Overwegingen bij COM(2025)146 - Wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen wat betreft vereisten voor effectenfinancieringstransacties in het kader van de nettostabielefinancieringsratio

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

 
 
(1) Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad13 voegde in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad14 het vereiste inzake de nettostabielefinancieringsratio (“NSFR”) in. Dat vereiste was een afspiegeling van een deel van de Bazel III-normen, d.w.z. internationale normen overeengekomen door het Bazelse Comité voor bankentoezicht (“BCBS”) die zijn ontwikkeld om te borgen dat kredietinstellingen over voldoende stabiele financiering op een termijn van één jaar beschikken – en om zo een buitensporige looptijdmismatch tussen activa en passiva en al te sterke afhankelijkheid van kortlopende wholesalefunding te vermijden. Het NSFR-vereiste zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 575/2013 is sinds 28 juni 2021 van toepassing op kredietinstellingen.

(2) Artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), artikel 428 vicies, lid 1, punt b), en artikel 428 tervicies, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 stellen momenteel de stabielefinancieringsfactoren vast voor gelden verschuldigd uit hoofde van financiële transacties met financiële cliënten wanneer die transacties een resterende looptijd van minder dan zes maanden hebben. Die financieringsfactoren zijn, afhankelijk van de betrokken financieringstransactie, 0 %, 5 % of 10 %. Artikel 510, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voorziet echter in een verhoging van die financieringsfactoren tegen 28 juni 2025 tot, respectievelijk, 10 %, 15 % en 15 %. Die uitgestelde verhoging moest kredietinstellingen voldoende tijd geven om zich geleidelijk aan te passen aan een conservatievere kalibrering en om na te gaan of die kalibrering passend was. Naast die uitgestelde verhoging zijn andere aanpassingen vastgesteld die moeten voorkomen dat de invoering van het NSFR-vereiste de liquiditeit van de daarmee samenhangende markt voor zekerheden, met inbegrip van markten voor overheidsschuld, zou verstoren.

(3) Op grond van artikel 510, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 heeft de Europese Bankautoriteit (“EBA”) opdracht gekregen om het passende karakter te beoordelen van de behandeling van de stabiele financiering die nodig is om het financieringsrisico te dekken van SFT’s en ongedekte transacties met financiële cliënten wanneer die SFT’s en ongedekte transacties een resterende looptijd van minder dan zes maanden hebben. In lijn met dat mandaat heeft de EBA op 16 januari 2024 een verslag over specifieke NSFR-aspecten gepubliceerd15. Dat verslag concludeerde dat een verhoging van de financieringsfactoren, zoals bepaald in artikel 510, lid 8, van Verordening (EU) nr. 575/2013, een verwaarloosbaar effect zou hebben op het niveau van NSFR’s van instellingen. Het verslag maakt echter geen beoordeling van de ruimere dimensie en overloopeffecten naar de liquiditeit van de markten voor overheidsschuld en obligatie. De overwegingen die leidden tot het uitstel van die verhoging, spelen nog steeds. Met name is het zo dat, aangezien overheidsschuld als onderpand dient voor het merendeel van SFT’s, een verhoging in verband met de vereiste stabiele financiering de liquiditeit op de betrokken marken zou kunnen verstoren. Dat kan dan weer aanvullende financieringskosten voor lidstaten doen ontstaan en mechanismen voor de transmissie van het monetaire beleid veranderen.

(4) Daarbij komt dat andere bij het BCBS aangesloten jurisdicties voor SFT’s RSF-niveaus hebben bepaald die identiek zijn aan die welke momenteel van toepassing zijn. In dat verband zou, gezien de intense internationale concurrentie op de SFT-markt, een verhoging van de financieringsfactoren per 28 juni 2025 een ongelijk internationaal speelveld doen ontstaan dat schadelijk zou zijn voor financiële markten van de Unie.

(5) Om die onbedoelde gevolgen te vermijden, moeten de huidige stabiele financieringsfactoren voor SFT’s en ongedekte transacties met financiële cliënten, waarbij die transacties een resterende looptijd van minder dan zes maanden hebben, zoals bepaald in artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), artikel 428 vicies, lid 1, punt b), en artikel 428 tervicies, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, permanent worden gemaakt.

(6) Om de interacties tussen de marktliquiditeit van bij SFT’s als onderpand ontvangen activa en ongedekte transacties met financiële cliënten, wanneer die transacties een resterende looptijd van minder dan zes maanden hebben – ook wanneer die overheidsschuld als onderpand hebben – met het financieringsrisico voor kredietinstellingen, en mogelijke internationale ontwikkelingen op dit gebied, afdoende te kunnen monitoren, moet de EBA om de vijf jaar aan de Europese Commissie verslag doen over het passende karakter van die stabielefinacieringsvereisten.

(7) Om de continuïteit te verzekeren van de prudentiële behandeling voor gelden verschuldigd uit hoofde van SFT’s en voor ongedekte transacties met financiële cliënten, met een resterende looptijd van minder dan zes maanden, zoals bepaald in artikel 428 novodecies, lid 1, punt g), artikel 428 vicies, lid 1, punt b), en artikel 428 tervicies, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moet het voorstel voor een verordening vanaf 29 juni 2025 van toepassing worden. De behandeling tijdelijk opschorten zou rechtsonzekerheid doen ontstaan voor marktdeelnemers en buitensporige regeldruk en financiële druk voor de banksector in de Unie in het algemeen, die zou kunnen worden beperkt door de verwachte toepassingsdatum van de betrokken bepalingen duidelijk vast te stellen.

(8) Verordening (EU) nr. 575/2013 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.