Verordening 1996/2200 - Gemeenschappelijke marktordening in de sector groenten en fruit

Inhoudsopgave

  1. Wettekst
  2. 31996R2200

1.

Wettekst

Avis juridique important

|

2.

31996R2200

Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit

Publicatieblad Nr. L 297 van 21/11/1996 blz. 0001 - 0028

VERORDENING (EG) Nr. 2200/96 VAN DE RAAD van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 42 en 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

  • (1) 
    Overwegende dat door het samengaan van verscheidene factoren in de sector groenten en fruit thans een nieuwe situatie is ontstaan waaraan de telers zich moeten aanpassen; dat een herschikking van de basisvoorschriften van de marktordening derhalve gerechtvaardigd is; dat die gemeenschappelijke marktordening sedert haar instelling veelvuldig is gewijzigd, zodat duidelijkheidshalve een nieuwe verordening moet worden vastgesteld;
  • (2) 
    Overwegende dat het wenselijk is, in deze nieuwe verordening de belangrijkste bepalingen van de volgende verordeningen op te nemen: Verordening (EEG) nr. 3285/83 van de Raad van 14 november 1983 tot vaststelling van algemene voorschriften inzake de uitbreiding van bepaalde door telersverenigingen voor groenten en fruit vastgestelde regels (4); Verordening (EEG) nr. 1319/85 van de Raad van 23 mei 1985 tot versterking van de middelen tot controle op de toepassing van de communautaire voorschriften in de sector groenten en fruit (5); Verordening (EEG) nr. 2240/88 van de Raad van 19 juli 1988 tot vaststelling, voor perziken, citroenen en sinaasappelen, van de bepalingen ter uitvoering van artikel 16 ter van Verordening (EEG) nr. 1035/72 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (6); Verordening (EEG) nr. 1121/89 van de Raad van 27 april 1989 tot invoering van een interventiedrempel voor appelen en bloemkool (7); Verordening (EEG) nr. 1198/90 van de Raad van 7 mei 1990 tot instelling van een communautair citrusteeltkadaster (8); dat deze verordeningen derhalve moeten worden ingetrokken;
  • (3) 
    Overwegende dat groente- en fruitsoorten die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht of naar derde landen worden uitgevoerd, op basis van verplicht toe te passen gemeenschappelijke kwaliteitsnormen in klassen worden ingedeeld, en deze indeling enerzijds een referentiekader vormt waardoor het handelsverkeer eerlijker verloopt en de markt doorzichtiger wordt, en anderzijds produkten van ontoereikende kwaliteit van de markt weert; dat de naleving van deze normen daardoor mede de rentabiliteit van de produktie zelf verhoogt;
  • (4) 
    Overwegende dat het, ter vereenvoudiging van de regeling, dienstig lijkt om voor groenten en fruit met een onmiskenbaar belang voor de markt normen aan te nemen die rekening houden met de normen die de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties heeft vastgesteld; dat moet worden bepaald onder welke voorwaarden de internationale normen kunnen worden aangepast aan de specifieke behoeften van de Gemeenschap;
  • (5) 
    Overwegende dat de normalisatie slechts haar volle effect kan hebben wanneer zij, op enkele uitzonderingen na, reeds bij het vertrek van de produkten uit het produktiegebied en in alle afzetstadia wordt toegepast; dat evenwel voor sommige weinig gebruikelijke en zeer specifieke transacties, c.q. voor sommige transacties aan het begin van de afzetketen en voor produkten die bestemd zijn om te worden verwerkt, in uitzonderingen kan worden voorzien; dat tevens met mogelijke schaarste en met een uitzonderlijk groot aanbod rekening moet worden gehouden; dat de houder van het produkt de verantwoordelijkheid voor de naleving van de normen moet dragen, teneinde de eigenschappen die op grond van die normen vereist zijn, beter te waarborgen; dat, in verband met de eisen van de consument inzake de eigenschappen van groenten en fruit, de oorsprong van de produkten tot in het stadium van de kleinhandel op de etikettering moet worden vermeld;
  • (6) 
    Overwegende dat bij de produktie en de verhandeling van groenten en fruit rekening moet worden gehouden met de milieu-eisen, zowel bij de teelt als bij het beheer van gebruikt materiaal en uit de markt genomen produkten, vooral wat betreft de bescherming van de kwaliteit van het water, de instandhouding van de biodiversiteit en de landschapsverzorging;
  • (7) 
    Overwegende dat de telersverenigingen de hoofdpijlers van de gemeenschappelijke marktordening vormen en op hun niveau zorgen voor de gedecentraliseerde werking van de marktordening; dat het, gezien de steeds sterkere concentratie van de vraag, uit economisch oogpunt meer dan ooit noodzakelijk is het aanbod via deze verenigingen te bundelen en zodoende de positie van de telers op de markt te verbeteren; dat deze bundeling van het aanbod op vrijwillige basis en op efficiënte wijze moet geschieden dank zij de omvangrijke en efficiënte diensten die de verenigingen hun leden kunnen bieden; dat de levering van produkten aan gespecialiseerde produktorganisaties die reeds voor de inwerkingtreding van onderhavige verordening bestonden niet in het geding mag komen;
  • (8) 
    Overwegende dat de Lid-Staten een telersvereniging alleen als instrument van de gemeenschappelijke marktordening mogen erkennen indien zij aan een aantal voorwaarden voldoet waartoe zij zichzelf verbindt, en die zij via haar statuten aan haar leden oplegt; dat producentengroeperingen die op grond van deze verordening het statuut van telersvereniging willen verwerven, voor een overgangsperiode in aanmerking moeten kunnen komen waarin hun door de Lid-Staat en de Gemeenschap financiële steun kan worden toegekend wanneer zij bepaalde verbintenissen aangaan en nakomen;
  • (9) 
    Overwegende dat een overgangsperiode moet worden vastgesteld voor telersverenigingen die nu reeds op grond van Verordening (EEG) nr. 1035/72 (9) zijn erkend, maar die niet meteen kunnen voldoen aan de eisen waaraan zij op grond van deze verordening moeten voldoen om te kunnen worden erkend; dat dergelijke verenigingen moeten tonen dat zij in staat zijn zich in die zin aan te passen;
  • (10) 
    Overwegende dat er, om het verantwoordelijkheidsbesef van de telersverenigingen met name ten aanzien van hun financiële beslissingen te versterken en ervoor te zorgen dat de hun toegewezen overheidsgelden toekomstgericht worden besteed, voorwaarden moeten worden vastgesteld voor het gebruik van de bedoelde middelen; dat in dit verband medefinanciering van actiefondsen van de telersverenigingen een geschikt instrument lijkt;
  • (11) 
    Overwegende dat actiefondsen alleen zinvol zijn en goed kunnen functioneren, wanneer de telersverenigingen de volledige betrokken produktie van hun leden geleverd krijgen;
  • (12) 
    Overwegende dat, met het oog op de beheersing van de communautaire uitgaven, de steun aan de telersverenigingen die een actiefonds vormen, moet worden begrensd;
  • (13) 
    Overwegende dat het in regio's waar de produktie zwak georganiseerd is, wenselijk is extra nationale financiële steun toe te staan; dat in Lid-Staten die op structureel gebied sterk benadeeld zijn, die bijdragen door de Gemeenschap moeten kunnen worden terugbetaald via het Communautair Bestek;
  • (14) 
    Overwegende dat, om de werking van de telersverenigingen of groeperingen van telersverenigingen nog meer te versterken en de markt de gewenste stabiliteit te geven, de Lid-Staten moet worden toegestaan om onder bepaalde voorwaarden de voorschriften die de telersvereniging of de groepering van telersverenigingen van een bepaald gebied voor haar leden heeft vastgesteld met betrekking tot met name de produktie, het in de handel brengen van produkten en de milieubescherming, van toepassing te verklaren voor alle telers in dat gebied die niet bij een telersvereniging zijn aangesloten; dat bepaalde daaraan verbonden kosten op de betrokken telers moeten kunnen worden verhaald wanneer deze telers van de regeling profiteren;
  • (15) 
    Overwegende dat op initiatief van door individuele marktdeelnemers of groeperingen opgerichte sectorale organisaties die een aanzienlijk gedeelte van de verschillende beroepsgroepen in de sector groenten en fruit vertegenwoordigen, ertoe kunnen bijdragen dat meer marktgericht wordt gehandeld en dat het bedrijfsleven zich gemakkelijker aanpast, zodat verbeteringen tot stand komen wat betreft de kennis over en zelfs de organisatie van de produktie, alsmede de aanbiedingsvorm en de afzet van de produkten; dat derhalve, aangezien de actie van deze sectorale organisaties over het algemeen kan bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, en in het bijzonder van de doelstellingen van de onderhavige verordening, door de Lid-Staten een specifieke erkenning moet kunnen worden verleend aan organisaties die hebben aangetoond dat zij representatief zijn en die op de voornoemde doelstellingen gerichte acties voeren, waarbij vooraf moet worden bepaald welke acties in aanmerking komen; dat de bepalingen met betrekking tot de uitbreiding van de werkingssfeer van de door de telersverenigingen en groeperingen daarvan vastgestelde voorschriften en de verdeling van de kosten die daaraan verbonden zijn, ook moeten gelden voor sectorale organisaties, aangezien zij een analoog doel nastreven;
  • (16) 
    Overwegende dat het wenselijk is dat telersverenigingen marktinterventiemaatregelen kunnen nemen om de prijzen te stabiliseren, met name door in bepaalde perioden bepaalde hoeveelheden produkten uit de markt te houden; dat het uit de markt nemen van produkten niet mag worden gezien als een alternatieve afzetmogelijkheid; dat daarom de financiering van deze maatregelen door de Gemeenschap slechts mag gelden voor een bepaald percentage van de produktie en beperkt moet blijven tot een geringe communautaire vergoeding, onverminderd de mogelijkheid om daarvoor actiefondsen in te schakelen; dat, ter vereenvoudiging van de regeling, voor elk produkt één enkele lineaire communautaire vergoeding dient te worden vastgesteld; dat, om voor alle produkten een in omvang vergelijkbare daling te bereiken, enige differentiatie nodig blijkt;
  • (17) 
    Overwegende dat de interventiemaatregelen slechts hun volle effect kunnen krijgen, wanneer de uit de markt genomen produkten niet meer in het voor dergelijke produkten gewone handelscircuit terechtkomen; dat, om zoveel mogelijk te voorkomen dat dergelijke produkten worden vernietigd, moet worden bepaald voor welke bestemmingen en welke doeleinden ze mogen worden gebruikt;
  • (18) 
    Overwegende dat, dank zij het nieuwe beheer van de uit de markt genomen hoeveelheden, de geldende bepalingen met betrekking tot de consequenties bij overschrijding van de drempels kunnen worden ingetrokken; dat het evenwel redelijk is het beginsel gedurende een overgangsperiode te handhaven en de Commissie de bevoegdheid te geven het toe te passen, zo dit nodig mocht zijn;
  • (19) 
    Overwegende dat bij Verordening (EG) nr. 3290/94 (10) de aanpassingen en overgangsmaatregelen zijn vastgesteld die in de landbouwsector nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten die in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde zijn gesloten, en met name de nieuwe regeling met betrekking tot het handelsverkeer in groenten en fruit met derde landen; dat de bepalingen van bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 3290/94 in deze verordening worden opgenomen; dat de produkten evenwel niet in consignatie worden verkocht wanneer zij in de Gemeenschap voor levering aan de verwerkende industrie worden ingevoerd; dat men voor de controle van de invoerprijs derhalve kan uitgaan van andere elementen dan een forfaitaire waarde; dat de betrokken bepaling op dit punt moet worden aangevuld;
  • (20) 
    Overwegende dat de regels van de marktordening door alle betrokken marktdeelnemers in acht moeten worden genomen, wil men voorkomen dat de regeling wordt uitgehold, met alle gevolgen van dien voor de besteding van overheidsgelden en de concurrentie tussen de marktdeelnemers; dat derhalve voor de sector groenten en fruit een korps van communautaire controleurs moet worden opgericht; dat dit korps om begrotingsredenen en uit een oogpunt van efficiëntie moet bestaan uit ambtenaren van de Commissie en eventueel andere functionarissen; dat het tevens noodzakelijk is communautaire sancties in te voeren, teneinde te waarborgen dat de nieuwe regeling in de hele Gemeenschap op uniforme wijze wordt toegepast;
  • (21) 
    Overwegende dat grondige kennis van de markt een onmisbaar element is voor een correct beheer van de gemeenschappelijke marktordening; dat derhalve moet worden voorzien in de daartoe noodzakelijke maatregelen;
  • (22) 
    Overwegende dat de werking van de interne markt door de toepassing van bepaalde steunmaatregelen in gevaar kan worden gebracht; dat de Verdragsbepalingen die het mogelijk maken de steunmaatregelen van de Lid-Staten te beoordelen en die welke onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt te verbieden, derhalve voor de onderhavige sector van toepassing dienen te worden verklaard;
  • (23) 
    Overwegende dat in de gemeenschappelijke marktordening voor de sector groenten en fruit gelijkelijk en passend rekening moet worden gehouden met de doeleinden van de artikelen 39 en 110 van het Verdrag;
  • (24) 
    Overwegende dat, voor een vlottere uitvoering van de bepalingen van onderhavige verordening, moet worden voorzien in een procedure waarbij een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie in een comité van beheer wordt ingesteld;
  • (25) 
    Overwegende dat, voor hazelnoten die worden geoogst tijdens de verkoopseizoenen 1997/1998, 1998/1999 en 1999/2000 een vast steunbedrag dient te worden toegekend, om het hoofd te bieden aan de bijzonder ongunstige conjunctuur in de hazelnotensector,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

  • 1. 
    Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit ingesteld.
  • 2. 
    Deze ordening geldt voor de volgende produkten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

  • 3. 
    De verkoopseizoenen voor de in lid 2 vermelde produkten worden indien nodig vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

TITEL I Indeling van de produkten in klassen

Artikel 2

  • 1. 
    Voor de indeling van vers aan de consument te leveren produkten in klassen kan worden uitgegaan van een stelsel van normen.
  • 2. 
    Voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke marktordening worden de normen voor de in bijlage I vermelde verse groenten en fruit vastgesteld volgens de procedure van artikel 46. Daarbij wordt rekening gehouden met de door de Werkgroep voor normalisatie van bederfelijke voedingsmiddelen en kwaliteitsbevordering van de Economische Commissie voor Europa aanbevolen UN/ECE-normen.

Totdat nieuwe normen zijn vastgesteld, blijven de op grond van artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 1035/72 vastgestelde normen van toepassing.

  • 3. 
    De Commissie kan de lijst in bijlage I volgens de procedure van artikel 46 uitbreiden met andere produkten.

Artikel 3

  • 1. 
    De houder van produkten waarvoor normen zijn vastgesteld, mag die produkten binnen de Gemeenschap alleen te koop uitstallen, te koop aanbieden, verkopen, leveren of op enige andere wijze verhandelen indien zij aan die normen voldoen. De houder van het produkt is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepaling.

De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat de verplichting om te voldoen aan de normen of aan sommige bepalingen daarvan, niet geldt voor:

  • a) 
    produkten die door de teler te koop worden uitgestald, te koop aangeboden, verkocht, geleverd, of op enige andere wijze verhandeld in de in het produktiegebied gelegen groothandelscentra, met name op de producentenmarkten;
  • b) 
    produkten die van deze groothandelscentra naar in hetzelfde produktiegebied gelegen pakstations of bewaarinrichtingen onderweg zijn.

Bij toepassing van de tweede alinea stelt de betrokken Lid-Staat de Commissie hiervan in kennis en deelt hij haar de maatregelen mede die hij te dien einde heeft getroffen.

  • 2. 
    De verplichting om aan de normen te voldoen, geldt binnen het produktiegebied niet voor:
  • a) 
    produkten die door de teler worden verkocht of geleverd aan pakstations of aan bewaarinrichtingen, of die van het bedrijf van de teler naar deze inrichtingen onderweg zijn;
  • b) 
    produkten die van de bewaarinrichtingen naar pakstations onderweg zijn.
  • 3. 
    De verplichting om aan de normen te voldoen, geldt niet:
  • a) 
    voor produkten die naar de be- of verwerkende bedrijven onderweg zijn, onder voorbehoud van eventuele vaststelling, volgens de procedure van artikel 46, van minimumkwaliteitscriteria voor produkten die voor industriële be- of verwerking bestemd zijn;
  • b) 
    voor produkten die door de teler op zijn bedrijf aan de consument voor diens persoonlijke behoeften worden geleverd;
  • c) 
    ingevolge een besluit van de Commissie dat op verzoek van een Lid-Staat wordt genomen volgens de procedure van artikel 46, voor produkten van een bepaald gebied die door de kleinhandel van dat gebied worden verkocht omdat zij aan een algemeen bekende lokale verbruikstraditie beantwoorden.
  • 4. 
    Het bewijs moet worden geleverd dat de in lid 2 en lid 3, onder a), bedoelde produkten aan de terzake geldende voorwaarden voldoen, met name ten aanzien van hun bestemming.

Artikel 4

Indien als gevolg van extreme tekorten of een uitzonderlijk groot aanbod, het aanbod van de produkten die aan de normen voldoen, de vraag van de consumenten niet volledig kan dekken of aanzienlijk overschrijdt, worden volgens de procedure van artikel 46 en met inachtneming van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap voor een beperkte periode maatregelen vastgesteld waarbij van de toepassing van deze normen wordt afgeweken.

Artikel 5

  • 1. 
    De in de normen voorgeschreven aanduidingen moeten in duidelijk zichtbare en leesbare letters op een van de zijkanten van de verpakking worden aangebracht door directe en onuitwisbare opdruk of door middel van een in de verpakkingseenheid geïntegreerd of stevig daarop bevestigd etiket.
  • 2. 
    Voor los verzonden goederen die rechtstreeks in een vervoermiddel zijn geladen, moeten de in lid 1 bedoelde aanduidingen voorkomen op een begeleidend document of op een notitie die goed zichtbaar in het vervoermiddel is aangebracht.

Artikel 6

In het stadium van de kleinhandel moeten bij verpakte produkten de voorgeschreven aanduidingen goed zichtbaar en leesbaar worden aangebracht.

Bij voorverpakte produkten in de zin van Richtlijn 79/112/EEG (11) wordt naast de in de normen voorgeschreven gegevens ook het nettogewicht aangegeven. Op produkten die gewoonlijk per stuk worden verkocht, is de verplichting om het nettogewicht aan te geven evenwel niet van toepassing, indien het aantal stuks vanaf de buitenkant duidelijk kan worden gezien en gemakkelijk kan worden geteld of, zo dit niet het geval is, indien dit aantal op het etiket is vermeld.

De produkten behoeven niet in een verpakking te worden aangeboden, mits de kleinhandelaar bij de te koop aangeboden goederen een bordje plaatst waarop in goed zichtbare en leesbare letters de door de normen voorgeschreven gegevens zijn vermeld betreffende:

  • variëteit,
  • oorsprong van het produkt,
  • klasse.

Artikel 7

Teneinde na te gaan of de produkten waarvoor normen zijn vastgesteld, voldoen aan het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6, wordt steekproefsgewijs in alle stadia van de afzet en tijdens het vervoer door de door iedere Lid-Staat aangewezen instanties een normcontrole uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van titel VI.

Deze controle dient bij voorkeur vóórdat het produkt het produktiegebied verlaat, tijdens het verpakken of bij het laden van de goederen te worden verricht.

De Lid-Staten delen de andere Lid-Staten en de Commissie mede welke controle-instanties door hen zijn aangewezen.

Artikel 8

  • 1. 
    Produkten waarvoor normen zijn vastgesteld, mogen uit derde landen uitsluitend worden ingevoerd indien zij aan die normen of aan ten minste gelijkwaardige normen voldoen.
  • 2. 
    De artikelen 3 tot en met 7 zijn op in de Gemeenschap ingevoerde produkten van toepassing nadat de formaliteiten bij invoer overeenkomstig de ter zake geldende communautaire bepalingen zijn vervuld.

Artikel 9

  • 1. 
    Produkten waarvoor normen zijn vastgesteld, mogen naar derde landen uitsluitend worden uitgevoerd indien zij aan die normen voldoen.

Volgens de procedure van artikel 46 kunnen evenwel afwijkingen worden toegestaan in verband met de eisen van de markten van bestemming.

  • 2. 
    De voor uitvoer naar derde landen bestemde produkten worden vóór het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap aan een normcontrole onderworpen.

Artikel 10

De maatregelen om te verzekeren dat de bepalingen van deze titel uniform worden toegepast, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

Deze maatregelen kunnen voor in de Gemeenschap in te voeren produkten de erkenning van de officiële controlediensten van het exporterende derde land omvatten.

TITEL II Telersverenigingen

Artikel 11

  • 1. 
    Onder "telersvereniging" worden in deze verordening verstaan, rechtspersonen:
  • a) 
    die zijn opgericht op initiatief van de telers van de volgende categorieën in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten:
  • i) 
    groenten en fruit,
  • ii) 
    fruit,
  • iii) 
    groenten,
  • iv) 
    produkten die bestemd zijn om te worden verwerkt,
  • v) 
    citrusvruchten,
  • vi) 
    noten,
  • vii) 
    champignons,
  • b) 
    met als doel:
  • 1. 
    te verzekeren dat de produktie wordt gepland en aan de vraag wordt aangepast, met name wat omvang en kwaliteit betreft;
  • 2. 
    de concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van de produkten van de leden te bevorderen;
  • 3. 
    de produktiekosten te drukken en de produktieprijzen te reguleren;
  • 4. 
    de landbouwpraktijk, de produktietechnieken en het afvalbeheer milieuvriendelijker te maken, om met name de kwaliteit van water, bodem en landschap te beschermen en de biodiversiteit te behouden en/of te bevorderen;
  • c) 
    waarvan de statuten de aangesloten telers in het bijzonder ertoe verplichten:
  • 1. 
    de door de telersvereniging vastgestelde regels inzake de verstrekking van teeltgegevens, produktie, afzet en milieubescherming toe te passen;
  • 2. 
    uit hoofde van de voortbrenging op één zelfde bedrijf van één van de categorieën van produkten, bedoeld onder punt a), slechts lid te zijn van één van de onder punt a) bedoelde telersverenigingen;
  • 3. 
    hun volledige betrokken produktie via de telersvereniging te verkopen.

Zo de telersvereniging dit toestaat, mogen de aangesloten telers evenwel onder door de telersvereniging vastgestelde voorwaarden:

  • ten hoogste 25 % van hun produktie indien het gaat om verenigingen van telers van onder a), i), bedoelde groenten en fruit, en 20 % van de produktie voor telers die aangesloten zijn bij andere categorieën van telersverenigingen, zelf op hun bedrijf rechtstreeks aan de consument verkopen voor diens eigen behoeften, en bovendien;
  • zelf of via een andere, door hun eigen vereniging aan te wijzen telersvereniging produkten verkopen die, vergeleken met het afzetvolume van hun telersvereniging slechts een marginaal aandeel van de omzet vertegenwoordigen;
  • via een andere, door hun eigen vereniging aan te wijzen telersvereniging produkten afzetten die, gezien de kenmerken ervan, gewoonlijk niet onder de handelsactiviteiten van de eigen telersvereniging vallen;
  • de toestemming krijgen om volgens de procedure van artikel 46 en tot 31 december 1999 voor bepaalde produkten bij wijze van afwijkende, degressieve overgangsmaatregel met de verwerkende bedrijven rechtstreekse overeenkomsten te sluiten;
  • 4. 
    de door de telersvereniging voor statistische doeleinden gevraagde inlichtingen te verstrekken, die met name betrekking kunnen hebben op areaal, geoogste hoeveelheden, opbrengst en rechtstreekse verkoop;
  • 5. 
    de in de statuten vastgestelde financiële bijdragen voor de oprichting en de financiering van het in artikel 15 bedoelde actiefonds te betalen;
  • d) 
    waarvan de statuten bepalingen omvatten betreffende:
  • 1. 
    de nadere bepalingen betreffende de vaststelling, de goedkeuring en de wijziging van de onder c), i), bedoelde regels;
  • 2. 
    het aan de leden opleggen van financiële bijdragen voor de financiering van de telersvereniging;
  • 3. 
    de regels op grond waarvan de uiteindelijke zeggenschap bij beslissingen en de controle op de telersvereniging op democratische wijze bij de aangesloten telers berust;
  • 4. 
    de sancties bij overtreding van de statutaire verplichtingen, en met name bij niet-betaling van de financiële bijdragen, of van de door de telersvereniging vastgestelde regels;
  • 5. 
    de regels betreffende de toelating van nieuwe leden, en met name betreffende de minimumduur van het lidmaatschap;
  • 6. 
    de nodige boekhoudkundige en budgettaire regels voor de werking van de vereniging, en
  • e) 
    die door de betrokken Lid-Staat overeenkomstig lid 2 zijn erkend.
  • 2. 
    De Lid-Staten erkennen telersverenigingen die een verzoek om erkenning als telersvereniging in de zin van deze verordening indienen, op voorwaarde dat deze verenigingen:
  • a) 
    aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen en daartoe onder meer het bewijs leveren dat zij ten minste een volgens de procedure van artikel 46 te bepalen aantal leden en verkoopbare produktie hebben;
  • b) 
    voldoende garanties bieden ten aanzien van de uitvoering, de duur en de doelmatigheid van hun optreden;
  • c) 
    hun leden in staat stellen daadwerkelijk technische bijstand te verkrijgen om milieuvriendelijk te produceren;
  • d) 
    technische hulpmiddelen voor de opslag, de verpakking en de afzet van de produkten ter beschikking van hun leden stellen, en zorgen voor een met hun taakomschrijving corresponderend commercieel, boekhoudkundig en budgettair beheer.
  • 3. 
    De Lid-Staten kunnen ook andere telersverenigingen dan de in lid 1, onder a), bedoelde verenigingen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening bestonden en die vóór de datum van toepassing van deze verordening zijn erkend uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 1035/72, erkennen als telersverenigingen in de zin van deze verordening.

Wanneer de Lid-Staten met toepassing van de voorgaande alinea de bovengenoemde telersverenigingen erkennen, geldt het bepaalde in lid 1, met uitzondering van letter a), en, zo nodig, van letter c), punt 2, en lid 2.

Artikel 12

  • 1. 
    De Lid-Staten:
  • a) 
    nemen binnen drie maanden na indiening van een met alle nodige bewijsstukken gestaafd verzoek, een besluit inzake de erkenning;
  • b) 
    verrichten met geregelde tussenpozen controles op de inachtneming door de telersverenigingen van de erkenningsvoorwaarden, stellen de sancties vast die aan de betrokken verenigingen bij niet inachtneming worden opgelegd en besluiten zo nodig dat hun erkenning wordt ingetrokken;
  • c) 
    delen elk besluit inzake verlening, weigering of intrekking van de erkenning binnen twee maanden aan de Commissie mee.
  • 2. 
    De voorwaarden waaronder en de frequentie waarmee de Lid-Staten de Commissie verslag uitbrengen over de werking van de telersverenigingen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

De Commissie vergewist zich door controles overeenkomstig titel VI van de naleving van artikel 11 en lid 1, onder b), van het onderhavige artikel en verzoekt de Lid-Staten naar aanleiding van dergelijke controles zo nodig de verleende erkenning in te trekken.

Artikel 13

  • 1. 
    De telersverenigingen die vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening reeds zijn erkend op grond van Verordening (EEG) nr. 1035/72 en die op grond van artikel 11 van de onderhavige verordening niet zonder overgangsperiode kunnen worden erkend, komen gedurende twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening in aanmerking voor de bepalingen van titel IV indien zij blijven voldoen aan de in de relevante artikelen van Verordening (EEG) nr. 1035/72 vastgestelde eisen.
  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde periode van twee jaar wordt verlengd tot vijf jaar indien de betrokken telersvereniging:
  • a) 
    op een datum vóór het einde van het in lid 1 bedoelde tijdvak, bij de Lid-Staat die over de erkenning moet beslissen, een actieprogramma indient met het oog op erkenning overeenkomstig artikel 11, lid 2;
  • b) 
    bij de indiening van het programma aantoont dat zij een actiefonds als bedoeld in artikel 15 heeft opgericht;
  • c) 
    zich op straffe van door de Lid-Staat te bepalen sancties ertoe verbindt, het actieprogramma voor het verstrijken van de periode van vijf jaar uit te voeren.
  • 3. 
    Een telersvereniging die, om welke reden of op welk tijdstip ook, niet meer aan de in lid 2 vastgestelde eisen voldoet, verliest dit statuut onder de in artikel 12, lid 1, onder b), vastgestelde voorwaarden.

Het bepaalde in de eerste alinea geldt evenwel onverminderd de individuele rechten die de telersvereniging heeft kunnen verwerven op grond van Verordening (EEG) nr. 1035/72.

Artikel 14

  • 1. 
    Nieuwe telersverenigingen of telersverenigingen die niet vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening op grond van Verordening (EEG) nr. 1035/72 zijn erkend, kunnen gedurende een overgangsperiode van ten hoogste vijf jaar de tijd krijgen om aan de in artikel 11 vastgestelde eisen te voldoen.

Daartoe dienen zij bij de Lid-Staat een trapsgewijs programma met het oog op erkenning in, bij de goedkeuring waarvan de in de eerste alinea bedoelde periode van vijf jaar begint te lopen en de betrokken vereniging voorlopig wordt erkend.

  • 2. 
    De Lid-Staten kunnen de in lid 1 genoemde telersverenigingen gedurende een periode van vijf jaar volgende op hun voorlopige erkenning de volgende steun toekennen:
  • a) 
    aanloopsteun en steun voor administratieve werking;
  • b) 
    rechtstreeks of via kredietinstellingen verleende steun in de vorm van speciale leningen ter financiering van een gedeelte van de investeringen die met het oog op erkenning noodzakelijk zijn en uit dien hoofde in het in lid 1, tweede alinea, bedoelde programma zijn opgenomen.
  • 3. 
    De in lid 2 bedoelde steun wordt overeenkomstig artikel 52, leden 2 en 3, door de Gemeenschap vergoed.
  • 4. 
    De Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van zijn voornemen een telersvereniging voorlopig te erkennen, alsmede van de financiële consequenties daarvan.
  • 5. 
    Door bij de Lid-Staat een programma in te dienen met het oog op erkenning, aanvaardt een telersvereniging impliciet de verbintenis zich te onderwerpen aan de nationale en communautaire controles overeenkomstig titel VI, met name ten aanzien van het correcte beheer van de openbare middelen.
  • 6. 
    De Lid-Staten stellen de sancties vast voor telersverenigingen die hun verbintenissen niet nakomen.
  • 7. 
    In de uit hoofde van artikel 48 voor de tenuitvoerlegging van onderhavig artikel vastgestelde uitvoeringsbepalingen worden bepalingen opgenomen om te garanderen dat de aan de Portugese telersverenigingen uitgekeerde steun, uitgedrukt in procenten van de waarde van de door de telersvereniging in de handel gebrachte produktie, niet kleiner is dan die welke krachtens Verordening (EEG) nr. 746/93 (12) wordt toegekend.

Artikel 15

  • 1. 
    Onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden wordt communautaire financiële steun verleend aan telersverenigingen die een actiefonds vormen.

Dit actiefonds wordt van middelen voorzien door de werkelijk betaalde financiële bijdragen van hun leden, die worden berekend aan de hand van de hoeveelheden of de waarde van de daadwerkelijk op de markt afgezette groenten en fruit, en door de in de eerste alinea bedoelde financiële steun.

  • 2. 
    Het in lid 1 bedoelde actiefonds is bestemd voor:
  • a) 
    de financiering van uitgaven in verband met het uit de markt nemen van produkten onder de in lid 3 vastgestelde voorwaarden;
  • b) 
    de financiering van een operationeel programma dat overeenkomstig artikel 16, lid 1, bij de bevoegde nationale instanties voor goedkeuring moet worden ingediend.

De middelen van het actiefonds kunnen evenwel geheel of gedeeltelijk worden aangewend voor de financiering van het door de in artikel 13 bedoelde telersverenigingen ingediende actieprogramma.

  • 3. 
    Het uit de markt nemen van produkten mag alleen uit het actiefonds worden gefinancierd, indien door de bevoegde nationale instanties een operationeel programma is goedgekeurd. De financiering kan een of meer van de volgende vormen aannemen:
  • a) 
    de betaling van een ophoudcompensatie voor produkten die niet in bijlage II zijn vermeld, maar wel voldoen aan de geldende normen indien die normen overeenkomstig artikel 2 zijn vastgesteld;
  • b) 
    de uitkering van een toeslag op de communautaire ophoudvergoeding.

De Lid-Staten kunnen een maximum vaststellen voor deze compensatie of toeslag. De som van deze toeslag en de communautaire ophoudvergoeding moet echter vallen binnen de grenzen van de maximumbodemprijzen die voor het verkoopseizoen 1995/1996 gelden ingevolge artikel 16, lid 3 bis, de artikelen 16 bis en 16 ter, en artikel 18, lid 1, onder a), eerste streepje, van Verordening (EEG) nr. 1035/72.

In het eerste jaar na de datum waarop het eerste door de betrokken telersvereniging ingediende operationele programma door de bevoegde nationale instanties is goedgekeurd, mag niet meer dan 60 % van de middelen van het actiefonds worden besteed aan het uit de markt nemen van produkten, in het tweede jaar niet meer dan 55 %, in het derde jaar niet meer dan 50 %, in het vierde jaar niet meer dan 45 %, in het vijfde jaar niet meer dan 40 %, en vanaf het zesde jaar niet meer dan 30 %.

De maxima waarin artikel 23, leden 3, 4 en 5, voorziet, gelden ook voor de in de eerste alinea, onder a), van onderhavig lid bedoelde uit de markt genomen hoeveelheden.

  • 4. 
    Het in lid 2, onder b), bedoelde operationele programma moet:
  • a) 
    naast verschillende van de in artikel 11, lid 1, onder b), bedoelde doelstellingen onder meer een aantal van de volgende oogmerken hebben: verbetering van de kwaliteit van de produkten, verhoging van de handelswaarde van de produkten, verkoopbevordering van de produkten bij de consument, ontwikkeling van een biologische-produktiekolom, bevordering van geïntegreerde produktie of van andere milieuvriendelijke produktiemethoden, beperking van de uit de markt genomen hoeveelheden;
  • b) 
    maatregelen omvatten om de leden ertoe aan te zetten milieuvriendelijke technieken toe te passen, zowel bij de teelt als bij het beheer van gebruikt materiaal.

Onder milieuvriendelijke technieken worden met name de technieken verstaan waarmee de doelstellingen kunnen worden bereikt die zijn bedoeld in artikel 1, onder a), b) en c), van Verordening (EEG) nr. 2078/92 (13);

  • c) 
    een financiële planning omvatten die voorziet in de inschakeling van de personele en technische hulpmiddelen die nodig zijn voor het toezicht op de inachtneming van de normen, de fytosanitaire voorschriften en de toegestane maximumresidugehalten.
  • 5. 
    De in lid 1 bedoelde financiële steun is gelijk aan het bedrag van de werkelijk betaalde bijdragen als bedoeld in voornoemd lid, maar bedraagt maximaal 50 % van het bedrag van de reële uitgaven uit hoofde van lid 2.

Dit percentage wordt verhoogd tot 60 %, wanneer een operationeel programma of een gedeelte van een operationeel programma wordt ingediend:

  • a) 
    hetzij door telersverenigingen van de Gemeenschap die in verschillende Lid-Staten werkzaam zijn, met betrekking tot landsgrensoverschrijdende maatregelen, behalve maatregelen als bedoeld in lid 2, onder a);
  • b) 
    hetzij door een of meer telersverenigingen, met betrekking tot maatregelen die door een bedrijfskolom worden uitgevoerd.

De financiële steun mag evenwel niet meer bedragen dan 4 % van de waarde van de door elke telersvereniging in de handel gebrachte produktie, op voorwaarde dat het totale bedrag van de financiële steun minder bedraagt dan 2 % van de totale omzet van alle telersverenigingen samen. Om te garanderen dat deze regel wordt nageleefd, zal een voorschot van 2 % worden uitgekeerd en zal de rest van de steun worden uitbetaald zodra het totale bedrag van de steunaanvragen bekend is. Vanaf 1999 wordt het percentage van 4 % opgetrokken naar 4,5 %, en het percentage van de totale omzet van 2 % naar 2,5 %.

  • 6. 
    In die regio's van de Gemeenschap waar de telers bijzonder zwak georganiseerd zijn, kunnen de Lid-Staten, op grond van een naar behoren gemotiveerd verzoek, toestemming krijgen om de telersverenigingen nationale financiële steun toe te kennen voor een bedrag van ten hoogste de helft van de financiële bijdragen van de telers. Die steun komt bovenop het actiefonds.

In de Lid-Staten waar minder dan 15 % van de produktie van groenten en fruit door telersverenigingen in de handel wordt gebracht en waar de produktie van groenten en fruit minstens 15 % van de totale landbouwproduktie bedraagt, kan de in de eerste alinea bedoelde steun op verzoek van de betrokken Lid-Staat worden terugbetaald door de Gemeenschap via het Communautair Bestek.

Artikel 16

  • 1. 
    Het in artikel 15, lid 2, onder b), bedoelde operationele programma wordt ingediend bij de bevoegde nationale instanties die het met inachtneming van de bepalingen van deze verordening goedkeuren, afwijzen of voor wijziging terugzenden.

De Lid-Staten stellen nationale richtsnoeren vast voor het opstellen van de bestekken inzake de in artikel 15, lid 4, onder b), bedoelde maatregelen. Zij doen het ontwerp van die richtsnoeren toekomen aan de Commissie, die binnen drie maanden kan verzoeken wijzigingen aan te brengen indien zij van oordeel is dat de richtsnoeren ontoereikend zijn om de doelstellingen van artikel 130 R van het Verdrag en van het Beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap op het gebied van het milieu en de duurzame ontwikkeling te bereiken.

  • 2. 
    Uiterlijk voor het einde van ieder jaar delen de telersverenigingen de raming van de middelen van het actiefonds voor het volgende jaar aan de Lid-Staat mede, en doen zij deze vergezeld gaan van passende bewijzen die gebaseerd zijn op de vooruitzichten van het operationele programma, de uitgaven van het lopende jaar en eventueel van de voorgaande jaren, alsmede indien nodig op de ramingen van de produktiehoeveelheden van het volgende jaar. De Lid-Staat deelt vóór 1 januari van het volgende jaar de telersvereniging de raming mee van de binnen de in artikel 15, lid 5, aangegeven grenzen vastgestelde financiële steun.

De betalingen van de financiële steun vinden plaats naar gelang van de uitgaven voor de acties in het kader van het operationele programma. Voor diezelfde acties kunnen voorschotten worden toegekend, mits deze gedekt worden door borgen of garanties.

Aan het begin van ieder jaar en uiterlijk op 31 januari deelt de telersvereniging de Lid-Staat het definitieve bedrag van de uitgaven van het voorgaande jaar mede en doet zij dit vergezeld gaan van de nodige bewijzen teneinde de resterende overheidssteun te kunnen ontvangen.

  • 3. 
    Een door de betrokken Lid-Staat erkende groepering van telersverenigingen kan namens haar leden het in artikel 15, lid 1, bedoelde actiefonds beheren en de in artikel 15, lid 2, onder b), bedoelde operationele programma's opstellen, indienen en uitvoeren. In dat geval wordt de financiële steun aan de groepering van telersverenigingen toegekend en doet die groepering de in lid 2 bedoelde mededelingen.
  • 4. 
    Het operationele programma en de financiering ervan door enerzijds de telers en de telersverenigingen en anderzijds door communautaire middelen lopen ten minste drie en ten hoogste vijf jaar.
  • 5. 
    Door bij de Lid-Staat een operationeel programma in te dienen, aanvaardt een telersvereniging of, bij toepassing van lid 3, een groepering van telersverenigingen de verbintenis zich te onderwerpen aan de nationale en communautaire controles overeenkomstig titel VI, met name ten aanzien van het correcte beheer van de openbare middelen.

Artikel 17

Wanneer het algemene instrumentarium van de gemeenschappelijke marktordening ontoereikend of ongeschikt zou blijken voor in artikel 1, lid 2, genoemde produkten die, vanuit economisch of milieuoogpunt of plaatselijk dan wel regionaal, zeer belangrijk zijn en die langdurige moeilijkheden op de communautaire markt ondervinden, met name wegens een sterke internationale concurrentie, kunnen volgens de procedure van artikel 45 bijzondere maatregelen worden vastgesteld om het concurrentievermogen van deze produkten te verbeteren en de verkoop ervan te bevorderen.

Artikel 18

  • 1. 
    Ingeval een telersvereniging of een groepering van telersverenigingen die dezelfde regels heeft vastgesteld en in een bepaalde economische regio werkzaam is, voor een bepaald produkt representatief wordt geacht voor de produktie en voor de telers van die regio, kan de betrokken Lid-Staat, op verzoek van de betrokken vereniging of groepering, voor de in de regio gevestigde telers die niet bij die vereniging of groepering zijn aangesloten, de volgende regels verbindend verklaren:
  • a) 
    de in artikel 11, lid 1, onder c), punt 1, bedoelde regels,
  • b) 
    de door de vereniging of groepering van verenigingen vastgestelde regels inzake het uit de markt nemen van produkten,

op voorwaarde dat deze regels:

  • sedert ten minste één jaar toepasselijk zijn,
  • zijn vermeld in de in bijlage III opgenomen limitatieve lijst,
  • gedurende ten hoogste drie verkoopseizoenen verplicht moeten worden toegepast.
  • 2. 
    In dit artikel wordt onder "economische regio" verstaan, een geografische zone die bestaat uit aan elkaar grenzende of naburige produktiegebieden met homogene omstandigheden inzake produktie en verhandeling.
  • 3. 
    Een telersvereniging of groepering van telersverenigingen wordt als representatief in de zin van lid 1 beschouwd, wanneer ten minste twee derde van de telers van de economische regio waarin zij werkzaam is, bij haar is aangesloten en zij ten minste twee derde van de produktie van deze regio voor haar rekening neemt.
  • 4. 
    De regels die verbindend worden verklaard voor alle telers van een bepaalde economische regio:
  • a) 
    mogen geen schade toebrengen aan andere telers in de Lid-Staat of in de Gemeenschap;
  • b) 
    gelden, met uitzondering van de in lid 1, onder a), bedoelde regels inzake het verstrekken van teeltgegevens, niet voor produkten die in het kader van een vóór het begin van het verkoopseizoen gesloten contract voor verwerking worden geleverd, tenzij de regels speciaal daarvoor zijn vastgesteld;
  • c) 
    mogen niet strijdig zijn met de vigerende Gemeenschapswetgeving en nationale wetgeving.
  • 5. 
    De Lid-Staten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de regels die zij voor alle telers van een bepaalde economische regio verbindend hebben verklaard. Deze regels worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

De Commissie besluit dat de Lid-Staat de door hem aldus algemeen verbindend verklaarde regels moet intrekken wanneer:

  • a) 
    zij vaststelt dat daardoor de mededinging voor een wezenlijk deel van de interne markt wordt uitgesloten of het vrije handelsverkeer wordt belemmerd, dan wel de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht;
  • b) 
    zij vaststelt dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op de algemeen verbindend verklaarde overeenkomsten, besluiten of feitelijke gedragingen. De beschikking van de Commissie inzake de overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen geldt pas vanaf de datum waarop dit wordt vastgesteld;
  • c) 
    zij in het kader van een krachtens titel VI verrichte controle achteraf vaststelt dat de bepalingen van dit artikel niet zijn nageleefd.
  • 6. 
    Wanneer lid 1 wordt toegepast, kan de betrokken Lid-Staat op grond van bewijsstukken bepalen dat niet-aangesloten telers aan de vereniging of eventueel aan de groepering van verenigingen een bedrag verschuldigd zijn gelijk aan het gedeelte van de door de leden te betalen financiële bijdragen dat dient ter dekking van:
  • a) 
    de administratiekosten gemoeid met de toepassing van de in lid 1 bedoelde regeling,
  • b) 
    de kosten van acties van de vereniging of de groepering van verenigingen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, marktonderzoek en verkoopbevordering, wanneer deze acties aan de gehele produktie van de regio ten goede komen.
  • 7. 
    De Lid-Staten delen de Commissie de lijst van de in lid 2 bedoelde economische regio's mede. Binnen een maand na de datum van de mededeling keurt de Commissie de lijst goed of bepaalt zij na overleg met de betrokken Lid-Staat welke wijzigingen de Lid-Staat daarin moet aanbrengen. De goedgekeurde lijst wordt bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

TITEL III Brancheorganisaties en -overeenkomsten

Artikel 19

  • 1. 
    In deze verordening worden onder "erkende brancheorganisaties", hierna "brancheorganisaties" genoemd, verstaan rechtspersonen die:
  • a) 
    bestaan uit vertegenwoordigers van de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de produktie en/of de verhandeling en/of de verwerking van de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten;
  • b) 
    zijn opgericht op initiatief van alle of een deel van de aangesloten verenigingen of groeperingen;
  • c) 
    in een of meer regio's van de Gemeenschap een aantal van de hieronder vermelde werkzaamheden uitoefenen, daarbij rekening houdend met de belangen van de consument:
  • verbeteren van de kennis inzake en de doorzichtigheid van de produktie en de markt;
  • bijdragen tot een betere coördinatie van de afzet van groenten en fruit, onder meer door middel van marktonderzoeken of -studies;
  • opstellen van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving;
  • verhogen van de handelswaarde van groenten en fruit;
  • verzamelen van gegevens en verrichten van onderzoek voor de afstemming van de produktie op de eisen van de markt en op de smaak en de wensen van de consument, met name wat de kwaliteit van de produkten en de bescherming van het milieu betreft;
  • zoeken van methoden die minder gewasbeschermingsmiddelen en andere produktiemiddelen vergen en die de kwaliteit van de produkten en het behoud van bodem en water garanderen;
  • ontwikkelen van methoden en instrumenten om de kwaliteit van de produkten te verbeteren;
  • ontwikkelen en beschermen van de biologische landbouw, oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen;
  • bevorderen van geïntegreerde produktie of van andere milieuvriendelijke produktiemethoden;
  • vaststellen, met betrekking tot de in bijlage III genoemde produktie- en afzetregels, van strengere voorschriften dan de communautaire of nationale regelingen;
  • d) 
    onder de in lid 2 bedoelde voorwaarden zijn erkend.
  • 2. 
    Indien de structuren van de Lid-Staat zulks rechtvaardigen, kunnen de Lid-Staten de op hun grondgebied gevestigde organisaties die daarom verzoeken als brancheorganisatie in de zin van deze verordening erkennen, op voorwaarde dat deze:
  • a) 
    hun werkzaamheden uitoefenen in een of meer regio's van de betrokken Lid-Staat;
  • b) 
    in de betrokken regio of regio's een belangrijk gedeelte van de produktie en/of de verhandeling en/of de verwerking van groenten en fruit en verwerkte produkten op basis van groenten en fruit vertegenwoordigen, en zij, indien zij hun werkzaamheden in meer dan één regio uitoefenen, het bewijs leveren van een minimumrepresentativiteit voor elke branchegroep in elke betrokken regio;
  • c) 
    meer dan één van de in lid 1, onder c), genoemde werkzaamheden uitoefenen;
  • d) 
    zelf geen groenten en fruit of verwerkte produkten op basis van groenten en fruit produceren, noch verwerken, noch afzetten;
  • e) 
    niet de in artikel 20 bedoelde activiteiten uitoefenen.
  • 3. 
    Alvorens een brancheorganisatie te erkennen, delen de Lid-Staten de Commissie mede welke organisaties een verzoek om erkenning hebben ingediend en verstrekken zij alle dienstige inlichtingen betreffende de representativiteit en de werkzaamheden van deze organisaties, alsmede alle andere nodige beoordelingsfactoren.

De Commissie kan binnen twee maanden na deze kennisgeving bezwaar maken tegen de erkenning.

  • 4. 
    De Lid-Staten:
  • a) 
    nemen binnen drie maanden na indiening van een met alle nodige bewijsstukken gestaafd verzoek een besluit inzake de erkenning;
  • b) 
    verrichten met geregelde tussenpozen controles op de inachtneming door de brancheorganisaties van de erkenningsvoorwaarden, stellen de sancties vast die aan de betrokken verenigingen bij niet inachtneming worden opgelegd en besluiten zo nodig dat hun erkenning wordt ingetrokken;
  • c) 
    trekken de erkenning in, indien:
  • i) 
    niet meer wordt voldaan aan de in deze verordening bepaalde voorwaarden voor erkenning;
  • ii) 
    de brancheorganisatie een der in artikel 20, lid 3, genoemde verbodsbepalingen overtreedt, onverminderd de strafvervolging uit hoofde van de nationale wetgeving;
  • iii) 
    de brancheorganisatie niet voldoet aan de in artikel 20, lid 2, genoemde verplichting tot kennisgeving;
  • d) 
    stellen de Commissie binnen twee maanden in kennis van elk besluit tot toekenning, afwijzing of intrekking van de erkenning.
  • 5. 
    Volgens de procedure van artikel 45 wordt bepaald hoe en hoe vaak de Lid-Staten bij de Commissie verslag moeten uitbrengen over de werkzaamheden van de brancheorganisaties.

De Commissie ziet er door middel van overeenkomstig titel VI te verrichten controles op toe, dat het bepaalde in lid 2 en lid 4, onder b), in acht wordt genomen, en kan de Lid-Staten naar aanleiding van die controles verzoeken, erkenningen in te trekken.

  • 6. 
    De erkenning houdt de machtiging in om overeenkomstig deze verordening de in lid 1, onder c), omschreven werkzaamheden uit te oefenen.
  • 7. 
    De Commissie draagt er zorg voor dat de erkende brancheorganisaties, met vermelding van de economische regio of van het gebied waar zij werkzaam zijn, alsook van de in de zin van artikel 21 verrichte activiteiten, worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Intrekking van een erkenning wordt eveneens bekendgemaakt.

Artikel 20

  • 1. 
    In afwijking van artikel 1 van Verordening nr. 26 (14) is artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die door erkende brancheorganisaties worden toegepast ter uitvoering van de in artikel 19, lid 1, onder c), vermelde activiteiten.
  • 2. 
    Lid 1 is alleen van toepassing op voorwaarde dat:
  • de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen ter kennis van de Commissie zijn gebracht en
  • de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van alle gegevens die nodig zijn voor de beoordeling, niet heeft verklaard dat deze overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen strijdig zijn met de communautaire wetgeving.

Bovengenoemde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen pas na het verstrijken van die termijn ten uitvoer worden gelegd.

  • 3. 
    Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden in ieder geval strijdig met de communautaire wetgeving verklaard, indien zij:
  • kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Gemeenschap, ongeacht in welke vorm,
  • de gemeenschappelijke marktordening kunnen doorkruisen,
  • concurrentiedistorsies kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor het bereiken van de met de sectorale actie nagestreefde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;
  • de vaststelling van prijzen omvatten, onverminderd maatregelen die de brancheorganisaties treffen ter uitvoering van specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving;
  • discriminaties kunnen doen ontstaan of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken produkten kunnen beknotten.
  • 4. 
    Indien de Commissie na het verstrijken van de in lid 2, tweede streepje, bedoelde termijn van twee maanden constateert dat de voorwaarden met betrekking tot de toepassing van deze verordening niet zijn vervuld, neemt zij een besluit waarin wordt verklaard dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op de betrokken overeenkomst, besluit of onderling afgestemde feitelijke gedraging.

Dit besluit van de Commissie mag niet in werking treden vóór de dag van kennisgeving ervan aan de betrokken brancheorganisatie, tenzij deze laatste onjuiste gegevens heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van de in lid 1 bedoelde vrijstelling.

  • 5. 
    In het geval van meerjarenovereenkomsten geldt de aan het eerste jaar voorafgaande kennisgeving ook voor de volgende jaren van de looptijd van de overeenkomst; in een dergelijk geval kan de Commissie evenwel op eigen initiatief of op verzoek van een andere Lid-Staat, te allen tijde onder de in lid 4 bedoelde voorwaarden verklaren dat er sprake is van strijdigheid.

Artikel 21

  • 1. 
    Indien een in een of meer regio's van een Lid-Staat werkzame brancheorganisatie voor een bepaald produkt representatief wordt geacht voor de produktie en/of de verhandeling en/of de verwerking van dat produkt, kan de betrokken Lid-Staat op verzoek van de betrokken organisatie bepaalde in het kader van deze organisatie genomen besluiten, gesloten overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen voor een beperkte periode verbindend verklaren voor de individuele marktdeelnemers of samenwerkingsverbanden die in de betrokken regio of regio's werkzaam zijn en die niet bij deze organisatie zijn aangesloten.
  • 2. 
    Een brancheorganisatie wordt als representatief in de zin van lid 1 beschouwd, wanneer zij ten minste twee derde van de produktie en/of de verhandeling en/of de verwerking van het betrokken produkt of de betrokken produkten in de betrokken regio of regio's van een Lid-Staat vertegenwoordigt. Ingeval om derdenbinding voor verscheidene regio's wordt verzocht, moet de brancheorganisatie het bewijs leveren van een bepaalde minimumrepresentativiteit voor elke branchegroep in elke betrokken regio.
  • 3. 
    De regels waarvoor om derdenbinding wordt verzocht:
  • a) 
    mogen alleen de onderstaande onderwerpen betreffen:
  • kennis van produktie en markt,
  • produktieregels die strenger zijn dan de eventueel in de communautaire of nationale wetgeving vastgestelde voorschriften,
  • opstelling van met de communautaire wetgeving verenigbare standaardcontracten,
  • regels inzake de verhandeling,
  • regels inzake milieubescherming,
  • maatregelen om de verkoop te bevorderen en de handelswaarde te verhogen,
  • maatregelen ter bescherming van de biologische landbouw, oorsprongsbenamingen, kwaliteitslabels en geografische aanduidingen.

De in het tweede, het vierde en het vijfde streepje bedoelde maatregelen mogen geen andere maatregelen zijn dan die welke zijn vermeld in bijlage III;

  • b) 
    moeten reeds ten minste één jaar van toepassing zijn;
  • c) 
    mogen voor ten hoogste drie verkoopseizoenen verplicht worden gesteld;
  • d) 
    mogen geen schade toebrengen aan andere telers in de Lid-Staat of in de Gemeenschap.

Artikel 22

  • 1. 
    De Lid-Staten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de regels die zij voor alle marktdeelnemers van een of meer regio's verbindend hebben verklaard. Deze regels worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Vóór bovengenoemde bekendmaking brengt de Commissie het Comité van artikel 45 op de hoogte van elke kennisgeving van derdenbinding van brancheovereenkomsten.

De Commissie beslist dat de Lid-Staat de derdenbinding waartoe hij heeft besloten, moet intrekken in de in artikel 18, lid 5, tweede alinea, bedoelde gevallen.

  • 2. 
    In geval van derdenbinding voor een of meer produkten, en wanneer een of meer van de in artikel 20, lid 3, onder a), bedoelde activiteiten van een erkende brancheorganisatie van algemeen economisch belang zijn voor de ondernemers wier activiteiten met dit produkt of de betrokken produkten verband houden, kan de Lid-Staat die de erkenning heeft verleend bepalen dat ook de niet bij de brancheorganisatie aangesloten individuele marktdeelnemers of verenigingen die voordeel hebben bij deze activiteiten, de volle financiële bijdrage die de leden betalen of een gedeelte daarvan aan de brancheorganisatie moeten betalen, voor zover die financiële bijdragen bestemd zijn voor de kosten die rechtstreeks uit de betrokken activiteiten voortvloeien.

TITEL IV Interventieregeling

Artikel 23

  • 1. 
    Telersverenigingen of groeperingen van telersverenigingen kunnen voor in artikel 1 vermelde produkten die zij bepalen, besluiten de door hun leden aangevoerde produkten in door hen passend geachte hoeveelheden en perioden niet te koop aan te bieden.
  • 2. 
    Ingevolge lid 1 uit de markt genomen produkten krijgen een door de telersverenigingen of groeperingen van telersverenigingen te bepalen bestemming die de normale afzet van de betrokken produktie niet in de weg staat en het milieu, en met name de water- en landschapskwaliteit, eerbiedigt.
  • 3. 
    In geval van toepassing van lid 1 betalen de telersverenigingen of de groeperingen daarvan aan hun leden voor alle in bijlage II genoemde produkten die aan de normen voldoen, en voor ten hoogste 10 % van de in de handel gebrachte hoeveelheid, de ingevolge artikel 26 vast te stellen communautaire ophoudvergoeding.

Het in de eerste alinea vastgestelde maximum van 10 % van de in de handel gebrachte hoeveelheid van elk produkt geldt alleen voor de leden van de betrokken telersvereniging of, bij toepassing van artikel 11, lid 1, onder b), een andere telersvereniging, exclusief de op grond van artikel 24 uit de markt genomen hoeveelheden.

  • 4. 
    Het in lid 3 op 10 % vastgestelde maximum geldt vanaf het zesde verkoopseizoen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening. In de vijf verkoopseizoenen van de overgangsperiode mag niet meer uit de markt worden genomen dan de volgende percentages van de in de handel gebrachte produktie als bepaald volgens de procedure van artikel 46: respectievelijk 50 % in het eerste verkoopseizoen, 45 % in het tweede verkoopseizoen, 40 % in het derde verkoopseizoen, 30 % in het vierde verkoopseizoen en 20 % in het vijfde verkoopseizoen.

Voor citrusvruchten zijn deze percentages evenwel voor het eerste verkoopseizoen 35 %, voor het tweede 30 %, voor het derde 25 %, voor het vierde 20 % en voor het vijfde 15 %.

Het bepaalde in lid 3, tweede alinea, is op dit lid van toepassing.

  • 5. 
    Het in de leden 3 en 4 genoemde percentage van 10 % is een gemiddelde over een periode van drie jaar; dit percentage mag voor een bepaald jaar niet met meer dan 3 % stijgen.
  • 6. 
    Voor appelen en peren wordt het in de leden 3, 4 en 5 en in artikel 24 bedoelde maximum van 10 % vervangen door 8,5 %.

Voor meloenen en watermeloenen geldt het maximum van 10 % vanaf het verkoopseizoen 1997/1998.

Artikel 24

Voor produkten van bijlage II passen de telersverenigingen het bepaalde in artikel 23 op verzoek van de betrokkenen ook toe voor telers die niet bij een van de in deze verordening bedoelde samenwerkingsverbanden zijn aangesloten. De communautaire ophoudvergoeding wordt dan evenwel verminderd met 10 %. Bovendien wordt bij de bepaling van het te storten bedrag ook rekening gehouden met de aangetoonde totale kosten die voor het uit de markt nemen van produkten door de leden worden gedragen. Bovenbedoelde ophoudvergoeding wordt betaald voor ten hoogste 10 % van de in de handel gebrachte produktie van de teler.

Artikel 25

De telersverenigingen of de groeperingen daarvan delen alle gegevens over de tenuitvoerlegging van de artikelen 23 en 24, met name de maatregelen inzake het op milieuvriendelijke wijze uit de markt nemen van produkten, mede aan de bevoegde nationale autoriteiten, die de gegevens doorgeven aan de Commissie.

Zo nodig wordt volgens de procedure van artikel 46 bepaald welke gegevens moeten worden medegedeeld.

De Lid-Staten stellen nationale richtsnoeren vast voor het opstellen van de bestekken inzake de methoden voor het op milieuvriendelijke wijze uit de markt nemen van produkten. Zij doen het ontwerp van die richtsnoeren toekomen aan de Commissie, die binnen drie maanden om wijzigingen kan verzoeken indien zij van oordeel is dat de richtsnoeren ontoereikend zijn om de doelstellingen van artikel 130 R van het Verdrag en van het Beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap op het gebied van het milieu en duurzame ontwikkeling te bereiken.

Artikel 26

  • 1. 
    De communautaire ophoudvergoedingen voor de verschillende betrokken produkten staan in bijlage V.
  • 2. 
    De communautaire ophoudvergoeding is één enkel bedrag dat voor de gehele Gemeenschap geldt.

Artikel 27

  • 1. 
    Wanneer het evenwicht op de markt voor een in bijlage II genoemd produkt een zodanige algemene en structurele verstoring ondergaat of dreigt te ondergaan dat een te grote hoeveelheid uit de markt moet worden genomen, als bedoeld in artikel 23, wordt volgens de procedure van artikel 46 vóór het begin van het verkoopseizoen voor het betrokken produkt een interventiedrempel vastgesteld bij overschrijding waarvan - in een mate die wordt bepaald naar gelang van het produkt en op basis van de interventie in een verkoopseizoen of een daarmee vergelijkbare periode, of op basis van het gemiddelde van de interventies over verschillende verkoopseizoenen - de telers in financieel opzicht verantwoordelijk zijn.

Overschrijding van de interventiedrempel heeft verlaging van de voor het volgende seizoen geldende communautaire ophoudvergoeding tot gevolg. Met deze verlaging wordt geen rekening gehouden in de daarnavolgende verkoopseizoenen.

  • 2. 
    Volgens de procedure van artikel 46 worden vastgesteld:
  • a) 
    de consequenties van de overschrijding van de drempels voor elk van de betrokken produkten;
  • b) 
    zo nodig, de verlaagde communautaire ophoudvergoeding en de uitvoeringsmaatregelen van dit artikel.
  • 3. 
    Dit artikel is slechts van toepassing voor de eerste vijf verkoopseizoenen na de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 28

  • 1. 
    Gedurende de betrokken verkoopseizoenen delen de Lid-Staten de Commissie voor elke marktdag de prijzen mede die op hun representatieve producentenmarkten zijn genoteerd voor een aantal produkten met duidelijk omschreven handelskenmerken zoals variëteit of type, klasse, groottesortering en verpakking.
  • 2. 
    De lijst van deze markten en produkten en de frequentie van deze mededeling worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

Als representatief in de zin van lid 1 worden beschouwd de markten van de Lid-Staten waarop, gedurende het gehele verkoopseizoen of een van de perioden waarin het verkoopseizoen is verdeeld, voor een bepaald produkt een aanzienlijk gedeelte van de nationale produktie wordt verhandeld.

Artikel 29

  • 1. 
    De Lid-Staten betalen de in artikel 26 vastgestelde communautaire ophoudvergoeding aan telersverenigingen of groeperingen daarvan die produkten uit de markt hebben genomen overeenkomstig de artikelen 23 en 24 en die deze vergoeding aan hun leden of aan niet-aangesloten telers verschuldigd zijn.

Volgens de procedure van artikel 46 wordt bepaald hoe en wanneer de bedoelde bedragen worden betaald.

  • 2. 
    De communautaire ophoudvergoeding wordt betaald onverminderd de eventuele financiële consequenties van overschrijding van de interventiedrempel.

De vergoeding wordt bovendien gekort met de netto-opbrengst van de uit de markt genomen produkten voor de telersverenigingen of groeperingen daarvan.

  • 3. 
    Voor produkten waaraan de telersverenigingen of de groeperingen daarvan geen van de in artikel 30, lid 1, bedoelde bestemmingen kunnen geven, wordt de communautaire ophoudvergoeding alleen uitgekeerd indien de produkten een bestemming krijgen conform de voorschriften van de Lid-Staat op grond van de overige bepalingen van artikel 30.

Artikel 30

  • 1. 
    Produkten die op grond van artikel 23, lid 1, uit de markt zijn genomen en geen koper hebben gevonden, worden als volgt afgezet:
  • a) 
    voor alle produkten:
  • gratis uitreiking aan daartoe door de Lid-Staat erkende liefdadigheidsinstellingen of -organisaties voor hun acties ten behoeve van personen die op grond van de nationale wetgeving recht hebben op bijstand van de overheid, met name omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien,
  • gratis uitreiking aan door de Lid-Staat aan te wijzen strafinrichtingen, vakantiekolonies, ziekenhuizen en bejaardentehuizen, waarbij de Lid-Staat de nodige maatregelen neemt opdat de in dit kader uitgereikte hoeveelheden bovenop de door deze instellingen normaal gekochte hoeveelheden komen,
  • gratis uitreiking via door de Lid-Staten daartoe erkende liefdadigheidsorganisaties aan behoeftigen in derde landen,

en subsidiair:

  • gebruik voor andere dan voedingsdoeleinden,
  • gebruik voor vervoedering als vers produkt of na verwerking door de veevoederindustrie;
  • b) 
    voor fruit: gratis uitkering aan de kinderen op school, buiten de in de schoolkantines verstrekte maaltijden, alsook aan leerlingen van scholen die niet beschikken over een kantine waar maaltijden worden aangeboden;
  • c) 
    voor appelen, peren, perziken, nectarines en bloedperziken: verwerking tot alcohol met een gehalte van meer dan 80 % vol door rechtstreekse distillatie van het produkt;
  • d) 
    voor alle produkten: levering van bepaalde categorieën aan de verwerkende industrie, mits dit binnen de Gemeenschap voor de betrokken bedrijfstakken of voor de ingevoerde produkten niet tot verstoring van de mededinging leidt. Over toepassing van deze bepaling wordt besloten volgens de procedure van artikel 46.
  • 2. 
    Indien geen der in lid 1 genoemde bestemmingen mogelijk is, mogen de uit de markt genomen produkten worden bestemd voor verwerking tot compost of voor door de betrokken Lid-Staat toegestane biologische afbraakprocessen.
  • 3. 
    De gratis uitreiking van produkten, als bedoeld in lid 1, onder a), eerste, tweede en derde streepje, en onder b) wordt georganiseerd door de betrokken telersverenigingen, onder toezicht van de Lid-Staten.

Wat betreft de gratis uitreiking van fruit aan schoolkinderen kan de Commissie in het kader van onderzoek- en verkoopsbevorderingsactiviteiten op eigen initiatief en verantwoordelijkheid lokale proefprojecten organiseren.

  • 4. 
    De Lid-Staten dragen bij tot de totstandkoming van de contacten tussen de telersverenigingen en de liefdadigheidsinstellingen of -organisties die de op hun grondgebied uit de markt genomen produkten kunnen gebruiken voor de gratis uitreiking als bedoeld in lid 1, onder a) en b).
  • 5. 
    De levering van produkten aan de veevoederindustrie wordt door de door de betrokken Lid-Staat aan te wijzen instantie volgens de meest geëigende procedure georganiseerd.

De in lid 1, onder c), bedoelde distillatie wordt uitgevoerd door distilleerderijen, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor rekening van de door de betrokken Lid-Staat aan te wijzen instantie. In beide gevallen wordt de betrokken operatie door genoemde instantie uitgevoerd volgens de meest geëigende procedure.

  • 6. 
    De Gemeenschap neemt, onder volgens de procedure van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 729/70 (15) vast te stellen voorwaarden, de vervoerkosten in verband met de gratis uitreiking van produkten op grond van lid 1, onder a), voor haar rekening, en voorts de sorterings- en verpakkingskosten voor gratis uit te reiken appelen en citrusvruchten wanneer deze uitreiking wordt gespreid overeenkomstig contractuele afspraken tussen telersverenigingen en instellingen of liefdadigheidsorganisaties als bedoeld in lid 3.
  • 7. 
    De bepalingen ter uitvoering van dit artikel, inzonderheid de bepalingen betreffende de gratis verspreiding of uitreiking van uit de markt genomen produkten, alsmede de bepalingen waardoor wordt vermeden dat de distillatie van uit de markt genomen produkten leidt tot verstoringen op de alcoholmarkt, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

TITEL V Regeling voor het handelsverkeer met derde landen

Artikel 31

  • 1. 
    Voor alle invoer in, of uitvoer uit, de Gemeenschap van de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten kan een in- of uitvoercertificaat verplicht worden gesteld.

Het certificaat wordt, onverminderd de bepalingen voor de toepassing van de artikelen 36 en 37, door de Lid-Staten afgegeven aan elke belanghebbende die daarom verzoekt, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap.

Het in- of uitvoercertificaat is geldig in de gehele Gemeenschap. De afgifte van deze certificaten kan afhankelijk worden gemaakt van het stellen van een zekerheid als garantie dat aan de verplichting tot in- of uitvoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zal worden voldaan; behoudens in geval van overmacht wordt deze zekerheid geheel of gedeeltelijk verbeurd wanneer de transactie niet of slechts ten dele binnen deze termijn wordt uitgevoerd.

  • 2. 
    De geldigheidsduur van de in- en uitvoercertificaten en de overige bepalingen voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

Artikel 32

  • 1. 
    Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening gelden voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.
  • 2. 
    Indien de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief afhankelijk is van de invoerprijs van de ingevoerde partij, wordt deze prijs gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer, die door de Commissie naar oorsprong en naar produkt wordt berekend op basis van het gewogen gemiddelde van de noteringen van de betrokken produkten op de representatieve invoermarkten van de Lid-Staten of, in voorkomend geval, op andere markten.

En kunnen evenwel volgens de procedure van artikel 46 specifieke bepalingen worden vastgesteld voor de controle van de invoerprijs van hoofdzakelijk voor verwerking bestemde produkten.

  • 3. 
    Indien de opgegeven invoerprijs voor de betrokken partij hoger is dan de forfaitaire waarde bij invoer, verhoogd met een marge die overeenkomstig lid 5 is vastgesteld en die niet meer dan 10 % hoger mag zijn dan de forfaitaire waarde, moet een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan de invoerrechten en die wordt vastgesteld op basis van de forfaitaire waarde bij invoer.
  • 4. 
    Indien de invoerprijs voor de betrokken partij niet wordt opgegeven op het moment van de inklaring, hangt de toepassing van de rechten van het douanetarief af van de forfaitaire waarde bij invoer of van de toepassing, onder overeenkomstig lid 5 vast te stellen voorwaarden, van de desbetreffende bepalingen van de douanewetgeving.
  • 5. 
    De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

Artikel 33

  • 1. 
    Om de nadelen die voor de markt van de Gemeenschap verbonden kunnen zijn aan de invoer van bepaalde in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten, te voorkomen of te beperken, wordt bij de invoer van een of meer van deze produkten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde recht een aanvullend invoerrecht toegepast, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw (16) die is gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde, tenzij de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.
  • 2. 
    De prijzen beneden welke een aanvullend invoerrecht kan worden toegepast, zijn die welke door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie worden doorgegeven.

De hoeveelheden die moeten zijn overschreden voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden met name vastgesteld op basis van de invoer in de Gemeenschap tijdens de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde nadelen zich voordoen of zich dreigen voor te doen.

  • 3. 
    De invoerprijzen die in aanmerking dienen te worden genomen voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.

De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken produkt op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor het produkt.

  • 4. 
    De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46. Deze bepalingen hebben met name betrekking op:
  • a) 
    de vaststelling van de produkten waarop aanvullende invoerrechten worden toegepast overeenkomstig artikel 5 van de in lid 1 van onderhavig artikel bedoelde Overeenkomst inzake de landbouw,
  • b) 
    de overige criteria die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat lid 1 wordt toegepast overeenkomstig artikel 5 van genoemde Overeenkomst.

Artikel 34

  • 1. 
    De tariefcontingenten voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten, die voortvloeien uit de overeenkomsten die in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde zijn gesloten, worden geopend en beheerd volgens bepalingen die worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.
  • 2. 
    De contingenten kunnen worden beheerd volgens een van de onderstaande methoden, dan wel door middel van een combinatie van deze methoden:
  • a) 
    op basis van de chronologische volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend (het beginsel "wie het eerst komt, het eerst maalt"),
  • b) 
    evenredige verdeling op basis van de bij de indiening van de aanvragen gevraagde hoeveelheden (de zogenoemde methode van gelijktijdig onderzoek),
  • c) 
    een methode waarbij rekening wordt gehouden met de traditionele handelsstromen (de zogenoemde methode van de "traditionele" en de "nieuwe" marktdeelnemers).

Er kunnen nog andere passende methoden worden vastgesteld. Deze methoden moeten elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers voorkomen.

  • 3. 
    Bij de vaststelling van de beheersmethode wordt, indien zulks passend is, rekening gehouden met de voorzieningsbehoeften van de markt van de Gemeenschap en met de noodzaak het evenwicht op deze markt te vrijwaren, waarbij ook mag worden uitgegaan van de methoden die in het verleden eventueel zijn gehanteerd voor de contingenten die overeenkomen met de in lid 1 bedoelde contingenten, onverminderd de rechten die voortvloeien uit de in het kader van de handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde gesloten overeenkomsten.
  • 4. 
    De in lid 1 bedoelde bepalingen voorzien in de opening van de, waar nodig op passende wijze gespreide, contingenten op jaarbasis en in de vaststelling van de toe te passen beheersmethode, en bevatten eventueel:
  • a) 
    bepalingen die de aard, de herkomst en de oorsprong van het produkt waarborgen,
  • b) 
    bepalingen betreffende de erkenning van het document aan de hand waarvan de onder a) bedoelde waarborgen kunnen worden gecontroleerd, en
  • c) 
    de voorwaarden voor de afgifte en de geldigheidsduur van de invoercertificaten.

Artikel 35

  • 1. 
    Voor zover nodig om een in economisch opzicht belangrijke uitvoer van de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten op basis van de prijzen van die produkten in de internationale handel mogelijk te maken en binnen de grenzen die voortvloeien uit de overeenkomsten die zijn gesloten in overeenstemming met artikel 228 van het Verdrag, kan het verschil tussen deze prijzen en de prijzen in de Gemeenschap worden overbrugd door een restitutie bij de uitvoer.
  • 2. 
    Voor de toewijzing van de hoeveelheden die met restitutie kunnen worden uitgevoerd, wordt de methode vastgesteld:
  • a) 
    die het best overeenstemt met de aard van het produkt en met de betrokken marktsituatie, zodat de beschikbare middelen zo doeltreffend mogelijk gebruikt kunnen worden, rekening houdend met de doeltreffendheid en de structuur van de uitvoer van de Gemeenschap, doch zonder dat dit leidt tot discriminatie tussen grote en kleine marktdeelnemers,
  • b) 
    die, gezien de beheerseisen, administratief het minst belastend is voor de marktdeelnemers,
  • c) 
    waarmee elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers wordt voorkomen.
  • 3. 
    De restitutie is voor de gehele Gemeenschap gelijk.

Indien dit in verband met de situatie in de internationale handel of de specifieke vereisten van bepaalde markten noodzakelijk is, kan de restitutie voor een bepaald produkt worden gedifferentieerd naar gelang van de bestemming van dat produkt.

De restituties worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46. Zij worden periodiek vastgesteld.

De periodiek vastgestelde restituties kunnen, zo nodig, door de Commissie eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat tussentijds worden gewijzigd.

  • 4. 
    Bij de vaststelling van de restituties worden de volgende factoren in aanmerking genomen:
  • a) 
    de situatie en de verwachte ontwikkeling met betrekking tot:
  • de prijzen van groenten en fruit op de markt van de Gemeenschap en de beschikbare hoeveelheden;
  • de prijzen in de internationale handel;
  • b) 
    de laagste afzetkosten en laagste vervoerkosten vanaf de markten van de Gemeenschap tot de havens of andere plaatsen van uitvoer in de Gemeenschap, alsmede de kosten van aanvoer tot de landen van bestemming;
  • c) 
    het economische aspect van de beoogde uitvoer;
  • d) 
    de grenzen die voortvloeien uit de overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.
  • 5. 
    Bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde marktprijzen van de Gemeenschap wordt rekening gehouden met de prijzen die met het oog op de uitvoer het gunstigst blijken te zijn.

De in lid 1 bedoelde prijzen die gelden in de internationale handel worden bepaald op basis van met name:

  • a) 
    de op de markten van derde landen vastgestelde noteringen;
  • b) 
    de gunstigste prijzen die bij invoer van produkten van oorsprong uit derde landen in de derde landen van bestemming worden gehanteerd;
  • c) 
    de in de uitvoerende derde landen vastgestelde producentenprijzen;
  • d) 
    de aanbiedingsprijzen aan de grens van de Gemeenschap.
  • 6. 
    De restitutie wordt uitsluitend toegekend op aanvraag, na overlegging van het desbetreffende uitvoercertificaat.
  • 7. 
    De restitutie bij uitvoer van de produkten is het bedrag dat geldt op de dag van de aanvraag van het certificaat en, wat de gedifferentieerde restitutie betreft, de restitutie die op diezelfde dag geldt:
  • a) 
    voor de op het certificaat aangegeven bestemming of
  • b) 
    voor de werkelijke bestemming, indien deze verschilt van de op het certificaat aangegeven bestemming. In dat geval mag het toe te passen bedrag niet hoger zijn dan het bedrag dat geldt voor de op het certificaat vermelde bestemming.

Er kunnen passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de flexibiliteit waarin dit lid voorziet.

  • 8. 
    Voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten waarvoor in het kader van voedselhulpacties restituties worden toegekend, kan volgens de procedure van artikel 46 van de bepalingen van de leden 6 en 7 worden afgeweken.
  • 9. 
    De restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs wordt geleverd dat de produkten:
  • uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd;
  • van oorsprong uit de Gemeenschap zijn en,
  • in het geval van een gedifferentieerde restitutie de op het certificaat vermelde bestemming hebben bereikt of een andere bestemming waarvoor een restitutie is vastgesteld, onverminderd het bepaalde in lid 7, onder b). Van deze regel kan echter worden afgeweken volgens de procedure van artikel 46, behoudens nader te bepalen voorwaarden die gelijke waarborgen bieden.
  • 10. 
    De inachtneming van de volumelimieten die voortvloeien uit de overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag gesloten overeenkomsten wordt gewaarborgd op basis van de uitvoercertificaten die voor de betrokken produkten worden afgegeven voor de daarin vermelde referentieperiodes.

Wat betreft de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in het kader van de handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde gesloten overeenkomsten, laat het aflopen van een referentieperiode de geldigheid van de uitvoercertificaten onverlet.

  • 11. 
    De uitvoeringsbepalingen van dit artikel, met inbegrip van de bepalingen betreffende de herverdeling van de niet-toegewezen of niet-benutte voor uitvoer in aanmerking komende hoeveelheden, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46.

Artikel 36

  • 1. 
    Behoudens andersluidende bepalingen die in deze verordening of ter uitvoering van een van de bepalingen daarvan worden vastgesteld, zijn bij invoer uit derde landen van de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten verboden:
  • de toepassing van enige heffing van gelijke werking als een douanerecht en
  • de toepassing van enige kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking.
  • 2. 
    De algemene bepalingen voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de bijzondere regels voor de toepassing ervan gelden voor de indeling van de onder deze verordening vallende produkten; de tariefnomenclatuur die voortvloeit uit deze verordening, wordt overgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief.

Artikel 37

  • 1. 
    In het handelsverkeer met derde landen kunnen passende maatregelen worden toegepast, wanneer in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten als gevolg van invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan die de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen brengen.

Deze maatregelen kunnen slechts worden toegepast, totdat de verstoring opgeheven of het gevaar daarvoor geweken is, respectievelijk de uit de markt genomen of aangekochte hoeveelheden aanzienlijk zijn afgenomen.

De Raad stelt op voorstel van de Commissie volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag de algemene bepalingen ter uitvoering van dit lid vast en bepaalt in welke gevallen en binnen welke grenzen de Lid-Staten conservatoire maatregelen kunnen treffen.

  • 2. 
    Wanneer de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, beslist de Commissie eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat over de noodzakelijke maatregelen, die aan de Lid-Staten worden meegedeeld en die onmiddellijk van toepassing zijn. Als bij de Commissie een dergelijk verzoek van een Lid-Staat wordt ingediend, beslist zij hierover binnen drie werkdagen na ontvangst van het verzoek.
  • 3. 
    Iedere Lid-Staat kan de maatregel van de Commissie binnen drie werkdagen na de dag van de mededeling daarvan aan de Raad voorleggen. De Raad komt onverwijld bijeen. Hij kan de maatregel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen, bevestigen of nietig verklaren.
  • 4. 
    De bepalingen van dit artikel worden toegepast met inachtneming van de verplichtingen op grond van de internationale overeenkomsten die zijn gesloten in overeenstemming met artikel 228, lid 2, van het Verdrag.

TITEL VI Communautaire en nationale controles

Artikel 38

  • 1. 
    De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de communautaire marktregeling in de sector groenten en fruit, met name die op de in bijlage IV genoemde gebieden, wordt nageleefd.
  • 2. 
    Wanneer steekproefcontroles aangewezen zijn, zorgen de Lid-Staten er door middel van een risico-analyse voor, dat de controles door hun aard en frequentie aangepast zijn aan de te controleren maatregel, representatief zijn voor hun gehele grondgebied en in verhouding staan tot de omvang van de verkochte of met het oog op verkoop opgeslagen produkten van de sector groenten en fruit.

De begunstigden van de overheidsgelden moeten systematisch worden gecontroleerd, ongeacht de uitvoering van dergelijke controles op andere gebieden.

  • 3. 
    De Commissie en de Lid-Staten zien erop toe dat de bevoegde instanties beschikken over een toereikend aantal vakbekwame en ervaren functionarissen voor een efficiënte controle, vooral op de in bijlage IV genoemde gebieden.

Artikel 39

  • 1. 
    Onverminderd de door de nationale autoriteiten krachtens artikel 38 uitgevoerde controles, kan de Commissie, in samenwerking met de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat, controles ter plaatse verrichten of een Lid-Staat verzoeken dergelijke controles te verrichten, teneinde de eenvormige toepassing van de communautaire marktregeling in de sector groenten en fruit te verzekeren, met name op de in bijlage IV genoemde gebieden.
  • 2. 
    De Commissie deelt de Lid-Staat vooraf schriftelijk het voorwerp, het doel en de plaats van de voorgenomen controles mee, alsmede de datum waarop zij beginnen en de identiteit en hoedanigheid van haar controleurs.

Artikel 40

  • 1. 
    Voor de tenuitvoerlegging van artikel 39 wordt een korps van specifieke controleurs voor de groenten- en fruitmarkt opgericht, bestaande uit ambtenaren van de Commissie die de nodige technische kennis, vakbekwaamheid en ervaring bezitten om hun taak te vervullen en, eventueel, uit functionarissen die op verzoek van de Commissie en met instemming van de betrokken Lid-Staat zijn aangewezen uit de in artikel 38, lid 3, bedoelde controleurs om deel te nemen aan specifieke onderzoeken.
  • 2. 
    Onder leiding van de Commissie voert het korps de volgende taken uit:
  • a) 
    het neemt deel aan de controles door de bevoegde instanties van de Lid-Staten;
  • b) 
    het verricht op initiatief van de Commissie de in artikel 39 bedoelde controles waaraan de functionarissen van de betrokken Lid-Staat verzocht worden deel te nemen;
  • c) 
    het evalueert de nationale controleregelingen, de gevolgde procedures en de uitkomsten van de controles;
  • d) 
    het stelt zich op de hoogte van alle wettelijke en andere maatregelen die de bevoegde autoriteiten nemen om de gemeenschappelijke marktregeling voor groenten en fruit beter te doen naleven;
  • e) 
    het bevordert de samenwerking en de uitwisseling van gegevens tussen de instanties van de verschillende Lid-Staten, om bij te dragen tot de eenvormige toepassing van de gemeenschappelijke marktregeling voor groenten en fruit en om het handelsverkeer in de produkten van deze sector te vergemakkelijken.
  • 3. 
    De Commissie stelt de bevoegde instantie van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de controles ter uitvoering van lid 2, onder b), zullen plaatsvinden lang genoeg voor het begin van de controles hiervan in kennis.
  • 4. 
    De Commissie bepaalt zelf de plaatsen waar haar controles moeten worden uitgevoerd, en stelt in samenwerking met de betrokken Lid-Staten de praktische uitvoeringsbepalingen daarvoor op.

Artikel 41

  • 1. 
    De controles uit hoofde van artikel 40, lid 2, onder b), worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 729/70.

De controleurs van de Commissie houden zich tijdens de controles aan de regels en gebruiken die in de betrokken Lid-Staat voor de sector gelden en zijn gebonden door het beroepsgeheim.

  • 2. 
    De Commissie legt met de bevoegde instanties van de Lid-Staten de nodige contacten om gezamenlijk controleprogramma's op te stellen. De Lid-Staten verlenen de Commissie hun medewerking ter vergemakkelijking van de uitvoering van deze taak.
  • 3. 
    De Commissie deelt de bevoegde instantie van de betrokken Lid-Staat zo spoedig mogelijk de resultaten mee van de door de controleurs uitgevoerde opdrachten. Deze mededeling geeft aan, welke moeilijkheden zij daarbij hebben ondervonden en welke overtredingen van de bepalingen betreffende de markten voor groenten en fruit zij hebben vastgesteld.
  • 4. 
    De betrokken Lid-Staat deelt de Commissie zo snel mogelijk mee welke maatregelen hij heeft genomen om een einde aan deze moeilijkheden of overtredingen te maken.

Artikel 42

Elke onregelmatigheid die bij de controles wordt geconstateerd en die financiële gevolgen kan hebben voor de afdeling Garantie van het EOGFL, wordt behandeld volgens de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 595/91 (17). De Lid-Staat op het grondgebied waarvan de onregelmatigheid is geconstateerd, verschaft de gegevens als bedoeld in artikel 3 van die verordening.

Indien bij de controles van de Commissie blijkt dat een Lid-Staat in gebreke blijft bij de toepassing van de communautaire voorschriften, en dit financiële gevolgen kan hebben voor de afdeling Garantie van het EOGFL, zal dit feit worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, lid 2, onder c), van Verordening (EEG) nr. 729/70.

TITEL VII Algemene bepalingen

Artikel 43

Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening, zijn de artikelen 92, 93 en 94 van het Verdrag van toepassing op de produktie van en de handel in de in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten.

Artikel 44

  • 1. 
    De Lid-Staten en de Commissie verstrekken elkaar de voor de toepassing van deze verordening vereiste gegevens. Volgens de procedure van artikel 46 wordt bepaald welke gegevens moeten worden medegedeeld. Volgens diezelfde procedure worden nadere regels vastgesteld inzake de mededeling en verspreiding van de gegevens.
  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde gegevens omvatten ten minste inlichtingen omtrent het teeltareaal en de hoeveelheden die zijn geoogst, verkocht of op grond van artikel 23 niet te koop zijn aangeboden.

Deze inlichtingen worden ingewonnen door:

  • de telersverenigingen, voor wat betreft hun leden, onverminderd de artikelen 11 en 19;
  • de bevoegde diensten van de Lid-Staten, voor wat betreft telers die niet bij een van de in deze verordening bedoelde samenwerkingsverbanden zijn aangesloten. De betrokken Lid-Staat kan deze taak geheel of gedeeltelijk aan een of meer telersverenigingen toevertrouwen.
  • 3. 
    De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 2 bedoelde gegevens worden verzameld, dat ze juist zijn, dat ze statistisch worden verwerkt en regelmatig aan de Commissie worden medegedeeld. Voor de gevallen waarin ongerechtvaardigde vertragingen optreden of de goede uitvoering van de betrokken taken systematisch te wensen overlaat, stellen de Lid-Staten sancties vast. Zij brengen de Commissie op de hoogte van deze maatregelen.
  • 4. 
    De Commissie brengt de Lid-Staten regelmatig, via de meest geëigende middelen, op de hoogte van de in lid 1 bedoelde gegevens, alsmede van de conclusies die zij uit deze gegevens trekt. De uitvoeringsbepalingen worden overeenkomstig de procedure van artikel 46 vastgesteld.

Artikel 45

Er wordt een comité van beheer voor verse groenten en fruit ingesteld, hierna "comité" genoemd, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

Artikel 46

  • 1. 
    In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter deze procedure bij het comité in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat.
  • 2. 
    De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
  • 3. 
    a) De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn.
  • b) 
    Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij besloten heeft, voor ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen.

De Raad kan binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 47

Het comité kan elk ander vraagstuk onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat, aan de orde wordt gesteld.

Artikel 48

De uitvoeringsbepalingen van deze verordening, met inbegrip van de financiële en niet-financiële administratieve sancties, worden afhankelijk van de eisen van de sector, volgens de procedure van artikel 46 vastgesteld.

Artikel 49

Deze verordening moet zodanig worden toegepast dat gelijkelijk en op passende wijze rekening wordt gehouden met de in de artikelen 39 en 110 van het Verdrag vermelde doeleinden.

Artikel 50

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om inbreuken op deze verordening strafbaar te stellen en fraude te voorkomen en te bestrijden.

Artikel 51

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter uitvoering of op grond van deze verordening, worden door de Lid-Staten uiterlijk een maand na vaststelling aan de Commissie meegedeeld. Voor wijzigingen van deze bepalingen geldt dezelfde verplichting.

Artikel 52

  • 1. 
    De uitgaven in verband met de betaling van de communautaire ophoudvergoeding en de financiering van het actiefonds door de Gemeenschap, de in de artikelen 17, 53, 54 en 55 bedoelde specifieke maatregelen en de controles door de deskundigen van de Lid-Staten die ter toepassing van artikel 40, lid 1, bij de Commissie zijn gedetacheerd, worden beschouwd als interventies ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EEG) nr. 729/70.
  • 2. 
    De door de Lid-Staten overeenkomstig artikel 14 en artikel 15, lid 6, tweede alinea, toegekende steun wordt beschouwd als een gemeenschappelijke actie in de zin van artikel 2, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 4256/88 (18). De steun valt onder de jaarlijkse uitgavenramingen als bedoeld in artikel 31, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2328/91 (19).

Artikel 1, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2328/91 is van toepassing op de in dit lid bedoelde steun.

De bijstand wordt betaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 21 van Verordening (EEG) nr. 4253/88 (20). Voor de betaling van het saldo of van de vergoeding dient echter niet alleen aan de in lid 4 van voornoemd artikel bedoelde voorwaarden te worden voldaan, maar moeten vóór 1 juli van het volgende jaar ook de volgende stukken aan de Commissie worden overgelegd:

  • a) 
    een aangifte van de door de Lid-Staten in het kalenderjaar gedane uitgaven

en

  • b) 
    een overeenkomstig artikel 25, lid 4, van genoemde verordening opgesteld verslag over de tenuitvoerlegging van de maatregelen in het betrokken kalenderjaar.
  • 3. 
    De Commissie stelt de bepalingen ter uitvoering van lid 2 van dit artikel vast in overleg met het in artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 4253/88 bedoelde comité.
  • 4. 
    Het bepaalde in titel VI geldt onverminderd de tenuitvoerlegging van Verordening (EEG) nr. 4045/89 (21).

Artikel 53

De rechten die door de telersverenigingen zijn verworven vóór de inwerkingtreding van deze verordening uit hoofde van artikel 14 en van titel II bis van Verordening (EEG) nr. 1035/72, blijven gehandhaafd tot de datum waarop zij verstrijken.

Artikel 54

  • 1. 
    De Gemeenschap draagt voor 50 % bij tot de financiering van acties waarmee wordt beoogd de consumptie en het gebruik van noten in de Gemeenschap te ontwikkelen en te verbeteren.
  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde acties hebben tot doel:
  • de kwaliteit van de produkten te bevorderen, met name door marktstudies en het zoeken naar nieuwe gebruiksvormen, met inbegrip van de middelen om de produktie daaraan aan te passen,
  • de ontwikkeling van nieuwe verpakkingsmethoden,
  • de verspreiding van marketingadviezen ten behoeve van de bedrijven uit de sector,
  • de organisatie van en de deelneming aan beurzen en andere commerciële evenementen.
  • 3. 
    De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 46 de in lid 2 bedoelde acties vast of omschrijft nieuwe acties.

Artikel 55

Voor de hazelnoten die tijdens de verkoopseizoenen 1997/1998, 1998/1999 en 1999/2000 worden geoogst, wordt financiële steun ten belope van 15 ecu/100 kg toegekend aan de uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 1035/72 of van onderhavige verordening erkende telersverenigingen, die daarvoor in 1997 een programma voor de verbetering van de kwaliteit in de zin van artikel 14 quinquies van Verordening (EEG) nr. 1035/72 of een actieprogramma in de zin van onderhavige verordening ten uitvoer leggen.

Artikel 56

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2000 bij de Raad een verslag in over de werking van de in deze verordening opgenomen regelingen, eventueel vergezeld van passende voorstellen.

Artikel 57

Indien maatregelen moeten worden getroffen om de overgang van de oude regeling naar de bij deze verordening ingestelde regeling te vergemakkelijken, worden deze maatregelen overeenkomstig de procedure van artikel 46 vastgesteld.

Artikel 58

  • 1. 
    Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 1997. Titel IV is voor elk van de in bijlage I bedoelde produkten evenwel slechts van toepassing vanaf het verkoopseizoen 1997/1998.

  • 2. 
    De Verordeningen (EEG) nr. 1035/72, (EEG) nr. 3285/83, (EEG) nr. 1319/85, (EEG) nr. 2240/88, (EEG) nr. 1121/89 en (EEG) nr. 1198/90 worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van de overeenkomstige bepalingen van deze verordening ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen moeten worden beschouwd als verwijzingen naar onderhavige verordening en moeten worden gelezen volgens de concordantietabellen in bijlage VI.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 28 oktober 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

  • I. 
    YATES
  • (1) 
    PB nr. C 52 van 21. 2. 1996, blz. 1.
  • (2) 
    PB nr. C 96 van 1. 4. 1996, blz. 269.
  • (3) 
    PB nr. C 82 van 19. 3. 1996, blz. 21.
  • (4) 
    PB nr. L 325 van 22. 11. 1983, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 220/92 (PB nr. L 24 van 1. 2. 1992, blz. 7).
  • (5) 
    PB nr. L 137 van 27. 5. 1985, blz. 39. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 404/93 (PB nr. L 47 van 25. 2. 1993, blz. 1).
  • (6) 
    PB nr. L 198 van 26. 7. 1988, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1327/95 (PB nr. L 128 van 13. 6. 1995, blz. 8).
  • (7) 
    PB nr. L 118 van 29. 4. 1989, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1327/95 (PB nr. L 128 van 13. 6. 1995, blz. 8).
  • (8) 
    PB nr. L 119 van 11. 5. 1990, blz. 59.
  • (9) 
    Verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB nr. L 118 van 20. 5. 1972, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1363/95 (PB nr. L 132 van 16. 6. 1995, blz. 1).
  • (10) 
    PB nr. L 349 van 31. 12. 1994, blz. 105. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1193/96 (PB nr. L 161 van 29. 6. 1996, blz. 1).
  • (11) 
    Richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB nr. L 33 van 8. 2. 1979, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.
  • (12) 
    Verordening (EEG) nr. 746/93 van de Raad van 17 maart 1993 inzake de toekenning van steun om in Portugal de oprichting te bevorderen en de werking te vergemakkelijken van de in de Verordeningen (EEG) nr. 1035/72 en (EEG) nr. 1360/78 bedoelde producentenorganisaties (PB nr. L 77 van 31. 3. 1993, blz. 14).
  • (13) 
    Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende landbouwproduktiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming, en betreffende natuurbeheer (PB nr. L 215 van 30. 7. 1992, blz. 85). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2722/95 van de Commissie (PB nr. L 288 van 1. 12. 1995, blz. 35).
  • (14) 
    Verordening nr. 26 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten (PB nr. 30 van 20. 4. 1962, blz. 993/62). Verordening gewijzigd bij Verordening nr. 49 (PB nr. 53 van 1. 7. 1962, blz. 1571/62).
  • (15) 
    Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1287/95 (PB nr. L 125 van 8. 6. 1995, blz. 1).
  • (16) 
    PB nr. L 336 van 23. 12. 1994, blz. 22.
  • (17) 
    Verordening (EEG) nr. 595/91 van de Raad van 4 maart 1991 betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en terugvordering van bedragen die in dat kader onverschuldigd zijn betaald, alsmede de organisatie van een informatiesysteem op dit gebied en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 283/72 (PB nr. L 67 van 14. 3. 1991, blz. 11).
  • (18) 
    Verordening (EEG) nr. 4256/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het EOGFL, afdeling Oriëntatie (PB nr. L 374 van 31. 12. 1988, blz. 25). Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2085/93 (PB nr. L 193 van 31. 7. 1993, blz. 44).
  • (19) 
    Verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB nr. L 218 van 6. 8. 1991, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2387/95 van de Commissie (PB nr. L 244 van 12. 10. 1995, blz. 50).
  • (20) 
    Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB nr. L 374 van 31. 12. 1988, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3193/94 (PB nr. L 337 van 24. 12. 1994, blz. 11).
  • (21) 
    Verordening (EEG) nr. 4045/89 van de Raad van 21 december 1989 inzake de door de Lid-Staten uit te voeren controles op de verrichtingen in het kader van de financieringsregeling van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw en houdende intrekking van Richtlijn 77/435/EEG (PB nr. L 388 van 30. 12. 1989, blz. 18). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3235/94 (PB nr. L 338 van 28. 12. 1994, blz. 16).

BIJLAGE I

Produkten die vers aan de consument worden geleverd en waarvoor normen bestaan

Abrikozen

Citrusvruchten

Zoete amandelen

Artisjokken

Asperges

Avocado's

Aubergines

Knoflook

Wortelen

Bleekselderij

Kersen

Witloof

Bloemkool

Sluitkool

Spruiten

Komkommers

Courgettes

Spinazie

Aardbeien

Snijbonen en slabonen

Kiwi's

Sla, krulandijvie en andijvie

Meloenen

Hazelnoten

Noten

Uien

Watermeloenen

Perziken

Prei

Doperwten

Niet scherp smakende pepers (paprika's)

Appelen en peren

Pruimen

Tafeldruiven

Tomaten

BIJLAGE II

Lijst van de produkten die in aanmerking komen voor de in artikel 23, lid 3, bedoelde communautaire ophoudvergoeding

Bloemkool

Tomaten

Aubergines

Abrikozen

Perziken

Nectarines (inclusief bloedperziken)

Citroenen

Peren (andere dan persperen)

Tafeldruiven

Appelen (andere dan persappelen)

Satsuma's

Mandarijnen

Clementines

Sinaasappelen

Meloenen

Watermeloenen

BIJLAGE III

Limitatieve lijst van door de telersverenigingen toegepaste regels die krachtens artikel 18, lid 1, algemeen verbindend kunnen worden verklaard

  • 1. 
    Regels inzake de produktiegegevens
  • a) 
    opgave van de voorgenomen inzaai en aanplant, per produkt en eventueel per ras/variëteit;
  • b) 
    melding van de feitelijke inzaai en aanplant;
  • c) 
    opgave van de totale bebouwde oppervlakte, uitgesplitst naar produkt en zo mogelijk naar ras/variëteit;
  • d) 
    opgave van de oogstverwachtingen en de verwachte oogstdata, uitgesplitst naar produkt en zo mogelijk naar ras/variëteit;
  • e) 
    periodieke opgave van de geoogste hoeveelheden of beschikbare voorraden per ras/variëteit;
  • f) 
    informatie over de opslagcapaciteit.
  • 2. 
    Regels inzake de produktie
  • a) 
    gebruik van het op grond van de bestemming van het produkt (markt voor verse produkten of industriële verwerking) gekozen zaaizaad en plantgoed;
  • b) 
    naleving van de voorschriften inzake het uitdunnen van de boomgaarden.
  • 3. 
    Regels inzake het in de handel brengen van de produkten
  • a) 
    naleving van de datum waarop met oogsten kan worden begonnen en van het verkoopschema;
  • b) 
    naleving van de minimumeisen inzake kwaliteit en groottesortering;
  • c) 
    naleving van de regels inzake behandeling, presentatie, verpakking en etikettering wanneer de produkten voor het eerst op de markt worden gebracht;
  • d) 
    aanduiding van de oorsprong van het produkt.
  • 4. 
    Regels inzake milieubescherming
  • a) 
    regels inzake het gebruik van kunstmeststoffen en andere mest;
  • b) 
    regels inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en andere methoden om de gewassen te beschermen;
  • c) 
    regels inzake het maximumgehalte aan residuen van gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen in groenten en fruit;
  • d) 
    regels inzake de verwijdering van bijprodukten en gebruikt materiaal;
  • e) 
    regels inzake de vernietiging van uit de markt genomen produkten.
  • 5. 
    Regels inzake het uit de markt nemen van produkten
  • ter uitvoering van artikel 23 vastgestelde regels, onder de in artikel 25 vermelde voorwaarden.

BIJLAGE IV

Niet-limitatieve lijst van gebieden waarvoor nationale controles en communautaire controles kunnen plaatsvinden

Normcontrole (artikelen 7 en 8)

Controle op de naleving van de voorwaarden voor de erkenning als telersvereniging (artikel 12)

Controle op de uitvoering van het actieprogramma (artikel 13)

Controle op de uitvoering van het erkenningsprogramma en de besteding van de steun (artikel 14)

Controle op de werking van het actiefonds en de uitvoering van het operationele programma, met name systematische controle op de besteding van de middelen (artikel 15)

Controle op de inachtneming van de voorwaarden waaronder de regels algemeen verbindend worden verklaard (artikel 18)

Controle op de inachtneming van de voorwaarden voor de oprichting van sectorale organisaties en de sluiting van sectorale overeenkomsten en van de voorwaarden waaronder de regels van deze organisaties algemeen verbindend worden verklaard (artikelen 19, 20 en 21)

Controle op het uit de markt nemen van produkten (artikel 23 e.v.)

Controle op de regelmatige betaling van de communautaire ophoudvergoeding (artikel 29)

Controle op de afzet van uit de markt genomen produkten (artikel 30)

Controle op de toepassing van de voorschriften betreffende het handelsverkeer met derde landen (artikel 31 e.v.)

BIJLAGE V

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VI

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.