Overwegingen bij COM(2025)136 - Wijziging van Verordening (EU) 2019/631 om extra flexibiliteit erin op te nemen met betrekking tot de berekening van de naleving door fabrikanten van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen voor de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2025)136 - Wijziging van Verordening (EU) 2019/631 om extra flexibiliteit erin op te nemen met betrekking tot de berekening van de ... |
---|---|
document | COM(2025)136 |
datum | 1 april 2025 |
(2) In reactie op het verzoek van belanghebbenden om extra flexibiliteit voor de naleving van de CO2-doelstellingen voor de periode 2025-2027, is het aangewezen om dringend een wijziging vast te stellen om voor die drie jaar eenmalig flexibiliteit bij de berekening van de naleving van de CO2-emissienormen toe te staan, met behoud van de doelstellingen voor de vermindering van de CO2-emissies.
(3) In de periode 2025-2027 moeten fabrikanten ervoor zorgen dat de gemiddelde specifieke CO2-emissies van hun voertuigen niet hoger liggen dan een emissiestreefcijfer dat wordt berekend als het gemiddelde van hun specifieke emissiestreefcijfers voor elk jaar van die periode. De naleving van de streefcijfers moet aan het einde van de periode van drie jaar voor elke afzonderlijke fabrikant worden beoordeeld. De bijdragen voor overtollige emissies moeten dienovereenkomstig worden berekend.
(4) Om de bepalingen inzake groepsvorming in overeenstemming te brengen met de extra nalevingsflexibiliteit voor de jaren 2025 tot en met 2027, moet het mogelijk zijn voor elk van die drie jaar groepsvormingsovereenkomsten te sluiten tot eind 2027.
(5) Omdat de doelstelling van deze verordening, namelijk extra flexibiliteit bieden voor de naleving betreffende CO2-emissies in de periode van 2025 tot en met 2027 en tegelijkertijd de verplichtingen om de CO2-emissies van nieuwe personenauto’ en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen terug te dringen, in stand te houden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(6) Verordening (EU) 2019/631 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.