Verordening 2024/3024 - Wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 wat betreft de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen

1.

Wettekst

NL

L-serie

HPublicatieblad

van de Europese Unie

2024/3024

6.12.2024

VERORDENING (EU) 2024/3024 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 november 2024 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 wat betreft de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1) 
    Bij Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad (2) werd het achtste milieuactieprogramma vastgesteld en werd bevestigd dat monitoring, onder meer door de verstrekking van gedegen informatie op het gebied van milieuverandering, van essentieel belang is voor de ontwikkeling van doeltreffend beleid, voor de uitvoering daarvan om de milieudoelstellingen van de Unie te verwezenlijken, en voor de empowerment van burgers. Er moeten instrumenten, zoals milieu-economische rekeningen, ontwikkeld worden om het algemene bewustzijn van de effecten van sociaaleconomische activiteiten op het milieu en de bijdrage van het milieu aan de economie en het welzijn te vergroten.
  • (2) 
    In Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad (3) is bepaald dat de Commissie verslag moet uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van die verordening en, in voorkomend geval, rekening moet houden met de bevindingen van de in die verordening bedoelde proefstudies om de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen voor te stellen, zoals milieugebonden overdrachten (subsidies), bosrekeningen en rekeningen voor ecosysteemdiensten.
  • (3) 
    De nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen moeten rechtstreeks bijdragen aan de prioriteiten van het milieubeleid van de Unie zoals vastgelegd in, onder andere, het achtste milieuactieprogramma.
  • (4) 
    De Statistische Commissie van de Verenigde Naties heeft tijdens haar 43e zitting in februari 2012 het centrale raamwerk van het systeem van milieu-economische rekeningen (System of Environmental Economic Accounts — SEEA) als internationale statistische norm aangenomen en tijdens haar 52e zitting in maart 2021 het systeem van milieu-economische rekeningen - ecosysteemboekhouding (SEEA EA), hoofdstukken 1 tot en met 7, waarin het boekhoudkader en de fysieke rekeningen worden beschreven. De bij deze verordening ingevoerde nieuwe modules zijn in overeenstemming met het centrale raamwerk van het SEEA en het SEEA EA. Bovendien is met het SEEA gezorgd voor de uitvoering van het systeem van milieu-economische rekeningen voor water (SEEA-Water), dat in overeenstemming is met het centrale raamwerk van het SEEA.
  • (5) 
    Om haar taken uit hoofde van de Verdragen en het internationaal recht uit te voeren, met name op het gebied van milieu, duurzaamheid en klimaatverandering, heeft de Unie toegang tot volledige en betrouwbare informatie ter zake nodig. Voor empirisch onderbouwde besluitvorming zijn statistieken nodig die voldoen aan hoogwaardige criteria, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4). Daarnaast moet de Commissie (Eurostat) de verzamelde gegevens op een meer toegankelijke en gebruiksvriendelijke wijze presenteren, en die gegevens actief onder de aandacht brengen. 1 2
  • (6) 
    Om uiterlijk in 2050 in de Unie de doelstelling van klimaatneutraliteit te bereiken, is het van essentieel belang dat alle Unierechtshandelingen en -processen worden afgestemd op de in het kader van de Europese Green Deal, Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (2) en het Fit for 55-pakket vastgestelde milieu-en klimaatdoelstellingen van de Unie voor de lange termijn. In verschillende rechtshandelingen van de Unie staat reeds dat trends zorgvuldig moeten worden gemonitord en dat er, derhalve, behoefte bestaat aan aanvullende en nauwkeurigere gegevens. In dat verband is het van essentieel belang om van de lidstaten toepasselijke en gedetailleerde gegevens te ontvangen over hun milieu-investeringen zodat de Unie op weg is om de doelstellingen van de Europese Green Deal te behalen. Om al die redenen moet het systeem van Europese milieu-economische rekeningen worden ontwikkeld tot een alomvattend instrument dat significante aanvullende gegevens oplevert voor het monitoren van de uitvoering van het milieurecht van de Unie en de beleidsvorming op milieugebied.
  • (7) 
    In het achtste milieuactieprogramma wordt opgeroepen tot de oprichting, onverwijld, van een bindend Uniekader om — op basis van een overeengekomen methode — toezicht te houden op en verslag uit te brengen over de voortgang van lidstaten richting het uitfaseren van subsidies voor fossiele brandstoffen, en tot het vaststellen van een termijn op Unie-, nationaal, regionaal en lokaal niveau voor het uitfaseren van dergelijke subsidies overeenkomstig de ambitie de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 oC - de temperatuurdoelstelling op lange termijn van de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering vastgestelde Overeenkomst van Parijs. In dat verband moet de Commissie in haar programma voor proef- en haalbaarheidsstudies bijzondere aandacht aan dat onderwerp besteden en de kwaliteit van de beschikbare gegevens over energiesubsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen, beoordelen. De Commissie moet in voorkomend geval bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel indienen voor de invoering in de Europese milieu-economische rekeningen van een module inzake energiesubsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen.
  • (8) 
    Water is een cruciale hulpbron, dus is het belangrijk een duurzaam beheer van die hulpbron te garanderen en de relatie tussen water en economische activiteiten te begrijpen. De Commissie moet daarom de kwaliteit van de beschikbare gegevens over water beoordelen en, indien nodig, een wetgevingsvoorstel indienen bij het Europees Parlement en de Raad, teneinde een module over water op te nemen in de Europese milieu-economische rekeningen.
  • (9) 
    Adaptatie is een essentieel onderdeel van de wereldwijde langetermijnrespons op klimaatverandering. Het is nodig om de toenemende klimaatgerelateerde risico’s voor de gezondheid aan te pakken, onder meer de frequentere en intensere hittegolven, bosbranden en overstromingen, de bedreigingen voor de veiligheid en zekerheid van voedsel en water, en de opkomst en verspreiding van infectieziekten. De negatieve effecten van klimaatverandering kunnen mogelijk het adaptatievermogen van de lidstaten te boven gaan. De lidstaten en de Unie moeten daarom hun adaptatievermogen vergroten, hun veerkracht versterken en hun kwetsbaarheid voor klimaatverandering verminderen, zoals bepaald in artikel 7 van de Overeenkomst van Parijs, en de gemeenschappelijke baten met andere beleidsinstrumenten en rechtshandelingen maximaliseren. Verordening (EU) 2021/1119 vereist dat de lidstaten alomvattende nationale aanpassingsstrategieen en -plannen vaststellen die gebaseerd zijn op degelijke klimaatveranderings- en kwetsbaarheidsanalyses, voortgangsbeoordelingen en -indicatoren, en met het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs als leidraad. Aangezien het noodzakelijk is om de voortgang in de richting van adaptatie aan klimaatverandering te monitoren, moet de Commissie de kwaliteit van de beschikbare gegevens over adaptatie aan klimaatverandering beoordelen. Op basis van de behaalde resultaten moet de Commissie, indien nodig, een wetgevingsvoorstel indienen bij het Europees Parlement en de Raad om een module over adaptatie aan klimaatverandering op te nemen in de Europese milieu-economische rekeningen.
  • (10) 
    Het verlies aan biodiversiteit is een van de belangrijkste kwetsbaarheden waarmee economieen worden geconfronteerd, samen met klimaatverandering, die dit verlies versterkt. Biodiversiteit is van cruciaal belang voor de voedselzekerheid, het menselijk welzijn en de algemene veerkracht van samenlevingen en economieen. Daarom moeten de lidstaten en de Unie een steviger antwoord bieden op de biodiversiteitscrisis, in overeenstemming met hun internationale toezeggingen in het kader van het internationaal biodiversiteitskader van Kunming-Montreal, dat door de 15e vergadering van de Conferentie van de Partijen bij Verdrag inzake biologische diversiteit van de Verenigde Naties is vastgesteld.
  • (11) 
    Ecosysteemrekeningen, als middel om gegevens weer te geven over de omvang en de staat van ecosysteemactiva en de diensten die deze aan de samenleving en de economie leveren, beogen een waarde toe te kennen aan natuur, waarmee de kosten voor natuur beter in overweging kunnen worden genomen. Het doel van het bepalen van monetaire waarden moet liggen in het zichtbaarder maken van de kosten van niet handelen en in het ondersteunen van de Unie bij het verwezenlijken van haar milieudoelstellingen. Om de invoering van rapporteringsvereisten voor monetaire waarden van ecosysteemdiensten adequaat voor te bereiden, moet dit worden voorafgegaan door proefen haalbaarheidsstudies, rekening houdend met de internationale normen ter zake. Die studies moeten onder meer gericht zijn op het onderzoeken van de te rapporteren monetaire waarden, de relatie tussen die waarden en de veranderingen in het bestaande aanbod en gebruik van ecosysteemdiensten, de mogelijke beleidstoepassingen van de
  • (2
    Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de

verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

resultaten van de verschillende schattingsmethoden, de voorwaarden waaronder de schattingen geschikt zijn voor aggregatie met elkaar en met andere nationale boekhoudkundige aggregaten en het meest geschikte formaat van de tabellen voor rapportering. Om de beoogde effecten volledig te verwezenlijken moet de Commissie de methodologische mogelijkheden en de haalbaarheid van het meten van de monetaire waarde van ecosysteem-diensten evalueren, rekening houdend met het SEEA EA. Op basis van de resultaten daarvan moet de Commissie een wetgevingsvoorstel kunnen indienen bij het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 om monetair gewaardeerde ecosysteemrekeningen erin op te nemen.

  • (12) 
    In zijn conclusies van 6 november 2020 over Europese statistieken spoorde de Raad het Europees statistisch systeem aan voorzieningen te treffen voor de nieuwe informatiebehoeften als gevolg van de Europese Green Deal, onder meer wat betreft de evaluatie en uitbreiding van het programma van Europese milieu-economische rekeningen.
  • (13) 
    In 2019 publiceerde de Europese Rekenkamer Speciaal verslag 16/2019, getiteld “Europese milieu-economische rekeningen: het nut voor beleidsmakers kan worden vergroot”. In dat verslag wordt gewezen op de behoefte aan volledigere gegevens over bossen en ecosystemen en aan een volledige uitvoering van bosrekeningen.
  • (14) 
    De Commissie (Eurostat) en de nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale instanties die belast zijn met het opstellen van milieu-economische rekeningen, moeten streven naar een steeds breder toepassingsveld en hogere kwaliteit van statistische gegevens voor de monitoring en evaluatie van de vooruitgang van de Unie bij de uitvoering van wetgevingshandelingen vastgesteld in het kader van het “Fit for 55”-pakket en in lijn met de Europese Green Deal, Verordening (EU) 2021/1119, de bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (6) ingestelde herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere rechtshandelingen ter zake, en in naleving van de internationale verbintenissen van de Unie, rekening houdend met de door de Verenigde Naties en andere organen ontwikkelde internationale statistische normen.
  • (15) 
    Sinds 2011 leveren de Europese milieu-economische rekeningen hoogwaardige gegevens en statistieken ter ondersteuning van empirisch onderbouwde beleidsvorming op het gebied van de Europese Green Deal en ander beleid van de Unie. Het is van cruciaal belang dat die gegevens en statistieken op een voor alle gebruikers begrijpelijke en toegankelijke wijze worden gepubliceerd en gepresenteerd. De Commissie (Eurostat) moet een portaal voor statistische gegevens ontwikkelen en onderhouden waarin de kernindicatoren van milieu-economische rekeningen op een gebruikersvriendelijke manier worden samengevat. De toegang tot dit gegevensportaal moet openbaar en kosteloos zijn. Het portaal voor statistische gegevens moet gericht zijn op het verbeteren van de verspreiding en communicatie van Europese milieu-economische rekeningen. Daarnaast mag het de gover-nancemechanismen die zijn opgezet voor het rapporteren en monitoren van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van specifieke initiatieven van de Unie, zoals het achtste milieuactieprogramma, niet doorkruisen.
  • (16) 
    Om flexibiliteit te waarborgen en de administratieve lasten voor de respondenten, de nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale instanties te verminderen, moeten de lidstaten andere toepasselijke informatiebronnen, methoden en innovatieve benaderingen kunnen aanwenden, zoals aardobservatie (Copernicus-diensten). De lidstaten moeten de Commissie informeren en bijzonderheden verstrekken over de kwaliteit van die benaderingen.
  • (17) 
    De lidstaten moeten financiele steun kunnen ontvangen voor de modernisering en verbetering van de kwaliteit en tijdigheid van milieustatistieken en voor de uitvoering van proef- en haalbaarheidsstudies uit het bij Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad (7) vastgestelde programma voor de interne markt. In het kader van de daaropvolgende meerjarige financiele kaders moet de financiele steun worden verleend overeenkomstig de regels van het toepasselijke Europees statistisch programma als bedoeld in Verordening (EG) nr. 223/2009.
  • (18) 
    Aangezien de Unie uit 27 lidstaten bestaat, is het passend te verwijzen naar de “EU-27”.
  • (19) 
    De in Verordening (EU) nr. 691/2011 opgenomen lijst van mogelijke nieuwe Europese milieu-economische rekeningen moet worden bijgewerkt om deze af te stemmen op de huidige beleidsprioriteiten van de Unie.
  • (6) 
    Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
  • (7) 
    Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van een programma voor de interne markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, het gebied van planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, en Europese statistieken (programma voor de interne markt), en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014, en (EU) nr. 652/2014 (PB L 153 van 3.5.2021, blz. 1).

(20)

Het Europees systeem van rekeningen 1995 (ESR 95) is vervangen door het Europees systeem van rekeningen 2010 (ESR 2010), dat is ingesteld bij Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8).

  • (21) 
    Het ESR 2010 bevat het referentiekader van gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en boekhoudregels voor het opstellen van de rekeningen van de lidstaten voor de statistische behoeften van de Unie.
  • (22) 
    De Commissie moet, in nauwe samenwerking met de lidstaten, een methodologisch handboek publiceren met aanvullende richtsnoeren voor de samenstelling van de milieu-economische rekeningen die zijn opgezet in de verschillende modules die met deze verordening worden ingevoerd. Het handboek moet richtsnoeren bevatten voor de berekening van de kenmerken van de bosrekeningen, zoals de netto jaarlijkse toename van hout uit het levende boombestand of de berekening van de productverstrekkingsdiensten van ecosystemen, zoals de bijdrage van lagere broeikasgasconcentraties aan de wereldwijde klimaatregulering. Het methodologisch handboek moet worden gepubliceerd na de inwerkingtreding van deze verordening.
  • (23) 
    Beperking van klimaatverandering, met inbegrip van daarmee verband houdende investeringen, is onontbeerlijk om uiterlijk in 2050 de doelstelling van klimaatneutraliteit in de Unie te bereiken. De Commissie (Eurostat) moet regelmatig gegevens en statistieken beginnen te verstrekken die zijn samengesteld uit de ter zake doende gegevens uit de modules voor milieu-economische rekeningen en indien nodig uit andere gegevensbronnen. Die gegevens moeten worden uitgesplitst per lidstaat en alle sectoren van de economie bestrijken die voor de beperking van klimaatverandering van betekenis zijn.
  • (24) 
    Om rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van milieu, economie en techniek, moet, indien nodig, aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om Verordening (EU) nr. 691/2011 aan te vullen met methodologische richtsnoeren, en om de bijlagen I tot en met IX bij die verordening te wijzigen wat betreft de lijst van kenmerken waarvoor gegevens moeten worden samengesteld en ingediend, met name bijlage V, deel 3, om daarin kenmerken op te nemen in verband met andere investeringen in de beperking van klimaatverandering. De Commissie dient erop toe te zien dat haar gedelegeerde handelingen niet leiden tot aanzienlijke lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (9). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
  • (25) 
    Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarbij binnen een bepaalde termijn afwijkingen aan de lidstaten worden toegestaan voor zover er grote aanpassingen aan hun nationale statistische systemen nodig zijn. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (10).
  • (26) 
    Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen in het wettelijke kader voor Europese statistieken inzake milieu-economische rekeningen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, om redenen van de samenhang en vergelijkbaarheid, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.
  • (27) 
    Het Comite voor het Europees statistisch systeem is geraadpleegd.
  • (28) 
    Verordening (EU) nr. 691/2011 moet derhalve worden gewijzigd,
  • (8) 
    Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).
  • (9) 
    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
  • Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 691/2011 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1) 
    artikel 1 wordt vervangen door:

    Artikel 1

    Onderwerp

Bij deze verordening wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het verzamelen, samenstellen, indienen en evalueren van Europese milieu-economische rekeningen, met het doel milieu-economische rekeningen op te stellen bij wijze van satellietrekeningen bij het in Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*) vastgestelde Europees systeem van rekeningen 2010 (ESR 2010), door te voorzien in methoden, gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en boekhoudregels die voor het samenstellen van milieu-economische rekeningen gebruikt moeten worden.

Deze verordening draagt tevens bij aan het verstrekken van gedegen informatie over de belangrijkste trends, moeilijkheden en drijvende krachten voor milieuverandering en ondersteunt aldus het monitoren en evalueren van de vooruitgang van de Unie bij het verwezenlijken van haar in Unierecht vastgelegde milieudoelstellingen en bij het nakomen van haar internationale milieuverbintenissen.

(*) Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).”;

  • 2) 
    aan artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:

“7. “bosrekeningen”: vermogensrekeningen voor bosbestanden, bestaande uit bebost land en hout op bebost land, en rekeningen voor economische activiteiten voor bosbouw en houtkap;

  • 8. 
    “milieusubsidies en soortgelijke overdrachten”: inkomens- en kapitaaloverdrachten in de zin van het ESR 2010, bedoeld voor het ondersteunen van activiteiten ter bescherming van het milieu en ter instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en aanverwante producten;
  • 9. 
    “ecosysteemrekeningen”: een reeks rekeningen die bedoeld zijn om consistente informatie te verstrekken over de omvang en toestand van ecosystemen en over de dienstenstromen van die ecosystemen naar het sociaaleconomisch systeem.”;
  • 3) 
    artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    aan lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:

“g) een module voor bosrekeningen, zoals beschreven in bijlage VII;

  • h) 
    een module voor rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten, zoals beschreven in bijlage VIII;
  • i) 
    een module voor ecosysteemrekeningen, zoals beschreven in bijlage IX.”;
  • b) 
    lid 3 wordt vervangen door:

“3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 9 gedelegeerde handelingen vast te stellen indien dit nodig is om in te haken op ontwikkelingen op het gebied van milieu, economie en techniek om:

  • a) 
    deze verordening aan te vullen door methodologische richtsnoeren te geven;
  • b) 
    de bijlagen I tot en met VI te wijzigen wat betreft de in lid 2, punten c), d) en e), bedoelde informatie;
  • c) 
    de bijlagen VII, VIII en IX te wijzigen wat betreft de in lid 2, punten c), d) en e), bedoelde informatie, op voorwaarde dat:
  • i) 
    de in lid 2, punt c), bedoelde lijst van kenmerken slechts om de drie jaar wordt gewijzigd met maximaal vier kenmerken per bijlage, en
  • ii) 
    de in lid 2, punt d), bedoelde informatie alleen wordt gewijzigd om het eerste referentiejaar, de frequentie en de indieningstermijnen van eventuele toegevoegde kenmerken vast te stellen.

Wanneer de Commissie haar bevoegdheid op grond van dit lid uitoefent, zorgt zij ervoor dat haar gedelegeerde handelingen de lidstaten en de respondenten geen aanzienlijke extra lasten bezorgen. De Commissie motiveert haar gedelegeerde handelingen naar behoren.”;

  • 4) 
    artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    de titel wordt vervangen door:

“Proef- en haalbaarheidsstudies”;

  • b) 
    lid 1 wordt vervangen door:

“1. De Commissie stelt een programma voor proef- en haalbaarheidsstudies op die op vrijwillige basis door de lidstaten worden uitgevoerd om de rapportering verder te ontwikkelen en de kwaliteit van de gegevens te verbeteren, lange tijdreeksen op te stellen en de methodologie verder te ontwikkelen. Het programma omvat proefstudies waarmee de nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen worden getest. Bij het opstellen van het programma besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan modules die gegevens opleveren over energiesubsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen, en waarborgt ze dat er op de lidstaten en de respondenten geen extra administratieve of financiele lasten komen te rusten.”;

  • c) 
    het volgende lid wordt toegevoegd:

“3. Naast het programma voor proef- en haalbaarheidsstudies voert de Commissie (Eurostat) uiterlijk op 27 juni 2026, in samenwerking met de lidstaten, een beoordeling uit van de methodologische mogelijkheden en de haalbaarheid van monetaire waardering, mogelijke rapporteringswaarden voor de ontbrekende waarden, en mogelijke alternatieve meetmethoden voor ecosysteemdienstenrekeningen, rekening houdend met de internationale normen van het systeem van milieu-economische rekeningen — ecosysteemboekhouding (System of Environmental-Economic Accounting — Ecosystem Accounting — SEEA EA). Op basis van de resultaten van die beoordeling en die studies kan de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening indienen om de monetair gewaardeerde ecosysteemrekeningen erin op te nemen.”;

  • 5) 
    in artikel 5 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:
  • a) 
    het volgende punt wordt toegevoegd:

“d) andere toepasselijke informatiebronnen, methoden of innovatieve benaderingen, voor zover hiermee milieu-economische rekeningen kunnen worden gegenereerd die onderling vergelijkbaar zijn en die voldoen aan de toepasselijke specifieke kwaliteitseisen.”;

  • b) 
    de volgende alinea wordt toegevoegd:

“Lidstaten die besluiten om de in punt d), vermelde bronnen, methoden of innovatieve benaderingen te gebruiken, informeren de Commissie (Eurostat) zo spoedig mogelijk voor het einde van het jaar voorafgaand aan de uitvoering van de methode en geven nadere informatie over de kwaliteit van de verkregen gegevens.”;

  • 6) 
    artikel 8 wordt vervangen door:

Artikel 8

Afwijkingen

  • 1. 
    De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om de lidstaten een afwijking toe te staan voor zover hun nationale statistische systemen grote aanpassingen vereisen. Afwijkingen van de bijlagen kunnen worden toegestaan gedurende de daarin bedoelde overgangsperiode. Afwijkingen kunnen tevens worden toegestaan van de uitvoerings-maatregelen en gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld. Die afwijkingen kunnen worden toegestaan voor een maximumduur van twee jaar. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De eerste alinea van dit lid is niet van toepassing op wijzigingen die het gevolg zijn van aangepaste classificaties en nomenclaturen of wijzigingen in boekhoudkundige kaders van nationale en regionale rekeningen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 549/2013.

  • 2. 
    Om een afwijking van de bijlagen VII, VIII en IX uit hoofde van lid 1 te verkrijgen, dient de betrokken lidstaat uiterlijk op 27 december 2026 bij de Commissie een naar behoren gemotiveerd verzoek in. Om een afwijking uit hoofde van lid 1 te verkrijgen voor uitvoeringsmaatregelen of gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld en na 26 december 2024 in werking treden, dient de betrokken lidstaat binnen drie maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van de betrokken maatregel of handeling bij de Commissie een naar behoren gemotiveerd verzoek in.”;
  • 7) 
    het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 8 bis

Financiering

  • 1. 
    Voor de uitvoering van deze verordening verstrekt de Unie financiele steun uit het bij Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad (*) vastgestelde programma voor de interne markt aan de nationale instituten voor de statistiek en andere nationale instanties als bedoeld in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009, voor:
  • a) 
    het ontwikkelen van methodologieen voor statistieken uit hoofde van deze verordening, met inbegrip van de deelname van lidstaten aan in artikel 4 bedoelde representatieve proef- en haalbaarheidsstudies;
  • b) 
    het verbeteren van de statistische kwaliteit van rekeningen, met name voor de ontwikkeling of verbetering van processen, met inbegrip van digitale oplossingen die gericht zijn op het produceren van statistieken van hogere kwaliteit;
  • c) 
    het verbeteren van de tijdigheid van de rekeningen en het verminderen van de administratieve lasten en de rapporteringlast.
  • 2. 
    Het bedrag van de financiele bijdrage van de Unie uit hoofde van dit artikel wordt vastgesteld overeenkomstig de regels van het programma voor de interne markt als onderdeel van de jaarlijkse begrotingsprocedure, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van financiering. De begrotingsautoriteit stelt de voor elk jaar beschikbare kredieten vast.
  • 3. 
    Voor de uitvoering van deze verordening kan aan de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 223/2009 bedoelde nationale instanties voor de statistiek en andere nationale instanties als bedoeld ook een financiele bijdrage uit andere toepasselijke financiele programma’s van de Unie ter beschikking worden gesteld, overeenkomstig de regels van die programma’s.

(*) Verordening (EU) 2021/690 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van een programma voor de interne markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, het gebied van planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, en Europese statistieken (programma voor de interne markt), en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014, en (EU) nr. 652/2014 (PB L 153 van 3.5.2021, blz. 1).”;

  • 8) 
    artikel 9 wordt vervangen door:

Artikel 9

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

  • 1. 
    De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
  • 2. 
    De in artikel 3, leden 3 en 4, en artikel 10 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 11 augustus 2011. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het eind van elke termijn verzet tegen deze verlenging.
  • 3. 
    De in artikel 3, leden 3 en 4, en artikel 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
  • 4. 
    Voor de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
  • 5. 
    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
  • 6. 
    Een op grond van artikel 3, leden 3 of 4, of artikel 10 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”;
  • 9) 
    het volgende artikel wordt ingevoegd:

Artikel 9 bis

Portaal voor statistische gegevens van milieu-economische rekeningen (“dashboard”)

  • 1. 
    De Commissie (Eurostat) zet een portaal voor statistische gegevens van milieu-economische rekeningen (“dashboard”) op, waarin de kernindicatoren van milieu-economische rekeningen op een gebruikersvriendelijke en interactieve manier worden samengevat.

Het gegevensportaal toont de door de lidstaten verstrekte gegevens in elk van de in deze verordening vastgelegde modules en over de in artikel 10, vierde alinea, bedoelde investeringen in beperking van klimaatverandering.

  • 2. 
    Het gegevensportaal is uiterlijk op 31 december 2024 operationeel en wordt eenmaal per jaar door de Commissie (Eurostat) bijgewerkt. Het gegevensportaal wordt openbaar gemaakt op de website van Eurostat.”;
  • 10) 
    artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
  • a) 
    in de tweede alinea wordt het eerste streepje vervangen door:

“— voor de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen, zoals (kwantitatieve en kwalitatieve) waterrekeningen, uitgavenrekeningen voor hulpbronnenbeheer, subsidies of ondersteunende maatregelen die mogelijk schadelijk zijn voor het milieu en afvalrekeningen;”;

  • b) 
    de volgende alinea’s worden toegevoegd:

“Uiterlijk op 31 december 2024 en vervolgens ten minste om de twee jaar geeft de Commissie (Eurostat) een digitale publicatie uit met gegevens en statistieken over de beperking van klimaatverandering, met inbegrip van investeringen, die zijn samengesteld op basis van de ter zake doende gegevens van de modules voor milieu-economische rekeningen en indien nodig uit andere gegevensbronnen.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 9 gedelegeerde handelingen vast om, in voorkomend geval, deel 3 van bijlage V te wijzigen om daarin kenmerken op te nemen met betrekking tot andere investeringen in de beperking van klimaatverandering. De gegevens in de in de derde alinea van dit artikel bedoelde digitale publicatie bevatten een uitsplitsing van die gegevens per lidstaat, ook over investeringen, en hebben betrekking op alle sectoren van de economie en activiteiten.

Uiterlijk op 27 december 2026 beoordeelt de Commissie de kwaliteit van de beschikbare gegevens over energiesubsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen, over de adaptatie aan klimaatverandering en over water, en dient zij, in voorkomend geval, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in voor de invoering van nieuwe modules voor milieu-economische rekeningen voor energiesubsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen; adaptatie aan klimaatverandering, met inbegrip van uitgaven daarvoor, en voor waterrekeningen.”;

  • 11) 
    in bijlage IV, deel 3, eerste alinea, wordt het achtste streepje geschrapt;
  • 12) 
    alle verwijzingen naar “EU-28” en “ESR 95” worden in de gehele tekst en in de bijlagen vervangen door respectievelijk “EU-27” en “ESR 2010”;
  • 13) 
    de bijlagen VII, VIII en IX worden toegevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Met ingang van 1 januari 2025 worden de gegevens over ontvangen of betaalde overdrachten in verband met die eerder op grond van bijlage IV zijn ingediend, ingediend op grond van bijlage VIII.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, punt 11), is van toepassing met ingang van 1 januari 2025.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 27 november 2024

Voor het Europees Parlement                                        Voor de Raad

De voorzitter                                                   De voorzitter

  • R. 
    METSOLA                                     BOKA J.

BIJLAGE

“BIJLAGE VII

MODULE VOOR BOSREKENINGEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Bosrekeningen registreren en presenteren gegevens over bosbestanden en economische activiteiten in de bosbouw en de houtkap op een wijze die volledig verenigbaar is met de gegevens die worden gerapporteerd in het kader van het ESR 2010. Bosrekeningen bieden aanvullende informatie en maken gebruik van concepten die zijn aangepast aan de specifieke aard van bossen en van de bosbouw en de houtkap.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geevalueerd voor bosrekeningen.

Deel 2

DEKKING

In de bosrekeningen worden de voorraden en stromen van bosbestanden (bebost land en hout) en de economische activiteit in de bosbouw en de houtkap geregistreerd, met inbegrip van de productie van rondhout en de winning en verzameling van in het wild groeiende andere bosproducten dan hout.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen bosrekeningen op overeenkomstig de in dit deel beschreven kenmerken.

  • 1. 
    Vermogensrekeningen van bebost land en hout. Bebost land wordt gedefinieerd als de som van de drie volgende punten.
  • a) 
    Bos beschikbaar voor houtvoorziening: bossen waar milieu-, sociale of economische beperkingen geen significante gevolgen hebben voor het huidige of potentiele houtaanbod. Die beperkingen kunnen zijn vastgesteld door wettelijke voorschriften, besluiten van beheer of van eigenaren of om andere redenen.
  • b) 
    Bos niet beschikbaar voor houtvoorziening: alle bossen die niet als beschikbaar voor houtvoorziening worden beschouwd overeenkomstig punt a). Dat zijn bossen waar een aanzienlijke houtvoorziening niet mogelijk is als gevolg van milieu-, sociale, economische of wettelijke beperkingen. Dit omvat i) bossen met wettelijke beperkingen of beperkingen die voortvloeien uit andere politieke besluiten die houtvoorziening volledig uitsluiten of ernstig beperken om redenen zoals het behoud van het milieu of de biodiversiteit (schermbossen, nationale parken, natuurreservaten en andere beschermde gebieden zoals gebieden van bijzonder ecologisch, wetenschappelijk, historisch, cultureel of spiritueel belang); ii) bossen waar de fysieke productiviteit of de houtkwaliteit te laag is of de oogst- en transportkosten te hoog zijn om houtkap te rechtvaardigen, afgezien van incidentele kap voor eigen finaal verbruik.
  • c) 
    Overig bebost land.

“Bos” wordt gedefinieerd als gebieden van meer dan 0,5 hectare met bomen hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van meer dan 10 %, of met bomen die die drempels ter plaatse kunnen bereiken. Het omvat geen grond die overwegend als landbouwgrond wordt gebruikt of bomen in stedelijke omgevingen, zoals stadsparken, lanen en tuinen.

“Overig bebost land” wordt gedefinieerd als gebieden die niet als bos zijn ingedeeld en die meer dan 0,5 hectare beslaan; met bomen van hoger dan vijf meter en een bedekkingsgraad van 5 tot 10 %, of met bomen die die drempels ter plaatse kunnen bereiken; of met een gecombineerde bedekking van heesters, struiken en bomen van meer dan 10 %. Het omvat geen grond die overwegend als landbouwgrond wordt gebruikt of bomen in stedelijke omgevingen, zoals stadsparken, lanen en tuinen.

“Netto jaarlijkse toename van hout” wordt gedefinieerd als de gemiddelde jaarlijkse volumegroei van levende bomen, verminderd met de gemiddelde jaarlijkse sterfte.

“Verwijderingen” worden gedefinieerd als het volume van alle levende of dode bomen die worden gekapt en verwijderd uit het bos, overig bebost land of andere kaplocaties. Hieronder valt ook onverkocht rondhout dat naast de bosweg is opgeslagen. Hieronder vallen ook natuurlijke verliezen die worden teruggewonnen, verwijderingen tijdens het jaar van gekapt hout in een eerdere periode, verwijdering van niet-stamhout (zoals stronken en takken) en verwijdering van bomen die door natuurlijke oorzaken zijn gedood of beschadigd (ook wel natuurlijke verliezen genoemd), bv. brand, wind, insecten en ziekten. Hieronder vallen geen niet-houtachtige biomassa of hout dat in het bos achterblijft en in de loop van het jaar niet wordt verwijderd, zoals stronken, takken, boomtoppen en kapafval (oogstafval).

“Onherstelbare verliezen” worden gedefinieerd als residuen van kap en storm die niet uit het bos kunnen worden verwijderd, en hout dat door bosbranden verloren is gegaan.

  • 2. 
    Economische rekeningen die economische activiteiten in de bosbouw en de houtkap rapporteren. De bosbouw en de houtkap worden gedefinieerd als alle eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA) die activiteiten verrichten die zijn ingedeeld in afdeling A02 van de NACE Rev. 2.

De volgende kenmerken moeten volgens de definities van het ESR 2010 worden gerapporteerd:

— productie;

— waarvan: productie voor eigen finaal gebruik;

— intermediair verbruik;

— bruto toegevoegde waarde;

— verbruik van vaste activa;

— niet-productgebonden belastingen op productie;

— niet-productgebonden subsidies;

— beloning van werknemers;

— bruto-investeringen en saldo aan- en verkopen van niet-financiele niet-geproduceerde activa;

— veranderingen in voorraden;

— kapitaaloverdrachten.

De lidstaten rapporteren de werkgelegenheid in de bosbouw en de houtkap in duizend arbeidsjaareenheden (AJE’s) zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad (*).

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

  • 1. 
    De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.
  • 2. 
    De statistieken worden binnen 21 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.
  • 3. 
    Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.
  • 4. 
    Het eerste referentiejaar is 2023.
  • 5. 
    De eerste keer dat de lidstaten gegevens indienen, voegen zij de jaargegevens vanaf 2022 tot het eerste referentiejaar bij.
  • 6. 
    Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. Telkens wanneer de gegevens worden herzien, dienen de lidstaten opnieuw gegevens in voor de jaren vanaf 2022. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2022 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

Voor elk van de in deel 3 neergelegde kenmerken moeten de volgende gegevens worden gerapporteerd:

  • 1. 
    Beboste oppervlakte, uitgesplitst naar:

— bos beschikbaar voor houtvoorziening;

— bos niet beschikbaar voor houtvoorziening;

— overig bebost land.

Elk van die categorieen wordt verder uitgesplitst naar:

— begingebied aan het begin van het referentiejaar;

— bebossing en andere toenames;

— ontbossing en andere afnames;

— statistische herindeling;

— sluitingsgebied aan het einde van het referentiejaar.

Gegevens worden gerapporteerd in duizend hectare.

  • 2. 
    Volume van het hout, uitgesplitst naar:

— bos beschikbaar voor houtvoorziening;

— bos niet beschikbaar voor houtvoorziening;

— overig bebost land.

Bos beschikbaar voor houtvoorziening wordt verder uitgesplitst naar:

— beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;

— nettotoename;

— verwijderingen;

— onherstelbare verliezen;

— statistische herindeling;

— saldi;

— eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Bos niet beschikbaar voor houtvoorziening en overig bebost land worden verder uitgesplitst naar:

— beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;

— verwijderingen;

— andere veranderingen (tussen begin- en eindvoorraden);

— eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Gegevens worden gerapporteerd met inbegrip van schors, in 1 000 m3.

  • 3. 
    Waarde van het hout, uitgesplitst naar:

— bos beschikbaar voor houtvoorziening;

— bos niet beschikbaar voor houtvoorziening;

— overig bebost land.

Bos beschikbaar voor houtvoorziening wordt verder uitgesplitst naar:

— beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;

— nettotoename;

— verwijderingen;

— onherstelbare verliezen;

— herwaardering;

— statistische herindeling;

— saldi;

— eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Bos niet beschikbaar voor houtvoorziening en overig bebost land worden verder uitgesplitst naar:

— beginvoorraad aan het begin van het referentiejaar;

— verwijderingen;

— andere veranderingen (tussen begin- en eindvoorraden);

— eindvoorraad aan het einde van het referentiejaar.

Gegevens worden gerapporteerd in miljoenen van de nationale valuta.

  • 4. 
    Voor economische rekeningen wordt de in deel 3 bedoelde output gerapporteerd volgens de volgende onderverdeling, waarbij de producten worden gedefinieerd in termen van de classificatie van producten gekoppeld aan activiteit, versie 2.1:

— levende bosboomplanten (product 02.10.11) en bosboomzaden (product 02.10.12);

— bosbomen, gedefinieerd als de nettotoename van hout in gekweekt bos (product 02.10.30);

— onbewerkt hout (product 02.20.1), met inbegrip van de verkoop van hout uit onbeteelde bossen, bestaande uit de volgende posten die in twee afzonderlijke rijen moeten worden gerapporteerd:

  • i) 
    brandhout (producten 02.20.14 en 02.20.15);
  • ii) 
    stammen of blokken, d.w.z. de som van stammen van naaldhout (product 02.20.11), stammen van ander hout dan naaldhout met uitzondering van tropisch hout (product 02.20.12), en stammen van tropisch hout (product 02.20.13);

— in het wild groeiende niet-houtproducten (product 02.30);

— karakteristieke diensten voor bosbouw en houtkap, gedefinieerd als diensten in verband met boomkwekerijen (product 02.10.2), ondersteunende diensten voor de bosbouw (product 02.4), en alle andere diensten die worden verleend door een lokale eenheid van economische activiteit (EEA) van de bosbouwindustrie;

— andere producten van verwante secundaire activiteiten in de lokale EEA, zoals paddenstoelen en truffels (01.13.8), andere bessen, de vruchten van het geslacht vaccinium n.e.g. (01.25.19), natuurlijk rubber (01.29.10), ander onbewerkt hout, met inbegrip van gekloofde palen en palen (16.10.39), houtskool (20.14.72), natuurreservaten, met inbegrip van diensten voor natuurbehoud (91.04.12), en alle andere producten die door een lokale EEA worden geproduceerd.

Het intermediair verbruik van de bosbouw en de houtkap als bedoeld in deel 3 wordt als volgt onderverdeeld, waarbij de producten worden gedefinieerd in termen van de classificatie van producten gekoppeld aan activiteit, versie 2.1:

— de som van levende bosboomplanten (product 02.10.11), bosboomzaden (product 02.10.12) en bosbomen (product 02.10.3) die worden gebruikt voor de productie van hout;

— de som van energieproducten en smeermiddelen, met inbegrip van elektriciteit (product 35.11.10), motorbenzine (benzine) (product 19.20.21), aardgas - vloeibaar gemaakt of in gasvormige toestand (product 06.20.10), smeerolie en zware preparaten, n.e.g. (product 19.20.29), en andere soortgelijke producten;

— de som van de diensten die kenmerkend zijn voor bosbouw en houtkap, met inbegrip van diensten voor boomkwekerijen (product 02.10.2), ondersteunende diensten voor de bosbouw (product 02.4), en alle andere diensten die door een lokale EEA van de bosbouw- en houtsector worden verleend;

— overige goederen en diensten die niet zijn opgenomen in een van de variabelen van het intermediair verbruik.

Veranderingen in de inventarissen van de bosbouw en de houtkap als bedoeld in deel 3 worden als volgt gerapporteerd:

— veranderingen in onderhanden werk van in cultuur gebrachte biologische activa;

— overige veranderingen in voorraden.

Alle kenmerken worden gerapporteerd in miljoenen van de nationale valuta.

  • 5. 
    Gegevens over overig bebost land worden op vrijwillige basis gerapporteerd.

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de uitvoering van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE VIII

MODULE VOOR REKENINGEN VOOR MILIEUSUBSIDIES EN SOORTGELIJKE OVERDRACHTEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten verzamelen en presenteren gegevens over inkomens- en kapitaaloverdrachten ter ondersteuning van activiteiten ter bescherming van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de productie en het gebruik van milieuproducten, op een wijze die verenigbaar is met de begrippen en definities van het ESR 2010.

In deze bijlage worden de gegevens gedefinieerd die door de lidstaten moeten worden verzameld, samengesteld, ingediend en geevalueerd voor rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten door de lidstaten. Die gegevens worden tevens gebruikt voor de samenstelling van de nationale uitgaven voor milieubescherming, zoals uiteengezet in bijlage IV.

Deel 2

DEKKING

In de rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten worden betalingen om niet geregistreerd van de overheid aan institutionele sectoren (binnen de binnenlandse economie en het buitenland) en van niet-ingezetenen (rest van de wereld) met het oog op de bescherming van het milieu of de vermindering van het gebruik en de winning van natuurlijke hulpbronnen.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen rekeningen voor milieusubsidies en soortgelijke overdrachten op overeenkomstig de volgende kenmerken:

— subsidies (ESR 2010-code D.3);

— overige inkomensoverdrachten (ESR 2010-codes D.6 en D.7);

— kapitaaloverdrachten (ESR 2010-code D.9).

Alle gegevens worden gerapporteerd in miljoenen van de nationale valuta.

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

  • 1. 
    De statistieken worden jaarlijks samengesteld en ingediend.
  • 2. 
    De statistieken worden binnen 24 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.
  • 3. 
    Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU voor de belangrijkste aggregaten van deze module. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.
  • 4. 
    Het eerste referentiejaar is 2023.
  • 5. 
    De eerste keer dat de lidstaten gegevens indienen, voegen zij de jaargegevens vanaf 2022 tot het eerste referentiejaar bij.
  • 6. 
    Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij jaargegevens voor de jaren n-2, n-1 en n, waarbij n het referentiejaar is. Telkens wanneer de gegevens worden herzien, dienen de lidstaten opnieuw gegevens in voor de jaren vanaf 2022. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2022 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

  • 1. 
    Voor elk van de in deel 3 vermelde kenmerken worden gegevens verstrekt per:

— betalende institutionele sector, als volgt:

— overheid;

— buitenland;

— ontvangende institutionele sector, als volgt:

— overheid;

— vennootschappen;

— huishoudens;

— instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens;

— buitenland.

  • 2. 
    Voor elk van de in punt 1 bedoelde rapporteringscategorieen worden de gegevens gerapporteerd per klasse van de classificatie van milieubeschermingsactiviteiten (CEPA) en de classificatie van activiteiten op het gebied van hulpbronnenbeheer (CReMA), als volgt gegroepeerd:

— CEPA 1;

— CEPA 2;

— CEPA 3;

— CEPA 4;

— CEPA 5;

— CEPA 6 (met inbegrip van de voormalige CReMA 12);

— de som van CEPA 7, CEPA 8 en CEPA 9;

— CReMA 10;

— CReMA 11;

— CReMA 13;

— CReMA 13A;

— CReMA 13B;

— CReMA 13C;

— CReMA 14;

— de som van CReMA 15 en CReMA 16.

  • 3. 
    Overdrachten die door ondernemingen worden ontvangen van de overheid, gegroepeerd naar de som van alle CEPA-klassen (CEPA 1-9) en alle CReMA-klassen (CReMA 10-16), worden verder als volgt gegroepeerd volgens de classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2:

— NACE A - Landbouw, bosbouw en visserij;

— NACE B - Winning van delfstoffen;

— NACE C - Industrie;

— NACE D - Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht;

— NACE E - Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering;

— NACE F - Bouwnijverheid;

— NACE G - Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s en motorfietsen;

— NACE H - Vervoer en opslag;

— NACE I-U - overige NACE-secties.

  • 4. 
    De in de punten 2 en 3 bedoelde CEPA-klassen zijn vastgesteld in bijlage IV; de CReMA-klassen zijn vermeld in bijlage V.

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de uitvoering van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

BIJLAGE IX

MODULE VOOR ECOSYSTEEMREKENINGEN

Deel 1

DOELSTELLINGEN

Ecosysteemrekeningen bevatten gegevens over de omvang en de toestand van de ecosysteemactiva en de diensten die zij leveren aan de samenleving en de economie. De gegevens zijn in overeenstemming met de SEEA EA en zijn verenigbaar met de gegevens die in het kader van het ESR 2010 worden gerapporteerd.

Ecosysteemrekeningen maken waar mogelijk gebruik van bestaande informatie, onder meer uit aardobservatie, milieurapportage en andere gegevensbronnen.

Deel 2

DEKKING

De ecosysteemrekeningen registreren de omvang van ecosystemen, de toestand van ecosystemen en de stromen van ecosysteemdiensten.

De omvang van ecosystemen is het oppervlak van ecosystemen in een gebied. Rekeningen voor de omvang van ecosystemen hebben betrekking op terrestrische (met inbegrip van zoetwater-) en mariene ecosystemen op het nationale grondgebied.

De toestand van het ecosysteem is de kwaliteit van een ecosysteem, gemeten aan de hand van zijn abiotische, biotische en landschapskenmerken, per type ecosysteem.

Ecosysteemdiensten zijn de voordelen die ecosystemen bieden aan economische en andere menselijke activiteiten. Zij omvatten i) productverstrekkingsdiensten, ii) regulerings- en onderhoudsdiensten, en iii) culturele diensten. De rekeningen voor ecosysteemdiensten registreren de feitelijke levering en het daadwerkelijke gebruik van ecosysteemdiensten die door de ecosystemen op het nationale grondgebied worden geleverd.

Thematische rekeningen zijn rekeningen die gegevens organiseren op basis van specifieke beleidsthema’s zoals biodiversiteit, klimaatverandering, oceanen en stedelijke gebieden.

Deel 3

LIJST VAN KENMERKEN

De lidstaten stellen ecosysteemrekeningen op overeenkomstig de volgende kenmerken.

  • 1. 
    Rekeningen voor de omvang van het ecosysteem waarbij het gebied en de verandering in het gebied voor elk ecosysteemtype op het nationale grondgebied worden geregistreerd. De lidstaten rapporteren rekeningen betreffende de omvang van ecosystemen in duizend hectare.
  • 2. 
    Als onderdeel van de rekeningen betreffende de omvang van het ecosysteem, een conversiematrix die omzettingen tussen ecosysteemtypen tussen twee tijdstippen, in hectare, registreert.
  • 3. 
    Rekeningen betreffende de toestand van ecosystemen waarin de ecosysteemkenmerken als volgt worden geregistreerd:
  • a) 
    voor woongebieden en andere kunstmatige gebieden:

— groene gebieden in steden en aangrenzende steden en voorsteden worden gerapporteerd in % van de totale oppervlakte, berekend voor het volledige gebied van de steden en aangrenzende steden en voorsteden, met inbegrip van alle soorten ecosystemen in dat gebied;

— de fijnstofconcentratie, met een diameter tot 2,5 pm in steden, wordt gerapporteerd in pg/m3 als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode.

  • b) 
    voor akkerland:

— de voorraad organische koolstof in de bovenste bodemgrondlagen wordt gerapporteerd in ton/ha, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;

  • c) 
    voor grasland:

— de voorraad organische koolstof in de bovenste bodemgrondlagen wordt gerapporteerd in ton/ha, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;

  • d) 
    voor akkerland en grasland samen:

— de index van veelvoorkomende boerenlandvogels wordt gerapporteerd als een nationale geaggregeerde index voor de rapporteringsperiode;

  • e) 
    voor bossen en bosgebieden:

— dood hout wordt gerapporteerd in m3/ha, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;

— de dichtheid van de boombedekking wordt gerapporteerd in %, als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode;

— index van veelvoorkomende bosvogels; de bosvogelindex beschrijft trends in de populatie van veelvoorkomende bosvogels in hun Europese verspreidingsgebied in de loop van de tijd; deze samengestelde index is opgebouwd uit waarnemingsgegevens van vogelsoorten die kenmerkend zijn voor de Europese boshabitats; de index is gebaseerd op een specifieke soortenlijst per lidstaat;

  • f) 
    voor stranden, duinen en waterrijke gebieden (wetlands) aan de kust:

— het aandeel kunstmatige ondoordringbare gebieden in een kustgebied dat kuststranden, duinen en wetlands omvat, wordt in % gerapporteerd als nationaal gemiddelde voor de rapporteringsperiode.

Steden, gemeenten en voorsteden zijn lokale bestuurlijke eenheden die zijn ingedeeld volgens de typologie van verstedelijking zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2017/2391 van het Europees Parlement en de Raad (**).

  • 4. 
    Rekeningen voor ecosysteemdiensten waarin de levering en het gebruik van ecosysteemdiensten in aanbod- en gebruikstabellen worden geregistreerd. In de aanbodtabel wordt de levering van ecosysteemdiensten van ecosystemen aan sociaaleconomische systemen geregistreerd. In de gebruikstabel wordt het gebruik van ecosysteemdiensten geregistreerd volgens het soort gebruik zoals gedefinieerd in deel 5.

De aanbod- en gebruikstabellen worden in de volgende fysieke eenheden gerapporteerd.

  • a) 
    Productverstrekkingsdiensten

— Gewasverstrekking, is gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de plantengroei, bij benadering op basis van de hoeveelheid geoogste gewassen voor verschillende toepassingen. Dit omvat de productie van voedsel en vezels, voedergewassen en energie, en begraasde biomassa, zoals vermeld in bijlage III, tabel A, punten 1.1 en 1.2.

— Bestuiving is gedefinieerd als de bijdrage van wilde bestuivers aan de productie van de in het eerste streepje bedoelde gewassen. De bijdragen worden gerapporteerd in ton van bestuivers afhankelijke gewassen die kunnen worden toegeschreven aan wilde bestuivers, per gewastype voor de belangrijkste soorten van bestuivers afhankelijke gewassen, waaronder fruitbomen, bessen, tomaten, oliehoudende zaden en “overige”.

— Houtvoorziening is gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de groei van bomen en andere houtachtige biomassa en wordt gerapporteerd als nettotoename als gedefinieerd in bijlage VII met inbegrip van schors, in duizend m3.

  • b) 
    Regulerende en onderhoudsdiensten

— Luchtfiltratie wordt gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan het filteren van luchtverontreinigende stoffen door afzetting, opname, fixatie en opslag van verontreinigende stoffen door ecosysteemcomponenten (met name bomen). Dit beperkt de schadelijke gevolgen van de verontreinigende stoffen. De bijdragen worden gerapporteerd in ton geadsorbeerde deeltjes.

— Mondiale klimaatregulering wordt gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de vermindering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer door de verwijdering (nettovastlegging) van koolstof uit de atmosfeer en de retentie (opslag) van koolstof in ecosystemen. De bijdragen worden gerapporteerd in ton nettovastlegging van koolstof en ton organische koolstof die is opgeslagen in terrestrische ecosystemen, met inbegrip van bovengrondse en ondergrondse voorraden.

— Lokale klimaatregulering wordt gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem aan de regulering van de atmosferische omgevingsomstandigheden in stedelijke gebieden door middel van vegetatie die de levensomstan-digheden van mensen verbetert en de economische productie ondersteunt. Deze wordt uitgedrukt en gerapporteerd als de temperatuurdaling in steden als gevolg van het effect van stedelijke vegetatie, in graden Celsius op dagen waarop de luchttemperatuur 25 graden Celsius overstijgt.

  • c) 
    Culturele diensten

— Diensten die verband houden met natuurtoerisme worden gedefinieerd als de bijdrage van het ecosysteem, met name door de biofysische kenmerken en kwaliteiten van ecosystemen, die mensen in staat stellen het milieu te gebruiken en te genieten door middel van directe, in situ-, fysieke en ervaringsinteracties met het milieu. Die bijdragen worden gerapporteerd in het aantal overnachtingen in hotels, hostels, kampeerterreinen enz. dat kan worden toegeschreven aan bezoeken aan ecosystemen.

  • 5. 
    Ecosysteemrekeningen gebruiken de volgende tabel van ecosysteemtypen:
 

Categorie

Type ecosysteem

1

Woongebieden en andere kunstmatige gebieden

2

Akkerland

3

Grasland (weiland, halfnatuurlijk en natuurlijk grasland)

4

Bossen en bosgebieden

5

Heide en struiken

6

Ecosystemen met schaarse begroeiing

7

Wetlands in het binnenland

8

Rivieren en kanalen

9

Meren en waterbekkens

10

Estuaria en overgangswateren

11

Stranden, duinen en wetlands aan de kust

12

Mariene ecosystemen (kustwateren, continentaal plat en open oceaan)

Deel 4

EERSTE REFERENTIEJAAR, FREQUENTIE EN INDIENINGSTERMIJNEN

  • 1. 
    De statistieken worden samengesteld en ingediend:

— om de 3 jaar voor rekeningen betreffende de omvang en de toestand van de ecosystemen; de gegevens hebben betrekking op een representatief gemiddelde voor het referentiejaar en op de conversiematrix inzake de verandering in de 3 jaar tussen 2 referentiejaren;

— jaarlijks, mits de Commissie (Eurostat) modelleringsinstrumenten beschikbaar stelt voor de berekening van ecosysteemdiensten voor rekeningen voor ecosysteemdiensten; bij gebrek aan dergelijke instrumenten, om de drie jaar voor rekeningen voor ecosysteemdiensten.

  • 2. 
    De statistieken worden binnen 24 maanden na het einde van het referentiejaar ingediend.
  • 3. 
    Om tegemoet te komen aan de behoeften van de gebruiker aan volledige en tijdige gegevens, maakt de Commissie (Eurostat), zodra er genoeg landengegevens beschikbaar zijn, ramingen voor de totalen voor de EU. De Commissie (Eurostat) zal waar mogelijk ramingen opstellen en publiceren voor gegevens die niet binnen de in punt 2 gestelde termijnen door de lidstaten zijn verstrekt.
  • 4. 
    Het eerste referentiejaar is 2024. Voor de omrekeningsmatrix is het eerste referentiejaar 2027.
  • 5. 
    Bij de eerste indiening van gegevens nemen de lidstaten gegevens uit 2024 op voor de rekeningen betreffende de omvang en de toestand van ecosystemen, en voor wat ecosysteemdiensten betreft, aanbod- en gebruikstabellen uitgedrukt in fysieke eenheden. Voor de conversiematrix moeten de gegevens de veranderingen tussen 2024 en 2027 laten zien.
  • 6. 
    Elke volgende keer dat de lidstaten gegevens bij de Commissie indienen, verstrekken zij gegevens over de rekeningen betreffende de omvang en de toestand van de ecosysteemdiensten voor de jaren n-3 en n, waarbij n het referentiejaar is. De lidstaten dienen vanaf 2024 opnieuw gegevens in telkens wanneer de gegevens worden herzien. De lidstaten kunnen beschikbare gegevens voor de jaren voorafgaand aan 2024 verstrekken.

Deel 5

RAPPORTERINGSTABELLEN

  • 1. 
    Rekeningen betreffende de omvang van ecosystemen: voor alle in deel 3 bedoelde ecosysteemtypen worden de gegevens in de eerste indiening gerapporteerd voor het eerste referentiejaar. Voor elke daaropvolgende indiening van gegevens worden de gegevens als volgt gerapporteerd:

— omvang in het voorgaande referentiejaar;

— toenames;

— afnames;

— omvang in het lopende referentiejaar.

De conversiematrix rapporteert conversies tussen alle in deel 3 bedoelde ecosysteemtypen tussen het voorgaande en het lopende referentiejaar.

  • 2. 
    Rekeningen voor ecosysteemdiensten: voor de in deel 3 bedoelde ecosysteemdiensten worden de gegevens als volgt in de aanbod- en gebruikstabellen gerapporteerd:
  • a) 
    aanbodtabel waarin de jaarlijkse levering van de in deel 3 bedoelde diensten wordt geregistreerd door alle ecosysteemtypen als bedoeld in deel 3, met uitzondering van de categorieen 10 en 12;

    gebruikstabel waarin het gebruik van ecosysteemdiensten wordt geregistreerd volgens de volgende onderverdeling:

— intermediair verbruik van de bedrijfstakken;

— eindverbruik door de overheid;

— eindverbruik door de huishoudens;

— bruto-investeringen;

— uitvoer.

  • 3. 
    Een lidstaat is niet verplicht gegevens te verstrekken als zijn totale landoppervlakte niet groter is dan 0,3 % van het totale landoppervlak van de Unie.

Deel 6

MAXIMUMDUUR VAN DE OVERGANGSPERIODEN

Voor de uitvoering van de bepalingen van deze bijlage heeft de overgangsperiode een duur van maximaal twee jaar na de eerste indieningstermijn.

(*) Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 5 december 2003 betreffende de landbouwrekeningen in de Gemeenschap (PB L 33 van 5.2.2004, blz. 1).

(**) Verordening (EU) 2017/2391 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1059/2003 wat betreft de territoriale typologieen (Tercet) (PB L 350 van 29.12.2017, blz. 1).”.

22/22

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/3024/oj

1

  • (1) 
    Standpunt van het Europees Parlement van 10 april 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van

2

november 2024.

  • (2) 
    Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030 (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 22).
  • (3
    Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PB L 192 van 22.7.2011, blz. 1).
  • (4) 
    Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comite statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.