Overwegingen bij COM(2023)227 - Wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, de voorwaarden voor afwikkeling en de financiering van afwikkelingsmaatregelen - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2023)227 - Wijziging van Richtlijn 2014/59/EU wat betreft vroegtijdige-interventiemaatregelen, de voorwaarden voor afwikkeling en de ... |
---|---|
document | COM(2023)227 ![]() ![]() |
datum | 18 april 2023 |
(2) Het afwikkelingskader van de Unie wordt inmiddels verscheidene jaren uitgevoerd, maar levert in zijn huidige vorm niet de beoogde resultaten op ten aanzien van enkele van deze doelstellingen. Meer in het bijzonder wordt het afwikkelingskader van de Unie weinig gebruikt, ondanks het feit dat instellingen en entiteiten aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt op weg naar afwikkelbaarheid en hiervoor aanzienlijke middelen hebben toegewezen, met name door middel van de opbouw van de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit en de opvulling van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Het falen van bepaalde kleinere en middelgrote instellingen en entiteiten wordt in plaats daarvan hoofdzakelijk afgehandeld met gebruik van niet-geharmoniseerde nationale maatregelen. Hiervoor wordt belastinggeld gebruikt, in plaats van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Die situatie lijkt het gevolg te zijn van ontoereikende stimulansen. Deze ontoereikende stimulansen vloeien voort uit de wisselwerking tussen het afwikkelingskader van de Unie en de nationale regels, waarbij de brede beoordelingsruimte bij de beoordeling van het openbaar belang niet altijd op een wijze wordt gebruikt waarin tot uiting komt hoe het afwikkelingskader van de Unie moet worden toegepast. Het afwikkelingskader van de Unie werd bovendien weinig gebruikt als gevolg van de risico’s voor deposanten van instellingen met depositofinanciering op het dragen van verliezen om ervoor te zorgen dat deze instellingen bij afwikkeling toegang hebben tot externe financiering, met name bij gebrek aan andere bail-inbare passiva. Tot slot heeft het feit dat voor de toegang tot financiering buiten afwikkeling minder strenge regels gelden dan voor de toegang tot financiering bij afwikkeling ertoe geleid dat de toepassing van het afwikkelingskader van de Unie werd ontmoedigd ten gunste van andere oplossingen, waarbij vaak belastinggeld wordt gebruikt in plaats van de eigen middelen van de instelling of entiteit, of door de sector gefinancierde vangnetten. Deze situatie leidt vervolgens tot een risico op versnippering, een risico op niet-optimale uitkomsten bij het beheer van het falen van instellingen en entiteiten, met name in het geval van kleinere of middelgrote instellingen en entiteiten, en alternatieve kosten als gevolg van ongebruikte financiële middelen. Het is daarom noodzakelijk om een doeltreffender en samenhangender toepassing van het afwikkelingskader van de Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat dit kan worden toegepast wanneer dit in het openbaar belang is, ook voor bepaalde kleinere en middelgrote instellingen die hoofdzakelijk met deposito’s worden gefinancierd en die niet over voldoende andere bail-inbare passiva beschikken.
(3) De intensiteit en de mate van gedetailleerdheid van de noodzakelijke planningswerkzaamheden voor de afwikkeling met betrekking tot dochterondernemingen die niet als af te wikkelen entiteiten zijn aangemerkt, lopen uiteen naargelang de omvang en het risicoprofiel van de betrokken instellingen en entiteiten, de aanwezigheid van kritieke functies en de groepsafwikkelingsstrategie. De afwikkelingsautoriteiten moeten die factoren derhalve in aanmerking kunnen nemen bij het vaststellen van de maatregelen die ten aanzien van dergelijke dochterondernemingen moeten worden genomen en, waar passend, een vereenvoudigde benadering toepassen.
(4) Een instelling of entiteit die op grond van het interne recht wordt geliquideerd naar aanleiding van een vaststelling dat de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen en een conclusie van de afwikkelingsautoriteit dat de afwikkeling van deze instelling of entiteit niet in het openbaar belang is, zal uiteindelijk de markt verlaten. Dit houdt in dat geen plan nodig is voor maatregelen die in het geval van falen moeten worden genomen, ongeacht of de bevoegde autoriteit de vergunning van de betrokken instelling of entiteit reeds heeft ingetrokken. Hetzelfde geldt voor een resterend deel van een instelling in afwikkeling na de overdracht van activa, rechten en passiva in het kader van een overdrachtsstrategie. Het is derhalve passend om te specificeren dat de goedkeuring van afwikkelingsplannen in dergelijke situaties niet vereist is.
(5) De afwikkelingsautoriteiten kunnen momenteel bepaalde uitkeringen verbieden wanneer een instelling of entiteit niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet, wanneer dit vereiste naast het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (“MREL”) in beschouwing wordt genomen. In bepaalde situaties kan van een instelling of entiteit echter worden verlangd dat zij het MREL op een andere basis naleeft dan de basis waarop die instelling of entiteit verplicht is om het gecombineerde buffervereiste na te leven. Deze situatie leidt tot onzekerheid wat betreft de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden van afwikkelingsautoriteiten om uitkeringen te verbieden en voor de berekening van het maximaal uitkeerbare bedrag voor het MREL. Er moet derhalve worden vastgelegd dat de afwikkelingsautoriteiten in deze gevallen de bevoegdheid moeten uitoefenen om bepaalde uitkeringen te verbieden op basis van de raming van het gecombineerde buffervereiste dat voortvloeit uit Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/1118 van de Commissie 28 . Om de transparantie en rechtszekerheid te waarborgen, moeten de afwikkelingsautoriteiten de instelling of entiteit in kennis stellen van het geraamde gecombineerde buffervereiste en moet de instelling of entiteit dit vervolgens openbaar maken.
(6) Vroegtijdige-interventiemaatregelen werden ontwikkeld om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de verslechtering van de financiële en economische situatie van een instelling of entiteit te herstellen en om het risico en de gevolgen van een mogelijke afwikkeling zo veel mogelijk te beperken. Vanwege een gebrek aan zekerheid met betrekking tot de voorwaarden voor de toepassing van deze vroegtijdige-interventiemaatregelen en gedeeltelijke overlappingen met toezichtsmaatregelen, zijn vroegtijdige-interventiemaatregelen echter weinig gebruikt. De voorwaarden voor de toepassing van deze vroegtijdige-interventiemaatregelen moeten derhalve worden vereenvoudigd en nader worden gespecificeerd. Om onzekerheden ten aanzien van de voorwaarden en het tijdschema voor het ontslag van het leidinggevend orgaan en de benoeming van tijdelijke bewindvoerders weg te nemen, moeten deze maatregelen uitdrukkelijk worden aangemerkt als vroegtijdige-interventiemaatregelen en moeten dezelfde voorwaarden gelden voor de toepassing ervan. De bevoegde autoriteiten moeten tegelijkertijd worden verplicht om de passende maatregelen te kiezen voor het aanpakken van een specifieke situatie, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen om rekening te houden met reputatierisico’s of risico’s in verband met het witwassen van geld of informatie- en communicatietechnologie, moeten de bevoegde autoriteiten de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen niet alleen beoordelen op basis van kwantitatieve indicatoren, zoals kapitaal- of liquiditeitsvereisten, de mate van hefboomfinanciering, de hoeveelheid slechte leningen of de concentratie van risico’s, maar ook op basis van kwalitatieve voorwaarden.
(7) Om de rechtszekerheid te verbeteren, moeten de vroegtijdige-interventiemaatregelen van Richtlijn 2014/59/EU die overlappen met de reeds bestaande bevoegdheden uit hoofde van het prudentiële kader van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad 29 , alsook die van Richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad 30 worden geschrapt. Daarnaast moet worden gewaarborgd dat de afwikkelingsautoriteiten zich kunnen voorbereiden op de mogelijke afwikkeling van een instelling of entiteit. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteiten derhalve tijdig informeren over de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit en de afwikkelingsautoriteiten moeten beschikken over de nodige bevoegdheden om voorbereidende maatregelen uit te voeren. Om de afwikkelingsautoriteiten in staat te stellen zo snel mogelijk te reageren op een verslechtering van de situatie van een instelling of entiteit is het belangrijk dat de eerdere toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen geen voorwaarde is voor de afwikkelingsautoriteit voor het treffen van voorzieningen voor de verkoop van de instelling of entiteit of voor het verzoeken om informatie om het afwikkelingsplan te actualiseren en de waardering voor te bereiden. Om een samenhangende, gecoördineerde, doeltreffende en tijdige reactie op de verslechtering van de financiële situatie van een instelling of entiteit te waarborgen en te zorgen voor een goede voorbereiding op een mogelijke afwikkeling, moeten de wisselwerking en coördinatie tussen bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten worden verbeterd. Zodra een instelling of entiteit voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen, moeten bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten de uitwisseling van informatie, met inbegrip van voorlopige informatie, opvoeren en de financiële situatie van de instelling of entiteit gezamenlijk monitoren.
(8) Het is noodzakelijk om tijdige maatregelen en een vroegtijdige coördinatie tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit te waarborgen wanneer een instelling of entiteit nog een going concern is, maar er een materieel risico bestaat dat de instelling of entiteit faalt. De bevoegde autoriteit moet de afwikkelingsautoriteit daarom zo snel mogelijk op de hoogte stellen van een dergelijk risico. Deze kennisgeving moet de redenen bevatten voor de beoordeling van de bevoegde autoriteit, evenals een overzicht van de alternatieve maatregelen van de particuliere sector, toezichtsmaatregelen of vroegtijdige-interventiemaatregelen die beschikbaar zijn om het falen van de instelling of entiteit binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen. Een dergelijke vroegtijdige kennisgeving mag niet leiden tot vooringenomenheid bij het bepalen of aan de voorwaarden voor afwikkeling is voldaan. De voorafgaande kennisgeving door de bevoegde autoriteit aan de afwikkelingsautoriteit van een materieel risico dat een instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, mag geen voorwaarde vormen voor een latere vaststelling dat een instelling of entiteit daadwerkelijk faalt of waarschijnlijk zal falen. Indien in een later stadium wordt vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en er geen alternatieve oplossingen zijn om een dergelijk falen binnen een redelijk tijdsbestek te voorkomen, moet de afwikkelingsautoriteit bovendien beslissen of zij afwikkelingsmaatregelen neemt. In een dergelijk geval kan de tijdigheid van het besluit om afwikkelingsmaatregelen toe te passen voor een instelling of entiteit cruciaal zijn voor de succesvolle uitvoering van de afwikkelingsstrategie, met name omdat een eerdere interventie in de instelling of entiteit kan bijdragen tot het garanderen van een toereikende verliesabsorberende capaciteit en liquiditeit om die strategie uit te voeren. Het is derhalve passend om de afwikkelingsautoriteit in staat te stellen om, in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteit, te beoordelen wat een redelijk tijdsbestek is voor de uitvoering van alternatieve maatregelen om het falen van de instelling of entiteit te voorkomen. Om een tijdige uitkomst te waarborgen en de afwikkelingsautoriteit in staat te stellen zich naar behoren voor te bereiden op de mogelijke afwikkeling van de instelling of entiteit, moeten de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit regelmatig bijeenkomen en moet de afwikkelingsautoriteit een beslissing nemen over de regelmaat van deze vergaderingen op basis van de omstandigheden van de zaak.
(9) Het afwikkelingskader moet op elke mogelijke instelling of entiteit kunnen worden toegepast, ongeacht de omvang en het bedrijfsmodel, indien de op grond van het interne recht beschikbare instrumenten niet toereikend zijn om het falen van deze instelling of entiteit te beheren. Om een dergelijke uitkomst te waarborgen, moeten er criteria worden gespecificeerd voor de uitvoering van de beoordeling van het openbaar belang in verband met een falende instelling of entiteit. Het is met name noodzakelijk dat wordt verduidelijkt dat bepaalde functies van de instelling of entiteit, naargelang de specifieke omstandigheden, als kritiek kunnen worden beschouwd, zelfs wanneer de stopzetting hiervan slechts op regionaal niveau gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit of kritieke diensten.
(10) In de beoordeling van de vraag of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het openbaar belang is, moet tot uiting komen dat deposanten beter worden beschermd wanneer middelen van depositogarantiestelsels (“DGS’en”) efficiënter worden gebruikt en de verliezen voor deze fondsen tot een minimum worden beperkt. Daarom moet de afwikkelingsdoelstelling om deposanten te beschermen in de beoordeling van het openbaar belang beter verwezenlijkt worden geacht bij afwikkeling wanneer de keuze voor insolventie duurder zou zijn voor het depositogarantiestelsel.
(11) De beoordeling of de afwikkeling van een instelling of entiteit in het openbaar belang is moet ook, voor zover mogelijk, het verschil weerspiegelen tussen financiering uit door de bedrijfstak gefinancierde vangnetten (afwikkelingsfinancieringsregelingen of DGS’en) enerzijds en financiering door de lidstaten met belastinggeld anderzijds. Door de lidstaten verstrekte financiering brengt een groter moreel risico met zich mee, evenals een kleinere stimulans voor marktdiscipline. Bij de beoordeling van de doelstelling om het gebruik van buitengewone openbare financiële steun tot een minimum te beperken, moeten de afwikkelingsautoriteiten daarom de voorkeur geven aan financiering aan de hand van afwikkelingsfinancieringsregelingen of het depositogarantiestelsel boven financiering aan de hand van een gelijk bedrag aan begrotingsmiddelen van de lidstaten.
(12) Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsdoelstellingen op de doeltreffendste wijze worden behaald, mag de uitkomst van de beoordeling van het openbaar belang slechts negatief zijn wanneer de afwikkelingsdoelstellingen met de liquidatie van de falende instelling of entiteit in het kader van een gewone insolventieprocedure op doeltreffender wijze, en niet in dezelfde mate, zouden worden behaald als met afwikkeling.
(13) Indien een falende instelling of entiteit niet wordt afgewikkeld, moet deze worden geliquideerd in overeenstemming met de procedures die uit hoofde van het interne recht beschikbaar zijn. Dergelijke procedures kunnen sterk verschillen tussen de lidstaten. Hoewel het passend is om voldoende flexibiliteit voor het gebruik van de bestaande nationale procedures toe te staan, moeten bepaalde aspecten worden verduidelijkt om te waarborgen dat de betrokken instellingen of entiteiten de markt verlaten.
(14) Er moet worden gewaarborgd dat de relevante nationale administratieve of gerechtelijke autoriteit snel een procedure uit hoofde van het interne recht inleidt wanneer een instelling of entiteit wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen en niet wordt afgewikkeld. Indien een vrijwillige liquidatie van de instelling of entiteit bij besluit van aandeelhouders uit hoofde van het interne recht mogelijk is, moet een dergelijke optie beschikbaar blijven. Er moet echter voor worden gezorgd dat de relevante nationale administratieve of gerechtelijke autoriteit optreedt wanneer de aandeelhouders niet snel actie ondernemen.
(15) Er moet ook worden vastgesteld dat de uiteindelijke uitkomst van dergelijke procedures bestaat in het verlaten van de markt door de falende instelling of entiteit of de stopzetting van haar bankdiensten. Afhankelijk van het interne recht kan deze doelstelling op verschillende manieren worden verwezenlijkt. Dit kan de verkoop van de instelling of entiteit of delen ervan, de verkoop van specifieke activa of passiva, een geleidelijke afschrijving of de stopzetting van de bankdiensten, met inbegrip van betalingen en het in ontvangst nemen van deposito’s, inhouden, met het oog op een geleidelijke verkoop van de activa van de instelling of entiteit om de getroffen crediteuren terug te betalen. Om de voorspelbaarheid van de procedures te verbeteren, moet deze uitkomst echter binnen een redelijk tijdsbestek worden verwezenlijkt.
(16) Aan de bevoegde autoriteiten moet de bevoegdheid worden verleend om de vergunning van een instelling of entiteit enkel op basis van het feit dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen en niet wordt afgewikkeld, in te trekken. De bevoegde autoriteiten moeten de vergunning kunnen intrekken ter ondersteuning van de doelstelling van de liquidatie van de instelling of entiteit in overeenstemming met het interne recht, met name in gevallen waarin de beschikbare procedures uit hoofde van het interne recht niet kunnen worden ingeleid op het moment dat wordt vastgesteld dat de instelling of entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen, met inbegrip van de gevallen waarin de instelling of entiteit nog niet balansmatig insolvent is. Om verder te waarborgen dat de doelstelling van de liquidatie van de instelling of entiteit kan worden behaald, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit ook wordt opgenomen onder de mogelijke voorwaarden voor het inleiden van ten minste een van de procedures die uit hoofde van het interne recht beschikbaar zijn en die van toepassing zijn op instellingen of entiteiten die falen of waarschijnlijk zullen falen, maar niet worden afgewikkeld.
(17) In het licht van de ervaringen die zijn opgedaan bij de uitvoering van Richtlijn 2014/59/EU, Verordening (EU) nr. 806/2014 en Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad 31 , is het noodzakelijk om de voorwaarden nader te specificeren waaronder maatregelen van preventieve aard die moeten worden aangemerkt als buitengewone openbare financiële steun bij wijze van uitzondering mogen worden toegekend. Teneinde verstoringen van de mededinging als gevolg van verschillen in de aard van depositogarantiestelsels in de Unie tot een minimum te beperken, moeten interventies van depositogarantiestelsels in het kader van preventieve maatregelen die in overeenstemming zijn met Richtlijn 2014/49/EU en die moeten worden aangemerkt als buitengewone openbare financiële steun bij wijze van uitzondering worden toegestaan wanneer de begunstigde instelling of entiteit aan geen van de voorwaarden voldoet om te worden geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen. Er moet worden gewaarborgd dat preventieve maatregelen op tijd worden genomen. De Europese Centrale Bank (ECB) baseert haar oordeel dat een instelling of entiteit solvent is, met het oog op de preventieve herkapitalisatie, momenteel op een toekomstgerichte beoordeling voor de komende twaalf maanden van de vraag of de instelling of entiteit de vereisten voor de eigen middelen kan naleven, zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad 32 of in Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad 33 , evenals het aanvullende vereiste voor de eigen middelen zoals vastgesteld in Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn (EU) 2019/2034. Deze praktijk moet worden vastgesteld in Richtlijn 2014/59/EU. Maatregelen ter ondersteuning van activa die aan een bijzondere waardevermindering onderhevig zijn, met inbegrip van vehikels voor activabeheer of garantiestelsels voor activa, kunnen bovendien doeltreffend en efficiënt zijn bij het aanpakken van oorzaken van mogelijke financiële problemen waarmee instellingen en entiteiten te maken hebben en bij het voorkomen van het falen ervan, en kunnen derhalve relevante preventieve maatregelen zijn. Daarom moet worden gespecificeerd dat dergelijke preventieve maatregelen de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa kunnen aannemen.
(18) Om de marktdiscipline in stand te houden, de overheidsmiddelen te beschermen en verstoringen van de mededinging te voorkomen, moeten preventieve maatregelen een uitzondering blijven en alleen worden genomen om ernstige verstoringen op de markt aan te pakken of de financiële stabiliteit te handhaven. Preventieve maatregelen mogen bovendien niet worden genomen om geleden of waarschijnlijke verliezen aan te pakken. Het betrouwbaarste instrument voor het vaststellen van verliezen of waarschijnlijke verliezen is een doorlichting van de kwaliteit van activa door de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankenautoriteit, EBA), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad 34 of door de nationale bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten moeten een dergelijke doorlichting gebruiken om verliezen of waarschijnlijke verliezen vast te stellen indien een dergelijke doorlichting binnen een redelijk tijdsbestek kan worden uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten de bevoegde autoriteiten verliezen of waarschijnlijke verliezen op de betrouwbaarst mogelijke manier onder de heersende omstandigheden vaststellen, waar passend op basis van inspecties ter plaatse.
(19) Preventieve herkapitalisatie is gericht op de ondersteuning van levensvatbare instellingen en entiteiten waarvan is vastgesteld dat zij in de nabije toekomst te maken zullen hebben met tijdelijke moeilijkheden, om te voorkomen dat hun situatie verder verslechtert. Om te voorkomen dat overheidssubsidies worden toegekend aan ondernemingen die reeds onrendabel zijn op het moment dat de steun wordt toegekend, mogen preventieve maatregelen die worden toegekend in de vorm van de verwerving van eigenvermogensinstrumenten of andere kapitaalinstrumenten of door middel van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa, niet hoger zijn dan het bedrag dat nodig is om de kapitaaltekorten te dekken, zoals vastgesteld in het ongunstige scenario van een stresstest of een soortgelijke exercitie. Teneinde te waarborgen dat de openbare financiering uiteindelijk wordt stopgezet, moeten deze preventieve maatregelen ook in de tijd beperkt zijn en een duidelijk tijdschema bevatten voor de beëindiging ervan (exitstrategie). Perpetuele instrumenten, zoals tier 1-kernkapitaal, mogen alleen in buitengewone omstandigheden worden gebruikt. Voor deze instrumenten moeten bepaalde kwantitatieve grenzen gelden, omdat zij vanwege hun aard niet geschikt zijn voor de naleving van de voorwaarde van de tijdelijke aard.
(20) Preventieve maatregelen moeten beperkt zijn tot het bedrag dat de instelling of entiteit nodig zou hebben om solvent te blijven in het geval van een ongunstige gebeurtenis, zoals bepaald in een stresstest of soortgelijke exercitie. In het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa moet de begunstigde instelling of entiteit dat bedrag kunnen gebruiken om de verliezen op de overgedragen activa te dekken of in combinatie met een verwerving van kapitaalinstrumenten, mits de totale hoogte van het vastgestelde tekort niet wordt overschreden. Het is ook noodzakelijk om te waarborgen dat dergelijke preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in overeenstemming zijn met de bestaande regels inzake staatssteun en de beste praktijken, dat zij de levensvatbaarheid van de instelling of entiteit op de lange termijn herstellen, dat de staatssteun beperkt is tot het noodzakelijke minimum en dat verstoringen van de mededinging worden vermeden. Om deze redenen moeten de betrokken autoriteiten in het geval van preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa de specifieke richtsnoeren, waaronder de AMC-blauwdruk 35 en de mededeling over de aanpak van niet-renderende leningen 36 , in aanmerking nemen. Deze preventieve maatregelen in de vorm van maatregelen voor aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa moeten altijd voldoen aan de zwaarderwegende voorwaarde van de tijdelijke aard ervan. Openbare garanties die voor een gespecificeerde periode worden toegekend in verband met de aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa van de betrokken instelling of entiteit zullen naar verwachting zorgen voor een betere naleving van de voorwaarde van de tijdelijke aard dan overdrachten van dergelijke activa aan een door de overheid ondersteunde entiteit. Om ervoor te zorgen dat instellingen en entiteiten die ondanks de ontvangen steun niet levensvatbaar blijken, de markt verlaten, moet worden vastgesteld dat niet-naleving door de betrokken instelling of entiteit van de voorwaarden voor de steunmaatregelen die werden vastgesteld op het moment dat deze maatregelen werden toegekend, ertoe moet leiden dat de betrokken instelling of entiteit wordt geacht te falen of waarschijnlijk te zullen falen.
(21) Om materiële inbreuken op de prudentiële vereisten op te nemen, moeten de voorwaarden om te bepalen dat holdings falen of waarschijnlijk zullen falen, nader worden gespecificeerd. Een inbreuk op deze vereisten door een holding is materieel wanneer het type en de omvang van een dergelijke inbreuk vergelijkbaar zijn met een inbreuk die, indien zij door een kredietinstelling zou zijn gepleegd, de intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit zou hebben gerechtvaardigd in overeenstemming met artikel 18 van Richtlijn 2013/36/EU.
(22) De lidstaten kunnen op grond van hun interne recht bevoegd zijn om betalings- of leveringsverplichtingen op te schorten die in aanmerking komende deposito’s omvatten. Indien de opschorting van de betalings- of leveringsverplichtingen niet rechtstreeks verband houdt met de financiële situatie van de kredietinstelling, mogen deposito’s niet onbeschikbaar zijn met het oog op Richtlijn 2014/49/EU. Het is mogelijk dat deposanten als gevolg hiervan voor een langere periode geen toegang tot hun deposito’s hebben. Om het vertrouwen van deposanten in de bankensector en de financiële stabiliteit in stand te houden, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat deposanten toegang hebben tot een passend dagelijks bedrag van hun deposito’s om met name de kosten van het levensonderhoud te dekken, in het geval dat hun deposito’s onbeschikbaar worden als gevolg van een opschorting van betalingen om andere redenen dan de uiteindelijke uitbetaling van deposanten. Een dergelijke procedure moet de uitzondering blijven en de lidstaten moeten waarborgen dat deposanten toegang hebben tot passende dagelijkse bedragen.
(23) Om de rechtszekerheid te vergroten en met het oog op de potentiële relevantie van passiva die kunnen voortvloeien uit toekomstige onzekere gebeurtenissen, met inbegrip van de uitkomst van gedingen die lopen op het moment van afwikkeling, is het noodzakelijk om vast te leggen welke behandeling voor deze passiva moet worden toegepast met het oog op de toepassing van het instrument van bail-in. De beginselen die zijn opgenomen in de boekhoudregels, en met name de boekhoudregels die zijn vastgesteld in de internationale standaard voor jaarrekeningen 37, zoals goedgekeurd bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie 37 , moeten in dit opzicht leidend zijn. Op basis hiervan moeten de afwikkelingsautoriteiten een onderscheid maken tussen voorzieningen en voorwaardelijke verplichtingen. Voorzieningen zijn passiva die verband houden met een waarschijnlijke uitstroom van middelen en die op betrouwbare wijze kunnen worden geraamd. Voorwaardelijke verplichtingen worden niet erkend als boekhoudkundige passiva, omdat zij verband houden met een verplichting die op het moment van de raming niet waarschijnlijk kan worden geacht of niet op betrouwbare wijze kan worden geraamd.
(24) Aangezien voorzieningen boekhoudkundige verplichtingen zijn, moet worden gespecificeerd dat deze voorzieningen op dezelfde wijze moeten worden behandeld als andere verplichtingen. Dergelijke bepalingen moeten bail-inbaar zijn, tenzij zij voldoen aan een van de specifieke criteria om van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in te worden uitgesloten. Gezien de potentiële relevantie van deze voorzieningen bij afwikkeling en om zekerheid te bieden bij de toepassing van het instrument van bail-in, moet worden gespecificeerd dat de voorzieningen deel uitmaken van de bail-inbare passiva en dat bijgevolg het instrument van bail-in erop van toepassing is. Er moet ook worden gewaarborgd dat deze passiva en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien na de toepassing van het instrument van bail-in als voldaan worden beschouwd voor alle doeleinden. Dit is met name relevant voor passiva en verplichtingen die voortvloeien uit rechtsvorderingen op de instelling in afwikkeling.
(25) Volgens de boekhoudkundige beginselen kunnen voorwaardelijke verplichtingen niet als passiva worden erkend en mogen deze derhalve niet bail-inbaar zijn. Er moet echter worden gewaarborgd dat een voorwaardelijke verplichting die zou voortvloeien uit een gebeurtenis die op het moment van afwikkeling onwaarschijnlijk is of niet op betrouwbare wijze kan worden geraamd, geen afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de afwikkelingsstrategie, en met name van het instrument van bail-in. Om deze doelstelling te verwezenlijken, moet de taxateur, als onderdeel van de waardering met het oog op afwikkeling, voorwaardelijke verplichtingen beoordelen die zijn opgenomen op de balans van de instelling in afwikkeling en de potentiële waarde van die passiva zo goed mogelijk kwantificeren. Om te waarborgen dat de instelling of entiteit na het afwikkelingsproces gedurende een passende periode voldoende marktvertrouwen kan wekken, moet de taxateur rekening houden met deze potentiële waarde bij het vaststellen van het bedrag waarmee de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of omgezet om de kapitaalratio’s van de instelling in afwikkeling te herstellen. De afwikkelingsautoriteit moet zijn omzettingsbevoegdheden met name toepassen op bail-inbare passiva voor zover nodig om te waarborgen dat de herkapitalisatie van de instelling in afwikkeling toereikend is om potentiële verliezen te dekken die kunnen worden veroorzaakt door passiva als gevolg van een onwaarschijnlijke gebeurtenis. Bij de beoordeling van het bedrag dat moet worden afgeschreven of omgezet, moet de afwikkelingsautoriteit de gevolgen van het potentiële verlies voor de instellingen in afwikkeling zorgvuldig in aanmerking nemen, op basis van een aantal factoren, waaronder de waarschijnlijkheid dat de gebeurtenis zich voordoet, het tijdsbestek waarin dit gebeurt en de hoogte van de voorwaardelijke verplichting.
(26) In bepaalde omstandigheden kunnen afwikkelingsautoriteiten, nadat de afwikkelingsfinancieringsregeling heeft voorzien in een bijdrage van maximaal 5 % van de totale passiva van de instelling of entiteit, met inbegrip van haar eigen middelen, aanvullende financieringsbronnen gebruiken om hun afwikkelingsmaatregelen nader te ondersteunen. Er moet duidelijker worden gespecificeerd onder welke omstandigheden de afwikkelingsfinancieringsregeling in aanvullende steun kan voorzien wanneer alle passiva met een rang die lager is dan die van deposito’s die niet verplicht of discretionair van bail-in zijn uitgesloten, volledig zijn afgeschreven of omgezet.
(27) Bij Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad 38 , Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad 39 en Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad 40 is in de Unie de internationale “Total Loss-absorbing Capacity (TLAC) Term Sheet”, die op 9 november 2015 door de Raad voor financiële stabiliteit werd gepubliceerd (de “TLAC-norm”), uitgevoerd voor mondiaal systeemrelevante banken, die in het Unierecht mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI’s) worden genoemd. Bij Verordening (EU) 2019/877 en Richtlijn (EU) 2019/879 werd ook het MREL, zoals vastgesteld Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014, gewijzigd. De bepalingen van Richtlijn 2014/59/EU inzake het MREL moeten in overeenstemming worden gebracht met de uitvoering van de TLAC-norm voor MSI’s wat betreft bepaalde passiva die zouden kunnen worden gebruikt om aan het deel van het MREL te voldoen waarvoor eigen middelen en andere achtergestelde passiva moeten worden gebruikt. Met name passiva die een gelijke rang (pari passu) hebben als bepaalde uitgesloten passiva moeten worden opgenomen onder de eigen middelen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten van af te wikkelen entiteiten wanneer het bedrag van deze uitgesloten passiva op de balans van de af te wikkelen entiteit niet hoger is dan 5 % van het bedrag van de eigen middelen en in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit en deze opname geen risico’s oplevert in verband met het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn.
(28) De regels voor het bepalen van het MREL zijn hoofdzakelijk gericht op de vaststelling van het passende niveau voor het MREL, waarbij het instrument van bail-in als voorkeursstrategie voor de afwikkeling wordt beschouwd. Richtlijn 2014/59/EU staat de afwikkelingsautoriteiten echter toe andere afwikkelingsinstrumenten te gebruiken, dat wil zeggen instrumenten op basis van de overdracht van de activiteiten van de instelling in afwikkeling aan een particuliere koper of een overbruggingsinstelling. Er moet derhalve worden gespecificeerd dat de afwikkelingsautoriteiten, in het geval dat in het afwikkelingsplan het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling en het verlaten van de markt door de af te wikkelen entiteit wordt beoogd, het niveau van het MREL voor de betrokken af te wikkelen entiteit moeten bepalen op basis van de specifieke kenmerken van die afwikkelingsinstrumenten en van de verschillende behoeften aan verliesabsorptie en herkapitalisatie die deze instrumenten met zich meebrengen.
(29) Het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten is de som van het bedrag van de bij de afwikkeling verwachte verliezen en het herkapitalisatiebedrag, die de af te wikkelen entiteit in staat stellen aan de voorwaarden voor de vergunning te blijven voldoen en om haar activiteiten gedurende een passende periode te verrichten. Bepaalde voorkeursstrategieën voor afwikkeling omvatten de overdracht van activa, rechten en passiva aan een ontvanger en het verlaten van de markt, met name het instrument van verkoop van de onderneming. In deze gevallen is het mogelijk dat de met de herkapitalisatiecomponent nagestreefde doelstellingen niet in dezelfde mate van toepassing zijn, omdat de afwikkelingsautoriteit niet verplicht is te waarborgen dat de af te wikkelen entiteit de naleving van de vereisten voor de eigen middelen na de afwikkeling herstelt. De verliezen zullen in dergelijke gevallen naar verwachting echter hoger zijn dan de vereisten voor de eigen middelen van de af te wikkelen entiteit. Het is derhalve passend om vast te stellen dat het niveau van het MREL voor deze af te wikkelen entiteiten nog steeds een herkapitalisatiebedrag omvat, dat wordt aangepast op een wijze die evenredig is aan de afwikkelingsstrategie.
(30) Indien de afwikkelingsstrategie voorziet in het gebruik van andere afwikkelingsinstrumenten dan bail-in, zullen de herkapitalisatiebehoeften van de betrokken entiteit na afwikkeling doorgaans kleiner zijn dan in het geval van een open bail-in van banken. Bij de kalibratie van het MREL moet in een dergelijk geval met dat aspect rekening worden gehouden bij de raming van het herkapitalisatievereiste. Daarom moeten de afwikkelingsautoriteiten bij de aanpassing van het niveau van het MREL voor af te wikkelen entiteiten waarvan het afwikkelingsplan voorziet in het instrument van verkoop van de onderneming of het instrument van de overbruggingsinstelling en het verlaten van de markt, rekening houden met de kenmerken van die instrumenten, met inbegrip van de verwachte omvang van de overdracht aan de particuliere koper of de overbruggingsinstelling, de soorten over te dragen instrumenten, de verwachte waarde en verhandelbaarheid van die instrumenten en de opzet van de voorkeursafwikkelingsstrategie, met inbegrip van het complementaire gebruik van het instrument van afsplitsing van activa. Omdat de afwikkelingsautoriteit per geval een beslissing moet nemen over een mogelijk gebruik bij de afwikkeling van middelen van de depositogarantiestelsels en aangezien een dergelijk besluit niet vooraf met zekerheid kan worden aangenomen, mogen de afwikkelingsautoriteiten bij het kalibreren van het niveau van het MREL geen rekening houden met de potentiële bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling.
(31) Er moet worden gezorgd voor gelijke stimulansen om toereikende MREL-bedragen op te bouwen voor instellingen en entiteiten die zowel binnen als buiten afwikkeling aan overdrachtsstrategieën onderworpen zouden zijn. Bij de vaststelling van het niveau van het MREL voor instellingen of entiteiten die onderworpen kunnen zijn aan maatregelen in het kader van nationale insolventieprocedures overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2014/49/EU, moeten daarom dezelfde regels worden gevolgd als bij de vaststelling van het MREL voor af te wikkelen entiteiten waarvan de voorkeursafwikkelingsstrategie voorziet in de verkoop van de onderneming of de overdracht aan een overbruggingsinstelling die leidt tot het verlaten van de markt.
(32) Er is sprake van een wisselwerking tussen het afwikkelingskader en het kader aangaande marktmisbruik. Meer specifiek kunnen de ter voorbereiding van de afwikkeling genomen maatregelen als voorwetenschap worden aangemerkt in de zin van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad 41 , maar kan de voortijdige openbaarmaking ervan het afwikkelingsproces in gevaar te brengen. Instellingen in afwikkeling kunnen stappen nemen om dit probleem aan te pakken door op grond van artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzoeken om uitstel van de openbaarmaking van voorwetenschap. Op het moment van de voorbereiding van de afwikkeling zijn echter niet altijd de juiste stimulansen aanwezig voor de instelling in afwikkeling om het initiatief te nemen om een dergelijk verzoek in te dienen. Om dergelijke situaties te vermijden, moeten de afwikkelingsautoriteiten bevoegd zijn om namens een instelling in afwikkeling rechtstreeks om uitstel van de openbaarmaking van voorwetenschap op grond van artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 596/2014 te verzoeken.
(33) Met het oog op de vereenvoudiging van de afwikkelingsplanning, de beoordeling van de afwikkelbaarheid en de uitoefening van de bevoegdheid om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen en de uitwisseling van informatie te bevorderen, moet de afwikkelingsautoriteit van een instelling met significante bijkantoren in andere lidstaten een afwikkelingscollege oprichten en voorzitten.
(34) Na de initiële opbouwperiode van de afwikkelingsfinancieringsregelingen, zoals bedoeld in artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, kunnen hun respectieve beschikbare financiële middelen licht dalen tot onder hun streefbedrag, met name als gevolg van een toename van gedekte deposito’s. Het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen dat in die omstandigheden waarschijnlijk zal worden gebruikt, is dus waarschijnlijk laag. Het is dus mogelijk dat het bedrag van dergelijke vooraf te betalen bijdragen in sommige jaren niet meer in verhouding staat tot de kosten van de inning van die bijdragen. De afwikkelingsautoriteiten moeten daarom de inning van de vooraf te betalen bijdragen voor een of meer jaren kunnen uitstellen totdat het te innen bedrag een hoogte bereikt dat in verhouding staat tot de kosten van het inningsproces, mits een dergelijk uitstel geen wezenlijke invloed heeft op het vermogen van afwikkelingsautoriteiten om gebruik te maken van afwikkelingsfinancieringsregelingen.
(35) Onherroepelijke betalingstoezeggingen zijn een van de componenten van de beschikbare financiële middelen van afwikkelingsfinancieringsregelingen. Daarom moeten de omstandigheden worden gespecificeerd waarin die betalingsverplichtingen kunnen worden gebruikt, evenals de toepasselijke procedure bij het beëindigen van de toezeggingen ingeval een instelling of entiteit niet langer verplicht is om bijdragen aan een afwikkelingsfinancieringsregeling te betalen. Daarnaast moeten afwikkelingsautoriteiten, om te zorgen voor meer transparantie en zekerheid met betrekking tot het aandeel onherroepelijke betalingstoezeggingen in het totale bedrag aan vooraf te betalen bijdragen dat moet worden geïnd, een dergelijk aandeel jaarlijks bepalen, in overeenstemming met de toepasselijke grenzen.
(36) Het maximale jaarlijkse bedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen die mogen worden afgeroepen, is momenteel beperkt tot driemaal het bedrag van de vooraf te betalen bijdragen. Na de in artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde initiële opbouwperiode zullen dergelijke vooraf te betalen bijdragen, in andere omstandigheden dan het gebruik van de afwikkelingsfinancieringsregelingen, slechts afhangen van variaties in het niveau van de gedekte deposito’s en zullen zij derhalve waarschijnlijk laag worden. Het baseren van het maximumbedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen op vooraf te betalen bijdragen zou dan tot gevolg kunnen hebben dat de mogelijkheid voor afwikkelingsfinancieringsregelingen om achteraf te betalen bijdragen te mobiliseren, drastisch wordt verkleind, waardoor hun actiecapaciteit wordt beperkt. Om een dergelijke uitkomst te voorkomen, moet een andere grens worden vastgesteld en moet het maximumbedrag aan buitengewone achteraf te betalen bijdragen die mogen worden afgeroepen, worden vastgesteld op driemaal een achtste van het streefbedrag van de desbetreffende afwikkelingsfinancieringsregeling.
(37) Richtlijn 2014/59/EU heeft de rangorde van deposito’s in de nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures deels geharmoniseerd. Deze regels voorzagen een drievoudige rangorde van deposito’s, waarbij gedekte deposito’s de hoogste prioriteit hadden, gevolgd door in aanmerking komende deposito’s van natuurlijke personen en micro-, kleinere en middelgrote ondernemingen boven het dekkingsniveau. De resterende deposito’s, d.w.z. deposito’s van grote bedrijven die het dekkingsniveau overschrijden en deposito’s die niet in aanmerking komen voor terugbetaling door het depositogarantiestelsel, moesten een lagere rangorde hebben, maar hun positie was anders niet geharmoniseerd. Tot slot genoten de vorderingen van de depositogarantiestelsels dezelfde hogere rangorde als gedekte deposito’s. Toch bleek dit niet de optimale oplossing te zijn voor de bescherming van de deposanten. Een gedeeltelijke harmonisatie leidde tot verschillen in de behandeling van die resterende deposanten tussen de lidstaten, met name aangezien een toenemend aantal lidstaten hebben beslist een wettelijke voorkeur toe te kennen aan de resterende deposito’s. Die verschillen zorgden ook voor moeilijkheden bij het bepalen van het contrafeitelijke geval van insolventie voor grensoverschrijdende groepen tijdens de waarderingen van de afwikkelingen. Bovendien konden er door het gebrek aan algemene deposantenbevoorrechting, samen met de drievoudige rangorde van vorderingen van deposanten, wel eens problemen ontstaan in verband met de naleving van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn, vooral wanneer de deposito’s waarvan de rangorde niet was geharmoniseerd door Richtlijn 2014/59/EU op hetzelfde niveau gerangschikt waren als niet-achtergestelde vorderingen. Tot slot was het door de hoge rangorde die was gegeven aan de vorderingen van depositogarantiestelsels voor de beschikbare financieringsmiddelen van die programma’s niet mogelijk ze efficiënter en doelmatiger te gebruiken bij andere interventies dan de uitbetaling van gedekte deposito’s bij insolventie, namelijk in de context van afwikkeling, alternatieve maatregelen bij insolventie of preventieve maatregelen. De bescherming van gedekte deposito’s hangt niet af van de rangorde van de vorderingen van het depositogarantiestelsel, maar is in plaats daarvan verzekerd via de verplichte uitsluitingen van bail-in bij afwikkeling en de onmiddellijke terugbetaling uit het depositogarantiestelsel in geval van onbeschikbaarheid van deposito’s. Daarom moet de rangorde van deposito’s in de huidige hiërarchie van vorderingen worden gewijzigd.
(38) De rangorde van alle deposito’s moet volledig geharmoniseerd zijn via de uitvoering van een algemene deposantenbevoorrechting met een enkelvoudige benadering, waarbij alle deposito’s een hogere rangorde genieten ten opzichte van gewone ongedekte vorderingen, zonder dat er onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten deposito’s. Tegelijkertijd moet bij het gebruik van de depositogarantiestelsels bij afwikkeling, insolventie en preventieve maatregelen altijd de desbetreffende conditionaliteit worden nageleefd, met name de zogenaamde ‘laagstekostentoets’.
(39) Een algemene deposantenbevoorrechting zal bijdragen tot het versterken van het vertrouwen van de deposanten en tot het verder voorkomen van het risico op bankruns. Een verbeterde deposantenbescherming is afgestemd op de centrale rol die deposito’s spelen in de reële economie, aangezien hij het voornaamste instrument is voor sparen en voor betalingen, en ook in de bankactiviteit, waar de deposito’s een belangrijke bron van financiering zijn en een cruciale rol spelen in het vertrouwen in het banksysteem, wat bijzonder relevant wordt als er sprake is van stress op de markt. Bovendien verbetert een algemene deposantenbevoorrechting de afwikkelbaarheid van instellingen en entiteiten door hen meer mogelijkheden te bieden om te voldoen aan de vereisten om toegang te krijgen tot financieringsregelingen voor de afwikkeling en de hoeveelheid financiering die van deze regelingen wordt gevraagd, te verminderen, door het lagere risico op schending van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn bij een bail-in van gewone ongedekte schuld. Met name de verwijdering van deposito’s uit de insolventieklasse van gewone ongedekte vorderingen zou de bail-inbaarheid van resterende gewone ongedekte vorderingen verhogen door het risico op inbreuken op het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn, te beperken. Door de kans te verkleinen dat deposito’s worden afgeschreven of omgezet om toegang tot de financieringsregelingen voor de afwikkeling te waarborgen, zou de algemene deposantenbevoorrechting bijdragen tot het doeltreffender en geloofwaardiger maken van het instrument van bail-in en leiden tot meer transparantie en rechtszekerheid van het afwikkelingskader. De algemene deposantenbevoorrechting zou ook bijdragen tot de geloofwaardigheid van transferstrategieën bij afwikkeling, aangezien ze de opname van het hele depositocontract in de perimeter van passiva die moeten worden overgedragen aan een particuliere koper of aan een bruginstelling zou vergemakkelijken, wat dan weer de klantenrelatie en de franchisewaarde van de instelling in afwikkeling ten goede komt. Tot slot zou een volledige harmonisatie van de insolventierangorde van deposanten gunstig zijn vanuit het grensoverschrijdende standpunt en vanuit het standpunt van het vlak speelveld.
(40) Een enkelvoudige benadering voor de rangorde van deposito’s in de nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures draagt bij tot een efficiëntere en minder dure bescherming van alle deposito’s. Voor gedekte deposito’s vergemakkelijkt die benadering de financiering door het depositogarantiestelsel van andere maatregelen dan de uitbetaling van gedekte deposito’s, wat mogelijk doeltreffender en minder ontwrichtend is bij de bescherming van de toegang tot de gedeponeerde fondsen aangezien zij niet leiden tot een onderbreking van de toegang tot bankrekeningen en betaaldiensten. Voor de deposito’s die niet gedekt zijn, vergemakkelijkt die benadering hun bescherming waar dat nodig is voor de bescherming van de financiële stabiliteit en het vertrouwen van de deposant. Tot slot beperkt die benadering de onmiddellijke bestedingsbehoeften van de depositogarantiestelsels door het gebruik van die potentieel minder dure mechanismen voor deposantenbescherming flexibeler te maken, waardoor een beter behoud van hun beschikbare financieringsmiddelen wordt gewaarborgd ingeval zich andere crises voordoen en de last voor de banksector, die wordt opgeroepen die fondsen aan te vullen, wordt verlicht.
(41) De veranderingen in de rangorde van deposito’s, met name de eliminatie van de hogere rangorde van gedekte deposito’s en de vorderingen van de depositogarantiestelsels in verband met alle andere deposito’s, zouden geen nadelige invloed hebben op de bescherming die in geval van faling wordt geboden aan gedekte deposito’s, aangezien die bescherming zou worden blijven gewaarborgd via de verplichte uitsluiting van gedekte deposito’s van verliesabsorptie in geval van afwikkeling en, uiteindelijk, door de uitbetaling die door het depositogarantiestelsel wordt verstrekt in geval van de onbeschikbaarheid van deposito’s.
(42) Financieringsregelingen voor de afwikkeling kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van de toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming of van het instrument van de overbruggingsinstelling, waarbij een reeks activa, rechten en passiva van de instelling in financieringsregelingen voor de afwikkeling aan een ontvanger worden overgedragen. In dat geval kan de financieringsregeling voor de afwikkeling een vordering hebben op de resterende instelling of entiteit bij de latere liquidatie ervan volgens een normale insolventieprocedure. Dat kan gebeuren wanneer de financieringsregeling voor de afwikkeling wordt gebruikt in verband met verliezen die crediteuren anders zouden hebben gedragen, onder meer in de vorm van garanties voor activa en passiva, of dekking van het verschil tussen de overgedragen activa en passiva. Om te waarborgen dat de aandeelhouders en crediteuren die zijn achtergebleven in de resterende instelling of entiteit de verliezen van de instelling in afwikkeling daadwerkelijk absorberen en de mogelijkheid van terugbetalingen bij insolventie aan het resolutiespecifieke vangnet verbeteren, moeten die vorderingen van de financieringsregeling voor de afwikkeling tegen de resterende instelling of entiteit, en vorderingen die voortvloeien uit redelijke uitgaven die naar behoren zijn gedaan, wat insolventie betreft een hogere rangorde hebben dan de vorderingen van deposito’s en van het depositogarantiestelsel. Aangezien compensaties die aan aandeelhouders en crediteuren uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling worden betaald wegens inbreuken op het beginsel dat geen enkele crediteur slechter af mag zijn, bedoeld zijn om de resultaten van de afwikkelingsmaatregel te compenseren, mogen deze compensaties geen aanleiding geven tot vorderingen van die regelingen.
(43) Om voldoende flexibiliteit te waarborgen en interventies van het depositogarantiestelsel ter ondersteuning van het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten te vergemakkelijken, indien zij leiden tot het verlaten van de markt van de instelling in afwikkeling en indien nodig om te voorkomen dat verliezen worden gedragen door deposanten, moeten bepaalde aspecten van het gebruik van depositogarantiestelsels bij afwikkeling worden gespecificeerd. Het is met name noodzakelijk te specificeren dat het depositogarantiestelsel kan worden gebruikt om transfertransacties te ondersteunen waarin deposito’s zitten, met inbegrip van in aanmerking komende deposito’s buiten het door het depositogarantiestelsel geboden dekkingsniveau, en ook deposito’s die zijn uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel, in bepaalde gevallen onder duidelijke voorwaarden. De bijdrage van het depositogarantiestelsel moet gericht zijn op het dekken van het tekort in de waarde van de activa die worden overgedragen aan een koper of bruginstelling in vergelijking met de waarde van de overgedragen deposito’s. Als een bijdrage door de koper vereist is als onderdeel van de transactie om de kapitaalneutraliteit ervan te waarborgen en naleving van de kapitaalvereisten van de koper te behouden, moet het depositogarantiestelsel ook de kans krijgen in die zin bij te dragen. De steun van het depositogarantiestelsel aan de afwikkelingsmaatregel moet de vorm aannemen van cash of andere vormen, zoals garanties of verliesdelingsregelingen die het effect van de steun op de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel kunnen beperken en tegelijkertijd de bijdrage van het depositogarantiestelsel om zijn doelstellingen te behalen, mogelijk maken.
(44) Aan de bijdrage van het depositogarantiestelsel bij afwikkeling moeten bepaalde limieten worden opgelegd. Ten eerste moet worden gewaarborgd dat elk verlies dat het depositogarantiestelsel mogelijk kan dragen als gevolg van een interventie niet groter is dan het verlies dat het depositogarantiestelsel zou lijden bij insolventie als het gedekte deposanten zou uitbetalen en zou subrogeren in hun vorderingen over de activa van de instelling. Dat bedrag moet worden bepaald op basis van de laagstekostentoets, overeenkomstig de criteria en methode die is uiteengezet in Richtlijn 2014/49/EU. Die criteria en methode moeten ook worden gebruikt bij het bepalen van de behandeling die het depositogarantiestelsel zou hebben gekregen als de instelling de normale insolventieprocedures was opgestart door de uitvoering van de waardering achteraf ter beoordeling van de naleving van het beginsel dat geen enkele schuldeiser slechter af mag zijn en ter bepaling van een eventuele compensatie die aan het depositogarantiestelsel verschuldigd is. Ten tweede mag het bedrag van de bijdrage van het depositogarantiestelsel, bedoeld om het verschil tussen de activa en passiva die aan een koper of aan een bruginstelling moeten worden overgedragen, niet groter zijn dan het verschil tussen de overgedragen activa en de overgedragen deposito’s en passiva met dezelfde of een hogere rangorde bij insolventie dan die deposito’s. Op die manier zou worden gewaarborgd dat de bijdrage van het depositogarantiestelsel alleen wordt gebruikt om te vermijden dat verliezen worden afgewenteld op deposanten, indien passend, en niet ter bescherming van crediteuren die lager gerangschikt zijn dan deposito’s bij insolventie. Niettemin mag de som van de bijdrage van het depositogarantiestelsel om het verschil tussen activa en passiva met de bijdrage van het depositogarantiestelsel tot het eigen fonds van de ontvangende entiteit te dekken, niet hoger zijn dan de kost van het terugbetalen van de gedekte deposanten zoals berekend in het kader van de laagstekostentoets.
(45) Het moet worden gespecificeerd dat het depositogarantiestelsel alleen mag bijdragen tot een andere overdracht van passiva dan gedekte deposito’s in de context van een afwikkeling als de afwikkelingsautoriteit concludeert dat op andere deposito’s dan gedekte deposito’s het instrument van bail-in niet kan worden toegepast, noch worden achtergelaten in de resterende instelling in afwikkeling die zal worden geliquideerd. De afwikkelingsautoriteit moet met name de kans krijgen verliezen te vermijden op die deposito’s waar de uitsluiting strikt noodzakelijk en evenredig is om de continuïteit van de kritieke functies en cruciale bedrijfsonderdelen te behouden of indien dat nodig is om wijdverspreide besmetting en financiële instabiliteit te vermijden, zaken die zouden kunnen leiden tot een ernstige verstoring van de economie van de Unie of van een lidstaat. Dezelfde redenen moeten van toepassing zijn op de opname in de transfer naar een koper of naar een bruginstelling van bail-inbare passiva met een lagere rangorde dan die van deposito’s. In dat geval mag de transfer van die bail-inbare passiva niet worden ondersteund door de bijdrage van het depositogarantiestelsel. Als er financiële steun aan de transfer van die bail-inbare passiva vereist is, moet die steun worden verleend door de financieringsregeling voor de afwikkeling.
(46) Gezien de mogelijkheid om het depositogarantiestelsel te gebruiken bij afwikkeling is het noodzakelijk om de manier waarop de bijdrage van het depositogarantiestelsel kan meetellen bij de berekening van de vereisten om toegang te krijgen tot financieringsregelingen voor de afwikkeling, verder te specificeren. Als de bijdrage die is gedaan door aandeelhouders en crediteuren van de instelling in afwikkeling via verminderingen, afschrijving of omzetting van hun passiva, samen met de bijdrage die wordt gedaan door het depositogarantiestelsel, ten minste 8 % van de totale passiva van de instelling, met inbegrip van eigen fondsen, bedraagt, moet de instelling toegang kunnen krijgen tot de financieringsregeling voor de afwikkeling om verdere financiering te ontvangen als dat nodig is om effectieve afwikkeling te waarborgen overeenkomstig de afwikkelingsdoelstellingen. Als aan die voorwaarden is voldaan, moet de bijdrage van het depositogarantiestelsel beperkt zijn tot het bedrag dat noodzakelijk is om toegang tot de financieringsregeling voor de afwikkeling mogelijk te maken. Om ervoor te zorgen dat de afwikkeling in hoofdzaak gefinancierd blijft door de interne middelen van de instelling en om concurrentieverstoringen tot een minimum te beperken, mag de mogelijkheid om de bijdrage van het depositogarantiestelsel te gebruiken om toegang tot de financieringsregelingen voor de afwikkeling te waarborgen, alleen mogelijk zijn voor instellingen waarvoor het afwikkelingsplan of het groepsafwikkelingsplan niet voorziet in hun liquidatie op ordelijke wijze in geval van faling, aangezien het MREL dat door de afwikkelingsautoriteiten is bepaald voor die instellingen was vastgelegd op een niveau dat zowel de verliesabsorptie als de herkapitalisatiebedragen omvat.
(47) Met het oog op de rol van de EBA bij het bevorderen van de convergentie van de praktijken van de autoriteiten, moet de EBA de opzet en uitvoering van de afwikkelbaarheidsbeoordelingen van instellingen en groepen en de acties en voorbereidingen van afwikkelingsautoriteiten monitoren en er verslag over uitbrengen om een effectieve uitvoering van de afwikkelinginstrumenten en -bevoegdheden te waarborgen. In die verslagen moet de EBA ook het niveau van transparantie beoordelen van de maatregelen die door afwikkelingsautoriteiten worden genomen ten aanzien van relevante externe belanghebbenden en de omvang van hun bijdrage tot afwikkelingsbereidheid en de afwikkelbaarheid van instellingen. De EBA moet bovendien verslag uitbrengen over de maatregelen die door de lidstaten zijn aangenomen ter bescherming van niet-professionele beleggers voor wat betreft schuldinstrumenten die krachtens Richtlijn 2014/59/EU in aanmerking komen voor het MREL, waarbij de potentiële impact op grensoverschrijdende verrichtingen wordt vergeleken en beoordeeld. Het toepassingsgebied van bestaande regelgevende technische normen betreffende de bijkomende vereisten van eigen middelen en het gecombineerde buffervereiste voor af te wikkelen entiteiten moet worden uitgebreid tot entiteiten die niet zijn geïdentificeerd als af te wikkelen entiteiten, indien die vereisten niet op dezelfde basis zijn vastgelegd als het MREL. In het jaarverslag over het MREL moet de EBA ook de beleidsuitvoering door afwikkelingsautoriteiten van de nieuwe regels voor de kalibratie van het MREL voor transferstrategieën beoordelen. In het kader van de taken van de EBA, namelijk bijdragen tot het waarborgen van een samenhangende en gecoördineerde regeling voor crisismanagement en -afwikkeling in de Unie, moet de EBA crisissimulatie-oefeningen coördineren en er toezicht op houden. Die simulaties moeten de coördinatie en samenwerking tussen bevoegde autoriteiten, afwikkelingsautoriteiten en depositogarantiestelsels dekken tijdens de verslechtering van de financiële situatie van instellingen en entiteiten, het testen van de toepassing van het instrumentarium bij herstel- en afwikkelingsplanning, vroegtijdige interventie en afwikkeling op holistische wijze. Bij die oefeningen moeten met name de grensoverschrijdende dimensie in de interactie tussen de bevoegde autoriteiten en de toepassing van de beschikbare instrumenten en bevoegdheden in overweging worden genomen. Indien relevant moeten de crisissimulatie-oefeningen ook de goedkeuring en uitvoering van afwikkelingsregelingen binnen de bankenunie bevatten, krachtens Verordening (EU) nr. 806/2014.
(48) Een kwalitatief hoogstaande effectbeoordeling is cruciaal voor de ontwikkeling van degelijke en empirisch onderbouwde wetgevingsvoorstellen, terwijl feiten en bewijs cruciaal zijn als grondslag voor de beslissingen die worden genomen tijdens de wetgevingsprocedure. Om die reden moeten de afwikkelingsautoriteiten, de bevoegde autoriteiten, de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, de ECB en andere leden van het Europees Stelsel van centrale banken en de EBA de Commissie op haar verzoek alle informatie verstrekken die zij nodig heeft voor haar taken in verband met beleidsontwikkeling, met inbegrip van de voorbereiding van effectbeoordelingen en de voorbereiding van en onderhandelingen over wetgevingsvoorstellen.
(49) Richtlijn 2014/59/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(50) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verbeteren van de effectiviteit en efficiëntie van het herstel- en afwikkelingskader voor instellingen en entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de risico’s dat uiteenlopende nationale benaderingen voor de integriteit van de interne markt met zich mee kunnen brengen, maar veeleer door het wijzigen van regels die reeds op Unieniveau zijn vastgesteld, op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in datzelfde artikel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.