van toepassing is op kortlopende ongedekte transacties met financiële cliënten, zal bijdragen tot het gebruik van deze transacties in een context van verkrapping van het monetaire beleid – als aanvulling op gedekte transacties. Een en ander zou dan weer de algemene liquiditeit van kapitaalmarkten ondersteunen en uiteindelijk ook een adequate financiering van de reële economie.

Door het gelijke speelveld te handhaven tussen de EU en andere belangrijke jurisdicties die reeds op permanente basis een vergelijkbare prudentiële NSFR-behandeling hebben geïmplementeerd, zal de voorgestelde wijziging bijdragen aan het ondersteunen van het concurrentievermogen en de aantrekkelijkheid van EU-kapitaalmarkten en de intermediatierol van banken in de EU. Actieve EU-intermediairs op SFT-markten en diepe liquide EU-markten voor activa, zoals overheidsobligaties, die als onderpand dienen, dragen uiteindelijk bij tot lagere financieringskosten voor de EU-economie in het algemeen.

2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De voorgestelde wijzigingen hebben dezelfde rechtsgrondslag (artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)) als de wetgevingshandelingen die worden gewijzigd.

Subsidiariteit

Het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de Europese Unie “op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts [optreedt] indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt”.

Aangezien de voorgestelde maatregel tot doel heeft bestaande EU-wetgeving te wijzigen, kan deze doelstelling het beste worden bereikt op EU-niveau – in plaats van via verschillende nationale initiatieven. Immers, uit juridisch oogpunt zou het moeilijk zijn nationale maatregelen vast te stellen, aangezien de VKV rechtstreeks van toepassing is en reeds de prudentiële vereisten inzake liquiditeit en financiering van banken op nationaal niveau beregelt.

In de banksector, waar talrijke instellingen op de eengemaakte EU-markt actief zijn, is het van bijzonder belang om te zorgen voor een standaardtoepassing van prudentiële vereisten, de convergentie van toezichtpraktijken en een gelijk speelveld voor bankdiensten.

Evenredigheid

Volgens het evenredigheidsbeginsel mogen de inhoud en de vorm van het EU-optreden niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken.

De doelstellingen van de voorstellen zijn het concurrentievermogen en de aantrekkelijkheid van de EU-economie verzekeren via effectieve kapitaalmarkten voor SFT’s, overheidsobligaties en andere activa die als onderpand dienen, zonder verdere risico’s voor financiële stabiliteit te doen ontstaan voor banken in de EU.

In dit voorstel worden de mogelijkheden voor banken in de EU om het NSFR-vereiste na te leven met substantiële prudentiële buffers behouden zonder dat hun afhankelijkheid van kortlopende financiering buitensporig wordt vergroot.

Daarnaast gaan de voorgestelde wijzigingen niet verder dan het toepassingsbereik van de overgangsmaatregelen uit artikel 510, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Alle overige liquiditeitsvereisten die op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden opgelegd, blijven ongewijzigd.

Keuze van het instrument

Het voorstel is om de maatregelen uit te voeren door de VKV te wijzigen. De voorgestelde maatregelen betreffen of zijn een verdere uitwerking van bestaande bepalingen uit de VKV. Geen ander rechtsinstrument zou mogelijk zijn.

3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing. De voorgestelde wijziging betreft een specifieke actie in lijn met het mandaat van de Commissie, beschreven in artikel 510, lid 7, VKV, om een wetgevingsvoorstel in te dienen om een zeer gericht aspect van de VKV aan te pakken (d.w.z. de RSF-factoren die van toepassing zijn op financieringstransacties en ongedekte transacties, met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, met financiële cliënten). Dit initiatief is geen evaluatie of herziening van de VKV in haar geheel.

Raadpleging van belanghebbenden

De Commissie heeft diverse stappen gezet en diverse initiatieven genomen om na te gaan of de huidige overgangsbehandeling voor effectenfinancieringstransacties en ongedekte transacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, met financiële cliënten, nog afdoende is in het licht van de doelstellingen van het prudentiële raamwerk voor banken en de ruimere EU-beleidsdoelstellingen.

De Commissie heeft rekening gehouden met het op 16 januari 2024 gepubliceerde EBA-verslag over specifieke aspecten van het raamwerk voor de nettostabielefinancieringsratio, dat voldoet aan het vereiste van artikel 510, lid 6, VKV7. Het EBA-verslag behandelde echter niet alle relevante dimensies van deze kwestie, zoals de effecten op de transmissie van het monetaire beleid, op markten voor overheidsobligaties en op andere markten voor zekerheden. Dit is een element in de ruimere beleidsanalyse die de Commissie heeft uitgevoerd.

De Commissie heeft overlegd en van gedachten gewisseld met diverse deelnemers uit de sector, toezichthouders en de Europese Centrale Bank (“ECB”).

Ook heeft de Commissie deelgenomen en bijgedragen aan het desbetreffende overleg van het subcomité EU-overheidsschuldmarkten van het Economisch en Financieel Comité (“ESDM”), dat de standpunten weergeeft van de agentschappen voor het schuldbeheer van lidstaten. Leden van het subcomité herhaalden de punten van zorg zoals die tot uiting komen in de overwegingen 49 en 50 bij de VKV 28, namelijk dat SFT’s essentiële instrumenten zijn voor de transmissie van het monetaire beleid en van cruciaal belang zijn voor de primaire en secundaire markt voor overheidsschuld. Het prudentiële vereiste voor SFT’s optrekken zou, volgens de leden van het subcomité, invloed hebben op het gelijke speelveld voor spelers op kapitaalmarkten uit de EU en die van buiten de EU, en zou potentieel negatief kunnen uitwerken op de liquiditeit en de leningkosten op Europese markten voor overheidsschuld.

De Commissie heeft de punten van zorg meegenomen die drie lidstaten over deze kwestie publiek aan de orde hadden gesteld9. SFT-transacties in de EU zijn in hoofdzaak geconcentreerd in enkele lidstaten, waarbij Frankrijk de belangrijkste vestigingsplaats is met 55 % van EU-SFT-leningen in september 2023. Andere wederpartijen zijn Duits (met 17 % van EU-SFT-leningen), Italiaans (7 %) en Iers (5 %). Deze concentratie valt misschien te verklaren door de centrale rol van clearinginstellingen als centrale tegenpartij (“CTP’s”) (LCH, EuroNext Clearing en EUREX Clearing) en banken die gevestigd zijn in deze lidstaten en die handelen als clearingleden. Financiële instellingen concentreren hun blootstellingen in lidstaten waar CTP’s actief zijn, met het oog op een efficiënter risicomanagement en efficiëntere clearing. CTP’s zijn goed voor 20 % van de SFT’s, doordat zij SFT’s gebruiken in hun strategie om contanten opnieuw te beleggen.

De Europese Commissie heeft tussen 10 februari en 10 maart 2025 een verzoek om input opengesteld wat betreft haar voornemen om de VKV te wijzigen op het punt van de prudentiële behandeling van kortlopende SFT’s ten behoeve van de NSFR. Een gedetailleerde samenvatting is uitgewerkt in het werkdocument van de diensten van de Commissie waarvan dit voorstel vergezeld gaat.

Al deze uitwisselingen en consultaties hebben het kritieke belang duidelijk gemaakt van efficiënte SFT’s in de EU, van ongedekte financiering en markten voor overheidsobligaties op een moment dat de ECB inzet op aanpassingen van haar monetaire beleid, dat geleidelijk meer op de SFT’s en markten voor ongedekte financiële transacties een beroep doet om liquiditeit te herverdelen onder financiële intermediairs. Lidstaten, agentschappen voor schuldbeheer, banken en intermediairs op de kapitaalmarkt hebben een oproep gedaan aan de Commissie om de huidige regels te wijzigen en de overgangsbehandeling te behouden.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Naast de initiatieven uit de voorgaande afdeling heeft de Commissie regelmatig contact gehouden met medewerkers bij de EBA, de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), het gemeenschappelijk toezichtmechanisme (SSM) en de ECB.

Effectbeoordeling

De conclusie van het EBA-verslag over specifieke aspecten van het raamwerk voor de nettostabielefinancieringsratio is dat het beëindigen van de overgangsmaatregel slechts een beperkt effect zou hebben op het gemiddelde NSFR-peil van EU-banken.

Achter dit beperkte effect gaat echter een groter effect schuil op banken die actiever zijn op de kapitaalmarkten. Bovendien hebben sommige van deze banken misschien ook een kleinere beheersbuffer, omdat de NSFR doorgaans voor deze activiteiten conservatief is gekalibreerd. De aanname in het EBA-verslag van een constante balans, die berust op de aanname dat gedragingen van banken niet worden beïnvloed wanneer aan minimumeisen is voldaan, is misschien niet noodzakelijkerwijs passend. Dit komt doordat hier mogelijke dynamische en gedragsmatige effecten buiten beschouwing worden gelaten die verband houden met pogingen van een bank om een bepaalde doel-NSFR te bereiken. Ook gaat het verslag voorbij aan het feit dat banken van buiten de EU misschien marktaandeel van EU-banken kunnen winnen omdat het internationale speelveld ongelijk is.

Een verhoging van het RSF-niveau voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s zou EU-banken kunnen ontmoedigen om te intermediëren voor overheidsschuld en kan meer algemeen de liquiditeit op de EU-kapitaalmarkten verminderen. Dit kan ook leiden tot hogere bied-laat-spreads en een stijging van de financieringskosten voor lidstaten in een periode van genormaliseerd monetair beleid wanneer van centrale banken verwacht wordt dat zij hun marktaanwezigheid inkrimpen en van particuliere marktspelers dat zij het overnemen.

De mogelijke implicaties voor de activiteiten op EU-markten voor SFT en overheidsobligaties zullen afhangen van de mate waarin banken een verhoging van de RSF-factoren doorberekenen in bied-laat-spreads op de SFT-markt. De rol van de sterkst getroffen banken als marketmakers kan wijzen op een vrij grote of zelfs volledige doorberekening van de wettelijke kosten. Tegelijkertijd kan een en ander ook een prikkel zijn voor banken om deze doorberekening te beperken, omdat dit concurrentie van banken van buiten de EU kan aantrekken.

Een verhoging van de financieringsverplichting in verband met het RSF-niveau kan potentiële gevolgen hebben voor de liquiditeit van de markten voor overheidsschuld, met implicaties voor de liquiditeit van NextGenerationEU-obligaties. Dit zou ook een bevestiging zijn van de punten van zorg die ten tijde van het VKV2-voorstel10 zijn geformuleerd.

Het effect op banken van buiten de EU die actief zijn op de EU-markt voor SFT’s, is minder duidelijk. De betrokken activiteiten lopen normaal gesproken via EU-dochterondernemingen, waarvoor dezelfde NSFR-vereisten zouden gelden als die welke op EU-banken van toepassing zijn. Toch kunnen zij die activiteiten misschien doorschuiven naar bijkantoren of grensoverschrijdende activiteiten en zouden zij, hoe dan ook, de activiteit back-to-back kunnen financieren met steun van hun moederonderneming om de verhoging te neutraliseren. Kortom, in bepaalde jurisdicties zouden bankgroepen van buiten de EU het effect van een verhoging van de NSFR mogelijk kunnen neutraliseren, aangezien zij na juni 2025 niet geconfronteerd worden met vergelijkbare prudentiële vereisten voor die blootstellingen. Deze situatie zou, zonder specifieke actie van de EU, leiden tot een ongelijk internationaal speelveld.

• Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Dit initiatief is zeer specifiek en gericht. Daardoor heeft het geen invloed wat betreft resultaatgerichtheid of vereenvoudiging.

Grondrechten

De EU hecht aan hoge normen inzake de bescherming van grondrechten en is partij bij een ruim aantal mensenrechtenverdragen. De verwachting is niet dat het voorstel een direct effect zal hebben op de rechten zoals die zijn opgesomd in de belangrijkste VN-mensenrechtenverdragen, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat integrerend deel uitmaakt van de EU-Verdragen, en het Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM).

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de EU-begroting.

5. OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Het voorstel geeft aan dat, naast de regelmatige monitoring van kapitaalmarkten, toetsingen door toezichthouders, stresstestexercities en het verzamelen van data door centrale banken en toezichthouders – ook op EU-niveau –, de EBA om de vijf jaar ook de effecten zal monitoren die de wijzigingen hebben op de NSFR van banken en de liquiditeit van de onderliggende markten voor zekerheden. Het opstellen van het periodieke monitoringverslag hoeft geen extra rapportagedruk voor EU-banken mee te brengen, omdat voor dit verslag kan worden gebruikgemaakt van beschikbare marktinformatie en bestaande vereisten inzake toezichtrapportage.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Niet van toepassing.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 schrapt de overgangsbepaling in artikel 510, lid 8, VKV, om zo de bestaande behandeling te behouden voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s en voor ongedekte transacties met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, met financiële cliënten. Artikel 1 wijzigt ook artikel 510, lid 6, om een periodieke monitoring in te voeren waarbij de EBA opdracht krijgt, om de vijf jaar aan de Commissie verslag te doen over het passende karakter van de behandeling. Artikel 510, lid 7, wordt overbodig en wordt daarom geschrapt.