Bijlagen bij COM(2008)371 - Vijfde voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie - Groeiende regio's, groeiend Europa - Hoofdinhoud
Dit is een beperkte versie
U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.
dossier | COM(2008)371 - Vijfde voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie - Groeiende regio's, groeiend Europa. |
---|---|
document | COM(2008)371 ![]() ![]() |
datum | 19 juni 2008 |
De drie typen regio's verschillen in economische structuur, groeitendensen en productiviteit. Zo is de productiviteit in de convergentieregio's de helft of minder van wat het in de RCW-regio's is (zie tabel 3) en is de werkgelegenheid in de convergentieregio's gekrompen, maar toegenomen in de andere twee typen regio's.
Convergentieregio's
De drie groeisectoren zijn minder belangrijk in de convergentieregio's, waar ze verantwoordelijk zijn voor slechts 40% van de werkgelegenheid, ten opzichte van 50% in de andere regio's. Vooral het aandeel Financiële en zakelijke dienstverlening is laag. De groei van de bruto toegevoegde waarde en met name van de werkgelegenheid in deze sector is evenwel veel hoger dan in andere sectoren. De sector Handel, vervoer en communicatie liet ook een sterke toename zien in zowel de werkgelegenheid als de bruto toegevoegde waarde, terwijl de groeipercentages in de bouwnijverheid vergelijkbaar zijn met de EU-gemiddelden.
De industrie , die in de convergentieregio's belangrijker is dan in de andere regio's, noteerde de hoogste toename van de bruto toegevoegde waarde. De werkgelegenheid in de industrie nam af, maar in mindere mate dan in de andere regio's. Desondanks is de industriële productiviteit nog steeds een derde van die in de RCW-regio's. De werkgelegenheid in de sector hoog- en middelhoog-technologische productie is tussen 2000 en 2005 echter met 1% gegroeid.
De landbouw blijft in de convergentieregio's een belangrijke sector: deze sector verschaft meer dan 15% van de werkgelegenheid, vijf keer zo veel als in de RCW-regio's. Dit gebeurt tegen een achtergrond van een dalende werkgelegenheid in deze sector in combinatie met een stijgende productiviteit[7]. Dit houdt in dat de totale werkgelegenheid, ondanks de sterke toename van de werkgelegenheid in de groeisectoren, is teruggelopen in de convergentieregio's.
Overgangsregio's
Overgangsregio's hebben hetzelfde aandeel werkgelegenheid en bruto toegevoegde waarde in de drie groeisectoren als RCW-regio's, maar hun aandeel Financiële en zakelijke dienstverlening is veel geringer. Met een jaarlijkse groei van 4% is deze sector sneller gegroeid dan elke andere sector, maar het verschil blijft groot.
De twee andere groeisectoren, Handel, vervoer en communicatie en Bouwnijverheid, lieten ook een bovengemiddelde groei zien. In overgangsregio's is met name het aandeel van de bouwnijverheid veel hoger dan in de andere regio's. Dit kan deels worden verklaard door de sterke economische groei, de stijgende inkomens en de voortgaande noodzaak om een deel van de fysieke infrastructuur te verbeteren. In sommige regio's is de groei van de bouwnijverheidssector ook deels het gevolg van de vraag naar tweede huizen en toeristenaccommodatie. Door de sterk cyclische aard van deze sector zijn deze economieën echter kwetsbaar.
Het aandeel Industrie is in de overgangsregio's minder belangrijk dan in de andere twee typen regio's.
RCW-regio's (regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid)
In RCW-regio's was de sterkste stijging in de werkgelegenheid en bruto toegevoegde waarde waar te nemen in de sector Financiële en zakelijke dienstverlening , waaruit een groeiende specialisatie blijkt. De twee andere groeisectoren hebben een lager aandeel bruto toegevoegde waarde en werkgelegenheid dan de andere twee regio's en hebben groeipercentages laten zien die dicht bij het EU-gemiddelde liggen.
Het aandeel van de bruto toegevoegde waarde van de sector Industrie in RCW-regio's is vergelijkbaar met dat van de convergentieregio's, maar de werkgelegenheid in deze sector is in RCW-regio's beduidend lager; dit is het gevolg van een succesvolle verschuiving naar activiteiten met een hogere toegevoegde waarde in deze sector. De werkgelegenheid in deze sector en in de sector hoog- en middelhoog-technologische productie is afgenomen.
De uitgaven voor O&O als aandeel van het bbp is bijna drie keer hoger in RCW-regio's dan in convergentieregio's. De concurrentie op het gebied van innovatie krijgt echter een mondiaal karakter, wat inhoudt dat de EU wereldwijd moet concurreren. De RCW-regio's besteden 2,1% van hun bbp aan O&O, terwijl de VS 2,5% uitgeven. Ook het aandeel van het bbp dat in de best presterende Amerikaanse staten aan O&O wordt besteed, ligt een kwart hoger dan in de vergelijkbare EU-regio's.
RCW is de grootste van de drie groepen en is als gevolg daarvan ook diverser. De economische structuur varieert aanzienlijk. Sommige regio's zijn gespecialiseerd in financiële en zakelijke dienstverlening, zoals Luxemburg en Île de France, waar minimaal 40% van de bruto toegevoegde waarde in deze sector wordt gegenereerd. Andere regio's leunen zwaar op handel, vervoer en communicatie, zoals Tirol, Praag en de Balearen, waar minimaal 30% van de bruto toegevoegde waarde afkomstig is uit deze sector. De economische prestaties verschillen eveneens. Tussen 2000 en 2005 was in 17 RCW-regio's sprake van een afname van de werkgelegenheid en was in 22 RCW-regio's de bbp-groei minder dan 0,5%.
De bijdrage van snel groeiende sectoren aan convergentie
De voorgaande analyse geeft aan dat de groeisectoren in zowel convergentie- als overgangsregio's een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan convergentie, maar dat het patroon verschilt.
In convergentieregio's hebben de drie groeisectoren bijgedragen aan een substantiële werkgelegenheidsschepping, maar niet genoeg om de aanmerkelijke inkrimping van de werkgelegenheid in de landbouw te compenseren. De groei van de bruto toegevoegde waarde was ook sterk in de groeisectoren, en met name in de sectoren Financiële en zakelijke dienstverlening en Handel, vervoer en communicatie.
De groei van de bruto toegevoegde waarde was echter hoger in de industrie, wat heeft geleid tot een groot en groeiend aandeel in deze sector. In combinatie met een hoog werkgelegenheidscijfer zou deze tendens een risico kunnen vormen, omdat verschillende industriële sectoren achteruit zijn gegaan op EU-niveau (zie figuur 2). Binnen de industrie is in convergentieregio's het werkgelegenheidsaandeel van de sector hoog- en middelhoog-technologische productie – de sector waarin de EU het sterkste concurrentievoordeel heeft – slechts 24% vergeleken met bijna 40% in RCW-regio's. Sinds 2000 hebben de convergentieregio's deze kloof met slechts 1 procentpunt verkleind.
Uit nationale gegevens blijkt dat de bruto toegevoegde waarde in de meeste lidstaten sneller toeneemt in hoog- en middelhoog-technologische sectoren dan in andere productiesectoren. Toch hebben sommige nog steeds een laag aandeel bruto toegevoegde waarde in hoog- en middelhoog-technologische productiesectoren, wat in het bijzonder het geval is in Roemenië, Bulgarije, de Baltische Staten, Griekenland en Portugal. Hierdoor, en door hun lage productiviteit in de sector, kunnen zij kwetsbaar zijn voor de toegenomen mondiale concurrentie.
De overgangsregio's halen de RCW-regio's snel in dankzij de sterke prestaties van de drie groeisectoren en de hoog- en middelhoog-technologische productie. Als gevolg daarvan gaat de economische structuur van de overgangsregio's steeds meer lijken op die van de RCW-regio's.
Onderwijs, vaardigheden en kenniswerkers
Vaardigheden en kwalificaties bepalen in belangrijke mate het individuele inkomen en de individuele inzetbaarheid en dragen sterk bij aan de arbeidsproductiviteit. Zij geven ook aan in hoeverre regionale economieën zijn overgestapt op een intensiever gebruik van kennis. Toch investeert de EU slechts 1,2% van het bbp in hoger onderwijs, terwijl de VS bijna 2,9% investeren.
Het aandeel hoog opgeleide mensen in de leeftijd van 25-64 jaar is in convergentieregio's beduidend lager dan in RCW-regio's (17% respectievelijk 25%). Desondanks is het aandeel tussen 2000 en 2006 in dezelfde mate toegenomen, waarbij de toename iets hoger is in overgangsregio's, die nu nagenoeg hetzelfde aandeel hebben als de RCW-regio's.
Het aandeel wetenschappelijk en technologisch arbeidspotentieel [kern-HRST (Human Resources in Science and Technology)][8] blijft in convergentieregio's ook achter ten opzichte van de RCW-regio's (respectievelijk 12% en 17%). Sinds 2000 hebben de convergentieregio's die kloof echter met één procentpunt weten te reduceren. Het gebruik van kern-HRST is met name hoog in de kennisintensieve dienstverlening, zoals gezondheid, onderwijs en hoog- en middelhoog-technologische productie.
Het algehele aandeel in de convergentieregio's was in 2006 echter nog steeds 10 procentpunten lager dan in de RCW-regio's. De toename van het aandeel kenniswerkers is evenwel groot. Dit cijfer is tussen 2000 en 2006 gestegen met 3,4 procentpunten, en de stijging was in convergentieregio's en RCW-regio's gelijk.
Het aandeel kenniswerkers[9] is met name hoog in hoofdstedelijke regio's en andere omvangrijke grootstedelijke regio's waarin grote hoofdkantoren en aanbieders van gespecialiseerde diensten zijn gevestigd. Het aandeel kenniswerkers is over het algemeen laag in Portugal, Spanje, Griekenland en Bulgarije – zelfs in hun hoofdstedelijke regio's. Het aandeel is vooral toegenomen in veel regio's in Spanje, Frankrijk, Griekenland, Oostenrijk en Slovenië, wat erop duidt dat de verschuiving naar de kenniseconomie niet is voorbehouden aan omvangrijke grootstedelijke regio's.
Conclusies
Uit deze korte analyse blijkt dat de Europese groeisectoren in hoge mate hebben bijgedragen aan convergentie. Er blijven echter belangrijke verschillen in de economische structuur van de drie groepen regio's, terwijl ook het inhaalpatroon verschilt tussen convergentie- en overgangsregio's. Vanuit beleidsoogpunt heeft dit meerdere implicaties.
Inspanningen ter bevordering van snel groeiende sectoren in Europa, dat wil zeggen de sectoren met een bovengemiddelde stijging van de werkgelegenheid of bruto toegevoegde waarde, lijken gerechtvaardigd. Niet alleen zijn deze sectoren degene waarin de Europese economie het duidelijkste wereldwijde groeiperspectieven heeft, maar ze kunnen ook een sterke motor voor het convergentieproces van de EU vormen.
Bovendien blijkt uit de analyse dat de convergentieregio's een ingrijpende economische herstructurering ondergaan. Er wordt aanzienlijke werkgelegenheid geschapen in de dienstensector, terwijl in de landbouw nog meer banen verdwijnen. De groei van de bruto toegevoegde waarde is hoog, met name in de industrie en dienstverlening, en de productiviteitsgroei is drie keer hoger dan in de RCW-regio's. Een dergelijke herstructurering vergt een op maat gesneden beleidsreactie.
De convergentieregio's moeten de verschuiving van de werkgelegenheid naar de dienstverlening – en met name naar sectoren waarvoor geen hoge opleidingsniveaus nodig zijn – gemakkelijker maken, alsook hun landbouwsector verder moderniseren. Omdat in de convergentieregio's de industrie een belangrijke sector is en zal blijven, moet het beleid een geleidelijke industriële heroriëntering op een hoge productiviteit en activiteiten met een hoge toegevoegde waarde vergemakkelijken, ter voorkoming van specialisatie in industriële sectoren die sterk te maken hebben met internationale concurrentie en slechte groeivooruitzichten bieden.
Convergentieregio's dienen er ook naar te streven het opleidingsniveau van de beroepsbevolking te verhogen, omdat een verschuiving naar activiteiten met een hogere toegevoegde waarde de vraag naar dergelijke arbeidskrachten zal opdrijven. Dit zal ook van invloed zijn op de snelheid waarmee zij nieuwe technologieën zullen toepassen en zal bijdragen aan het verkleinen van de productiviteitskloof.
Tot slot geven de hoge productiviteitsniveaus in de RCW-regio's deze regio's een voordeel, niet alleen in Europa, maar in de hele wereld. Deze hoge productiviteit is deels het gevolg van sterke investeringen in O&O, die veel hoger zijn dan in convergentieregio's. Om op mondiale schaal een voordeel te behouden, moeten deze regio's echter wel in staat zijn om te concurreren met andere wereldwijde concurrenten, die nog meer investeren in O&O en hoger onderwijs. Hiermee wordt duidelijk onderstreept dat het zinvol is het cohesiebeleid in RCW-regio's sterker te richten op meer investeringen in innovatie en menselijk kapitaal.
[1] A6-9999/2008 [REF], goedgekeurd op 21 februari 2008.
[2] COTER IV-011 [REF], goedgekeurd op 29 november 2007.
[3] ECO/209 [REF], goedgekeurd op 13 december 2007.
[4] Zie http://ec.europa.eu/regional_policy/conferences/4thcohesionforum/all_contrib_nl.cfm?nmenu=6
[5] http://ec.europa.eu/public_opinion/flash/fl_234_en.pdf
[6] Infaserings- en uitfaseringsregio's zijn samen ondergebracht onder overgangsregio's, omdat beide typen regio's overgangssteun ontvangen.
[7] Zie mededeling van de Commissie: Werkgelegenheid in plattelandsgebieden, SEC(2006)1772.
[8] Zie SEC(2008) […] voor definitie.
[9] Idem.