Besluit 1987/433 - Maatregelen inzake toezicht en bescherming waartoe de lidstaten op grond van artikel 115 van het EEG-Verdrag kunnen worden gemachtigd

Inhoudsopgave

  1. Wettekst
  2. 31987D0433

1.

Wettekst

Avis juridique important

|

2.

31987D0433

87/433/EEG: Beschikking van de Commissie van 22 juli 1987 betreffende de maatregelen inzake toezicht en bescherming waartoe de Lid-Staten op grond van artikel 115 van het EEG-Verdrag kunnen worden gemachtigd

Publicatieblad Nr. L 238 van 21/08/1987 blz. 0026 - 0029

Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 11 Deel 13 blz. 0018

Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 11 Deel 13 blz. 0018

*****

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 22 juli 1987

betreffende de maatregelen inzake toezicht en bescherming waartoe de Lid-Staten op grond van artikel 115 van het EEG-Verdrag kunnen worden gemachtigd

(87/433/EEG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE

GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 115,

Overwegende dat de bepalingen van de artikelen 30 en volgende van het Verdrag inzake de opheffing van kwantitatieve beperkingen en van alle maatregelen van gelijke werking op produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en op die welke in één van de Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht, ongeacht de oorsprong ervan, zonder onderscheid van toepassing zijn;

Overwegende dat deze bepalingen in het intracommunautaire handelsverkeer een beletsel vormen voor de eis, al is deze zuiver formeel, tot het voorleggen van invoervergunningen of voor enige andere, gelijkaardige procedure;

Overwegende dat bovendien ingevolge artikel 9, lid 2, van het Verdrag elke administratieve procedure wordt uitgesloten die ten doel heeft naar gelang de produkten van oorsprong zijn uit de Gemeenschap of van oorsprong zijn uit derde landen, doch in één van de Lid-Staten in het vrije verkeer gebracht, een verschillende regeling van het handelsverkeer in te voeren;

Overwegende dat evenwel voor de volledige toepassing van deze beginselen de daadwerkelijke instelling van een gemeenschappelijke handelspolitiek wordt voorondersteld;

Overwegende dat de instelling van een gemeenschappelijke handelspolitiek nog niet volledig haar beslag heeft gekregen; dat namelijk voor sommige produkten van oorsprong uit derde landen de door de Lid-Staten toegepaste maatregelen nog niet door een eenvormige gemeenschappelijke regeling zijn vervangen;

Overwegende dat, doordat de gemeenschappelijke handelspolitiek nog niet volledig tot stand is gebracht, verschillen in de handelspolitiek tussen de Lid-Staten in stand kunnen worden gehouden, die tot verleggingen van het handelsverkeer kunnen leiden waartegen artikel 115 van het Verdrag kan worden gebruikt;

Overwegende dat met het oog hierop de Commissie machtiging kan verlenen aan de Lid-Staten om ten aanzien van produkten van oorsprong uit derde landen die in één van de Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht, binnen de Gemeenschap maatregelen voor intracommunautair toezicht of beschermende maatregelen te treffen, welke afwijken van het beginsel van het vrije verkeer; dat in artikel 115 van het Verdrag echter is bepaald dat deze maatregelen alleen mogen worden toegestaan indien zij noodzakelijk zijn en dat de Commissie bij voorrang maatregelen moet kiezen die de minste verstoringen in de werking van de gemeenschappelijke markt veroorzaken; dat in het huidige stadium van de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt hieruit voortvloeit dat de maatregelen op grond van artikel 115 van het Verdrag alleen mogen worden toegestaan wanneer deze verleggingen van het handelsverkeer economische moeilijkheden met zich meebrengen of de doeltreffendheid van de handelspolitieke maatregelen die door de Lid-Staten ter nakoming van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap worden toegepast, schaden;

Overwegende dat de Europese Akte met ingang van 1 januari 1993 voorziet in de vorming van een Europese ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal zal zijn gewaarborgd; dat dit inhoudt, enerzijds, dat de bestaande verschillen tussen de handelspolitieke maatregelen die door de Lid-Staten worden toegepast, geleidelijk worden opgeheven of verkleind en, anderzijds, dat de Commissie bij de beoordeling van de noodzaak maatregelen op grond van artikel 115 van het Verdrag toe te staan, ten volle met deze doelstellingen rekening houdt; Overwegende dat de Commissie bij haar Beschikking 80/47/EEG van 20 december 1979 betreffende de maatregelen inzake toezicht en bescherming die de Lid-Staten mogen treffen ten aanzien van de invoer van bepaalde produkten van oorsprong uit derde landen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht (1) voor de toepassing van artikel 115 van het Verdrag bepaalde criteria en procedures heeft vastgesteld;

Overwegende dat, om rekening te houden met de opgedane ervaring alsmede met het actieprogramma dat de Gemeenschap voor de verwezenlijking van de interne markt heeft vastgesteld, in Beschikking 80/47/EEG wijzigingen moeten worden aangebracht en met name dient de toepassingssfeer ervan te worden uitgebreid tot alle gevallen waarin verschillen bestaan in de handelspolitieke maatregelen die overeenkomstig het Verdrag door de Lid-Staten worden genomen, met inbegrip van die waarin nog verschillen in de maatregelen van tarifaire aard zouden worden toegestaan; dat bepaalde van deze criteria en procedures nader moeten worden omschreven; dat genoemde beschikking, ten einde rekening te houden met deze wijzigingen, een algehele herziening dient te ondergaan;

Overwegende dat ingeval een dergelijke maatregel van toezicht wordt toegestaan, de toekenning van invoervergunningen automatisch, en zonder kosten binnen een bepaalde termijn voor alle gevraagde hoeveelheden moet plaatsvinden; dat, ingeval om maatregelen van toezicht wordt verzocht, omdat de invoer in een Lid-Staat economische moeilijkheden dreigt mee te brengen, de realiteit van deze risico's in het licht van de in het verleden vastgestelde verleggingen van het handelsverkeer en het belang van de door de Gemeenschap aan het betrokken derde land toegekende mogelijkheden voor invoer, dient te worden beoordeeld;

Overwegende dat ingeval dat een Lid-Staat een verzoek indient om beschermende maatregelen te mogen toepassen, de termijn voor de toekenning van invoervergunningen moet worden verlengd wanneer de betrokken aanvragen een zekere omvang bereiken;

Overwegende dat de door de Lid-Staten verstrekte inlichtingen en de rechtvaardiging ter staving van de door deze ingediende verzoeken om te worden gemachtigd de bewuste maatregelen in te voeren, de Commissie volledig in staat moeten stellen de noodzaak van een dergelijke machtiging te beoordelen;

Overwegende dat het dienstig is te bepalen dat de Commissie, indien nodig, een onderzoek kan instellen om de gegrondheid van de gegevens waarover zij beschikt, na te gaan;

Overwegende dat de maatregelen uit hoofde van artikel 115 van het Verdrag, aangezien zij niet alleen een afwijking van de bepalingen van de artikelen 9 en 30 van het Verdrag vormen, maar tevens een belemmering betekenen voor de opzet van een bij artikel 113 van het Verdrag voorgeschreven gemeenschappelijke handelspolitiek, strikt moet worden uitgelegd en toegepast; dat het, gezien het voorgaande en de doelstellingen van de Europese Akte, dienstig is de toepassing van dergelijke maatregelen slechts voor een beperkte duur en alleen wanneer de ernst van de situatie zulks vereist, toe te staan;

Overwegende dat het, ten einde belemmeringen voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten te voorkomen, dienstig is te bepalen dat de Lid-Staten zich over het algemeen bij de vervulling van de aan de invoer van een produkt uit een andere Lid-Staat verbonden formaliteiten ertoe moeten beperken aan de importeur bepaalde inlichtingen en gegevens te vragen; dat wat de controle op de oorsprong betreft de Lid-Staten over het algemeen slechts een eenvoudige verklaring met betrekking tot de oorsprong van dit produkt, zoals die de importeur van het produkt redelijkerwijze bekend kan zijn, dient te verlangen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze beschikking is van toepassing op de invoer in een Lid-Staat van produkten van oorsprong uit een derde land die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht en waarvoor in de Lid-Staten geen eenvormige voorwaarden ten aanzien van de invoer gelden.

Artikel 2

Intracommunautair toezicht

  • 1. 
    Wanneer de invoer in een Lid-Staat van een in artikel 1 bedoeld produkt economische moeilijkheden met zich dreigt te brengen kan de invoer van dit produkt, na machtiging door de Commissie en voor een door haar bepaalde termijn, van de verlening van een invoervergunning afhankelijk worden gesteld.
  • 2. 
    Over het algemeen zal de Commissie de in lid 1 bedoelde machtiging niet verlenen, wanneer:
  • a) 
    er in het kalenderjaar voorafgaand aan dat van de aanvraag geen belangrijke invoer van het betrokken produkt uit andere Lid-Staten heeft plaatsgevonden;
  • b) 
    de invoermogelijkheden van het betrokken produkt die de Gemeenschap ten aanzien van het derde land van oorsprong verleent, niet meer bedragen dan 1 % van het geheel van de invoermogelijkheden die door de Gemeenschap ten aanzien van alle derde landen waarvoor een soortgelijk stelsel geldt, worden verleend.
  • 3. 
    Onverminderd de bepalingen van artikel 3 wordt de invoervergunning door de betrokken Lid-Staat voor elke gevraagde hoeveelheid kosteloos afgegeven en uiterlijk binnen vijf werkdagen na indiening van de aanvraag van de importeur, ongeacht de plaats van diens vestiging in de Gemeenschap.
  • 4. 
    Ten einde de in lid 1 bedoelde voorafgaande machtiging te verkrijgen, legt de Lid-Staat aan de Commissie een verzoek voor dat de volgende gegevens behelst:
  • a) 
    de omschrijving van het produkt met opgave van de handelsbenaming, de tariefpost in het gemeenschappelijk douanetarief, de NIMEXE-code en het land van oorsprong;
  • b) 
    de bij rechtstreekse invoer ten opzichte van het land van oorsprong en de andere derde landen toegepaste regeling, in voorkomend geval met inbegrip van de tariefregeling, de omvang en/of het bedrag van de invoermogelijkheden en de beweegredenen van economische aard waarop deze regeling is gebaseerd;
  • c) 
    de omvang of het bedrag van de invoer van het betreffende produkt,
  • van oorsprong uit het desbetreffende derde land, onderverdeeld naar de rechtstreekse invoer en de invoer uit hoofde van het vrije verkeer;
  • van oorsprong uit alle derde landen;
  • van oorsprong uit de Gemeenschap;
  • d) 
    de aangevoerde kansen op economische moeilijkheden, blijkend uit factoren als het verbruik van het produkt, het marktaandeel van de nationale produktie, dat van het betrokken derde land en dat van alle derde landen.

De onder c) en d) voorgeschreven inlichtingen hebben betrekking op de voorgaande twee jaren en het lopende jaar.

Ingeval deze inlichtingen niet met de vereiste nauwkeurigheid of niet tijdig kunnen worden verstrekt, dienen in de aanvraag van de Lid-Staat de beste beschikbare gegevens te worden opgenomen.

  • 5. 
    De Lid-Staat die de in lid 1 bedoelde machtiging heeft verkregen, kan van de aanvrager van een invoerdocument slechts de volgende aanwijzingen en gegevens verlangen:
  • a) 
    de identificatie van de importeur en de expediteur van de Lid-Staat van herkomst;
  • b) 
    het land van oorsprong en de Lid-Staat van herkomst;
  • c) 
    de omschrijving van het produkt met opgave van:
  • de handelsbenaming,
  • de post in het gemeenschappelijk douanetarief en in de NIMEXE-code;
  • d) 
    de waarde en de hoeveelheid van het produkt in gebruikelijke handelseenheden;
  • e) 
    de voor de levering voorziene datum of data;
  • f) 
    de gegevens ter staving van het in het vrije verkeer brengen:

wanneer de produkten bij het indienen van de aanvraag voor invoer nog niet in het vrije verkeer zijn gebracht of wanneer de gegevens ter staving op die datum niet kunnen worden overlegd, wordt de invoervergunning weliswaar verleend, maar is de geldigheid ervan beperkt tot één maand na de ontvangst van dit document door de aanvrager.

Artikel 3

Beschermende maatregelen

  • 1. 
    Wanneer de invoer in een Lid-Staat van een produkt, zoals bedoeld in artikel 1, daar economische moeilijkheden teweeg brengt, kan deze Lid-Staat beschermende maatregelen treffen, na voorafgaande machtiging door de Commissie, die de voorwaarden en wijze van toepassing ervan vaststelt.
  • 2. 
    De Commissie verleent de machtiging slechts voor een beperkte duur en wanneer de ernst van de situatie zulks vereist.
  • 3. 
    Ten einde de machtiging te verkrijgen legt de Lid-Staat aan de Commissie een verzoek voor dat, behalve de in artikel 2, lid 4, onder a) en b), vermelde elementen, de volgende aanwijzingen en gegevens bevat:
  • a) 
    de Lid-Staat van herkomst;
  • b) 
    de indieningsdatum van de aanvraag van de invoervergunning;
  • c) 
    de omvang of het bedrag van de verrichte of toegestane invoer van het betreffende produkt,
  • van oorsprong uit het betrokken derde land, onderverdeeld over de rechtstreekse invoer en de invoer uit hoofde van het vrije verkeer;
  • van oorsprong uit de andere derde landen ten opzichte waarvan in de Lid-Staat die het verzoek indient, een gelijkaardige invoerregeling of een regeling van gelijke werking bestaat;
  • van oorsprong uit alle derde landen;
  • van oorsprong uit de Gemeenschap;
  • d) 
    voor zover mogelijk de omvang of het bedrag van de heruitvoer van het produkt, van oorsprong uit het betreffende derde land, naar de andere Lid-Staten en naar derde landen;
  • e) 
    de aangevoerde economische moeilijkheden, blijkend uit de ontwikkeling die factoren als produktie, benutting van de capaciteit, verbruik, verkoop, marktaandeel van het desbetreffende derde land, dat van alle derde landen en dat van de nationale produktie, prijzen (dat wil zeggen daling van de prijzen of verhindering van prijsstijgingen die zich normaal zouden hebben voorgedaan), winsten en verliezen, werkgelegenheid, te zien geven;
  • f) 
    op verzoek van de Commissie de genomen of geplande maatregelen om voor de situatie in de betrokken sector een oplossing te vinden.

De onder c), d) en e) verlangde inlichtingen hebben betrekking op de twee voorafgaande jaren en het lopende jaar.

Ingeval deze inlichtingen niet tijdig of niet met de vereiste nauwkeurigheid kunnen worden verstrekt, dienen in de aanvraag van de Lid-Staat de beste, beschikbare gegevens te worden opgenomen. Wanneer de Commissie het nodig oordeelt, kan zij overgaan tot het instellen van een onderzoek om na te gaan of de gegevens ter staving van de door de Lid-Staten verschafte informatie gegrond zijn. In dat geval kan zij, wanneer het ontbreken van beschermende maatregelen ernstige schade aan de betrokken sector zou kunnen berokkenen, toestemming verlenen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek, tijdelijke beschermende maatregelen toe te passen.

  • 4. 
    De indiening van het verzoek door de Lid-Staat mag geen beletsel vormen voor de verlening, tegen de voorwaarden en binnen de termijnen als bedoeld in artikel 2, van invoervergunningen waarvoor de aanvragen vóór het besluit van de Commissie werden ingediend.
  • 5. 
    Wanneer de Lid-Staat evenwel vaststelt dat de totale omvang of het totale bedrag van de ingediende aanvragen met betrekking tot het betrokken produkt, van oorsprong uit het desbetreffende derde land, hetzij meer bedraagt dan 5 % van de mogelijke rechtstreekse invoer uit dit derde land, hetzij meer bedraagt dan 1 % van de totale invoer extra-EEG gedurende de laatste periode van twaalf maanden waarvoor statistische gegevens beschikbaar zijn,
  • wordt de uiterste termijn voor de afgifte van de invoerdocumenten gesteld op tien werkdagen na de indiening van aanvraag door de importeur;
  • kan de Lid-Staat deze aanvragen om invoervergunningen afwijzen, indien de beschikking van de Commissie deze daartoe machtigt.
  • 6. 
    De Lid-Staat dient het verzoek tot beschermende maatregelen in per telex of per telefax waarbij gelijktijdig en langs dezelfde weg een kopie wordt toegezonden aan de bevoegde diensten die hiertoe door de andere Lid-Staten zijn aangewezen. De Lid-Staat stelt de aanvrager van het invoerdocument van de indiening van een verzoek om beschermende maatregelen in kennis.
  • 7. 
    De Commissie doet op verzoek van de Lid-Staat binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek een uitspraak.

Artikel 4

Bewijs van oorsprong

  • 1. 
    Bij de vervulling van de formaliteiten verbonden aan de invoer van produkten van het soort waarvoor maatregelen van intracommunautair toezicht of beschermende maatregelen gelden, kunnen de bevoegde autoriteiten van de invoerende Lid-Staat de importeur verzoeken om op de douane-aangifte of op de aanvraag voor een invoervergunning de oorsprong van deze produkten te vermelden.
  • 2. 
    Aanvullend bewijs mag alleen bij de douanebehandeling worden gevraagd en in het geval dat het wegens ernstige en gegronde twijfel onontbeerlijk is om de werkelijke oorsprong van het desbetreffende produkt te kunnen vaststellen. Het verzoek om dergelijk aanvullend bewijs mag echter op zichzelf de invoer van deze goederen niet beletten.

Slotbepalingen

Artikel 5

De bij deze beschikking ingestelde procedures zijn van toepassing wanneer de doeltreffendheid van de handelspolitieke maatregelen die ter naleving van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap door de Lid-Staten worden toegepast, door verleggingen van het handelsverkeer in het gedrang komt, behoudens ten aanzien van de gegevens bedoeld in artikel 2, lid 4, onder d) en in artikel 3, lid 3, onder e).

Artikel 6

  • 1. 
    Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 oktober 1987.
  • 2. 
    Beschikking 80/47/EEG wordt met werking van die datum ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken beschikking gelden als verwijzingen naar deze beschikking.

Artikel 7

Deze beschikking is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 22 juli 1987.

Voor de Commissie

Willy DE CLERCQ

Lid van de Commissie

  • (1) 
    PB nr. L 16 van 22. 1. 1980, blz. 14.

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.