Toelichting bij COM(2025)142 - Standpunt EU in voorbereiding op de 20e vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites-CoP20) - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2025)142 - Standpunt EU in voorbereiding op de 20e vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de ... |
---|---|
bron | COM(2025)142 |
datum | 02-04-2025 |
Dit voorstel betreft het besluit van de Raad dat nodig is om het tijdens de 20e vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten namens de Unie in te nemen standpunt te bepalen met betrekking tot de voorgenomen wijzigingen van de bijlagen bij de Overeenkomst.
2. Achtergrond van het voorstel
2.1. De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten
De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (“de Overeenkomst” of “Cites”) heeft tot doel in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen tegen overmatige exploitatie ten gevolge van de internationale handel. De Overeenkomst is op 1 juli 1975 in werking getreden.
De Unie en al haar lidstaten zijn partij bij de Overeenkomst1.
2.2. De Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst
De Conferentie van de Partijen (CoP) is opgericht krachtens artikel XI van de Overeenkomst en is het bestuursorgaan van de Overeenkomst. De CoP komt eens in de twee tot drie jaar bijeen om de uitvoering van de Overeenkomst te evalueren. Met betrekking tot dit voorstel is met name relevant dat de CoP voorstellen tot wijziging van de lijsten met bedreigde dier- en plantensoorten in bijlagen I en II bij de Overeenkomst beoordeelt en goedkeurt.
2.3. De beoogde handelingen
Tijdens haar 20e vergadering (CoP20) van 24 november 2025 tot en met 5 december 2025 zal de CoP een besluit nemen over voorstellen tot wijziging van de Cites-bijlagen (de “voorstellen met betrekking tot de samenstelling van de bijlagen”). Bepaalde (groepen) soorten worden in de bijlagen opgenomen om commerciële handel in deze soorten algemeen te verbieden (bijlage I) of om met betrekking tot deze handel toezicht te kunnen houden en regels vast te kunnen stellen (bijlage II). Daarnaast zal de Unie een voorstel op grond van artikel XVI van de Overeenkomst indienen om bepaalde soorten in bijlage III bij de Overeenkomst op te nemen.
De bijlagen vormen een integrerend onderdeel van de Overeenkomst en zijn daarom wettelijk bindend.
Krachtens artikel XV, lid 1, punt c), van de Overeenkomst worden wijzigingen van de bijlagen waartoe de CoP heeft besloten (wijzigingen van de bijlagen I en II) 90 dagen na de afsluiting van de CoP van toepassing. Overeenkomstig artikel XVI, lid 2, van de Overeenkomst worden wijzigingen van bijlage III 90 dagen nadat het Secretariaat de Partijen van de indiening uit hoofde van artikel XVI, lid 1, van de Overeenkomst in kennis heeft gesteld, van kracht.
3. Namens de Unie in te nemen standpunt
Overeenkomstig artikel XV, lid 1, van de Overeenkomst kan elke partij wijzigingen van bijlage I of II voorstellen, die dan tijdens CoP20 worden behandeld. De tekst van het wijzigingsvoorstel wordt ten minste 150 dagen voor de vergadering, d.w.z. uiterlijk op 27 juni 2025, aan het Secretariaat van de Overeenkomst meegedeeld.
Overeenkomstig artikel XVI van de Overeenkomst kan elke Partij aan het Secretariaat een lijst voorleggen van soorten waarvan zij verklaart dat deze i) binnen de grenzen van haar rechtsbevoegdheid zijn onderworpen aan een verordening die ten doel heeft hun exploitatie te verhinderen of te beperken en ii) dat daarvoor de samenwerking met de andere Partijen bij de controle op de handel noodzakelijk is en deze derhalve moeten worden opgenomen in bijlage III. Een dergelijke indiening kan te allen tijde worden gedaan, maar in punt 3 van Resolutie 9.25 (rev. CoP18) van de Conferentie van de Partijen bij Cites wordt aanbevolen dat een Partij die voornemens is een soort in bijlage III op te nemen, het Secretariaat ten minste drie maanden vóór een vergadering van de CoP in kennis stelt van haar voornemen om dit te doen. Dit moet ervoor zorgen dat die wijziging op dezelfde datum in werking treedt als alle tijdens die vergadering goedgekeurde wijzigingen van bijlagen I en II.
Indien de voorstellen met betrekking tot de samenstelling van de bijlagen worden aangenomen, hebben zij gevolgen voor de EU-regels, aangezien zij wijzigingen van de desbetreffende Uniewetgeving met zich meebrengen, met name van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad2, waarin wijzigingen in de bijlagen bij de Overeenkomst moeten worden weergegeven. Dit zou leiden tot het instellen van beperkingen op het handelsverkeer van, naar en binnen de Unie voor de soorten waarop die wijzigingen betrekking hebben. De indiening op grond van artikel XVI van de Overeenkomst heeft soortgelijke rechtsgevolgen, aangezien die ook wijzigingen van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad tot gevolg heeft.
Deskundigen van de EU-lidstaten en van de Commissie hebben verschillende taxonomische groepen in overweging genomen om soorten te identificeren die door de internationale handel worden bedreigd en daardoor aan de criteria voor opname in een van de Cites-bijlagen kunnen voldoen. Het is de bedoeling dat de Unie vervolgens tijdens of ter gelegenheid van CoP20 voorstellen en indieningen doet voor de met betrekking tot de samenstelling van de bijlagen wat deze soorten betreft. De voorstellen zijn beoordeeld op basis van wetenschappelijke literatuur en andere bronnen met wetenschappelijke informatie. Deze omvatten i) de indeling van de soort volgens de Rode Lijst van bedreigde soorten die is opgesteld door de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN); ii) indien beschikbaar, handelsgegevens uit de Cites-handelsdatabank, en iii) landspecifieke informatie over de staat van instandhouding van de soort en de bestaande beschermingsmaatregelen.
Dit heeft geleid tot het voorgestelde besluit van de Raad met zeven ontwerpvoorstellen voor de opname van soorten in Cites-bijlage I of II.
Zes van deze zeven ontwerpvoorstellen zouden inhouden dat afzonderlijke soorten of groepen soorten (als hogere taxonomische rang) voor het eerst in Cites-bijlage II worden opgenomen. Dit zou ook in overeenstemming zijn met zowel de criteria van artikel II, lid 2, van de Overeenkomst als met de aanvullende richtsnoeren van CoP-resolutie 9.24 (rev. CoP17).
Voor het zevende voorstel (met betrekking tot Araucaria angustifolia) kan nog niet worden bepaald of het passender zou zijn de soort in bijlage I of II op te nemen. Op basis van verdere analyse en de antwoorden van de relevante staten die deel uitmaken van het verspreidingsgebied moet de Raad bepalen of moet worden voorgesteld de soort in bijlage II (overeenkomstig de bovengenoemde criteria) of in bijlage I op te nemen (overeenkomstig de criteria van artikel II, lid 1, van de Overeenkomst en de aanvullende richtsnoeren van CoP-resolutie 9.24 (rev. CoP17)).
Deze ontwerpvoorstellen met betrekking tot de samenstelling van de bijlagen zijn besproken tijdens vergaderingen van de Wetenschappelijke Studiegroep en de deskundigengroep van de administratieve Cites-instanties van de lidstaten en tijdens een ad-hocvergadering van met betrekking tot Cites deskundige vertegenwoordigers van de wetenschappelijke autoriteiten van de lidstaten. Overeenkomstig CoP-resolutie 9.24 (rev. CoP17) heeft de Commissie ook de staten in het verspreidingsgebied van de soorten die voor opname in de bijlagen in aanmerking worden genomen, geraadpleegd. De Commissie heeft hun standpunten over een mogelijke opname in de Overeenkomst ingewonnen en hen gestimuleerd om relevante wetenschappelijke informatie te delen. De antwoorden van een aantal staten in het verspreidingsgebied zijn nog in behandeling en zullen door de Raad in overweging worden genomen bij het nemen van een besluit over de door de Unie in te dienen voorstellen. Met name een besluit om voor te stellen om Gekko badenii, Araucaria angustifolia en Commiphora wightii op te nemen, moet afhangen van de steun hiervoor van de belangrijkste staten in het verspreidingsgebied van die soorten. Staten in het verspreidingsgebied die voorstander van een voorstel met betrekking tot de samenstelling van de bijlagen zijn, zal worden gevraagd samen met de EU het voorstel in te dienen bij het Cites-secretariaat. Voor het voorjaar van 2025 staan specifieke bijeenkomsten over de mogelijke voorstellen van de EU met betrekking tot de samenstelling van de bijlagen met belanghebbenden uit de Unie en met vertegenwoordigers van derde landen gepland.
4. Rechtsgrondslag
4.1. Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1. Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”3.
4.1.2. Toepassing op het onderhavige geval
De Conferentie van de Partijen is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten Cites.
De wijzigingen van Cites-bijlagen I en II waarover de CoP een besluit moet nemen, zijn handelingen met rechtsgevolgen. De gewijzigde bijlagen zullen als volwaardig onderdeel van de Overeenkomst volkenrechtelijk bindend zijn.
Een kennisgeving met betrekking tot bijlage III vereist geen besluit van de CoP, maar het is passend deze in dit besluit op te nemen, aangezien de wijzigingen van bijlage III, als integrerend deel van de Overeenkomst, wettelijk bindend zullen zijn voor de Partijen en aangezien wijzigingen van bijlage III ook van beslissende invloed zijn op Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad in de zin van de OIV-jurisprudentie4.
Wijzigingen van de bijlagen zijn geen handeling tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2. Materiële rechtsgrondslag
4.2.1. Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
Wanneer een beoogde handeling ofwel i) tegelijkertijd meerdere doelstellingen heeft of ii) meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit bij wijze van uitzondering de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen als materiële rechtsgrondslag hebben.
4.2.2. Toepassing op het onderhavige geval
De beoogde CoP-besluiten hebben doelstellingen en componenten op het gebied van “milieu” en “handel”. Deze elementen van de beoogde handeling zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zonder dat het ene ondergeschikt is aan het andere.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 192, lid 1, VWEU en artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU.
4.3. Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit wordt gevormd door artikel 192, lid 1, VWEU en artikel 207, lid 4, eerste alinea, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.