Toelichting bij COM(2025)136 - Wijziging van Verordening (EU) 2019/631 om extra flexibiliteit erin op te nemen met betrekking tot de berekening van de naleving door fabrikanten van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen voor de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2025)136 - Wijziging van Verordening (EU) 2019/631 om extra flexibiliteit erin op te nemen met betrekking tot de berekening van de ... |
---|---|
bron | COM(2025)136 |
datum | 01-04-2025 |
• Motivering en doel van het voorstel
Bij Verordening (EU) 2019/6311 zijn CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen vastgesteld. De verordening vormt een belangrijke bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-klimaatwet, waaronder klimaatneutraliteit in 2050 en de doelstelling om tegen 2030 de CO2-emissies in de hele economie met 55 % te verminderen ten opzichte van 1990.
De automobielindustrie is van essentieel belang voor de economie van de EU en is goed voor meer dan 7 % van het bbp. Zij biedt direct of indirect werkgelegenheid aan ongeveer 13 miljoen Europeanen: in de productie, de verkoop, het onderhoud, de bouw en het vervoer en vervoersdiensten. De automobielsector ondergaat een structurele transformatie met onder meer veranderingen op het gebied van schone en digitale technologieën, met name de verschuiving richting emissievrije voertuigen. De CO2-normen bieden investeerders in de hele waardeketen zekerheid en voorspelbaarheid voor de lange termijn en helpen een dergelijke transformatie voor de sector mogelijk maken, en daarbij wordt voorzien in een voldoende lange overgangsperiode om een rechtvaardige transitie mogelijk te maken.
In de verordening is de verplichting opgenomen de jaarlijkse gemiddelde CO2-emissies van nieuwe auto’s en bestelwagens voor het gehele EU-wagenpark elke vijf jaar te verlagen. In 2025 wordt een doelstelling van toepassing die ervoor moet zorgen dat voor elk jaar van de periode 2025-2029, 15 % CO2-reductie ten opzichte van de waarden van 2021 wordt gerealiseerd.
Om te kunnen beoordelen in hoeverre fabrikanten hun doelstellingen behalen, worden elk jaar op basis van het streefcijfer voor het gehele EU-wagenpark de gemiddelde CO2-emissies en de specifieke CO2-emissies voor elke fabrikant vastgesteld. Fabrikanten die hun specifieke emissiestreefcijfer overschrijden, betalen voor elk nieuwe geregistreerde voertuig een bijdrage voor overtollige emissies van 95 EUR per g/km.
Het voorstel, dat valt in het kader van de strategische dialoog over de toekomst van de automobielindustrie die plaatsvond in het eerste kwartaal van 2025 en is aangekondigd in het actieplan voor de automobielindustrie van de Commissie van 5 maart 2025, betreft een gerichte wijziging van Verordening (EU) 2019/631 om fabrikanten extra flexibiliteiit met betrekking tot hun nalevingsverplichtingen te bieden door een nalevingsperiode van drie jaar in plaats van één toe te staan voor de jaren 2025, 2026 en 2027.
Bij de gerichte wijziging wordt een dergelijke extra flexibiliteit voor fabrikanten ingevoerd, met behoud van het ambitieniveau van de emissiereductiedoelstelling.
Om de rechtszekerheid en voorspelbaarheid in stand te houden, is het essentieel dat het Europees Parlement en de Raad snel en onverwijld overeenstemming bereiken over deze eenmalige flexibiliteit om naleving in een nalevingsperiode van drie jaar mogelijk te maken.
• Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Dit voorstel wijzigt geen materiële regels van Verordening (EU) 2019/631, noch de doelstellingen ervan. Het voorstel komt tegemoet aan de bezorgdheid die de automobielsector in de EU heeft geuit door fabrikanten extra flexibiliteit te bieden om aan de doelstellingen van de verordening te voldoen.
• Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
In de verordening betreffende de Europese klimaatwet2 is het kader vastgesteld voor het bereiken van klimaatneutraliteit als EU tegen 2050. De verordening schrijft voor dat de netto-uitstoot van broeikasgassen in de EU tegen 2030 met ten minste 55 % moet zijn verminderd (ten opzichte van het niveau van 1990). De Commissie wordt ook verplicht een doelstelling voor 2040 voor te stellen. In overeenstemming met de reductiedoelstellingen van de klimaatwet zijn in Verordening (EU) 2019/631 emissiereductiedoelstellingen voor auto’s en bestelwagens vastgesteld.
Het huidige voorstel verandert niets aan de reductiedoelstellingen en verlaagt de algemene ambities op het gebied van CO2-emissienormen niet. Door de invoering van een eenmalige nalevingsperiode van drie jaar voor 2025, 2026 en 2027 in plaats van een jaarlijks beoordelingsmoment, biedt het voertuigfabrikanten extra flexibiliteit, terwijl de zekerheid en voorspelbaarheid voor investeerders in de hele waardeketen behouden blijft.
2. RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
• Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Overeenkomstig artikel 191 en artikel 192, lid 1, VWEU moet de Europese Unie bijdragen aan het nastreven van onder meer de volgende doelstellingen: behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu; bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering. De Unie heeft al eerder beleid op basis van artikel 192 VWEU vastgesteld om de CO2-emissies van auto’s en lichte bedrijfsvoertuigen terug te dringen, te beginnen met Verordening (EG) nr. 443/20093 en Verordening (EU) nr. 510/20114.
• Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Dit initiatief is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. Een wijziging van Verordening (EU) 2019/631 om deze extra flexibiliteit te bieden, kan niet door de lidstaten zelf worden gerealiseerd.
• Evenredigheid
Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het niet verder gaat dan wat nodig is voor de verwezenlijking van de EU-doelstellingen om de broeikasgasemissies op kosteneffectieve wijze terug te dringen en om voertuigfabrikanten tegelijkertijd eenmalig extra flexibiliteit te bieden om aan hun doelstellingen te voldoen, met behoud van het ambitieniveau van de doelstellingen.
• Keuze van het instrument
Het voorstel wijzigt Verordening (EU) 2019/631 alleen wat betreft het bieden van extra flexibiliteit met betrekking tot de nalevingsperioden. Het moet dus dezelfde handelingsvorm aannemen, namelijk een verordening.
3. EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
• Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
Het voorstel hoeft niet te worden geëvalueerd, aangezien het alleen voorziet in tijdelijke extra flexibiliteit voor voertuigfabrikanten bij de naleving van de streefcijfers.
• Raadpleging van belanghebbenden
De Commissie heeft intensieve en uitgebreide besprekingen gevoerd met fabrikanten en belanghebbenden uit de waardeketen van de automobielsector in het kader van de strategische dialoog over de toekomst van de automobielindustrie die plaatsvond in het eerste kwartaal van 2025.
• Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Het voorstel is uitgewerkt na een interne doorlichting van bestaande verplichtingen en gebaseerd op de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van de desbetreffende wetgeving, met inbegrip van de jaarlijkse monitoring van de naleving van de CO2-doelstellingen door de fabrikanten.
• Effectbeoordeling
Het voorstel betreft gerichte wijzigingen van Verordening (EU) 2019/631 om fabrikanten extra flexibiliteit te bieden met betrekking tot hun nalevingsverplichtingen. Het verandert niets aan het ambitieniveau van de doelstellingen.
• Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
Het voorstel naar verwachting niet leiden tot hogere administratieve kosten in vergelijking met de huidige verordening. Het maakt het rechtskader ook niet complexer.
• Grondrechten
Het voorstel eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie5 zijn erkend. Het draagt met name bij tot de verwezenlijking van de doelstelling van een hoog niveau van milieubescherming in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling, zoals neergelegd in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het financieel memorandum met de gevolgen voor de budgettaire, personele en administratieve middelen is gehecht aan het voorstel dat heeft geleid tot de vaststelling van Verordening (EU) 2019/631, en de laatste herziening ervan bij Verordening (EU) 2023/851.
5. OVERIGE ELEMENTEN
• Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Als gevolg van dit voorstel wordt de inhoud van de voorschriften niet gewijzigd en de uitvoeringsbeoordeling blijft dezelfde als die van het voorstel dat heeft geleid tot de vaststelling van Verordening (EU) 2019/631, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/851.
• Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1, lid 1, wijzigt artikel 4 om de nalevingsperiode van drie jaar te specificeren.
Artikel 1, lid 2, wijzigt artikel 6 om te specificeren dat de groepsvormingsovereenkomsten voor 2025-2027 uiterlijk eind 2027 aan de Commissie moeten worden meegedeeld.
Artikel 1, lid 3, wijzigt artikel 8 om de regels voor het opleggen van de bijdragen voor overtollige emissies voor de driejarige nalevingsperiode 2025-2027 te specificeren.