Richtlijn 2024/1619 - Wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s - Hoofdinhoud
Publicatieblad van de Europese Unie |
NL L-serie |
2024/1619 |
19.6.2024 |
RICHTLIJN (EU) 2024/1619 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 31 mei 2024
tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) |
Het doel van de wijzigingen in Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) in verband met toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (“ESG-risico’s”) is de harmonisatie van het kader voor bankentoezicht te bevorderen en uiteindelijk de interne markt voor banken te verdiepen. De bevoegde autoriteiten moeten trachten ervoor te zorgen dat het toezichtkader, zoals gedefinieerd in die richtlijn, op evenredige wijze op instellingen wordt toegepast, en moeten er met name naar streven de compliance- en rapportagekosten voor kleine en niet-complexe instellingen zoveel mogelijk te beperken, rekening houdend met de aanbevelingen in het verslag “Study of the cost of compliance with supervisory reporting requirements” (studie over de kosten van naleving van de toezichtrapportagevereisten), dat in 2021 is gepubliceerd door de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit, EBA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (4), waarin werd gestreefd naar een gemiddelde vermindering van de rapportagekosten met 10 % tot 20 %. |
(2) |
De bevoegde autoriteiten, hun personeelsleden en de leden van hun bestuursorganen moeten onafhankelijk en vrij zijn van politieke en economische beïnvloeding. Het risico van belangenconflicten ondermijnt de integriteit van het financiële stelsel van de Unie en schaadt het doel van een geïntegreerde bankenunie en kapitaalmarktenunie. Richtlijn 2013/36/EU moet meer gedetailleerde bepalingen vaststellen voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van hun personeelsleden en de leden van hun bestuursorganen, onafhankelijk en objectief handelen. In dat verband moeten minimumvereisten worden vastgesteld om belangenconflicten te voorkomen en “draaideurconstructies” te beperken, waarbij met name wordt voorzien in afkoelingsperioden, een verbod op de handel in instrumenten die zijn uitgegeven door onder toezicht staande entiteiten, en een maximumambtstermijn voor de betrokken leden van bestuursorganen. De EBA moet op basis van internationale beste praktijken richtsnoeren inzake het voorkomen van belangenconflicten uitvaardigen voor de bevoegde autoriteiten. |
(3) |
Personeelsleden en leden van het bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit voor wie afkoelingsperioden gelden, moeten recht hebben op een passende vergoeding, die tot doel moet hebben hen te compenseren omdat ze gedurende een bepaalde periode niet in dienst kunnen treden bij entiteiten waarop die afkoelingsbeperkingen van toepassing zijn. De compensatie moet in verhouding staan tot de duur van de afkoelingsperiode en de vorm ervan moet door elke lidstaat worden vastgesteld. |
(4) |
Toezichthouders moeten zich bij de uitoefening van hun toezichtfuncties uiterst integer gedragen. Om de transparantie te verhogen en hoge ethische normen te waarborgen, is het voor personeelsleden en leden van het bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit aangewezen jaarlijks een verklaring inzake belangenconflicten in te dienen. Die verklaring moet informatie bevatten over de deelnemingen in financiële instrumenten van het lid, teneinde de risico’s die uit belangenconflicten als gevolg van die deelnemingen kunnen voortvloeien, te beperken en de bevoegde autoriteiten in staat te stellen deze risico’s op passende wijze te beheren. Een belangenverklaring mag geen afbreuk doen aan een eventuele verplichting om een vermogensaangifte in te dienen op grond van de toepasselijke nationale voorschriften. |
(5) |
De verlening van de in bijlage I, punten 1, 2 en 6, bij Richtlijn 2013/36/EU vermelde kernbankdiensten moet afhankelijk worden gesteld van een uitdrukkelijke en geharmoniseerde vergunningsplicht in het Unierecht, waarin wordt gespecificeerd dat in een derde land gevestigde ondernemingen die dergelijke kernbankdiensten in de Unie willen verrichten, ten minste een bijkantoor in een lidstaat moeten vestigen en dat aan een dergelijk bijkantoor een vergunning moet worden verleend overeenkomstig het Unierecht, tenzij de onderneming via een dochteronderneming bankdiensten in de Unie wil verrichten. |
(6) |
Het gebruik van bankdiensten buiten de Unie, zoals in het kader van het Memorandum van overeenstemming van de Wereldhandelsorganisatie inzake verbintenissen betreffende financiële diensten, moet onverlet worden gelaten. Het vereiste om een bijkantoor in de Unie op te richten, mag niet van toepassing zijn op gevallen van reverse solicitation, dat wil zeggen wanneer een cliënt of tegenpartij op eigen initiatief een in een derde land gevestigde onderneming benadert voor het verlenen van bankdiensten, met inbegrip van de voortzetting daarvan, of bankdiensten die nauw samenhangen met de oorspronkelijk gevraagde diensten. Bij de omzetting van deze richtlijn moeten de lidstaten maatregelen kunnen nemen om de verworven rechten van cliënten uit hoofde van bestaande overeenkomsten te vrijwaren. Dergelijke maatregelen mogen uitsluitend worden toegepast om de overgang naar de uitvoering van deze richtlijn te vergemakkelijken, en moeten strikt worden geformuleerd om omzeiling te voorkomen. Om te voorkomen dat de regels die van toepassing zijn op de grensoverschrijdende verrichting van bankdiensten door ondernemingen uit derde landen worden omzeild, moeten de bevoegde autoriteiten toezicht kunnen houden op de verlening van die diensten. De verplichting om een bijkantoor in de Unie op te richten, mag evenmin gelden voor interbancaire transacties en transacties tussen handelaren. Daarnaast mag, onverminderd de vergunningsregeling waarin Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (5) en Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (6) voorzien, het vereiste om een bijkantoor op te richten niet van toepassing zijn op gevallen waarin kredietinstellingen uit derde landen in de Unie de in bijlage I, deel A, bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, noch op daarmee verband houdende nevendiensten, zoals het in ontvangst nemen van deposito’s of het verstrekken van kredieten of leningen met het oog op het verlenen van diensten uit hoofde van die richtlijn, met inbegrip van het verlenen van diensten op het gebied van de handel in financiële instrumenten of het beheer van particulier vermogen. Bij een dergelijke vrijstelling moet echter rekening worden gehouden met de naleving van de regels ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering zoals vastgelegd in Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad (7). |
(7) |
De bevoegde autoriteiten moeten over de bevoegdheid beschikken om de aan een kredietinstelling verleende vergunning in te trekken indien de kredietinstelling wordt aangemerkt als een instelling die faalt of waarschijnlijk zal falen, er redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat het falen van de kredietinstelling door middel van alternatieve maatregelen in de particuliere sector of toezichtmaatregelen binnen een redelijke termijn zou worden voorkomen, en een afwikkelingsmaatregel in het algemeen belang niet noodzakelijk is. In een dergelijke situatie moet een kredietinstelling worden geliquideerd overeenkomstig de toepasselijke nationale insolventieprocedure of overeenkomstig andere soorten procedures die in het nationale recht voor die instellingen zijn vastgelegd, waardoor wordt gewaarborgd dat de instelling op ordelijke wijze de markt verlaat, en moet zij dus de activiteiten waarvoor de vergunning was verleend, stopzetten. Er mag echter geen automatisch verband zijn tussen de vaststelling dat een instelling faalt of waarschijnlijk zal falen en het intrekken van de vergunning, zoals wordt gedaan in andere gevallen waarin de bevoegde autoriteit het recht heeft een vergunning in te trekken. De bevoegde autoriteiten moeten hun bevoegdheden op evenredige wijze uitoefenen en rekening houden met de toepasselijke nationale insolventieprocedure, met inbegrip van de bestaande gerechtelijke procedures. De bevoegdheid tot intrekking van de vergunning mag niet worden gebruikt om te voorkomen dat de insolventieprocedure, zoals de toepassing van een moratorium of andere maatregelen die afhankelijk zijn van een actieve vergunning, wordt geopend of om die te beëindigen. |
(8) |
Financiële holdings en gemengde financiële holdings die moederondernemingen van bankgroepen zijn, moeten onderworpen blijven aan het identificatie- en goedkeuringsmechanisme dat is ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad (8). Dat mechanisme stelt de bevoegde autoriteiten in staat bepaalde financiële holdings en gemengde financiële holdings onder het directe toepassingsgebied van hun toezicht en van hun toezichtsbevoegdheden uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9) te brengen om naleving op geconsolideerde basis te waarborgen. Onder specifieke omstandigheden moeten de bevoegde autoriteiten de discretionaire bevoegdheid hebben om een financiële holding of gemengde financiële holding die is opgericht met als doel het participeren in ondernemingen, vrij te stellen van goedkeuring. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van bepaalde bankgroepen, moet de consoliderende toezichthouder daarnaast kunnen toestaan dat financiële holdings of gemengde financiële holdings die van goedkeuring zijn vrijgesteld, buiten de werkingssfeer van de consolidatie van een bankgroep vallen. De bevoegdheid om die entiteiten buiten de werkingssfeer van de consolidatie van een bankgroep te houden, mag echter alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden uitgeoefend, indien aan alle voorwaarden van het toepasselijke recht is voldaan, en daartoe moet de betrokken bankgroep aantonen dat de holding die moet worden uitgesloten, niet betrokken is bij of relevant is voor het beheer van die bankgroep. |
(9) |
Toezichthouders van kredietinstellingen moeten over alle nodige bevoegdheden beschikken om hun taken te kunnen uitvoeren; die bevoegdheden moeten ook de verschillende transacties van de onder toezicht staande entiteiten bestrijken. Daartoe, en om het gelijke speelveld te vergroten, moeten toezichthouders beschikken over alle toezichtsbevoegdheden die nodig zijn om de transacties van materieel belang te bestrijken die door de onder toezicht staande entiteiten kunnen worden uitgevoerd. De bevoegde autoriteiten moeten daarom in kennis worden gesteld indien door een onder toezicht staande entiteit uitgevoerde materiële transacties, met inbegrip van verwervingen door onder toezicht staande entiteiten van deelnemingen van betekenis in entiteiten uit de financiële of niet-financiële sector, materiële overdrachten van activa en passiva van of naar onder toezicht staande entiteiten, en fusies en splitsingen waarbij onder toezicht staande entiteiten betrokken zijn, aanleiding geven tot bezorgdheid over haar prudentiële profiel of over mogelijke activiteiten op het gebied van witwassen of terrorismefinanciering. Voorts moeten de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om in te grijpen bij de verwervingen van deelnemingen van betekenis, bij fusies of bij splitsingen. |
(10) |
Om evenredigheid te waarborgen en onnodige administratieve lasten te vermijden, moeten de aanvullende bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten alleen gelden voor transacties die als van materieel belang worden beschouwd. Alleen transacties die fusies of splitsingen zijn, moeten automatisch als transacties van materieel belang worden behandeld, aangezien kan worden verwacht dat de nieuw opgerichte entiteit een wezenlijk ander prudentieel profiel heeft dan de entiteiten die aanvankelijk, vóór de fusie of splitsing, bestonden. Ook mogen fusies of splitsingen niet door entiteiten worden gesloten voordat een voorafgaand positief advies van de bevoegde autoriteiten is ontvangen. Verwervingen van deelnemingen moeten, wanneer deze van materieel belang worden geacht, door de betrokken bevoegde autoriteit worden beoordeeld, op basis van een stilzwijgende goedkeuringsprocedure. |
(11) |
Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten in staat zijn in te grijpen voordat een materiële transactie wordt uitgevoerd, moeten zij vooraf in kennis worden gesteld. Die kennisgeving moet vergezeld gaan van de informatie die de bevoegde autoriteiten nodig hebben om de voorgenomen transactie te kunnen beoordelen vanuit prudentieel oogpunt en vanuit het oogpunt van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Die beoordeling door de bevoegde autoriteiten moet beginnen op het moment van ontvangst van de kennisgeving met daarin alle gevraagde informatie. In het geval van de verwerving van een deelneming van betekenis of indien bij de voorgenomen transactie alleen financieel belanghebbenden uit dezelfde groep betrokken zijn, moet die beoordeling in de tijd beperkt zijn. |
(12) |
In het geval van de verwerving van een deelneming van betekenis kan de conclusie van de beoordeling ertoe leiden dat de bevoegde autoriteit besluit zich tegen de transactie te verzetten. Indien de bevoegde autoriteit zich niet binnen een bepaalde termijn verzet, moet de transactie geacht worden te zijn goedgekeurd. |
(13) |
De bepalingen betreffende de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling moeten worden afgestemd op de bepalingen inzake de verwerving van een deelneming van betekenis door een instelling, indien beide beoordelingen voor dezelfde transactie moeten worden verricht. Zonder juiste afstemming zouden die bepalingen immers kunnen leiden tot inconsistenties in de beoordeling door de bevoegde autoriteiten, en uiteindelijk in de door hen genomen besluiten. |
(14) |
Met betrekking tot fusies en splitsingen voorziet Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad (10) in geharmoniseerde regels en procedures, met name voor grensoverschrijdende fusies en splitsingen van kapitaalvennootschappen. Daarom moet de in deze richtlijn voorziene beoordelingsprocedure door de bevoegde autoriteiten een aanvulling vormen op de procedure van Richtlijn (EU) 2017/1132 en mag zij niet in strijd zijn met de bepalingen ervan. In het geval van grensoverschrijdende fusies en splitsingen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2017/1132 vallen, moet het met redenen omkleed advies van de bevoegde autoriteit een onderdeel zijn van de beoordeling van de naleving van alle relevante voorwaarden en de correcte vervulling van alle procedures en formaliteiten die vereist zijn voor het aan de fusie of de splitsing voorafgaande attest. Het met redenen omkleed advies moet daarom worden toegezonden aan de aangewezen nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor de afgifte van het aan de fusie of de splitsing voorafgaande attest uit hoofde van Richtlijn (EU) 2017/1132. |
(15) |
In sommige situaties, bijvoorbeeld wanneer er entiteiten bij betrokken zijn die in verschillende lidstaten gevestigd zijn, kunnen voor transacties meerdere kennisgevingen en beoordelingen van verschillende bevoegde autoriteiten nodig zijn, en dus een efficiënte samenwerking tussen die autoriteiten vereisen. Daarom moeten samenwerkingsverplichtingen worden vastgesteld, met name vroegtijdige grensoverschrijdende kennisgevingen, een vlotte uitwisseling van informatie, onder meer met autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van witwassen of terrorismefinanciering, en coördinatie in het beoordelingsproces. |
(16) |
De EBA moet de opdracht krijgen ontwerpen van technische reguleringsnormen, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen en richtsnoeren te ontwikkelen om te zorgen voor een passend kader voor het gebruik van de aanvullende toezichtsbevoegdheden. Die ontwerpen van technische reguleringsnormen en van technische uitvoeringsnormen moeten met name de informatie specificeren die de bevoegde autoriteiten moeten ontvangen, alsook de te beoordelen elementen en de vereiste samenwerking wanneer er meer dan één bevoegde autoriteit bij betrokken is. Deze verschillende elementen zijn van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat met een voldoende geharmoniseerde toezichtmethode bepalingen inzake de aanvullende bevoegdheden efficiënt kunnen worden uitgevoerd, met zo min mogelijk extra administratieve lasten. |
(17) |
De regulering van bijkantoren die door ondernemingen uit een derde land zijn opgericht om in een lidstaat bankdiensten te verrichten, is onderworpen aan het nationale recht en slechts in zeer beperkte mate geharmoniseerd door Richtlijn 2013/36/EU. Hoewel de aanwezigheid van bijkantoren uit derde landen op de bancaire markten van de Unie aanzienlijk is en toeneemt, zijn zij momenteel alleen onderworpen aan zeer algemene informatievereisten, maar niet aan prudentiële normen op Unieniveau of samenwerkingsregelingen op het gebied van toezicht. Het totale gebrek aan een gemeenschappelijk prudentieel kader leidt ertoe dat bijkantoren uit derde landen worden onderworpen aan uiteenlopende nationale vereisten met een wisselend niveau van prudentie en een variërend toepassingsgebied. Voorts ontbreekt het de bevoegde autoriteiten aan uitgebreide informatie en aan de nodige toezichtinstrumenten om naar behoren de specifieke risico’s te monitoren die ontstaan door groepen uit derde landen die via bijkantoren en dochterondernemingen in een of meer lidstaten actief zijn. Er zijn momenteel geen geïntegreerde toezichtregelingen met betrekking tot deze groepen en de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op elk bijkantoor van een groep uit een derde land is niet verplicht informatie uit te wisselen met de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op de andere bijkantoren en dochterondernemingen van dezelfde groep. Een dergelijk versnipperd regelgevingslandschap houdt risico’s in voor de financiële stabiliteit en de marktintegriteit in de Unie die naar behoren moeten worden aangepakt met een geharmoniseerd regelgevingskader voor bijkantoren uit derde landen. Een dergelijk kader moet gemeenschappelijke minimumvereisten omvatten inzake vergunningverlening, prudentiële normen, interne governance, toezicht en rapportage. Dat geheel van vereisten moet gestoeld zijn op de vereisten die de lidstaten reeds toepassen op bijkantoren uit derde landen op hun grondgebied, en daarbij moet rekening worden gehouden met soortgelijke of gelijkwaardige vereisten die derde landen op buitenlandse bijkantoren toepassen, teneinde de samenhang tussen de lidstaten te waarborgen en het regelgevingskader van de Unie voor bijkantoren uit derde landen af te stemmen op de gangbare internationale praktijken op dit gebied. |
(18) |
Bij het verlenen van vergunningen aan en het uitoefenen van toezicht op bijkantoren uit derde landen moeten de bevoegde autoriteiten hun toezichthoudende taken doeltreffend kunnen uitoefenen. Daartoe moeten zij toegang hebben tot alle noodzakelijke informatie van de toezichthoudende autoriteiten van het betrokken derde land over de hoofdonderneming van het bijkantoor uit een derde land en moeten zij hun toezichtactiviteiten doeltreffend kunnen coördineren met die van de toezichthoudende autoriteiten van het derde land. Voordat een bijkantoor uit een derde land met zijn activiteiten in een lidstaat begint, moeten de bevoegde autoriteiten met de toezichthoudende autoriteit van het betrokken derde land een overeenkomst trachten te sluiten om samenwerking en informatie-uitwisseling mogelijk te maken. Een dergelijke overeenkomst moet gebaseerd zijn op de door de EBA overeenkomstig artikel 33, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1093/2010 ontwikkelde modellen voor administratieve regelingen. De bevoegde autoriteiten moeten informatie over dergelijke overeenkomsten bij de EBA indienen. Indien het niet mogelijk is een administratieve overeenkomst te sluiten op basis van het door de EBA ontwikkelde model, moeten de bevoegde autoriteiten andere regelingen kunnen gebruiken, bijvoorbeeld in de vorm van een briefwisseling, om ervoor te zorgen dat zij hun toezichthoudende taken kunnen uitoefenen. |
(19) |
Voor de evenredigheid moeten de aan bijkantoren uit derde landen opgelegde minimumvereisten in verhouding staan tot het risico dat zij vormen voor de financiële stabiliteit en de marktintegriteit in de Unie en de lidstaten. Bijkantoren uit derde landen moeten daarom worden ingedeeld als klasse 1 indien zij als risicovoller worden beschouwd, of als klasse 2 indien zij als klein en niet-complex worden aangemerkt en geen significant risico voor de financiële stabiliteit vormen, overeenkomstig de definitie van “kleine en niet-complexe instelling” in Verordening (EU) nr. 575/2013. Bijkantoren uit derde landen met in een lidstaat geboekte activa voor een bedrag van 5 miljard EUR of meer moeten dus worden beschouwd als risicovoller vanwege hun grotere omvang en complexiteit, omdat hun falen kan leiden tot een aanzienlijke verstoring van de markt voor bankdiensten of het bankwezen van de lidstaat. Bijkantoren uit derde landen die retaildeposito’s in ontvangst mogen nemen, moeten ook als risicovoller worden beschouwd ongeacht hun omvang, indien het bedrag van die retaildeposito’s een bepaalde drempel overschrijdt, voor zover hun falen zeer kwetsbare deposanten zou kunnen treffen en ertoe zou kunnen leiden dat het vertrouwen in de veiligheid en soliditeit van het bankwezen van de lidstaat en in zijn bescherming van het spaargeld van de burgers, wordt aangetast. Beide soorten bijkantoren uit derde landen moeten daarom worden ingedeeld als klasse 1-bijkantoren uit derde landen. |
(20) |
Bijkantoren uit derde landen moeten ook worden ingedeeld als klasse 1 indien de hoofdonderneming onderworpen is aan regulering, en het toezicht en de uitvoering van die regulering niet ten minste gelijkwaardig worden bevonden aan wat wordt vereist door Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013, of indien het betrokken derde land is aangemerkt als een derde land met een hoog risico dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn bestrijding van witwassen en van terrorismefinanciering overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849. Die bijkantoren uit derde landen vormen een aanzienlijk risico voor financiële stabiliteit in de Unie en de lidstaat van vestiging omdat de regelgevingskaders of de kaders voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering die op hun hoofdonderneming van toepassing zijn, de specifieke risico’s die voortvloeien uit de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat of de risico’s die de groep uit het derde land creëert voor tegenpartijen in de lidstaten, niet adequaat opvangen of de adequate monitoring ervan niet toelaten. Om te bepalen of de bancaire prudentiële en toezichtnormen van het derde land gelijkwaardig zijn aan de normen van de Unie, moet de Commissie de EBA kunnen gelasten een beoordeling uit te voeren en een verslag uit te brengen over het bancaire regelgevingskader van het betrokken derde land, overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De EBA moet ervoor zorgen dat de beoordeling op rigoureuze en transparante wijze en volgens een deugdelijke methode wordt uitgevoerd. Voorts moet de EBA ook overleg plegen en nauw samenwerken met de toezichthoudende autoriteiten, de overheidsdiensten van het derde land die belast zijn met de regulering van zijn bankwezen en, in voorkomend geval, met partijen uit de particuliere sector, waarbij ernaar moet worden gestreefd deze partijen billijk te behandelen en hen in de gelegenheid te stellen binnen een redelijke termijn documentatie in te dienen en opmerkingen te maken. De EBA moet er ook voor zorgen dat het uitgebrachte verslag naar behoren met redenen is omkleed, een gedetailleerde beschrijving van de beoordeelde aangelegenheden bevat en binnen een redelijke termijn wordt verstrekt. Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om besluiten vast te stellen over de gelijkwaardigheid van de bancaire regelgevingskaders voor bijkantoren uit derde landen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (11). |
(21) |
De bevoegde autoriteiten moeten de uitdrukkelijke bevoegdheid hebben om per geval te eisen dat bijkantoren uit derde landen een vergunning aanvragen overeenkomstig titel III, hoofdstuk 1, van Richtlijn 2013/36/EU, ten minste wanneer die bijkantoren activiteiten verrichten met cliënten of tegenpartijen in andere lidstaten die de regels van de interne markt schenden, wanneer zij een aanzienlijk risico vormen voor de financiële stabiliteit van de Unie of van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, of wanneer het totaalbedrag van de activa van alle bijkantoren uit derde landen in de Unie die tot dezelfde groep uit een derde land behoren, gelijk is aan of groter is dan 40 miljard EUR of het bedrag van de activa van het bijkantoor uit een derde land in de lidstaat waar het is gevestigd, gelijk is aan of groter is dan 10 miljard EUR. Bovendien moet van de bevoegde autoriteiten worden verlangd dat zij beoordelen of bijkantoren uit derde landen systeemrelevant zijn indien het totaalbedrag van de activa van alle bijkantoren uit derde landen in de Unie die tot dezelfde groep uit een derde land behoren, gelijk is aan of groter is dan 40 miljard EUR. Alle bijkantoren uit derde landen die tot dezelfde groep uit een derde land behoren en die in één of meer lidstaten van de Unie gevestigd zijn, moeten door hun respectievelijke bevoegde autoriteiten aan een dergelijke beoordeling worden onderworpen. Bij die beoordeling moet aan de hand van specifieke criteria worden onderzocht of die bijkantoren een soortgelijk risico vormen voor de financiële stabiliteit van de Unie of haar lidstaten als instellingen die in het kader van Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 als “systeemrelevant” worden aangemerkt. Indien de bevoegde autoriteiten concluderen dat bijkantoren uit derde landen systeemrelevant zijn, moeten zij aan die bijkantoren vereisten opleggen die passend zijn om risico’s voor de financiële stabiliteit te beperken. De bevoegde autoriteiten moeten daartoe van bijkantoren uit derde landen kunnen eisen dat zij een vergunning als dochterinstelling uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU aanvragen om de uitoefening van bankactiviteiten in de lidstaat of in de gehele Unie voort te zetten. Bovendien moeten de bevoegde autoriteiten andere vereisten kunnen opleggen, zoals een verplichting om activa of activiteiten van bijkantoren uit derde landen in de Unie zodanig te herstructureren dat die bijkantoren niet langer systeemrelevant zijn, of een vereiste om te voldoen aan aanvullende kapitaal-, liquiditeits-, rapportage- of openbaarmakingsvereisten, indien dat toereikend zou zijn om de risico’s voor de financiële stabiliteit aan te pakken. De bevoegde autoriteiten moeten de mogelijkheid hebben geen van deze vereisten op te leggen aan bijkantoren uit derde landen die systeemrelevant worden geacht, in welk geval zij een met redenen omklede kennisgeving moeten doen aan de EBA en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de betrokken groep uit een derde land andere bijkantoren uit derde landen of dochterinstellingen heeft gevestigd. Om de gevolgen voor de hele Unie in overweging te nemen, moeten de bevoegde autoriteiten die besluiten gebruik te maken van hun bevoegdheid om een vergunning als dochteronderneming te verlangen, vooraf de EBA en de betrokken bevoegde autoriteiten raadplegen. |
(22) |
Om de samenhang van toezichtbesluiten met betrekking tot een groep uit een derde land met bijkantoren en dochterondernemingen in de hele Unie te bevorderen, moeten de bevoegde autoriteiten bij het uitvoeren van de beoordeling van systeemrelevantie de EBA raadplegen, evenals de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de betrokken groep uit een derde land andere bijkantoren uit derde landen of dochterinstellingen heeft gevestigd, teneinde de risico’s voor de financiële stabiliteit te beoordelen die het betrokken bijkantoor uit een derde land kan inhouden voor andere lidstaten dan de lidstaat waar het is gevestigd. |
(23) |
De bevoegde autoriteiten moeten regelmatig toetsen of bijkantoren uit derde landen voldoen aan de toepasselijke vereisten krachtens Richtlijn 2013/36/EU, en toezichtsmaatregelen opleggen ten aanzien van die bijkantoren om de naleving van die vereisten te waarborgen of te herstellen. Om het effectieve toezicht op de naleving van die vereisten door bijkantoren uit derde landen te vergemakkelijken en een volledig overzicht van de activiteiten van groepen uit derde landen binnen de Unie mogelijk te maken, moet gemeenschappelijke toezichts- en financiële rapportage aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar worden gesteld in overeenstemming met standaardtemplates. De EBA moet worden gemachtigd ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op te stellen waarin deze templates worden vastgelegd. Om er voorts voor te zorgen dat alle activiteiten van groepen uit derde landen die via bijkantoren uit derde landen in de Unie actief zijn, aan uitgebreid toezicht worden onderworpen, om te voorkomen dat de vereisten die krachtens het Unierecht op die groepen van toepassing zijn, worden omzeild en om de potentiële risico’s voor de financiële stabiliteit van de Unie tot een minimum te beperken, moet worden voorzien in passende samenwerkingsregelingen tussen bevoegde autoriteiten. Met name moeten klasse 1-bijkantoren uit derde landen worden opgenomen in het werkterrein van de colleges van toezichthouders van groepen uit derde landen in de Unie. Indien een dergelijk college nog niet bestaat, moeten de bevoegde autoriteiten een ad-hoccollege oprichten voor alle klasse 1-bijkantoren uit derde landen van dezelfde groep indien die groep in meer dan één lidstaat actief is. |
(24) |
Het Uniekader voor bijkantoren uit derde landen moet worden toegepast onverminderd de discretionaire bevoegdheid waarmee de lidstaten momenteel algemeen beschouwd moeten eisen dat ondernemingen uit bepaalde derde landen op hun grondgebied uitsluitend bankactiviteiten verrichten via dochterinstellingen waaraan overeenkomstig titel III, hoofdstuk 1, van Richtlijn 2013/36/EU vergunning is verleend. Dat vereiste kan betrekking hebben op derde landen die bancaire prudentiële en toezichtnormen toepassen die niet gelijkwaardig zijn aan de normen van het nationale recht van de lidstaat, of op derde landen die in hun regelgeving ter bestrijding van witwassen en van terrorismefinanciering strategische tekortkomingen vertonen. |
(25) |
Onverminderd de geldende geheimhoudingsregels moet de informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten en belastingautoriteiten worden verbeterd. De informatie-uitwisseling moet in ieder geval in overeenstemming zijn met het nationale recht, en indien de informatie afkomstig is van een andere lidstaat, moet tussen de betrokken bevoegde autoriteiten overeenstemming over de openbaarmaking ervan worden bereikt. |
(26) |
Het is van cruciaal belang dat instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings voldoen aan de prudentiële vereisten om hun veiligheid en soliditeit te waarborgen en de stabiliteit van het financiële stelsel te vrijwaren, zowel op het niveau van de Unie in haar geheel als in elke lidstaat. Daarom moeten de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om tijdig afdoende maatregelen te nemen wanneer kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings en hun feitelijke bestuurders de prudentiële vereisten of toezichtbesluiten niet naleven. |
(27) |
Om een gelijk speelveld op het gebied van sanctiebevoegdheden te waarborgen, moet van de lidstaten worden verlangd dat zij voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties, dwangsommen en andere administratieve maatregelen met betrekking tot inbreuken op nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU en inbreuken op Verordening (EU) nr. 575/2013 of op besluiten van een bevoegde autoriteit op grond van die bepalingen of die verordening. Die administratieve sancties, dwangsommen en andere administratieve maatregelen moeten voldoen aan bepaalde minimumvereisten, waaronder de minimumbevoegdheden die de bevoegde autoriteiten moeten krijgen om deze op te leggen, de criteria waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden bij de toepassing ervan, openbaarmakingsvereisten of de niveaus van administratieve sancties en dwangsommen. De EBA moet worden gemachtigd om verslag uit te brengen over de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten in de context van de toepassing van administratieve sancties, dwangsommen en andere administratieve maatregelen. |
(28) |
De lidstaten moeten administratieve sancties kunnen opleggen wanneer de betrokken inbreuk ook onder het nationale strafrecht valt. De bevoegde autoriteiten moeten bij het bepalen van het soort administratieve sancties of andere administratieve maatregelen en de hoogte van administratieve geldboeten rekening houden met eerdere strafrechtelijke sancties die voor dezelfde inbreuk zijn opgelegd aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor die inbreuk verantwoordelijk is. Dit moet garanderen dat alle administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die met het oog op bestraffing worden opgelegd in geval van opeenstapeling van administratieve en strafrechtelijke procedures als gevolg van hetzelfde onrechtmatige gedrag, niet strenger zijn dan gezien de ernst van de betrokken inbreuk noodzakelijk is. Daartoe moeten de lidstaten passende mechanismen invoeren om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten en de gerechtelijke autoriteiten tijdig en naar behoren worden geïnformeerd over alle administratieve of strafrechtelijke procedures die tegen dezelfde natuurlijke of rechtspersoon worden ingeleid. |
(29) |
Administratieve geldboeten moeten een afschrikkend effect hebben om te voorkomen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die inbreuk maakt op de nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU of op Verordening (EU) nr. 575/2013, in de toekomst op dezelfde of soortgelijke wijze handelt. Administratieve geldboeten voor rechtspersonen moeten consequent worden opgelegd, met name wat betreft de bepaling van het maximumbedrag van dergelijke sancties, waarbij rekening moet worden gehouden met de totale jaarlijkse netto-omzet van de betrokken onderneming. De totale jaarlijkse netto-omzet in de zin van Richtlijn 2013/36/EU is momenteel echter noch uitputtend, noch voldoende duidelijk om een gelijk speelveld bij de toepassing van administratieve geldboeten te waarborgen. Om een consequente berekening in de hele Unie te waarborgen, moet Richtlijn 2013/36/EU voorzien in een lijst van elementen die in de berekening van de totale jaarlijkse netto-omzet moeten worden opgenomen. |
(30) |
Naast administratieve geldboeten moeten de bevoegde autoriteiten ook de bevoegdheid krijgen dwangsommen op te leggen aan instellingen, financiële holdings, gemengde financiële holdings en aan de leden van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie, de directie, medewerkers met een sleutelfunctie, andere medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden, en alle andere natuurlijke personen die zijn aangemerkt als personen die op grond van het nationale recht inbreuk hebben gepleegd op de verplichting om de nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU na te leven, of op hun verplichtingen krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013 of krachtens een op grond van die bepalingen of die verordening genomen besluit van een bevoegde autoriteit. De lidstaten moeten specifieke regels en doeltreffende mechanismen vaststellen voor de toepassing van dwangsommen. Dwangsommen moeten worden opgelegd indien een inbreuk voortduurt. Onverminderd de procedurele rechten van de betrokken personen op grond van het nationale recht, met inbegrip van hun recht om te worden gehoord, moeten de bevoegde autoriteiten dwangsommen kunnen opleggen zonder een voorafgaand verzoek of bevel of een voorafgaande waarschuwing te hoeven richten tot de partij in overtreding waarin deze wordt verplicht opnieuw aan haar verplichtingen te voldoen. Aangezien het doel van de dwangsommen erin bestaat natuurlijke personen of rechtspersonen te dwingen een voortdurende inbreuk te beëindigen, mag de toepassing van dwangsommen de bevoegde autoriteiten er niet van weerhouden verdere administratieve sancties voor dezelfde inbreuk op te leggen. Het moet mogelijk zijn dat dwangsommen op een bepaalde datum worden opgelegd en pas op een latere datum van toepassing worden. Tenzij de lidstaten anders bepalen, moeten dwangsommen in een bedrag per dag worden berekend. |
(31) |
Om ervoor te zorgen dat er na een inbreuk zoveel mogelijk maatregelen kunnen worden genomen, en om verdere inbreuken te helpen voorkomen, ongeacht of het nationale recht voor die inbreuken voorziet in een administratieve sanctie of een andere administratieve maatregel, moeten de lidstaten kunnen voorzien in aanvullende administratieve sancties en een hoger niveau van administratieve geldboeten en dwangsommen. |
(32) |
Een bevoegde autoriteit die dwangsommen oplegt, moet rekening houden met de mogelijke gevolgen van de dwangsom voor de financiële situatie van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de inbreuk pleegt en trachten te voorkomen dat de sanctie de natuurlijke persoon of rechtspersoon insolvent zou maken, in ernstige financiële moeilijkheden zou brengen of een onevenredig percentage van het jaarinkomen van de natuurlijke persoon of van de totale nettojaaromzet van de rechtspersoon zou vertegenwoordigen. De bevoegde autoriteiten moeten er ook voor zorgen dat dwangsommen worden opgelegd aan de leden van het leidinggevend orgaan, aan de directie, aan medewerkers met een sleutelfunctie, aan andere medewerkers wier beroepswerkzaamheden het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden en aan alle andere natuurlijke personen van wie is vastgesteld dat ze, individueel of collectief, rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de inbreuk. |
(33) |
Indien, in uitzonderlijke omstandigheden, het rechtsstelsel van de lidstaat niet toestaat dat de in deze richtlijn vastgelegde administratieve sancties worden opgelegd, moet het mogelijk zijn de regels inzake administratieve sancties uitzonderlijk zodanig toe te passen dat de sanctie door de bevoegde autoriteit wordt geïnitieerd en door een rechterlijke instantie wordt opgelegd. Desalniettemin moeten deze lidstaten ervoor zorgen dat de toepassing van dergelijke regels en sancties hetzelfde effect heeft als de administratieve sancties die door de bevoegde autoriteiten worden opgelegd. De sancties moeten derhalve doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. |
(34) |
Om te voorzien in passende sancties voor inbreuken op nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2013/36/EU en voor inbreuken op Verordening (EU) nr. 575/2013, moet de lijst van inbreuken waarvoor administratieve sancties, dwangsommen en andere administratieve maatregelen gelden, worden aangevuld. Daarom moet de lijst van inbreuken in Richtlijn 2013/36/EU worden gewijzigd. |
(35) |
Na de invoering van de Internationale standaard voor financiële verslaglegging 9 — Financiële instrumenten (IFRS 9) op 1 januari 2018 heeft de uitkomst van de berekeningen van de te verwachten kredietverliezen, aan de hand van op modellen gebaseerde benaderingen, rechtstreeks invloed op het bedrag van het eigen vermogen en op de wettelijk voorgeschreven ratio’s van instellingen. Dezelfde op modellen gebaseerde benaderingen vormen ook de basis voor de berekening van verwachte kredietverliezen wanneer instellingen nationale kaders voor financiële verslaggeving toepassen. Daarom is het belangrijk dat de bevoegde autoriteiten en de EBA een duidelijk beeld hebben van het effect dat deze berekeningen hebben op de bandbreedte van waarden voor risicogewogen activa en eigenvermogensvereisten voor vergelijkbare blootstellingen. Daartoe moet de benchmarking ook betrekking hebben op die op modellen gebaseerde benaderingen. Aangezien instellingen die eigenvermogensvereisten volgens de standaardbenadering voor het kredietrisico berekenen, ook modellen mogen gebruiken voor de berekening van te verwachten kredietverliezen binnen het kader van IFRS 9, moeten zij ook bij de benchmarking worden betrokken, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. |
(36) |
Verordening (EU) nr. 575/2013 werd bij Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad (12) gewijzigd door de invoering van een herzien marktrisicokader dat is ontwikkeld door het Bazels Comité voor bankentoezicht. De alternatieve standaardbenadering die deel uitmaakt van dat nieuwe kader, stelt instellingen in staat bepaalde parameters te modelleren die worden gebruikt bij de berekening van risicogewogen activa en eigenvermogensvereisten voor marktrisico. Daarom is het voor de bevoegde autoriteiten en de EBA belangrijk een duidelijk beeld te hebben van de bandbreedte van waarden voor risicogewogen activa en eigenvermogensvereisten die voor soortgelijke blootstellingen ontstaan, niet alleen in het kader van de alternatieve internemodellenbenadering, maar ook in het kader van de alternatieve standaardbenadering. Als gevolg daarvan moet de benchmarking van marktrisico’s betrekking hebben op de herziene gestandaardiseerde en internemodellenbenaderingen, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel. |
(37) |
De wereldwijde transitie naar een duurzame economie, zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs (13), die op 12 december 2015 is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “Overeenkomst van Parijs”), en in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, zal een ingrijpende sociaal-economische transformatie vergen en zal afhangen van de mobilisering van aanzienlijke financiële middelen uit de publieke en particuliere sector. De Europese Green Deal, die de Commissie in haar mededeling van 11 december 2019 heeft geïntroduceerd, verbindt de Unie ertoe tegen 2050 klimaatneutraal te zijn. Het financiële stelsel speelt een belangrijke rol bij de ondersteuning van die transitie, die niet alleen betrekking heeft op het in kaart brengen en ondersteunen van de kansen die zich zullen voordoen, maar ook op het naar behoren beheren van de risico’s die deze kan inhouden. Aangezien die risico’s gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van zowel individuele instellingen als het financiële stelsel als geheel, moet er een versterkt prudentieel regelgevingskader komen dat de betrokken risico’s beter integreert. |
(38) |
De ongekende omvang van de transitie naar een duurzame, klimaatneutrale en circulaire economie zal aanzienlijke gevolgen hebben voor het financiële stelsel. In 2018 erkende het Netwerk van centrale banken en toezichthouders voor de vergroening van het financiële stelsel dat klimaatgerelateerde risico’s een bron van financieel risico vormen. In de mededeling van de Commissie van 6 juli 2021 getiteld “Strategie voor de financiering van de transitie naar een duurzame economie” (de “vernieuwde strategie voor duurzame financiering”) wordt benadrukt dat ESG-risico’s en risico’s die voortvloeien uit de fysieke gevolgen van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en de bredere aantasting van ecosystemen in het bijzonder, een ongekende uitdaging vormen voor de economie van de Unie en voor de stabiliteit van het financiële stelsel. Deze risico’s hebben specifieke kenmerken zoals hun toekomstgerichte aard en hun verschillende effecten op de korte, middellange en lange termijn. Het specifieke karakter van klimaatgerelateerde en andere milieurisico’s, bijvoorbeeld risico’s die voortvloeien uit de aantasting van het milieu en het verlies aan biodiversiteit, zowel wat de transitierisico’s als de fysieke risico’s betreft, vereist met name dat die risico’s worden beheerd met een langetermijnvisie van minimaal tien jaar. |
(39) |
De transitie naar een duurzame, klimaatneutrale en circulaire economie zal over langere termijn plaatsvinden en diepgaand zijn, hetgeen aanzienlijke veranderingen in de bedrijfsmodellen van instellingen met zich mee zal brengen. De financiële sector, en met name kredietinstellingen, moet zich op adequate wijze aanpassen om de doelstelling van broeikasgasneutraliteit in de economie van de Unie in 2050 te verwezenlijken en tegelijkertijd de inherente risico’s onder controle te houden. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten dat aanpassingsproces kunnen beoordelen en kunnen ingrijpen wanneer instellingen klimaatrisico’s en risico’s als gevolg van de aantasting van het milieu en het verlies aan biodiversiteit beheren op een wijze die de stabiliteit van de afzonderlijke instellingen of de financiële stabiliteit in het algemeen in gevaar brengt. De bevoegde autoriteiten moeten ook monitoren en bevoegd zijn om op te treden indien er risico’s voortvloeien uit transitietrends in de context van de regelgevingsdoelstellingen van de Unie en de lidstaten met betrekking tot ESG-factoren, bijvoorbeeld zoals bepaald in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (14), de mededeling van de Commissie van 14 juli 2021 getiteld ““Fit for 55”: het EU-klimaatstreefdoel voor 2030 bereiken op weg naar klimaatneutraliteit” (het “Fit for 55-pakket”) en het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, vastgesteld op 19 december 2022 door de Conferentie van de partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit van de Verenigde Naties, evenals, in voorkomend geval voor internationaal actieve instellingen, uit juridische en regelgevingsdoelstellingen van derde landen, die leiden tot risico’s voor hun bedrijfsmodellen en strategieën of voor de financiële stabiliteit. De bevoegde autoriteiten moeten ook de bevoegdheid krijgen om de streefdoelen, maatregelen en acties van de prudentiële plannen van instellingen te versterken indien deze ontoereikend worden geacht om de ESG-risico’s op korte, middellange en lange termijn aan te pakken en in dat opzicht wezenlijke risico’s voor hun solvabiliteit kunnen inhouden. Klimaatrisico’s en, meer in het algemeen, ecologische risico’s moeten samen met sociale risico’s en governancerisico’s als één enkele risicocategorie worden beschouwd om een alomvattende en gecoördineerde integratie van die factoren mogelijk te maken, aangezien zij vaak met elkaar verweven zijn. ESG-risico’s houden nauw verband met het concept duurzaamheid, aangezien ESG-factoren de drie belangrijkste pijlers van duurzaamheid vormen. |
(40) |
Om voldoende bestand te blijven tegen de negatieve effecten van ESG-factoren, moeten in de Unie gevestigde instellingen in staat zijn ESG-risico’s systematisch te identificeren, te meten en te beheren, en moet van hun toezichthouders worden verlangd dat zij de risico’s zowel op het niveau van de individuele instelling als op systeemniveau beoordelen, waarbij voorrang wordt gegeven aan ecologische factoren en er vorderingen worden gemaakt met betrekking tot andere duurzaamheidsfactoren naarmate de methoden en instrumenten voor de beoordeling evolueren. Van instellingen moet worden verlangd dat zij beoordelen of hun portefeuilles in overeenstemming zijn met de ambitie van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn en aantasting van het milieu en verlies aan biodiversiteit te voorkomen. Instellingen moeten worden verplicht specifieke plannen op te stellen om de financiële risico’s aan te pakken die op korte, middellange en lange termijn voortvloeien uit ESG-factoren, met inbegrip van transitietrends in het kader van de desbetreffende regelgevingsdoelstellingen van de Unie en de lidstaten, zoals bijvoorbeeld bepaald in de Overeenkomst van Parijs, Verordening (EU) 2021/1119, het Fit for 55-pakket en het mondiaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, evenals, in voorkomend geval voor internationaal actieve instellingen, in de juridische en regelgevingsdoelstellingen van derde landen. Van instellingen moet worden verlangd dat zij beschikken over solide governanceregelingen en interne procedures voor het beheer van ESG-risico’s en over strategieën die door hun leidinggevende organen worden goedgekeurd, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de huidige maar ook met de toekomstige gevolgen van ESG-factoren. Ook de collectieve kennis en het collectieve besef van ESG-factoren door de leidinggevende organen van instellingen en de toewijzing van intern kapitaal die nodig zijn om ESG-risico’s aan te pakken, zullen van cruciaal belang zijn om veerkracht op te bouwen tegen de negatieve gevolgen van die risico’s. Gezien de specifieke kenmerken van ESG-risico’s kunnen de overeenstemming, metingen en beheerpraktijken tussen instellingen aanzienlijk verschillen. Om convergentie in de hele Unie en een uniforme interpretatie van ESG-risico’s te waarborgen, moeten in een prudentieel regelgevingskader passende definities en minimumnormen voor de beoordeling van die risico’s worden opgenomen. Om die doelstelling te bereiken, moeten er definities worden ingevoerd in Richtlijn 2013/36/EU en moet de EBA in staat worden gesteld om een minimumreeks van referentiemethoden vast te leggen voor het beoordelen van het effect van ESG-risico’s op de financiële stabiliteit van instellingen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan het effect van ecologische factoren. Aangezien ESG-risico’s gevolgen hebben voor de toekomst, en scenarioanalyse en stresstests derhalve, samen met plannen om die risico’s aan te pakken, bijzonder informatieve beoordelingsinstrumenten zijn, moet de EBA ook de bevoegdheid krijgen om uniforme criteria te ontwikkelen voor de inhoud van de plannen om die risico’s aan te pakken, voor het opstellen van scenario’s en voor de toepassing van stresstestmethoden. De EBA moet haar scenario’s baseren op beschikbaar wetenschappelijk bewijsmateriaal en voortbouwen op de werkzaamheden van het Network of Central Banks and Supervisors for Greening the Financial System (netwerk van centrale banken en toezichthouders voor de vergroening van het financiële stelsel) en de inspanningen van de Commissie om de samenwerking tussen alle relevante overheidsinstanties te versterken met het oog op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke methodische basis, zoals uiteengezet in de vernieuwde strategie voor duurzame financiering. Milieugerelateerde risico’s, met inbegrip van klimaatgerelateerde risico’s en risico’s die voortvloeien uit de aantasting van het milieu en het verlies aan biodiversiteit, moeten voorrang krijgen in het licht van de urgentie ervan en de bijzondere relevantie van scenarioanalyse en stresstests voor de beoordeling ervan. |
(41) |
Als belangrijke verstrekkers van financiering voor bedrijven en huishoudens in de Unie spelen instellingen een belangrijke rol bij het bevorderen van duurzame ontwikkeling in de hele Unie. Om de Unie in staat te stellen haar algemene doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050 te verwezenlijken, zoals bepaald in Verordening (EU) 2021/1119, moeten de instellingen het bevorderen van duurzame ontwikkeling in hun beleid en activiteiten integreren. Om dat integratieproces mogelijk te maken, moeten de bedrijfsmodellen en strategieën van instellingen worden getoetst aan de regelgevingsdoelstellingen van de Unie voor een duurzame economie, met inbegrip van bijvoorbeeld de door de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering voorgeschreven maatregelen, om ESG-risico’s als gevolg van ontoereikende afstemming in kaart te brengen. Indien instellingen hun duurzaamheidsdoelstellingen en -verbintenissen in het kader van andere verplichte of vrijwillige duurzaamheidskaders, zoals Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (15), openbaar maken, moeten die doelstellingen en verbintenissen in overeenstemming zijn met de specifieke plannen om de ESG-risico’s waarmee zij op korte, middellange en lange termijn worden geconfronteerd, aan te pakken. De bevoegde autoriteiten moeten via hun toezichtactiviteiten beoordelen in hoeverre instellingen met ESG-risico’s worden geconfronteerd en moeten ervoor zorgen dat de flankerende beleidslijnen en operationele acties tot uiting komen in de streefdoelen en mijlpalen die in hun prudentiële plannen zijn vastgelegd en die in overeenstemming zijn met hun bekendgemaakte duurzaamheidsverbintenissen in het kader van de aanpassing aan klimaatneutraliteit in 2050. Om een correct en doeltreffend toezicht op risico’s te bevorderen, evenals leidinggevend gedrag dat is afgestemd op hun langetermijnstrategie inzake duurzaamheid, moet de risicobereidheid van instellingen met betrekking tot ESG-risico’s integraal deel uitmaken van hun beloningsbeleid en -praktijken. |
(42) |
ESG-risico’s kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de stabiliteit van zowel individuele instellingen als het financiële stelsel als geheel. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten deze risico’s consequent in hun toezichtactiviteiten meenemen, met inbegrip van de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder en de stresstests van die risico’s. De Commissie heeft door middel van het bij Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad (16) vastgelegde instrument voor technische ondersteuning de nationale bevoegde autoriteiten steun verleend bij de ontwikkeling en toepassing van stresstestmethoden en zal in dit verband technische ondersteuning blijven verlenen. De stresstestmethoden voor ESG-risico’s zijn tot dusver echter voornamelijk op verkennende wijze toegepast. Om stresstests voor ESG-risico’s krachtig en consequent in het toezicht te integreren, moeten de EBA, de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen, Eiopa), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (17), en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten, ESMA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (18), gezamenlijk richtsnoeren ontwikkelen om consistente overwegingen en gemeenschappelijke methodieken voor stresstests van ESG-risico’s te waarborgen. Stresstests van die risico’s moeten beginnen met klimaat- en milieugerelateerde factoren, en naarmate er meer ESG-risicogegevens en -methodieken beschikbaar komen ter ondersteuning van de ontwikkeling van aanvullende instrumenten om de kwantitatieve impact ervan op financiële risico’s te beoordelen, moeten de bevoegde autoriteiten het effect van die risico’s in toenemende mate evalueren in hun beoordelingen van de toereikendheid van instellingen. Om de convergentie van toezichtpraktijken te waarborgen, moet de EBA richtsnoeren uitvaardigen met betrekking tot de uniforme opneming van ESG-risico’s in de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder. |
(43) |
De bepalingen van Richtlijn 2013/36/EU over het kader voor de systeemrisicobuffer kunnen al worden gebruikt voor de aanpak van verschillende soorten systeemrisico’s, waaronder systeemrisico’s in verband met klimaatverandering. Voor zover de bevoegde of de aangewezen autoriteiten van de instelling van oordeel zijn dat risico’s in verband met klimaatverandering ernstige negatieve gevolgen kunnen hebben voor het financiële stelsel en de reële economie in de lidstaten, moeten zij een systeemrisicobufferpercentage invoeren dat ook kan worden toegepast op bepaalde blootstellingen of segmenten van blootstellingen, bijvoorbeeld op degenen die te maken hebben met fysieke risico’s en transitierisico’s in verband met klimaatverandering, indien zij van mening zijn dat de invoering van een dergelijk percentage evenredig is en doeltreffend om die risico’s te beperken. |
(44) |
De markten voor cryptoactiva zijn de afgelopen jaren snel gegroeid. Om potentiële risico’s voor instellingen als gevolg van hun blootstellingen aan cryptoactiva die niet voldoende door het bestaande prudentiële kader worden gedekt, aan te pakken, heeft het Bazels Comité voor bankentoezicht een norm ontwikkeld voor de prudentiële behandeling van blootstellingen aan cryptoactiva. Een deel van die norm heeft betrekking op het risicobeheer door instellingen en de toepassing van de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder op instellingen. Van instellingen met directe of indirecte blootstellingen aan cryptoactiva of instellingen die daarmee samenhangende diensten voor enigerlei vorm van cryptoactiva aanbieden, moet worden verlangd dat zij over risicobeheerbeleid, -processen en -praktijken beschikken om risico’s die door hun blootstellingen aan cryptoactiva worden veroorzaakt, op passende wijze te beheren. Met name moeten instellingen bij hun risicobeheeractiviteiten rekening houden met de risico’s van cryptoactiva-technologie, algemene informatie- en communicatietechnologie (ICT) en cyberrisico’s, juridische risico’s, risico’s op witwassen en terrorismefinanciering, en waarderingsrisico’s. De bevoegde autoriteiten moeten de nodige toezichtmaatregelen kunnen nemen indien de risicobeheerpraktijken van de instellingen ontoereikend worden geacht. |
(45) |
Het doel van de beoordeling van de geschiktheid van leden van leidinggevende organen is ervoor te zorgen dat deze leden gekwalificeerd zijn voor hun rol en betrouwbaar zijn. Beschikken over een robuust kader voor betrouwbaarheid en deskundigheid om de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie te beoordelen, is cruciaal om ervoor te zorgen dat instellingen adequaat worden bestuurd en hun risico’s op passende wijze worden beheerd. De bestaande regels waarborgen niet dat de aanwijzende instelling tijdig een geschiktheidsbeoordeling van de leden van het leidinggevend orgaan verricht. Bovendien zijn er momenteel geen regels voor de geschiktheidsbeoordeling van medewerkers met een sleutelfunctie. Bovendien moeten grensoverschrijdende instellingen zich een weg banen door een grote verscheidenheid aan nationale regels en processen, wat de doeltreffendheid van het huidige systeem vermindert. Het bestaan van aanzienlijk verschillende vereisten met betrekking tot de geschiktheidsbeoordeling in de Unie is een bijzonder relevante kwestie in de context van de bankenunie. Daarom is het van belang een reeks regels vast te leggen op het niveau van de Unie om een meer samenhangend en voorspelbaar kader voor betrouwbaarheid en deskundigheid tot stand te brengen. Dit zal de convergentie van het toezicht bevorderen, het vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten vergroten en de instellingen meer rechtszekerheid bieden. Deskundigheids- en betrouwbaarheidsbeoordelingen zijn een belangrijk toezichtselement, samen met andere mechanismen zoals de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder en vergoedingsregelingen die samen voor een goed bestuur van instellingen zorgen. |
(46) |
Om goed bestuur te waarborgen, onafhankelijke meningsvorming en kritische vragen te stimuleren en uiteenlopende standpunten en ervaringen te presenteren, moeten de bestuursorganen voldoende divers zijn wat leeftijd, geslacht, geografische herkomst en achtergrond inzake opleiding en beroepservaring betreft. Genderevenwicht is essentieel voor een adequate vertegenwoordiging van de bevolking en moet worden bevorderd. |
(47) |
Instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het beoordelen van de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan, en moeten de initiële geschiktheidsbeoordeling uitvoeren alvorens een nieuw lid in functie treedt, met inachtneming van bepaalde uitzonderingen, gevolgd door een verificatie door de bevoegde autoriteiten. Die entiteiten moeten ervoor zorgen dat de informatie over de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan actueel blijft en die informatie aan de bevoegde autoriteit meedelen. Zodra nieuwe feiten of andere omstandigheden bekend worden die van invloed kunnen zijn op de geschiktheid van leden van het leidinggevend orgaan, moeten die entiteiten de bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld in kennis stellen. Die entiteiten moeten de nodige maatregelen nemen indien zij concluderen dat een lid of een mogelijk toekomstig lid van het leidinggevend orgaan niet aan de geschiktheidsvereisten voldoet. Dezelfde vereisten moeten ook gelden voor medewerkers met een sleutelfunctie. |
(48) |
Om rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor de entiteiten te waarborgen, is het noodzakelijk procedurevoorschriften op te stellen voor de verificatie door de bevoegde autoriteiten van de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan en medewerkers met een sleutelfunctie in grote instellingen. Dergelijke procedureregels moeten de bevoegde autoriteiten in staat stellen om zo nodig aanvullende informatie op te vragen, onder meer in de vorm van documentatie, interviews en hoorzittingen. De informatie en documenten die nodig zijn voor de geschiktheidsbeoordeling door de bevoegde autoriteiten, onder meer in het kader van de geschiktheidsaanvraag, die door grote instellingen voor leden van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie of voor de voorzitter van het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie moeten worden verstrekt voordat een mogelijk toekomstig lid een functie aanneemt (de “ex ante geschiktheidsaanvraag”), moeten op door de bevoegde autoriteiten bepaalde wijze ter beschikking worden gesteld van de bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteiten moeten de geschiktheid van een lid opnieuw beoordelen wanneer de relevante informatie over de geschiktheid van dat lid is veranderd. Van de bevoegde autoriteiten moet niet worden verlangd dat zij de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan opnieuw beoordelen wanneer hun mandaat wordt verlengd, tenzij relevante informatie waarvan de bevoegde autoriteiten kennis hebben, is veranderd en dat van invloed kan zijn op de geschiktheid van het betrokken lid. De bevoegde autoriteiten moeten de bevoegdheid hebben om de nodige maatregelen te nemen indien zij tot de conclusie komen dat niet aan de geschiktheidsvereisten is voldaan. De bevoegde autoriteiten moeten de autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de bestrijding van witwassen of terrorismefinanciering overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849 kunnen verzoeken om, op basis van risicogevoeligheid, de relevante informatie over de leden van het leidinggevend orgaan te raadplegen en toegang te hebben tot de centrale databank voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. |
(49) |
Gezien de risico’s die grote instellingen vormen, met name als gevolg van mogelijke besmettingseffecten, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de geschiktheidsbeoordeling van de toezichthouder wordt uitgevoerd nadat het lid overeenkomstig het nationale recht de functie in het leidinggevend orgaan heeft aangenomen, zonder onnodige vertraging in kennis worden gesteld zodra er een duidelijk voornemen is om een lid van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie of de voorzitter van het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie te benoemen. Grote instellingen moeten er in ieder geval voor zorgen dat de bevoegde autoriteiten uiterlijk 30 werkdagen voor het mogelijk toekomstige lid de functie aanneemt, een voorafgaande geschiktheidsaanvraag ontvangen. De voorafgaande geschiktheidsaanvraag moet vergezeld gaan van alle documenten en informatie die nodig is voor de beoordeling, ongeacht of de geschiktheidsbeoordeling door de bevoegde autoriteiten vóór of na de indiensttreding van de persoon is afgerond. Indien strafregisters of andere krachtens het nationale recht vereiste of door de bevoegde autoriteiten opgesomde documenten in een later stadium beschikbaar komen, moeten de bevoegde autoriteiten die documenten of informatie ook zonder onnodige vertraging ontvangen. De voorafgaande geschiktheidsaanvraag moet de bevoegde autoriteiten in staat stellen met hun analyse te beginnen en actie te ondernemen in het kader van de beoordeling. Dergelijke maatregelen kunnen inhouden dat het mogelijk toekomstige lid wordt belet de functie aan te nemen zolang de bevoegde autoriteit niet voldoende informatie ontvangt, of dat er een diepgaande dialoog wordt aangegaan indien de bevoegde autoriteit zich zorgen maakt over de geschiktheid van het mogelijk toekomstige lid, om ervoor te zorgen dat het mogelijk toekomstige lid geschikt is of dat zal zijn wanneer hij of zij in functie treedt. De EBA moet richtsnoeren uitvaardigen over de modaliteiten van de gerichte en diepgaande dialoog tussen de bevoegde autoriteit en de grote instelling teneinde eventuele belemmeringen betreffende de geschiktheid van het mogelijk toekomstige lid in een geest van samenwerking weg te nemen. De voorafgaande geschiktheidsaanvraag moet de bevoegde autoriteiten in staat stellen in een vroeg stadium een dialoog aan te gaan met grote instellingen over de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie of over de voorzitter van het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie, voordat zij hun functie opnemen. De voorafgaande geschiktheidsaanvraag mag echter geen afbreuk doen aan de prerogatieven en verantwoordelijkheid van de grote instelling bij het waarborgen van de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan, noch aan eventuele beoordelingen achteraf die door de bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd, indien dit overeenkomstig het nationale recht is toegestaan. |
(50) |
Voorts moeten de bevoegde autoriteiten met betrekking tot grote instellingen naar behoren overwegen een maximumtermijn vast te stellen voor het afronden van de geschiktheidsbeoordeling, ten minste met betrekking tot de benoeming van leden van het leidinggevend orgaan en de benoeming van het hoofd van de internecontrolefuncties en de financieel directeur, voor een functie in dergelijke instellingen. Die maximumtermijn moet in voorkomend geval kunnen worden verlengd. |
(51) |
De geschiktheidsbeoordeling van de leden van het leidinggevend orgaan moet het nationale recht inzake de benoeming van werknemersvertegenwoordigers in het leidinggevend orgaan en inzake de benoeming van de leden van het leidinggevend orgaan in zijn toezichthoudende functie door regionale of lokale openbare gekozen lichamen, onverlet laten. In die gevallen moeten er passende waarborgen worden ingesteld om de geschiktheid van die leden van het leidinggevend orgaan te garanderen. |
(52) |
Uiterlijk op 31 december 2029 moet de EBA, in nauwe samenwerking met de ECB, de toepassing en de efficiëntie van het kader voor betrouwbaarheid en deskundigheid evalueren en daarover verslag uitbrengen, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, met name met betrekking tot kleine en niet-complexe instellingen. |
(53) |
De EBA moet richtsnoeren ontwikkelen met betrekking tot de criteria om te bepalen of er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er sprake is of is geweest van witwassen of terrorismefinanciering, of dat dit gepoogd wordt of werd, dan wel of er een verhoogd risico daarop bestaat in verband met een entiteit. Bij de ontwikkeling van deze richtsnoeren moet de EBA samenwerken met de ESMA en met de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering opgericht bij Verordening (EU) 2024/1620 van het Europees Parlement en de Raad (19) (de “Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering”). Indien de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering niet operationeel is wanneer die richtsnoeren worden opgesteld, stelt de EBA die richtsnoeren vast zonder met die autoriteit te moeten samenwerken. |
(54) |
Gezien de rol van de geschiktheidsbeoordeling voor een prudente en gezonde bedrijfsvoering van instellingen moeten de bevoegde autoriteiten worden toegerust met nieuwe instrumenten om de geschiktheid van de leden van leidinggevende organen, van de directie en van medewerkers met een sleutelfunctie te beoordelen, zoals verantwoordelijkheidsverklaringen en een overzicht van de taken. Deze nieuwe instrumenten moeten de werkzaamheden van de bevoegde autoriteiten ondersteunen bij de herziening van de governanceregelingen van instellingen in het kader van de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder. Ongeacht de algemene collectieve verantwoordelijkheid van het leidinggevend orgaan, moeten instellingen worden verplicht individuele verklaringen op te stellen waarin de taken en plichten van alle leden van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie, van de directie en van medewerkers met een sleutelfunctie worden beschreven, evenals een overzicht van de taken, met inbegrip van bijzonderheden over de rapportagelijnen, over de verantwoordelijkheden en over de personen die deel uitmaken van de governanceregelingen van de instelling, en van de taken van deze personen. Hun individuele taken en verantwoordelijkheden zijn niet altijd duidelijk of consistent gedefinieerd, en er kunnen situaties zijn waarin twee of meer taken elkaar overlappen of waarin taak- en verantwoordelijkheidsgebieden over het hoofd worden gezien omdat zij niet exact onder de verantwoordelijkheid van één persoon vallen. De omvang van de taken en verantwoordelijkheden van elke afzonderlijke persoon moet duidelijk worden afgebakend en er mag geen enkele taak overblijven die niet onder iemands verantwoordelijkheid valt. Die instrumenten moeten zorgen voor een grotere verantwoordingsplicht van de leden van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie, van de directie en van medewerkers met een sleutelfunctie. Voorts moeten de lidstaten, indien zij dit nodig achten, strengere voorschriften met betrekking tot die instrumenten kunnen vaststellen of handhaven. |
(55) |
Het aanvullend-eigenvermogensvereiste van een instelling dat overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU door de bevoegde autoriteit van de instelling is vastgesteld om andere risico’s dan het risico van buitensporige hefboomwerking aan te pakken moet niet worden verhoogd zodra de in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde output floor op die instelling van toepassing wordt, indien alle overige factoren gelijk blijven. Voorts moet de bevoegde autoriteit, zodra de output floor op die instelling van toepassing wordt het aanvullend-eigenvermogensvereiste van die instelling evalueren en in het bijzonder beoordelen of en in welke mate aan dit vereiste reeds volledig wordt voldaan door het feit dat de instelling aan de output floor gebonden is. Indien dat het geval is, moet het aanvullend-eigenvermogensvereiste van de instelling worden beschouwd als overlapping met de risico’s die door de output floor in het eigenvermogensvereiste van de instelling worden gedekt, en bijgevolg moet de bevoegde autoriteit dat vereiste verlagen voor zover dit nodig is om een dergelijke overlapping weg te nemen zolang de instelling aan de output floor gebonden blijft. |
(56) |
Evenzo zou, zodra de output floor van toepassing wordt, het nominale bedrag van het op grond van de systeemrisicobuffer en de ASI-buffer vereiste tier 1-kernkapitaal van een instelling kunnen toenemen, ook al zijn de macroprudentiële of systeemrisico’s die aan de instelling verbonden zijn, niet dienovereenkomstig toegenomen. In dergelijke gevallen evalueert de bevoegde of de aangewezen autoriteit van de instelling de kalibratie van de systeemrisicobufferpercentages en zorgt zij ervoor dat deze passend blijven en dat de risico’s die reeds gedekt zijn doordat de instelling aan de output floor gebonden is, niet dubbel worden geteld. Een dergelijke evaluatie moet plaatsvinden met dezelfde frequentie als de evaluatie van de buffers, te weten jaarlijks voor de ASI-buffer en om de twee jaar voor de systeemrisicobuffer. De bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit van de instelling moet de kalibratie van de buffers echter frequenter kunnen aanpassen. |
(57) |
Om de tijdige en doeltreffende activering van de systeemrisicobuffer mogelijk te maken, is het noodzakelijk de toepassing van de desbetreffende bepalingen te verduidelijken en de toepasselijke procedures te vereenvoudigen en op elkaar af te stemmen. In alle lidstaten moeten aangewezen autoriteiten een systeemrisicobuffer kunnen vaststellen om ervoor te zorgen dat de autoriteiten bevoegd zijn om systeemrisico’s tijdig, evenredig en op doeltreffende wijze aan te pakken en om door autoriteiten in andere lidstaten vastgestelde systeemrisicobufferpercentages te kunnen erkennen. Erkenning van een door een andere lidstaat vastgesteld systeemrisicobufferpercentage mag alleen een kennisgeving vereisen van de autoriteit die het percentage erkent. Om onnodige vergunningsprocedures te vermijden indien het besluit om een bufferpercentage vast te stellen een verlaging of geen verandering van de eerder vastgestelde tarieven tot gevolg heeft, moet de procedure van artikel 131, lid 15, van Richtlijn 2013/36/EU worden afgestemd op de procedure van artikel 133, lid 9, van die richtlijn. De procedures van artikel 133, leden 11 en 12, van die richtlijn moeten in voorkomend geval worden verduidelijkt en beter worden afgestemd op de procedures die gelden voor andere systeemrisicobufferpercentages. |
(58) |
Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om de door de EBA ontwikkelde technische reguleringsnormen vast te stellen met betrekking tot de ontheffing van de verplichting voor beleggingsondernemingen om een vergunning als kredietinstelling aan te vragen, de lijst van minimaal te verstrekken informatie voor de beoordeling van materiële transacties, het proces voor de beoordeling van transacties van materieel belang, de boekingsregelingen voor bijkantoren uit derde landen, het samenwerkingsmechanisme en de werking van colleges van toezichthouders, het concept van blootstellingen aan wanbetalingsrisico’s die materieel zijn in absolute termen en de drempels voor grote aantallen materiële tegenpartijen en posities in verhandelbare schuld- of aandeleninstrumenten van verschillende uitgevende instellingen, alsmede de minimuminhoud van de geschiktheidsvragenlijst, de curricula vitae en de interne geschiktheidsbeoordeling. De Commissie moet deze technische reguleringsnormen vaststellen door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. |
(59) |
Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om de door de EBA ontwikkelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen met betrekking tot de uniforme formats en definities voor de rapportage door intermediaire moederondernemingen, het overlegproces tussen de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de verwerving van een gekwalificeerde deelneming, het overlegproces tussen de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de fusie of splitsing, en de wettelijke en financiële informatie over bijkantoren uit derde landen en over hoofdondernemingen. De Commissie moet die technische uitvoeringsnormen door middel van uitvoeringshandelingen vaststellen op grond van artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. |
(60) |
Bij het opstellen van technische normen en richtsnoeren en bij het beantwoorden van vragen in verband met de praktische toepassing of uitvoering daarvan, moet de EBA terdege rekening houden met het evenredigheidsbeginsel en ervoor te zorgen dat die normen en richtsnoeren zonder onnodige inspanningen ook door kleine en niet-complexe instellingen kunnen worden toegepast. |
(61) |
Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. |
(62) |
Richtlijn 2013/36/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Richtlijn 2013/36/EU
Richtlijn 2013/36/EU wordt als volgt gewijzigd:
1) |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
2) |
Artikel 3, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
|
3) |
Artikel 4, lid 4, wordt vervangen door: “4. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over de deskundigheid, de middelen, de operationele capaciteit, de bevoegdheden en de onafhankelijkheid die noodzakelijk zijn om de taken te vervullen met betrekking tot prudentieel toezicht en onderzoeken, alsook de nodige bevoegdheden om de in deze richtlijn en in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde dwangsommen en sancties op te leggen.”. |
4) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 4 bis Onafhankelijkheid van de bevoegde autoriteiten op het gebied van toezicht
De lidstaten zorgen ervoor dat geen enkel lid van het bestuursorgaan van een bevoegde autoriteit dat wordt benoemd na 11 januari 2026, langer dan 14 jaar in functie blijft. De lidstaten zorgen ervoor dat de leden van het bestuursorgaan van een bevoegde autoriteit worden benoemd op basis van objectieve en transparante criteria die gepubliceerd zijn en dat die leden kunnen worden ontslagen indien zij niet langer voldoen aan de benoemingscriteria of veroordeeld zijn voor een ernstig strafbaar feit. De redenen voor het ontslag worden openbaar gemaakt, tenzij het lid van het betrokken bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit daartegen bezwaar maakt. De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde autoriteiten hun doelstellingen bekendmaken, verantwoording afleggen voor de uitvoering van hun taken in verband met die doelstellingen en onderworpen worden aan financiële controle, op een manier die geen afbreuk doet aan hun onafhankelijkheid. Dit lid geldt onverminderd de rechten en verplichtingen van de bevoegde autoriteiten die voortvloeien uit het feit dat zij deel uitmaken van internationale of Europese systemen voor financieel toezicht, met name het op grond van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (*3) ingestelde Europees Systeem voor financieel toezicht, het op grond van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (*4) en Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (*5) ingestelde gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het op grond van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad ingestelde gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (*6).
De in de eerste alinea, punt a), i) en ii), bedoelde uitzonderingen zijn alleen van toepassing indien de derden en instellingen voor collectieve belegging niet overwegend beleggen in instrumenten die zijn uitgegeven door of waarnaar wordt verwezen naar de in punt a) bedoelde entiteiten.
De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan hun personeelsleden en de leden van hun bestuursorganen waarop lid 3, punt b), i), van toepassing is, te onderwerpen aan een afkoelingsperiode in geval van indienstneming door een rechtstreekse concurrent van een van de in dat punt bedoelde entiteiten. In dat geval bedraagt de afkoelingsperiode minstens drie maanden voor personeelsleden die rechtstreeks betrokken zijn bij het toezicht op die entiteiten en minstens zes maanden voor leden van het bestuursorgaan van de bevoegde autoriteit.
De belangenverklaring laat een eventuele verplichting om een vermogensaangifte in te dienen op grond van de toepasselijke nationale voorschriften onverlet.
(*3) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (P. L 331 van 15.12.2010, blz. 12)." (*4) Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63)." (*5) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1)." (*6) Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).”." |
5) |
Artikel 8 bis wordt als volgt gewijzigd:
|
6) |
Aan artikel 18 wordt het volgende punt toegevoegd:
|
7) |
Artikel 21 bis wordt als volgt gewijzigd:
|
8) |
In artikel 21 ter wordt het volgende lid ingevoegd: “6 bis. De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot nadere bepaling van de uniforme formats en definities op en ontwikkelt IT-oplossingen die in de Unie moeten worden toegepast voor de rapportage van de in lid 6 bedoelde informatie. De EBA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de tweede alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.”. |
9) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 21 quater Vereiste voor ondernemingen uit derde landen om een bijkantoor op te richten voor het verrichten van bankdiensten
Onverminderd de eerste alinea, punt c), wordt, indien een onderneming uit een derde land een cliënt of tegenpartij, of een potentiële cliënt of tegenpartij, als bedoeld in punt a) van die alinea, benadert, via een entiteit die namens haar optreedt of nauwe banden heeft met een dergelijke onderneming uit een derde land of via een andere persoon die namens een dergelijke onderneming optreedt, dit niet beschouwd als een dienst die uitsluitend wordt verleend op eigen initiatief van de cliënt of de tegenpartij, dan wel van de potentiële cliënt of tegenpartij. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om van op hun grondgebied gevestigde kredietinstellingen en bijkantoren te verlangen dat zij hun de informatie verstrekken die zij nodig hebben om toezicht te houden op de diensten die uitsluitend worden verleend op eigen initiatief van de op hun grondgebied gevestigde of gelegen cliënt of tegenpartij, indien die diensten worden verleend door in een derde land gevestigde ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep.
Op basis van het verslag dient de Commissie, zo nodig, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.”. |
10) |
In artikel 22, lid 2, wordt de eerste alinea vervangen door: “De bevoegde autoriteiten bevestigen de ontvangst van kennisgevingen op grond van lid 1 of van alle aanvullende informatie op grond van lid 3 onverwijld en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst van de kennisgeving of de informatie.”. |
11) |
Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:
|
12) |
In titel III worden de volgende hoofdstukken toegevoegd: “HOOFDSTUK 3 VERWERVING OF AFSTOTING VAN EEN DEELNEMING VAN BETEKENIS Artikel 27 bis Kennisgeving en beoordeling van de verwerving
Indien de voorgenomen verwerving betrekking heeft op de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in artikel 22, lid 1, blijft de kandidaat-verwerver ook onderworpen aan de kennisgevingsverplichting en de beoordeling krachtens dat artikel. In dat geval verstrijkt de termijn voor de bevoegde autoriteit om zowel de in artikel 27 ter, lid 1, bedoelde beoordeling als de in artikel 22, lid 2, bedoelde beoordeling uit te voeren pas wanneer de laatste van de twee beoordelingsperioden verstrijkt.
Artikel 27 ter Beoordelingscriteria
Voor de toepassing van dit lid en met betrekking tot het criterium van lid 1, punt b), van dit artikel houdt de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van de voorgenomen verwerving naar behoren rekening met een negatief advies van de autoriteiten die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849 verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de kandidaat-verwerver, voor zover de bevoegde autoriteiten dat advies binnen 30 werkdagen na het oorspronkelijke verzoek hebben ontvangen, dat een redelijke grond kan vormen om zich te verzetten.
Voor de toepassing van de eerste alinea houdt de EBA rekening met titel II van Richtlijn (EU) 2017/1132. De EBA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 27 quater Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten
Indien de kandidaat-verwerver een financiële holding of gemengde financiële holding is die binnen het toepassingsgebied van artikel 21 bis, lid 1, valt, stelt de consoliderende toezichthouder die de voorgenomen verwerving beoordeelt, de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de kandidaat-verwerver is gevestigd in kennis van de voorgenomen verwerving binnen tien werkdagen na ontvangst van de door de kandidaat-verwerver ingediende kennisgeving, indien die bevoegde autoriteit een andere is dan de consoliderende toezichthouder. De consoliderende toezichthouder verstrekt zijn beoordeling ook aan die bevoegde autoriteit. Indien de kandidaat-verwerver een instelling is en de in artikel 27 bis, lid 2, bedoelde drempel zowel op individuele basis als op basis van de geconsolideerde situatie van de groep wordt overschreden, trachten de bevoegde autoriteit en de consoliderende toezichthouder die de voorgenomen verwerving beoordelen, hun beoordelingen te coördineren, met name wat betreft hun raadpleging van de in lid 1 van dit artikel bedoelde autoriteiten.
Indien binnen twee maanden na de ontvangst van de beoordeling geen gezamenlijk besluit wordt genomen, onthoudt de consoliderende toezichthouder of de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar de kandidaat-verwerver is gevestigd, zich van het nemen van een besluit en verwijst die toezichthouder of autoriteit de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 naar de EBA. De EBA neemt haar besluit binnen één maand nadat zij de verwijzing heeft ontvangen. De betrokken autoriteiten nemen een gezamenlijk besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA.
De bevoegde autoriteiten streven ernaar hun beoordelingen te coördineren en de consistentie van hun beslissingen te waarborgen. Daartoe worden in het besluit van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de beoordeling, de standpunten of bezwaren van de andere betrokken bevoegde autoriteiten opgenomen.
De EBA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 27 quinquies Kennisgeving van afstoting De lidstaten schrijven voor dat instellingen, en financiële holdings en gemengde financiële holdings die binnen het toepassingsgebied van artikel 21 bis, lid 1, vallen, de bevoegde autoriteit daarvan in kennis moeten stellen wanneer zij voornemens zijn een overeenkomstig artikel 27 bis, lid 2, vastgestelde deelneming van betekenis rechtstreeks of middellijk af te stoten. De kennisgeving gebeurt schriftelijk en vóór de afstoting, en vermeldt de omvang van de betrokken deelneming. Artikel 27 sexies Informatieplicht en sancties Indien de kandidaat-verwerver de voorgenomen verwerving niet vooraf overeenkomstig artikel 27 bis, lid 1, heeft aangemeld of een deelneming van betekenis als bedoeld in dat artikel heeft verworven ondanks het verzet van de bevoegde autoriteit, schrijven de lidstaten voor dat de bevoegde autoriteit passende maatregelen neemt. Indien een deelneming van betekenis wordt verworven ondanks verzet van de bevoegde autoriteit, bepalen de lidstaten, onverminderd eventuele sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig worden verklaard. HOOFDSTUK 4 MATERIËLE OVERDRACHTEN VAN ACTIVA EN PASSIVA Artikel 27 septies Kennisgeving van materiële overdrachten van activa en passiva
Indien bij de voorgenomen transactie alleen entiteiten van dezelfde groep betrokken zijn, vallen die entiteiten ook onder de eerste alinea. Voor de toepassing van de eerste en de tweede alinea is elk van de entiteiten die bij dezelfde voorgenomen transactie betrokken zijn, individueel onderworpen aan de daarin bedoelde kennisgevingsplicht.
Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid gelden voor financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings als bedoeld in lid 1, de percentages op basis van hun geconsolideerde situatie. Voor de berekening van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde percentages wordt geen rekening gehouden met:
Artikel 27 octies Informatieplicht en sancties Indien de entiteiten de voorgenomen transactie niet vooraf overeenkomstig artikel 27 septies, lid 1, hebben gemeld, schrijven de lidstaten voor dat de bevoegde autoriteiten passende maatregelen nemen. HOOFDSTUK 5 FUSIES EN SPLITSINGEN Artikel 27 nonies Toepassingsgebied en definities Dit hoofdstuk laat de toepassing van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (*10) en Richtlijn (EU) 2017/1132 onverlet. Fusies en splitsingen die voortvloeien uit de toepassing van Richtlijn 2014/59/EU zijn niet aan de verplichtingen van dit hoofdstuk onderworpen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Artikel 27 decies Kennisgeving en beoordeling van de fusie of splitsing
Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid, moet, indien de voorgenomen transactie een splitsing behelst, de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op de entiteit die de voorgenomen activiteit uitvoert, in kennis worden gesteld en met de in artikel 27 undecies, lid 1, bedoelde beoordeling worden belast.
Indien bij de voorgenomen transactie enkel financieel belanghebbenden uit dezelfde groep betrokken zijn, beschikt de bevoegde autoriteit over een termijn van 60 werkdagen vanaf de datum van de schriftelijke ontvangstbevestiging van de kennisgeving en vanaf de ontvangst van alle documenten waarvan de lidstaten overeenkomstig artikel 27 undecies, lid 5, voorschrijven dat zij bij de kennisgeving moeten worden gevoegd (de “beoordelingsperiode”), om de in artikel 27 undecies, lid 1, bedoelde beoordeling uit te voeren. De bevoegde autoriteit stelt de financieel belanghebbenden op het moment van de ontvangstbevestiging in kennis van de datum waarop de beoordelingsperiode afloopt.
Indien bij de voorgenomen transactie alleen financieel belanghebbenden uit dezelfde groep betrokken zijn, kan de bevoegde autoriteit uiterlijk op de 50e werkdag van de beoordelingsperiode om aanvullende informatie verzoeken. De beoordelingsperiode wordt opgeschort vanaf de datum waarop de bevoegde autoriteit om aanvullende informatie verzoekt, tot de datum waarop zij van de financieel belanghebbenden een antwoord met alle gevraagde informatie ontvangt. Die opschorting duurt ten hoogste 20 werkdagen. Het staat de bevoegde autoriteit vrij te verzoeken om vervollediging of verduidelijking van de informatie, maar daardoor wordt de beoordelingsperiode niet opgeschort.
Artikel 27 undecies Beoordelingscriteria
Het in de eerste alinea, punt d), bedoelde uitvoeringsplan wordt onderworpen aan passende monitoring door de bevoegde autoriteit totdat de voorgenomen transactie is voltooid.
Met betrekking tot het criterium van lid 1, punt e), van dit artikel houdt de bevoegde autoriteit bij de beoordeling van de voorgenomen transactie naar behoren rekening met een negatief advies van de autoriteiten die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849 verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de financieel belanghebbenden, indien de bevoegde autoriteit dat advies binnen 30 werkdagen na het oorspronkelijke verzoek heeft ontvangen, en kan dat advies een redelijke grond vormen voor een negatief advies als bedoeld in de eerste alinea van dit lid.
Artikel 27 duodecies Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten
De bevoegde autoriteiten streven ernaar hun beoordelingen te coördineren en de consistentie van hun adviezen te waarborgen.
Voor de toepassing van de eerste alinea houdt de EBA rekening met titel II van Richtlijn (EU) 2017/1132. De EBA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 januari 2027 in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 27 terdecies Informatieplicht en sancties Indien de financieel belanghebbenden de voorgenomen transactie niet vooraf overeenkomstig artikel 27 decies, lid 1, hebben gemeld of de in dat artikel bedoelde voorgenomen transactie zonder voorafgaand positief advies van de bevoegde autoriteiten hebben uitgevoerd, schrijven de lidstaten voor dat de bevoegde autoriteiten passende maatregelen nemen. (*9) Richtlijn (EU) 2019/2162 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2014/59/EU (PB L 328 van 18.12.2019, blz. 29)." (*10) Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de “EG-concentratieverordening”) (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).”." |
13) |
Titel VI wordt vervangen door: “TITEL VI PRUDENTIEEL TOEZICHT OP BIJKANTOREN UIT DERDE LANDEN EN BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN HOOFDSTUK 1 PRUDENTIEEL TOEZICHT OP BIJKANTOREN UIT DERDE LANDEN AFDELING I Algemene bepalingen Artikel 47 Toepassingsgebied en definities
Artikel 48 Verbod op discriminatie De lidstaten passen op bijkantoren uit derde landen, wat de aanvang of de voortzetting van hun werkzaamheden betreft, geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben. Artikel 48 bis Classificering van bijkantoren uit derde landen
Artikel 48 ter Voorwaarden voor in aanmerking komende bijkantoren uit derde landen
AFDELING II Vergunnings- en regelgevingsvereisten Onderafdeling 1 Vergunningsvereisten Artikel 48 quater Minimumvoorwaarden voor het vergunnen van bijkantoren uit derde landen
Artikel 48 quinquies Voorwaarden voor de weigering of intrekking van de vergunning van een bijkantoor uit een derde land
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), stellen bijkantoren uit derde landen hun bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis wanneer de in dat punt bedoelde omstandigheden zich voordoen.
Onderafdeling 2 Minimale wettelijke vereisten Artikel 48 sexies Dotatiekapitaalvereiste
Artikel 48 septies Liquiditeitsvereisten
Artikel 48 octies Interne governance en risicobeheer
Afhankelijk van hun omvang en interne organisatie en van de aard, reikwijdte en complexiteit van hun activiteiten kunnen de bevoegde autoriteiten van klasse 2-bijkantoren uit derde landen verlangen dat zij hoofden van internecontrolefuncties aanstellen, zoals bepaald in artikel 76, lid 6, derde en vijfde alinea.
Artikel 48 nonies Boekingsvereisten
De EBA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Onderafdeling 3 Bevoegdheid om een vergunning te eisen uit hoofde van titel III en vereisten voor bijkantoren uit derde landen die systeemrelevant zijn Artikel 48 decies Bevoegdheid om de oprichting van een dochteronderneming te eisen
De in de eerste alinea van dit lid bedoelde bevoegdheid kan worden uitgeoefend na toepassing van de maatregelen van artikel 48 undecies of 48 sexdecies, naargelang het geval, of wanneer de bevoegde autoriteit op andere dan de in de eerste alinea van dit lid genoemde gronden kan rechtvaardigen dat die maatregelen ontoereikend zouden zijn om de wezenlijke toezichtsproblemen weg te nemen.
Voor de toepassing van lid 1, punten b) en c), van dit artikel en bij de uitvoering van de in artikel 48 undecies bedoelde beoordeling houden de bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de aangewezen autoriteiten rekening met passende indicatoren voor de beoordeling van de systeemrelevantie van bijkantoren uit derde landen, waaronder met name:
Artikel 48 undecies Beoordeling van systeemrelevantie en vereisten voor bijkantoren uit derde landen die systeemrelevant zijn
De in de eerste alinea bedoelde activadrempel is exclusief de activa die door de bijkantoren uit derde landen worden aangehouden in verband met markttransacties met centrale banken van het ESCB.
De bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de aangewezen autoriteit deelt haar met redenen omklede beoordeling van de systeemrelevantie van het bijkantoor uit een derde land voor de Unie of de lidstaat waar het is gevestigd, mee aan de EBA en aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de betrokken groep uit een derde land andere bijkantoren uit derde landen of dochterinstellingen heeft gevestigd. Indien de geraadpleegde bevoegde autoriteiten het niet eens zijn met de beoordeling van de systeemrelevantie van het bijkantoor uit een derde land, stellen zij de bevoegde autoriteit die de in lid 2 bedoelde beoordeling heeft uitgevoerd, binnen tien werkdagen na ontvangst van de beoordeling daarvan in kennis. De bevoegde autoriteiten stellen, met de hulp van de EBA, alles in het werk om uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de aangewezen autoriteit bezwaar heeft gemaakt, een consensus te bereiken over de beoordeling en, in voorkomend geval, over de in lid 4 bedoelde gerichte vereisten. Na het verstrijken van die periode neemt de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op het bijkantoor uit een derde land dat wordt beoordeeld, een besluit over de beoordeling van de systeemrelevantie van het bijkantoor uit een derde land en over de in lid 4 bedoelde gerichte vereisten.
Indien de bevoegde autoriteit of, in voorkomend geval, de aangewezen autoriteit van mening is dat een bijkantoor uit een derde land systeemrelevant is, maar beslist om de in de eerste alinea, punt a), van dit lid of in artikel 48 decies bedoelde bevoegdheden niet uit te oefenen, verstrekt zij een kennisgeving aan de EBA en aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de betrokken groep uit een derde land andere bijkantoren uit derde landen of dochterinstellingen heeft gevestigd, met de redenen waarom zij heeft beslist die bevoegdheden niet uit te oefenen.
Onderafdeling 4 Rapportagevereisten Artikel 48 duodecies Regelgevings- en financiële informatie over bijkantoren uit derde landen en over de hoofdonderneming
Voor de rapportage van de informatie over de activa en passiva die overeenkomstig de eerste alinea, punt a), in hun boeken worden bijgehouden, passen bijkantoren uit derde landen de internationale standaarden voor jaarrekeningen toe die worden toegepast overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (*13) of de toepasselijke algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen in de lidstaat.
Artikel 48 terdecies Standaardformulieren en -templates en frequentie van de rapportage
De in artikel 48 duodecies bedoelde rapportagevereisten staan in verhouding tot de classificering van bijkantoren uit derde landen als klasse 1 of klasse 2. De EBA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 bij de Commissie in. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
AFDELING III Toezicht Artikel 48 quaterdecies Toezicht op bijkantoren uit derde landen en programma voor onderzoek door de toezichthouder
Artikel 48 quindecies Procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), worden de daarin bedoelde procedures en methodieken vastgesteld op een wijze die evenredig is met de classificering van bijkantoren uit derde landen als klasse 1 of klasse 2 en met andere passende criteria zoals de aard, schaal en complexiteit van hun activiteiten. Artikel 48 sexdecies Toezichtmaatregelen en -bevoegdheden
Artikel 48 septdecies Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en colleges van toezichthouders
De EBA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 januari 2026 in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. Artikel 48 octodecies Kennisgeving aan de EBA De bevoegde autoriteiten geven de EBA kennis van:
De EBA publiceert op haar website een lijst van alle bijkantoren uit derde landen die overeenkomstig deze titel een vergunning hebben om actief te zijn in de Unie, met vermelding van de lidstaten waar zij een vergunning hebben om actief te zijn. HOOFDSTUK 2 BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN Artikel 48 novodecies Samenwerking inzake toezicht op geconsolideerde basis met de toezichtautoriteiten van derde landen
(*11) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1)." (*12) Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149)." (*13) Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).”." |
14) |
In artikel 53, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door: “De vertrouwelijke gegevens waarvan deze personen, auditors of deskundigen beroepshalve kennis krijgen, mogen uitsluitend samengevat of geaggregeerd openbaar worden gemaakt, zodat individuele kredietinstellingen niet kunnen worden geïdentificeerd, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht of belastingrecht vallen.”. |
15) |
Aan artikel 56 wordt het volgende lid toegevoegd: “Artikel 53, lid 1, en artikel 54 vormen geen beletsel voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en de belastingautoriteiten van dezelfde lidstaat in overeenstemming met het nationale recht. Informatie die van een andere lidstaat afkomstig is, wordt uitsluitend uitgewisseld overeenkomstig de eerste zin van dit lid met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de informatie openbaar hebben gemaakt.”. |
16) |
De artikelen 65 en 66 worden vervangen door: “Artikel 65 Administratieve sancties, dwangsommen en andere administratieve maatregelen
De in de eerste alinea bedoelde lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 10 januari 2026 de bepalingen van intern recht mee die zij uit hoofde van dit lid vaststellen, en alle latere wijzigingen daarin onverwijld. Artikel 66 Administratieve sancties, dwangsommen en andere administratieve maatregelen voor inbreuken op vergunningvereisten en vereisten voor de verwerving of vervreemding van deelnemingen van betekenis, materiële overdrachten van activa en passiva, fusies of splitsingen
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), kunnen de lidstaten een hoger maximumbedrag vaststellen voor dwangsommen die per dag van de inbreuk worden opgelegd. In afwijking van de eerste alinea, punt b), kunnen de lidstaten dwangsommen per week of per maand opleggen. In die gevallen mag het maximumbedrag van de dwangsommen die moeten worden toegepast in de betrokken week of maand waarin een inbreuk plaatsvindt, niet hoger zijn dan het in overeenstemming met dat punt bepaalde maximumbedrag van de dwangsommen die per dag van toepassing zouden zijn voor de betrokken periode. Dwangsommen kunnen op een bepaalde datum worden opgelegd en pas op een latere datum van toepassing worden.
Voor de toepassing van dit artikel is de berekeningsgrondslag de meest recente jaarlijkse financiële toezichtinformatie die een indicator boven nul oplevert. Indien de in lid 2 van dit artikel bedoelde rechtspersoon niet onderworpen is aan Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451, is de relevante totale netto jaaromzet gelijk aan de totale nettojaaromzet of het soort inkomsten dat daarmee volgens het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving overeenstemt. Indien de betrokken onderneming deel uitmaakt van een groep, is de relevante totale nettojaaromzet gelijk aan de totale netto jaaromzet die resulteert uit de geconsolideerde rekening van de uiteindelijke moederonderneming.
(*14) Verordening (EU) 2022/2554 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende digitale operationele weerbaarheid voor de financiële sector en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1060/2009, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 909/2014 en (EU) 2016/1011 (PB L 333 van 27.12.2022, blz. 1)." (*15) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie van 17 december 2020 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 (PB L 97 van 19.3.2021, blz. 1).”." |
17) |
Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
|
18) |
Artikel 70 wordt vervangen door: “Artikel 70 Effectieve toepassing van administratieve sancties en andere administratieve maatregelen, en uitoefening van bevoegdheden door bevoegde autoriteiten om sancties op te leggen
|
19) |
In artikel 73 wordt de eerste alinea vervangen door: “De instellingen beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend kunnen nagaan of, en ervoor kunnen zorgen dat, de hoogte, samenstelling en verdeling van het interne kapitaal nog aansluiten op de aard en omvang van hun huidige en mogelijke toekomstige risico’s. Instellingen houden bij de dekking van ESG-risico’s uitdrukkelijk rekening met de korte, middellange en lange termijn.”. |
20) |
In artikel 74 wordt lid 1 vervangen door: “1. De instellingen beschikken over solide governanceregelingen, waaronder:
Het beloningsbeleid en de beloningspraktijken, bedoeld in de eerste alinea, punt e), zijn genderneutraal.”. |
21) |
Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:
|
22) |
Artikel 77 wordt als volgt gewijzigd:
|
23) |
Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:
|
24) |
Aan artikel 79 wordt het volgende punt toegevoegd:
|
25) |
Artikel 81 wordt vervangen door: “Artikel 81 Concentratierisico De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan het risico met betrekking tot elke tegenpartij, met inbegrip van centrale tegenpartijen, groepen van verbonden tegenpartijen en tegenpartijen van dezelfde economische sector of geografische regio, dan wel uit dezelfde activiteits- of grondstofsector, alsmede uit de toepassing van technieken voor de limitering van het kredietrisico, en met name van risico’s verbonden aan grote indirecte kredietblootstellingen, bijvoorbeeld jegens één enkele uitgevende instelling van zekerheden, wordt ondervangen en beheerst, onder meer door middel van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen en procedures. Voor cryptoactiva zonder identificeerbare uitgevende instelling wordt het concentratierisico in aanmerking genomen als blootstelling aan cryptoactiva met vergelijkbare kenmerken.”. |
26) |
Aan artikel 83 wordt het volgende lid toegevoegd: “4. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen een beoordeling vooraf verrichten van een eventuele blootstelling aan cryptoactiva die zij voornemens zijn aan te gaan en van de toereikendheid van de bestaande processen en procedures voor het beheer van marktrisico’s, en over die beoordelingen verslag uitbrengen aan hun bevoegde autoriteit.”. |
27) |
In artikel 85 wordt lid 1 vervangen door: “1. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat instellingen beleid en processen uitvoeren voor evaluatie en beheer van blootstellingen aan operationeel risico, met inbegrip van risico’s die voortvloeien uit outsourcingregelingen en directe en indirecte blootstellingen aan cryptoactiva en aan aanbieders van cryptoactivadiensten, en om zelden voorkomende, zeer ernstige gebeurtenissen te dekken. De instellingen omschrijven nader wat voor de toepassing van dat beleid en die procedures onder operationeel risico wordt verstaan.”. |
28) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 87 bis Ecologische, sociale en governancerisico’s
In voorkomend geval kunnen de bevoegde autoriteiten voor de in de eerste alinea bedoelde beoordeling samenwerken met autoriteiten of overheidsinstanties die belast zijn met klimaatveranderings- en milieutoezicht.
In voorkomend geval zijn de methodieken en aannames ter ondersteuning van de streefdoelen, de verbintenissen en de strategische besluiten die openbaar worden gemaakt door de inhoud van de in artikel 19 bis of 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde plannen, of andere relevante openbaarmakings- en zorgvuldigheidskaders, in overeenstemming met de criteria, methodieken en streefdoelen als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, alsook met de aannames en verbintenissen in die plannen. De EBA actualiseert de in de eerste alinea bedoelde richtsnoeren regelmatig teneinde rekening te houden met de vooruitgang die is geboekt bij het meten en beheren van ESG-risico’s alsook met de ontwikkeling van de regelgevingsdoelstellingen van de Unie inzake duurzaamheid.”. |
29) |
Artikel 88 wordt als volgt gewijzigd:
|
30) |
Artikel 91 wordt vervangen door: “Artikel 91 Leidinggevend orgaan en geschiktheidsbeoordeling
1 bis. De entiteiten zien erop toe dat de leden van het leidinggevend orgaan te allen tijde voldoen aan de criteria en vereisten van de leden 2 tot en met 6 en beoordelen de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan, waarbij zij rekening houden met toezichtverwachtingen, voordat zij in functie treden en periodiek, zoals vastgelegd in de toepasselijke wet- en regelgeving, richtsnoeren en het interne geschiktheidsbeleid. Indien de meerderheid van de leden van het leidinggevend orgaan echter tegelijkertijd moet worden vervangen door nieuw benoemde leden en de toepassing van de eerste alinea ertoe zou leiden dat de geschiktheidsbeoordeling van de nieuwe leden door de vertrekkende leden zou worden uitgevoerd, kunnen de lidstaten toestaan dat de beoordeling plaatsvindt nadat de nieuw benoemde leden in functie zijn getreden. Wanneer de entiteit de aanvraag overeenkomstig lid 1 septies bij de bevoegde autoriteit indient, bevestigt zij ook het bestaan van die voorwaarden. 1 ter. Indien de entiteiten op basis van de in lid 1 bis bedoelde interne geschiktheidsbeoordeling concluderen dat het betrokken lid of kandidaat-lid niet voldoet aan de criteria en vereisten van lid 1, zorgen de entiteiten ervoor dat:
1 quater. De entiteiten zorgen ervoor dat de informatie over de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan actueel blijft. De entiteiten verstrekken die informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteit via door de bevoegde autoriteit vastgestelde middelen. 1 quinquies. De lidstaten zorgen ten minste ervoor dat de bevoegde autoriteit voor de onderstaande entiteiten een geschiktheidsaanvraag ontvangt, en wel zonder onnodige vertraging en zodra er een duidelijk voornemen is om een lid van het leidinggevend orgaan in zijn leidinggevende functie of de voorzitter van het leidinggevend orgaan in zijn toezichtfunctie te benoemen, en in ieder geval uiterlijk 30 werkdagen voordat de kandidaat-leden in functie treden:
1 sexies. De in lid 1 quinquies bedoelde geschiktheidsaanvraag gaat vergezeld van:
De entiteiten verstrekken de geschiktheidsaanvraag en de begeleidende documenten aan de bevoegde autoriteit via door de bevoegde autoriteit vastgestelde middelen. Indien een bevoegde autoriteit op basis van de in de eerste alinea van dit lid vermelde elementen niet over voldoende informatie beschikt om de geschiktheidsbeoordeling uit te voeren, kan zij verlangen dat het kandidaat-lid niet in functie treedt voordat de vereiste informatie is verstrekt, tenzij de bevoegde autoriteit zich ervan heeft vergewist dat die informatie niet kan worden verstrekt. Indien de bevoegde autoriteit twijfels heeft over de vraag of het kandidaat-lid voldoet aan de criteria en vereisten van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel, voert zij een versterkte dialoog met de instelling om op de vastgestelde punten van twijfel in te gaan teneinde ervoor te zorgen dat het kandidaat-lid bij de infunctietreding geschikt is of wordt. De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit om te specificeren hoe de versterkte dialoog om op geschiktheidskwesties in te gaan, gevoerd moet worden. 1 septies. De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten beoordelen of de leden van het leidinggevend orgaan te allen tijde aan de criteria en vereisten van de leden 2 tot en met 6 voldoen. De entiteiten verstrekken de geschiktheidsaanvraag en andere informatie die vereist is voor het beoordelen van de geschiktheid van leden van hun leidinggevend orgaan aan de bevoegde autoriteit via door de bevoegde autoriteit vastgestelde middelen. De bevoegde autoriteiten kunnen om aanvullende informatie of documentatie verzoeken, waaronder interviews of hoorzittingen. 1 octies. De bevoegde autoriteiten gaan met name na of nog steeds aan de criteria en vereisten van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel wordt voldaan als er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er in verband met de entiteit sprake is of is geweest van witwassen of terrorismefinanciering in de zin van artikel 1 van Richtlijn (EU) 2015/849, van een poging daartoe of van een verhoogd risico daarop. 1 nonies. Indien leden van het leidinggevend orgaan niet te allen tijde voldoen aan de criteria en vereisten van de leden 2 tot en met 6, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten over de nodige bevoegdheden beschikken om:
Zodra er nieuwe feiten of andere omstandigheden bekend worden die van invloed kunnen zijn op de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan, beoordelen de entiteiten de geschiktheid van die leden opnieuw en stellen zij de bevoegde autoriteit daarvan zonder onnodige vertraging in kennis. Indien de bevoegde autoriteit constateert dat de relevante informatie over de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan is veranderd en die verandering van invloed kan zijn op de geschiktheid van de betrokken leden, beoordeelt de bevoegde autoriteit hun geschiktheid opnieuw. De bevoegde autoriteiten hoeven de geschiktheid van de leden van het leidinggevend orgaan niet opnieuw te beoordelen wanneer hun mandaat wordt verlengd, tenzij relevante informatie waarvan de bevoegde autoriteiten kennis hebben, is veranderd en die verandering van invloed kan zijn op de geschiktheid van het betrokken lid. 1 decies. De bevoegde autoriteiten kunnen de autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering overeenkomstig Richtlijn (EU) 2015/849, verzoeken in het kader van hun verificaties en op basis van risicogevoeligheid relevante informatie over de leden van het leidinggevend orgaan te raadplegen. De bevoegde autoriteiten kunnen ook verzoeken om toegang tot de centrale AML/CFT-databank, bedoeld in Verordening (EU) 2024/1620 van het Europees Parlement en de Raad (*19). De Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering opgericht bij die verordening (de “Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering”) besluit of deze toegang wordt verleend. 1 undecies. Ten minste met betrekking tot de benoeming van leden van het leidinggevend orgaan voor een functie in de in lid 1 quinquies bedoelde entiteiten beraden de bevoegde autoriteiten zich terdege op het vaststellen van een maximumtermijn voor het voltooien van de geschiktheidsbeoordeling. Die maximumtermijn kan zo nodig worden verlengd.
2 bis. Elk lid van het leidinggevend orgaan is betrouwbaar, handelt eerlijk, integer en met onafhankelijkheid van geest om daadwerkelijk de besluiten van het leidinggevend orgaan te beoordelen en deze ter discussie te stellen indien zulks noodzakelijk is en om daadwerkelijk toe te zien en controle uit te oefenen op de bestuurlijke besluitvorming. Het feit dat een persoon lid is van het leidinggevend orgaan van een kredietinstelling die blijvend bij een centraal orgaan is aangesloten, vormt op zich geen belemmering om met onafhankelijkheid van geest te handelen. 2 ter. Het leidinggevend orgaan beschikt over adequate collectieve kennis, vaardigheden en ervaring om de activiteiten van de entiteit, de daaraan verbonden risico’s en de effecten die erdoor ontstaan op korte, middellange en lange termijn te begrijpen, rekening houdend met de ESG-factoren. De algemene samenstelling van het leidinggevend orgaan is voldoende gediversifieerd om een voldoende brede waaier van ervaring te weerspiegelen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt a), van dit lid wordt onder een groep verstaan een groep ondernemingen die met elkaar verbonden zijn zoals beschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU of een groep ondernemingen die dochterondernemingen zijn van dezelfde financiële holding of gemengde financiële holding.
De lidstaten zorgen ervoor dat er passende normen worden ontwikkeld voor andere dan de in lid 1 quinquies van dit artikel bedoelde entiteiten. De EBA dient de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 10 juli 2026 in bij de Commissie. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om deze richtlijn aan te vullen door de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt f), werkt de EBA nauw samen met de ESMA en met de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.
(*19) Verordening (EU) 2024/1620 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot oprichting van de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L, 2024/1620, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1620/oj).”." |
31) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 91 bis Medewerkers met een sleutelfunctie en geschiktheidsbeoordeling
De entiteiten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die positie naar behoren functioneert, met inbegrip van vervanging van de medewerker met de sleutelfunctie indien deze niet langer aan de geschiktheidscriteria en vereisten voldoet.
Zodra er nieuwe feiten of andere omstandigheden bekend worden die van invloed kunnen zijn op de geschiktheid van de hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel directeur, beoordelen de in lid 5 bedoelde entiteiten de geschiktheid van die hoofden en directeur opnieuw en stellen zij de bevoegde autoriteit daarvan zonder onnodige vertraging in kennis. Indien de bevoegde autoriteit constateert dat de relevante informatie over de geschiktheid van de hoofden van de internecontrolefuncties en de financieel directeur is veranderd en die verandering van invloed kan zijn op de geschiktheid van de betrokken hoofden of de betrokken directeur, beoordeelt de bevoegde autoriteit hun geschiktheid opnieuw. De bevoegde autoriteiten hoeven de geschiktheid van de hoofden of directeuren niet opnieuw te beoordelen wanneer hun contract wordt vernieuwd of verlengd, tenzij relevante informatie waarvan de bevoegde autoriteiten kennis hebben, is veranderd en die verandering van invloed kan zijn op de geschiktheid van de betrokken hoofden of de betrokken directeur. Ten minste met betrekking tot de benoeming van die hoofden van de internecontrolefuncties en die financieel directeur voor de functies in de in lid 5 bedoelde entiteiten beraden de bevoegde autoriteiten zich terdege op het vaststellen van een maximumtermijn voor het voltooien van de geschiktheidsbeoordeling. Die maximumtermijn kan zo nodig worden verlengd.
Voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea werkt de EBA nauw samen met de ESMA en met de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.”. |
32) |
Artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:
|
33) |
Artikel 94 wordt als volgt gewijzigd:
|
34) |
In artikel 97, lid 4, wordt de tweede alinea vervangen door: “Bij het verrichten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde toetsing en evaluatie passen de bevoegde autoriteiten het evenredigheidsbeginsel toe in overeenstemming met de op grond van artikel 143, lid 1, punt c), gepubliceerde criteria. Met name kan de bevoegde autoriteit voor het verrichten van de toetsing en evaluatie van een instelling nagaan of er aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
35) |
Artikel 98 wordt als volgt gewijzigd:
|
36) |
Aan artikel 100 worden de volgende leden toegevoegd: “3. Instellingen en derden die in het kader van stresstests optreden in een raadgevende functie van instellingen, onthouden zich van activiteiten die een stresstest kunnen belemmeren, zoals benchmarking, onderlinge uitwisseling van informatie, afspraken over gemeenschappelijk gedrag of optimalisering van hun bijdragen aan stresstests. Onverminderd andere toepasselijke bepalingen van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschikken de bevoegde autoriteiten over alle bevoegdheden op het gebied van informatievergaring en onderzoek die nodig zijn om deze activiteiten op te sporen.
|
37) |
In artikel 101 wordt lid 3 vervangen door: “3. Indien voor een tradingafdeling die gebruikmaakt van een intern model voor marktrisico uit de resultaten van de back-testing of winst- en verliesattributietest blijkt dat het model niet langer voldoende nauwkeurig is, toetsen de bevoegde autoriteiten de voorwaarden voor toestemming voor het gebruik van het interne model of leggen zij passende maatregelen op om ervoor te zorgen dat het model snel wordt verbeterd.”. |
38) |
Artikel 104 wordt als volgt gewijzigd:
|
39) |
Artikel 104 bis wordt als volgt gewijzigd:
|
40) |
In artikel 104 ter wordt het volgende lid ingevoegd: “4 bis. Indien een instelling aan de output floor wordt gebonden, kan haar bevoegde autoriteit haar aan die instelling meegedeelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen toetsen om te waarborgen dat haar kalibratie passend blijft.”. |
41) |
In artikel 106 wordt lid 1 vervangen door: “1. De lidstaten machtigen de bevoegde autoriteiten om:
Uiterlijk op 10 juli 2025 vaardigt de EBA, rekening houdend met deel acht van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren uit tot bepaling van de vereisten van lid 1 van dit artikel.”. |
42) |
In titel VII, hoofdstuk 3, wordt vóór afdeling I de volgende afdeling ingevoegd: “AFDELING I Toepassing van dit hoofdstuk op beleggingsondernemingsgroepen Artikel 110 bis Toepassingsgebied voor beleggingsondernemingsgroepen Dit hoofdstuk is van toepassing op beleggingsondernemingsgroepen zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 25, van Verordening (EU) 2019/2033, indien ten minste één beleggingsonderneming in die groep onderworpen is aan Verordening (EU) nr. 575/2013 overeenkomstig artikel 1, lid 2 of 5, van Verordening (EU) 2019/2033. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op beleggingsondernemingsgroepen waarbij geen enkele beleggingsonderneming in die groep onderworpen is aan Verordening (EU) nr. 575/2013 overeenkomstig artikel 1, lid 2 of 5, van Verordening (EU) 2019/2033.”. |
43) |
Artikel 121 wordt vervangen door: “Artikel 121 Kwalificaties van leden van het leidinggevend orgaan De lidstaten eisen dat de leden van het leidinggevend orgaan van een financiële holding of gemengde financiële holding, met uitzondering van die waaraan goedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 21 bis, lid 1, als voldoende betrouwbaar bekend staan en voldoende kennis, vaardigheden en ervaring bezitten als bedoeld in artikel 91, lid 1, om deze functie uit te oefenen, rekening houdend met de specifieke rol van een financiële holding of een gemengde financiële holding. Op financiële holdings en gemengde financiële holdings rust de primaire verantwoordelijkheid om de geschiktheid van de leden van hun leidinggevend orgaan te waarborgen.”. |
44) |
Artikel 131 wordt als volgt gewijzigd:
|
45) |
Artikel 133 wordt als volgt gewijzigd:
|
46) |
Artikel 142 wordt als volgt gewijzigd:
|
47) |
Artikel 161 wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Omzetting
-
1.Uiterlijk op 10 januari 2026 stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 11 januari 2026.
De lidstaten passen de bepalingen die nodig zijn om aan de in artikel 1, punten 9) en 13), vastgelegde wijzigingen te voldoen, echter toe vanaf 11 januari 2027.
In afwijking van de derde alinea van dit lid passen de lidstaten de bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan de in artikel 1, punt 13), van deze richtlijn vastgelegde wijzigingen met betrekking tot de artikelen 48 duodecies en 48 terdecies van Richtlijn 2013/36/EU toe vanaf 11 januari 2026, en die om aan de in artikel 1, punt 9), van deze richtlijn vastgelegde wijzigingen met betrekking tot artikel 21 quater, lid 5, van Richtlijn 2013/36/EU te voldoen vanaf 11 juli 2026.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
-
2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Inwerkingtreding en toepassing
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punt 44), c), en punt 45), c), zijn van toepassing met ingang van 29 juli 2024.
Artikel 4
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 31 mei 2024.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
-
R.METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
-
H.LAHBIB
-
Standpunt van het Europees Parlement van 24 april 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 30 mei 2024.
-
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
-
Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
-
Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
-
Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
-
Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
-
Richtlijn (EU) 2019/878 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot vrijgestelde entiteiten, financiële holdings, gemengde financiële holdings, beloning, toezichtsmaatregelen en -bevoegdheden en kapitaalconserveringsmaatregelen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 253).
-
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
-
Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46).
-
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
-
Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).
-
Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
-
Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
-
Verordening (EU) 2021/240 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot vaststelling van een instrument voor technische ondersteuning (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 1).
-
Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).
-
Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
-
Verordening (EU) 2024/1620 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot oprichting van de Autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L, 2024/1620, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1620/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1619/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)
Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.