Besluit 2024/3134 - Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

1.

Wettekst

NL

L-serie

Publicatieblad van de Europese Unie

2024/3134                                  13.12.2024

2.

BESLUIT (EU) 2024/3134 VAN DE RAAD

van 2 december 2024

betreffende richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 148, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comite (2),

Na raadpleging van het Comite van de Regio’s,

Gezien het advies van het Comite voor de werkgelegenheid (3),

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1) 
    De lidstaten en de Unie moeten werken aan de ontwikkeling van een gecoordineerde werkgelegenheidsstrategie voor de bevordering van een geschoolde, opgeleide en flexibele beroepsbevolking en inclusieve, veerkrachtige en toekomstgerichte arbeidsmarkten die snel inspelen op economische veranderingen, teneinde de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde doelstellingen inzake volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, evenwichtige economische groei, en een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu te verwezenlijken. De lidstaten moeten werkgelegenheidsbevordering opvatten als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en hun maatregelen op dat gebied binnen de Raad coordineren.
  • (2) 
    De Unie moet sociale uitsluiting en discriminatie bestrijden en sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind bevorderen, als bepaald in artikel 3 VEU. Op grond van artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening houden met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van toereikende sociale bescherming, de bestrijding sociale uitsluiting en een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid.
  • (3) 
    Overeenkomstig het VWEU heeft de Unie beleidscoordinatie-instrumenten voor het economisch en werkgelegenheidsbeleid ontwikkeld en ingevoerd. De geintegreerde richtsnoeren die deel uitmaken van die instrumenten worden gevormd door de in de bijlage bij dit besluit vastgelegde richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (de “werkgelegenheidsrichtsnoeren”) en de in Aanbeveling (EU) 2015/1184 van de Raad (4) vastgelegde globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Unie. De werkgelegenheidsrichtsnoeren dienen als leidraad bij de beleidsuitvoering in de lidstaten en in de Unie, en brengen de onderlinge afhankelijkheid tussen de lidstaten tot uiting. De resulterende gecoordineerde Europese en nationale beleidslijnen en hervormingen vormen een algehele passende mix van duurzaam economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid met positieve overloopeffecten voor de arbeidsmarkten en de samenleving in het algemeen, de economische en sociale veerkracht versterken, en een doeltreffende respons bieden op uitdagingen op middellange tot lange termijn en op de gevolgen van crises zoals de COVID-19-pandemie en de gestegen kosten van levensonderhoud in verband met Ruslands aanvalsoorlog tegen Oekraine.
  • (4) 
    Om de economische en sociale vooruitgang, met inbegrip van opwaartse convergentie, te vergroten, de groene en de digitale transitie te ondersteunen, de industriele basis en het concurrentievermogen van de Unie te versterken en inclusieve en veerkrachtige arbeidsmarkten in de Unie tot stand te brengen, moeten de lidstaten tekorten aan
  • (1
    Advies van 22 oktober 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • (2) 
    Advies van 23 oktober 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • (3) 
    Advies van 23 oktober 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • (4) 
    Aanbeveling (EU) 2015/1184 van de Raad van 14 juli 2015 betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Europese Unie (PB L 192 van 18.7.2015, blz. 27).

arbeidskrachten en vaardigheden aanpakken; daarnaast moeten zij zorgen voor hoogwaardig en inclusief onderwijs en dito opleiding voor iedereen, met bijzondere aandacht voor het verbeteren van de basisvaardigheden, vooral onder studenten in een maatschappelijk kwetsbare positie, en voor de STEM-vaardigheden (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) op school en in het hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding gericht op de toekomst, en een leven lang bij- en omscholen, alsook een doeltreffend actief arbeidsmarktbeleid en betere arbeidsomstandigheden en carrieremogelijkheden, met inachtneming van de rol en de autonomie van de sociale partners. Dat is van bijzonder belang voor de minder ontwikkelde, afgelegen en ultraperifere regio’s van de Unie, waar de behoeften het grootst zijn. Tekorten kunnen verder worden aangepakt door eerlijke mobiliteit binnen de EU voor werknemers en lerenden te verbeteren en talent van buiten de Unie aan te trekken. Daarnaast moeten de banden tussen de onderwijs- en opleidingsstelsels en de arbeidsmarkt worden versterkt, en de vaardigheden, kennis en competenties die via niet-formeel en informeel leren zijn verworven, moeten worden erkend.

  • (5) 
    De werkgelegenheidsrichtsnoeren zijn in overeenstemming met het nieuwe kader voor economische governance van de Unie, dat op 30 april 2024 in werking is getreden (5), en met de bestaande wetgeving van de Unie en diverse initiatieven van de Unie, waaronder de aanbevelingen van de Raad van 14 juni 2021 (6), 29 november 2021 (7),

    5 april 2022 (8), 16 juni 2022 (9), 28 november 2022 (10), 8 december 2022 (11), 30 januari 2023 (12), 12 juni

2023 (13) en 27 november 2023 (14), Aanbeveling (EU) 2021/402 van de Commissie (15), de resolutie van de Raad van 26 februari 2021 (16), de mededelingen van de Commissie van 9 december 2021 over bouwen aan een economie die werkt voor de mensen: een actieplan voor de sociale economie, van 30 september 2020 over het actieplan voor digitaal onderwijs 2021-2027, van 3 maart 2021 over een Unie van gelijkheid: strategie inzake de rechten van personen met een handicap 2021-2030, van 7 september 2022 over een Europese zorgstrategie, van 1 februari

2023 over een industrieel plan voor de Green Deal voor het nettonultijdperk, van 25 januari 2023 over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie, van 28 september 2022 over het beter beoordelen van de verdelingseffecten van het beleid van de lidstaten, en van 20 maart 2024 over tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden in de EU: een actieplan, de Besluiten (EU) 2021/2316 (17) en (EU) 2023/936 (18) van het Europees Parlement en de Raad, en de Richtlijnen (EU) 2022/2041 (19), (EU) 2022/2381 (20), (EU) 2023/970 (21) en (EU) 2024/2831 (22) van het Europees Parlement en de Raad.

  • (6) 
    Aanbeveling (EU) 2021/1004 van de Raad van 14 juni 2021 tot instelling van een Europese kindergarantie (PB L 223 van

22.6.2021, blz. 14).

  • (7) 
    Aanbeveling van de Raad van 29 november 2021 over blended leren voor hoogwaardig en inclusief basis- en middelbaar onderwijs (PB C 504 van 14.12.2021, blz. 21).
  • (8) 
    Aanbeveling van de Raad van 5 april 2022 over bruggen bouwen voor doeltreffende Europese samenwerking in het hoger onderwijs (PB C 160 van 13.4.2022, blz. 1).
  • (9) 
    Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022 betreffende leren voor de groene transitie en duurzame ontwikkeling (PB C 243 van

27.6.2022, blz. 1), Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022 betreffende een Europese benadering van microcredentials voor een leven lang leren en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt (PB C 243 van 27.6.2022, blz. 10), Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022 inzake individuele leerrekeningen (PB C 243 van 27.6.2022, blz. 26) en Aanbeveling van de Raad van 16 juni 2022 inzake het garanderen van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit (PB C 243 van 27.6.2022, blz. 35).

  • Aanbeveling van de Raad van 28 november 2022 over trajecten naar succes op school die de aanbeveling van de Raad van 28 juni

    2011 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten vervangt (PB C 469 van 9.12.2022, blz. 1).

  • Aanbeveling van de Raad van 8 december 2022 over toegang tot betaalbare hoogwaardige langdurige zorg (PB C 476 van

15.12.2022, blz. 1) en aanbeveling van de Raad van 8 december 2022 over voor- en vroegschoolse educatie en opvang: de

doelstellingen van Barcelona voor 2030 (PB C 484 van 20.12.2022, blz. 1).

  • Aanbeveling van de Raad van 30 januari 2023 over een toereikend minimuminkomen met het oog op actieve inclusie (PB C 41 van

3.2.2023, blz. 1).

  • Aanbeveling van de Raad van 12 juni 2023 over de versterking van de sociale dialoog in de Europese Unie (PB C, C/2023/1389,

6.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1389/oj).

  • Aanbeveling (EU) 2021/402 van de Commissie van 4 maart 2021 over doeltreffende actieve steun voor werkgelegenheid na de COVID-19-crisis (EASE) (PB L 80 van 8.3.2021, blz. 1).
  • Resolutie van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding met het oog op de Europese Onderwijsruimte en verder (2021-2030) (PB C 66 van 26.2.2021, blz. 1).
  • Besluit (EU) 2021/2316 van het Europees Parlement en de Raad van 22 december 2021 over een Europees Jaar van de Jeugd (2022) (PB L 462 van 28.12.2021, blz. 1).
  • Besluit (EU) 2023/936 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 over een Europees Jaar van de Vaardigheden (PB L 125 van 11.5.2023, blz. 1).
  • Richtlijn (EU) 2022/2041 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende toereikende minimumlonen in de Europese Unie (PB L 275 van 25.10.2022, blz. 33).
  • Richtlijn (EU) 2022/2381 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 inzake het verbeteren van het genderevenwicht bij bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen (PB L 315 van

7.12.2022, blz. 44).

  • Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen (PB L 132 van 17.5.2023, blz. 21).
  • (6) 
    Het Europees Semester combineert verschillende instrumenten in een overkoepelend kader voor geintegreerde multilaterale coordinatie en bewaking van het economisch en werkgelegenheidsbeleid binnen de Unie. Bij het streven naar ecologische duurzaamheid, productiviteit, rechtvaardigheid en macro-economische stabiliteit worden de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, die in november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn afgekondigd (23) (de “Europese pijler van sociale rechten”), en het monitoringinstrument daarvan, het sociaal scorebord, opgenomen in het Europees Semester, waarmee ook een analyse mogelijk is van de risico’s en uitdagingen voor opwaartse sociale convergentie in de Unie, en voorziet het Europees Semester in nauwe samenwerking met de sociale partners, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden. Het Europees Semester draagt ook bij tot de verwezenlijking van de door de Verenigde Naties vastgestelde duurzameontwikke-lingsdoelstellingen. Het economisch en werkgelegenheidsbeleid van de Unie en de lidstaten moet gepaard gaan met de rechtvaardige transitie van de Unie naar een klimaatneutrale, ecologisch duurzame en digitale economie, versterking van het concurrentievermogen en de productiviteit, waarborging van adequate arbeidsvoorwaarden, stimulering van innovatie en bevordering van democratie op het werk, sociale dialoog, sociale rechtvaardigheid, gelijke kansen en opwaartse sociaal-economische convergentie; ook moet het ongelijkheden en regionale verschillen aanpakken, en armoede en sociale uitsluiting bestrijden.
  • (7) 
    Klimaatverandering en andere milieugerelateerde uitdagingen, de noodzaak om te zorgen voor een eerlijke groene transitie, energieonafhankelijkheid en groter concurrentievermogen van nettonul-industrieen en de noodzaak om de open strategische autonomie van Europa veilig te stellen, evenals digitalisering, artificiele intelligentie en de platformeconomie, steeds meer telewerk en demografische veranderingen transformeren de economieen en samenlevingen van de Unie ingrijpend. De Unie en haar lidstaten moeten samenwerken om dergelijke structurele ontwikkelingen effectief en proactief aan te pakken en de bestaande systemen en het daarmee samenhangende beleid waar nodig aan te passen, rekening houdend met de sterke onderlinge afhankelijkheid van de economieen en arbeidsmarkten van de lidstaten. Dat vereist een gecoordineerd, ambitieus en doeltreffend beleid op nationaal en Unieniveau dat de rol van de sociale partners erkent, in overeenstemming is met het VWEU en de bepalingen van de Unie betreffende economische governance, en rekening houdt met de Europese pijler van sociale rechten. Dit beleid moet duurzame investeringen stimuleren in alle regio’s van de Unie en ervoor zorgen dat opnieuw wordt ingezet op goed gefaseerde hervormingen en investeringen die duurzame en inclusieve economische groei, het scheppen van hoogwaardige banen, productiviteit, billijke arbeidsvoorwaarden, sociale en territoriale cohesie, opwaartse sociaal-economische convergentie, veerkracht en budgettaire verantwoordelijkheid bevorderen. Zoals vermeld in de aanbeveling betreffende leren voor de groene transitie en duurzame ontwikkeling, kan de uitvoering van die beleidslijnen worden ondersteund door de onderwijs- en opleidingsdimensie stelselmatig te integreren in andere beleidslijnen met betrekking tot de groene transitie en duurzame ontwikkeling vanuit het oogpunt van een leven lang leren. Er moet steun komen uit bestaande financieringsprogramma’s van de Unie, en met name uit de bij Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (24) opgezette herstel- en veerkrachtfaciliteit en de fondsen voor het cohesiebeleid, met inbegrip van het bij Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad (25) opgezette Europees Sociaal Fonds Plus en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, dat wordt geregeld bij Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad (26), alsook uit het bij Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (27) opgezette Fonds voor een rechtvaardige transitie. Het beleid moet maatregelen aan de vraag- en aanbodzijde combineren, en daarbij moet rekening worden gehouden met de economische, ecologische, werkgelegenheids- en sociale effecten van dergelijke maatregelen.
  • (8) 
    De Europese pijler van sociale rechten, bevat twintig beginselen en rechten ter ondersteuning van goed functionerende en eerlijke arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels, opgebouwd rond drie categorieen: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, eerlijke arbeidsomstandigheden, en sociale bescherming en inclusie. Die beginselen en rechten bepalen de strategische koers van de Unie om ervoor te zorgen dat de transities naar klimaatneutraliteit, ecologische duurzaamheid en digitalisering en de demografische veranderingen en de daarmee samenhangende gevolgen op sociaal rechtvaardige en eerlijke wijze verlopen, waarbij ook de territoriale samenhang behouden blijft. De Europese pijler van sociale rechten vormt samen met het begeleidende sociale scorebord een leidraad om de prestaties van de lidstaten op sociaal en werkgelegenheidsgebied, met inbegrip van opwaartse sociale convergentie, in de Unie binnen het Europees Semester te monitoren, hervormingen en investeringen op nationaal, regionaal en lokaal niveau te stimuleren, en het “sociale” en de “markt” in de moderne economie van vandaag te verzoenen, onder meer door de sociale economie te bevorderen. Op 4 maart 2021 heeft de Commissie een actieplan voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten (het “actieplan”) uitgebracht met ambitieuze maar
  • (23
    Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten (PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10).
  • Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).
  • Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 21).
  • Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 60).
  • Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 1).

realistische kerndoelen van de Unie voor 2030 inzake werkgelegenheid (dat ten minste 78 % van de bevolking in de leeftijdsgroep van 20 tot 64 jaar een baan moet hebben), vaardigheden (dat ten minste 60 % van alle volwassenen jaarlijks aan een opleiding moet deelnemen) en armoedebestrijding (dat ten minste vijftien miljoen minder mensen, van wie vijf miljoen kinderen, met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd) (de “kerndoelen van de Unie voor 2030”) en aanvullende subdoelen, alsook het herziene sociale scorebord.

  • (9) 
    Zoals door de staatshoofden en regeringsleiders tijdens de sociale top van Porto van 8 mei 2021 is erkend, zal de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten het streven van de Unie naar een digitale, groene en rechtvaardige transitie versterken, bijdragen aan opwaartse sociaal-economische convergentie en de demografische uitdagingen helpen aanpakken. De staatshoofden en regeringsleiders beklemtoonden dat de sociale dimensie, de sociale dialoog en de actieve betrokkenheid van de sociale partners een centrale plaats innemen in een zeer concurrerende sociale markteconomie, en waren ingenomen met de nieuwe kerndoelen van de Unie. Zij verklaarden, conform de strategische agenda 2019-2024 van de Europese Raad, vastbesloten te zijn de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten op EU- en nationaal niveau verder te blijven verdiepen, met inachtneming van de respectieve bevoegdheden en van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel. Tot slot benadrukten zij hoe belangrijk het is de geboekte voortgang met de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de kerndoelen van de Unie voor 2030 nauwlettend te volgen, ook op het hoogste niveau.
  • (10) 
    De kerndoelen van de Unie voor 2030 werden door de staatshoofden en regeringsleiders op de sociale top van Porto en door de Europese Raad van juni 2021 goed onthaald. Zij zullen samen met het sociaal scorebord van nut zijn om te monitoren in hoeverre de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten worden toegepast binnen het kader voor beleidscoordinatie in de context van het Europees Semester. Tijdens de sociale top van Porto werden de lidstaten daarnaast verzocht ambitieuze nationale doelstellingen vast te stellen die, rekening houdend met de uitgangspositie van elk lidstaat, een passende bijdrage moeten vormen aan de verwezenlijking van de kerndoelen van de Unie voor 2030. Tussen september 2021 en juni 2022 hebben de lidstaten op verzoek van de Commissie hun nationale doelstellingen meegedeeld. Tijdens de zitting van de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volks-gezondheid en Consumentenzaken van juni 2022 benadrukten de ministers van de lidstaten hoe belangrijk het is de geboekte voortgang bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de kerndoelen van de Unie voor 2030 nauwlettend te volgen. Tegen die achtergrond wordt de voortgang ten aanzien van die nationale doelstellingen gemonitord in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid dat op 11 maart 2024 door de Raad is goedgekeurd (het “gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid”), en geintegreerd in de monitoringinstrumenten van het Europees Semester. Daarnaast bevatte het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2024 bij wijze van proef een “eerste analyse per land” — op basis van de kenmerken van het kader voor sociale convergentie — van mogelijke risico’s voor de opwaartse sociale convergentie, waaruit bleek dat in zeven lidstaten zich mogelijk risicovolle situaties voordeden. Die conclusie resulteerde in een diepgaandere “tweede analyse” voor deze zeven lidstaten, waaruit bleek dat de algemene uitdagingen niet voor al deze lidstaten werden bevestigd.
  • (11) 
    Naar aanleiding van de Russische invasie van Oekraine heeft de Europese Raad in zijn conclusies van 24 februari

2022 het optreden van Rusland, dat gericht is op de ondermijning van de Europese en mondiale veiligheid en stabiliteit, veroordeeld, zijn solidariteit met de Oekraiense bevolking betuigd en gewezen op de schending door Rusland van het internationaal recht en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. In de huidige context biedt tijdelijke bescherming, zoals verleend bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad (28) en verlengd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409 van de Raad (29), snelle en doeltreffende bijstand in de Unie aan ontheemden die Ruslands aanvalsoorlog tegen Oekraine ontvluchten, en verleent deze ontheemden in de hele Unie minimumrechten die een passend niveau van bescherming bieden. Door deel te nemen aan de Europese arbeidsmarkten kunnen ontheemden uit Oekraine blijven bijdragen aan een sterkere economie in de Unie en hun land en de mensen daar helpen ondersteunen. In de toekomst kunnen de opgedane ervaring en verworven vaardigheden bijdragen tot de wederopbouw van Oekraine. Tijdelijke bescherming verleent niet-begeleide kinderen en tieners het recht op wettelijke voogdij en toegang tot onderwijs en opvang. De lidstaten moeten de sociale partners blijven betrekken bij het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van beleidsmaatregelen die gericht zijn op het aanpakken van de uitdagingen op het gebied van werkgelegenheid en vaardigheden, waaronder de erkenning van kwalificaties van ontheemden uit Oekraine. De sociale partners spelen een belangrijke rol bij het beperken van de gevolgen van die oorlog met betrekking tot het behoud van werkgelegenheid en productie.

  • (12) 
    Bij hervormingen van de arbeidsmarkt, met inbegrip van de nationale loonvormingsmechanismen, moeten de nationale praktijken op het gebied van de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, alsook de autonomie van de sociale partners in acht worden genomen, teneinde te zorgen voor billijke lonen die een fatsoenlijke levensstandaard, duurzame groei en opwaartse sociaal-economische convergentie mogelijk maken. Die
  • Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraine in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PB L 71 van 4.3.2022, blz. 1).

hervormingen moeten een breed beraad over sociaal-economische factoren mogelijk maken, waaronder verbeteringen op het gebied van duurzaamheid, concurrentievermogen, innovatie, het scheppen van hoogwaardige banen, billijke arbeidsvoorwaarden, democratie op het werk, gendergelijkheid, de bestrijding van armoede onder werkenden, onderwijs, opleiding en vaardigheden, volksgezondheid, sociale bescherming en inclusie, alsook reele inkomens. Het belang van de sociale dialoog bij het aanpakken van uitdagingen in de arbeidswereld, waaronder tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden, werd opnieuw bevestigd op de top van Hertoginnedal van 2024.

  • (13) 
    De herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere Uniefondsen ondersteunen de lidstaten bij de uitvoering van hervormingen en investeringen die in overeenstemming zijn met de prioriteiten van de Unie, waardoor de economieen en samenlevingen in de Unie duurzamer en veerkrachtiger worden en beter voorbereid zijn op de groene en de digitale transitie in de veranderlijke context na de COVID-19-pandemie. Ruslands aanvalsoorlog tegen Oekraine heeft de reeds bestaande sociaal-economische problemen verder verergerd, aangezien vooral huishoudens met een laag inkomen getroffen werden door de hogere energieprijzen. De lidstaten en de Unie moeten ervoor blijven zorgen dat de sociale, werkgelegenheids- en economische gevolgen worden beperkt en dat de transities sociaal rechtvaardig en billijk verlopen, ook in de wetenschap dat meer open strategische autonomie en een snellere groene transitie zullen helpen minder afhankelijk te worden van de invoer van energie en andere strategische producten en technologieen, met name vanuit Rusland. Het is van essentieel belang veerkracht te bevorderen en te streven naar een inclusieve en veerkrachtige samenleving waarin mensen worden beschermd, maar hen ook wordt aangeleerd hoe ze zelf kunnen anticiperen op en omgaan met veranderingen, en waarin ze actief aan de samenleving en de economie kunnen deelnemen.
  • (14) 
    Er is samenhangend actief arbeidsmarktbeleid nodig dat bestaat uit tijdelijke en gerichte aanwervings- en transitiestimulansen, vaardighedenbeleid, waaronder leren voor de groene transitie en duurzame ontwikkeling, en gerichte, doeltreffende en aanpasbare diensten voor arbeidsvoorziening, om de transities op de arbeidsmarkt te ondersteunen en het onbenutte arbeidsmarktpotentieel volledig te benutten, ook in lijn met de aanpak van actieve inclusie en in het licht van de groene en de digitale transformatie. Adequate arbeidsvoorwaarden, waaronder gezondheid en veiligheid op het werk en de lichamelijke en geestelijke gezondheid van werknemers, moeten worden gewaarborgd.
  • (15) 
    Het is zaak alle vormen van discriminatie te bestrijden, gendergelijkheid te waarborgen en de werkgelegenheid voor ondervertegenwoordigde groepen op de arbeidsmarkt te bevorderen. Gelijke toegang en gelijke kansen voor iedereen moeten worden gewaarborgd en armoede en sociale uitsluiting, in het bijzonder die van kinderen, personen met een handicap en Roma, moeten worden teruggedrongen, meer bepaald door te zorgen voor een doeltreffende werking van de arbeidsmarkten en adequate en inclusieve stelsels voor sociale bescherming, zoals uiteengezet in de aanbevelingen van de Raad van 8 november 20 1 9 (30) en van 30 januari 2023 (31). Daarnaast moeten belemmeringen voor inclusief en toekomstgericht onderwijs, opleiding, een leven lang leren en arbeidsmarktparticipatie worden weggenomen. De lidstaten moeten investeren in voor- en vroegschoolse educatie en opvang, in overeenstemming met de Europese kindergarantie en de aanbeveling over de doelstellingen van Barcelona voor 2030, in het aantrekkelijker en inclusiever maken van beroepsonderwijs en -opleiding, in overeenstemming met de aanbeveling van 24 november 2020 van de Raad (32), en in digitale en groene vaardigheden, in overeenstemming met het actieplan voor digitaal onderwijs en de aanbevelingen inzake leren voor de groene transitie en duurzame ontwikkeling en over trajecten naar succes op school. Toegang tot betaalbare en adequate huisvesting, waaronder via sociale huisvesting, is een noodzakelijke voorwaarde om gelijke kansen te garanderen. Dak- en thuisloosheid moeten specifiek worden aangepakt door middel van preventiemaatregelen en door de toegang tot permanente huisvesting te bevorderen en ondersteunende diensten aan te bieden. Tijdige en gelijke toegang tot betaalbare hoogwaardige langdurige zorg, in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad van 8 december 2022 (33), en tot gezondheidsdiensten, met inbegrip van preventieve zorg en gezondheidsbevordering, zijn in het licht van potentiele toekomstige gezondheidsrisico’s en een vergrijzende samenleving bijzonder relevant. Het potentieel van personen met een handicap om bij te dragen tot economische groei en sociale ontwikkeling moet verder worden benut, in overeenstemming met de strategie inzake de rechten van personen met een handicap, waarin de lidstaten werd verzocht doelstellingen voor arbeidsparticipatie en deelname aan volwasseneneducatie van personen met een handicap vast te stellen. In het strategisch EU-kader voor de Roma (34) wordt gewezen op de capaciteit binnen de gemarginaliseerde Roma-gemeenschappen om tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden te verminderen en met behulp van dit kader wordt ernaar gestreefd de werkgelegenheidskloof tussen de Roma en de algemene bevolking met minstens de helft te verkleinen. Nieuwe technologieen en veranderende werkomgevingen in de hele Unie maken
  • Aanbeveling van de Raad van 8 november 2019 met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen (PB C 387 van 15.11.2019, blz. 1).
  • Aanbeveling van de Raad van 30 januari 2023 over een toereikend minimuminkomen met het oog op actieve inclusie (PB C 41 van

3.2.2023, blz. 1).

  • Aanbeveling van de Raad van 24 november 2020 inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht (PB C 417 van 2.12.2020, blz. 1).
  • Aanbeveling van de Raad van 8 december 2022 over toegang tot betaalbare en hoogwaardige langdurige zorg (PB C 476 van

15.12.2022, blz. 1).

  • Mededeling van de Commissie van 7 oktober 2020, getiteld “Een Unie van gelijkheid: strategisch EU-kader voor gelijkheid, integratie en participatie van de Roma”, en Aanbeveling van de Raad van 12 maart 2021 inzake gelijkheid, inclusie en participatie van de Roma (PB C 93 van 19.3.2021, blz. 1).

flexibelere werkregelingen, een betere productiviteit en een beter evenwicht tussen werk en priveleven mogelijk, en dragen tegelijkertijd bij tot de verwezenlijking van de groene verbintenissen van de Unie. Die ontwikkelingen brengen ook nieuwe uitdagingen met zich mee voor de arbeidsmarkten, die gevolgen hebben voor de arbeidsomstandigheden, de gezondheid en veiligheid op het werk en de daadwerkelijke toegang tot passende sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen. De lidstaten moeten er in samenwerking met de sociale partners voor zorgen dat nieuwe vormen van arbeidsorganisatie zich vertalen in hoogwaardige banen en adequate gezonde en veilige werkplekken en arbeidsvoorwaarden, evenals evenwicht tussen werk en priveleven, en actief en gezond ouder worden, waarbij gevestigde arbeids- en sociale rechten worden gehandhaafd en het Europese sociale model wordt versterkt.

  • (16) 
    De gei'ntegreerde richtsnoeren moeten als basis dienen voor de landspecifieke aanbevelingen van de Raad aan de lidstaten. De lidstaten moeten ten volle gebruikmaken van hun React-EU-middelen die beschikbaar worden gesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad (35), die een aanvulling vormen op de fondsen voor het cohesiebeleid en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen tot en met 2023. Naar aanleiding van de huidige crisis in Oekraine is Verordening (EU) 2020/2221 verder aangevuld door Verordening (EU) 2022/562 van het Europees Parlement en de Raad (36), alsook door een bijkomende wijziging van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (37) wat betreft de verhoging van de voorfinanciering uit de React-EU-middelen en door de vaststelling, in Verordening (EU) 2022/613 van het Europees Parlement en de Raad (38), van nieuwe eenheidskosten om de integratie van mensen die Oekraine verlaten en de Unie binnenkomen te helpen versnellen. Daarnaast moeten de lidstaten voor de programmeringsperiode 2021-2027 ten volle gebruikmaken van het Europees Sociaal Fonds Plus, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de herstel- en veerkrachtfaciliteit en andere Uniefondsen, waaronder het Fonds voor een rechtvaardige transitie en InvestEU vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (39), evenals van het instrument voor technische ondersteuning, om hoogwaardige werkgelegenheid en sociale investeringen te bevorderen, armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan, discriminatie te bestrijden, toegankelijkheid en inclusie te waarborgen, alsook bij- en omscholingsmogelijkheden voor de beroepsbevolking, een leven lang leren en een hoogwaardig onderwijs- en opleidingsaanbod voor iedereen, met inbegrip van digitale geletterdheid en vaardigheden, te stimuleren, zodat de mensen de nodige kennis en kwalificaties kunnen opdoen om zich te handhaven in een digitale en groene economie. De lidstaten moeten ook ten volle gebruikmaken van het bij Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad (40) opgezette Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers, met het oog op de ondersteuning van werknemers die zijn ontslagen als gevolg van grote herstructureringen, zoals sociaal-economische veranderingen die het gevolg zijn van globale trends, en van technologische en milieuveranderingen. Hoewel de gei'ntegreerde richtsnoeren gericht zijn tot de lidstaten en de Unie, moeten zij worden uitgevoerd in partnerschap met alle nationale, regionale en lokale autoriteiten, in nauwe samenwerking met de parlementen, de sociale partners en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.
  • (17) 
    Het Comite voor de werkgelegenheid en het Comite voor sociale bescherming moeten overeenkomstig hun respectieve mandaten uit hoofde van het VWEU, toezicht houden op de wijze waarop de betrokken beleidsmaatregelen worden uitgevoerd in het licht van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Die comites en de voorbereidende instanties van de Raad die bij de coordinatie van het economisch en het sociaal beleid zijn betrokken, moeten nauw met elkaar samenwerken. De beleidsdialoog tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, in het bijzonder met betrekking tot de werkgelegenheidsrichtsnoeren, moet worden gehandhaafd.
  • (18) 
    Het Comite voor sociale bescherming is geraadpleegd,
  • Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU) (PB L 437 van 28.12.2020, blz. 30).
  • Verordening (EU) 2022/562 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 223/2014 wat betreft maatregelen uit hoofde van het cohesiebeleid ten behoeve van vluchtelingen in Europa (CARE) (PB L 109 van 8.4.2022, blz. 1).
  • Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiele regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiele steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159).
  • Verordening (EU) 2022/613 van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2022 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 223/2014 wat betreft de verhoging van de voorfinanciering uit de React-EU-middelen en de vaststelling van eenheidskosten (PB L 115 van 13.4.2022, blz. 38).
  • Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30).
  • Verordening (EU) 2021/691 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering voor ontslagen werknemers (EFG) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1309/2013 (PB L 153 van 3.5.2021, blz. 48).

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage opgenomen richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (de “werkgelegenheidsricht-snoeren”) worden vastgesteld. De werkgelegenheidsrichtsnoeren vormen een onderdeel van de geintegreerde richtsnoeren.

Artikel 2

De lidstaten houden in hun werkgelegenheidsbeleid en hervormingsprogramma’s, waarover overeenkomstig artikel 148, lid 3, van het VWEU verslag wordt uitgebracht, rekening met de werkgelegenheidsrichtsnoeren.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 december 2024.

Voor de Raad

De voorzitter

NAGY M.

BIJLAGE

Richtsnoer 5: de vraag naar arbeid stimuleren

De lidstaten zouden een duurzame sociale markteconomie actief moeten bevorderen en investeringen in het scheppen van hoogwaardige banen faciliteren en ondersteunen. Daarbij zouden zij ook het potentieel van de digitale en de groene transitie moeten benutten, in het licht van de kerndoelen van de Unie en de nationale streefcijfers voor 2030 inzake werkgelegenheid. Daartoe zouden zij de belemmeringen moeten wegnemen waarmee bedrijven bij het werven van personeel geconfronteerd worden, verantwoord ondernemerschap en echte zelfstandige arbeid moeten bevorderen en vooral de oprichting en groei van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen moeten ondersteunen, onder andere via toegang tot financiering en door het potentieel van de hernieuwbare en circulaire economie te benutten. De lidstaten zouden de ontwikkeling van de sociale economie, met inbegrip van sociale ondernemingen, actief moeten bevorderen en het volledige potentieel ervan benutten. Zij zouden maatregelen en strategieen ter zake moeten ontwikkelen voor de sociale economie, sociale innovatie moeten stimuleren en bedrijfsmodellen moeten aanmoedigen die hoogwaardige werk-gelegenheid creeren en sociale welvaart genereren, met name op lokaal niveau, waaronder in de circulaire economie en in gebieden die het zwaarst worden getroffen door de transitie naar een groene economie, onder meer door gerichte financiele en technische ondersteuning.

Om de veerkracht bij mogelijke economische schokken en/of schokken op de arbeidsmarkt of bij voortdurende structurele veranderingen te versterken, spelen goed ontworpen werktijdverkortingsregelingen en soortgelijke regelingen een belangrijke rol. Die regelingen kunnen ook structurele transformaties ondersteunen door herstructureringsprocessen te vergemakkelijken en te ondersteunen en door arbeid te verschuiven van krimpende naar opkomende sectoren, waardoor de productiviteit en het concurrentievermogen toenemen, werkgelegenheid behouden blijft en de economie gemoderniseerd wordt, onder andere via de ontwikkeling van de bijbehorende vaardigheden. Er zouden goed doordachte aanwervings- en transitiestimulansen en bij- en omscholingsmaatregelen, ontwikkeld in nauwe samenwerking met de sociale partners, moeten worden overwogen om het scheppen van hoogwaardige banen en de transities gedurende het hele beroepsleven te ondersteunen en tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden aan te pakken, ook in het licht van de digitale en de groene transitie, demografische veranderingen en de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekrai'ne.

Er zou minder belasting moeten worden geheven op arbeid en meer op andere bronnen die voordeliger zijn voor de werkgelegenheid en de inclusieve groei, en die stroken met de klimaat- en milieudoelstellingen. Daarbij zou rekening moeten worden gehouden met het herverdelingseffect van het belastingstelsel en de gevolgen daarvan voor de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en zouden de inkomsten voor een toereikende sociale bescherming en groeibevorderende uitgaven moeten worden veiliggesteld.

De lidstaten, met inbegrip van die met een wettelijk minimumloon, zouden collectieve loononderhandelingen moeten bevorderen en de sociale partners daarbij effectief moeten betrekken op een transparante en voorspelbare manier, om ervoor te zorgen dat de lonen op passende wijze kunnen worden afgestemd op de ontwikkeling van de productiviteit en om billijke lonen die een behoorlijke levensstandaard garanderen, te bevorderen, waarbij de aandacht vooral uitgaat naar de lagere en middeninkomens om de opwaartse sociaal-economische convergentie te versterken. Loonvormingsmechanismen zouden ook rekening moeten houden met sociaal-economische omstandigheden, met inbegrip van groei van de werkgelegenheid, concurrentievermogen, koopkracht en regionale en sectorale ontwikkelingen. Rekening houdend met de nationale praktijken en de autonomie van de sociale partners, zouden de lidstaten en de sociale partners ervoor moeten zorgen dat alle werknemers een billijk loon krijgen, direct dan wel indirect op basis van collectieve overeenkomsten of een toereikend wettelijk minimumloon. Daarbij zouden zij rekening moeten houden met het effect van het loon op het concurrentievermogen, het scheppen van hoogwaardige banen, de koopkracht en de armoede onder werkenden.

Richtsnoer 6: het arbeidsaanbod vergroten, de toegang tot de arbeidsmarkt verbeteren en de mogelijkheden om gedurende het hele leven vaardigheden en competenties te verwerven, verruimen

Tegen de achtergrond van de digitale en de groene transitie, demografische veranderingen en de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraine zouden de lidstaten de duurzaamheid, de productiviteit, het concurrentievermogen, de inzetbaarheid, de inclusiviteit en de ontwikkeling van menselijk kapitaal moeten vergroten door ervoor te zorgen dat mensen in de loop van hun leven vaardigheden en competenties opdoen om te kunnen voldoen aan de huidige en toekomstige behoeften op de arbeidsmarkt, mede in het licht van de kerndoelen van de Unie en de nationale streefcijfers voor 2030 inzake vaardigheden. De lidstaten zouden ook hun onderwijs- en opleidingsstelsels moeten moderniseren en erin moeten investeren om onderwijs en opleiding die inclusief en van hoge kwaliteit zijn aan te bieden, ook beroepsonderwijs en -opleiding, om de onderwijsresultaten te verbeteren en meer kansen te geven om vaardigheden en competenties te ontwikkelen, ook die welke nodig zijn voor de groene en de digitale transitie, en om de toegang tot digitaal leren, taalonderwijs (bv. in het geval van vluchtelingen, ook uit Oekrai'ne, of om de toegang tot de arbeidsmarkt in grensoverschrijdende regio’s te vergemakkelijken) en het verwerven van ondernemersvaardigheden te verzekeren. De lidstaten zouden moeten samenwerken met de sociale partners, de aanbieders van onderwijs en opleiding, het bedrijfsleven en andere belanghebbenden om structurele zwakke punten in de onderwijs- en opleidingsstelsels weg te werken en de kwaliteit en relevantie daarvan voor de arbeidsmarkt te verbeteren, onder meer via gerichte financiele en technische ondersteuning. Dit zou ook bijdragen tot het mogelijk maken van de groene en de digitale transitie, het aanpakken van de mismatch tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en tekorten aan arbeidskrachten, onder andere voor activiteiten die verband houden met de nettonul- en digitale industrieen, met inbegrip van die welke relevant zijn voor de economische zekerheid van de EU, en die welke verband houden met de groene transitie, zoals de uitrol van hernieuwbare energie of de renovatie van gebouwen.

Er zou bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de uitdagingen op het gebied van de onderwijsprestaties van jongeren, vooral op het gebied van de basisvaardigheden. Er zou actie moeten worden ondernomen om de uitdagingen voor het beroep van leraar aan te pakken, waaronder de aantrekkelijkheid van het beroep, het aanpakken van lerarentekorten en de noodzaak om te investeren in de digitale vaardigheden van leraren en opleiders. Bovendien zouden de onderwijs- en opleidingsstelsels alle lerenden sleutelcompetenties moeten bijbrengen, waaronder basis- en digitale vaardigheden, maar ook transversale competenties en kritisch denken in het licht van de dreiging van desinformatie, om de basis te leggen voor aanpassingsvermogen en veerkracht in het verdere leven en te zorgen dat leerkrachten bereid zijn die vaardigheden bij lerenden te cultiveren. De lidstaten zouden volwassenen in de werkende leeftijd moeten ondersteunen bij de toegang tot opleiding, ook werkgevers moeten bewustmaken van het belang van een werkomgeving waarin een leven lang leren wordt gestimuleerd, en personen meer stimulansen en motivatie moeten geven om een opleiding te volgen, in voorkomend geval door middel van individuele leerrekeningen, en het waarborgen van de overdraagbaarheid ervan tijdens de transitie op de arbeidsmarkt, alsook door middel van een betrouwbaar systeem voor de beoordeling van de opleidingskwaliteit. De lidstaten zouden het gebruik van microcredentials om een leven lang leren en inzetbaarheid te ondersteunen, moeten onderzoeken. Zij zouden iedereen in staat moeten stellen te anticiperen op de behoeften van de arbeidsmarkt en zich daaraan beter aan te passen, met name door middel van voortdurende bij- en omscholing en het verschaffen van geintegreerde begeleiding en geintegreerd advies, met als doel eerlijke en rechtvaardige transities voor iedereen te ondersteunen, de werkgelegenheid en sociale resultaten en productiviteit te versterken, tekorten op de arbeidsmarkt en de mismatch in vaardigheden aan te pakken, de economie in het algemeen schokbestendiger te maken en eventuele aanpassingen te faciliteren.

De lidstaten zouden gelijke kansen voor iedereen moeten bevorderen door ongelijkheden in onderwijs- en opleidingsstelsels aan te pakken, waaronder in termen van regionale dekking. Met name zouden kinderen toegang moeten krijgen tot betaalbare en kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en opvang, in overeenstemming met de nieuwe “doelstellingen van Barcelona” en de Europese kindergarantie. De lidstaten zouden het algemene kwalificatieniveau moeten verhogen, het aantal vroegtijdige verlaters van onderwijs en opleiding moeten verminderen, gelijke toegang tot onderwijs voor kansarme kinderen en kinderen uit verafgelegen gebieden moeten stimuleren, beroepsonderwijs en -opleiding aantrekkelijker moeten maken, de toegang tot tertiair onderwijs en de voltooiing ervan moeten ondersteunen, en ervoor moeten zorgen dat er meer mensen, en met name vrouwen, afstuderen in wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM), zowel in stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding als in het tertiair onderwijs. Topprestaties en uitmuntendheid in onderwijsresultaten zouden ook moeten worden ondersteund, gezien hun rol in het stimuleren van het toekomstige innovatiepotentieel van de EU. De lidstaten zouden de overgang van onderwijs naar werk voor jongeren moeten vergemakkelijken door middel van hoogwaardige stages en leerlingplaatsen, en de deelname van volwassenen aan bij- en nascholing moeten vergroten, met name onder lerenden uit kansarme milieus en de laagst opgeleiden, door genderspecifieke en andere belemmeringen weg te nemen die hun toegang en deelname kunnen verhinderen. Rekening houdend met de nieuwe eisen van een digitale, groene en vergrijzende samenleving zouden de lidstaten het aanbod en het gebruik van flexibel initieel en voortgezet beroepsonderwijs en -opleiding moeten verbeteren en vergroten, werkplekleren in hun stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding een grotere rol moeten geven, onder meer met behulp van toegankelijke, hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen, en laaggeschoolde volwassenen moeten ondersteunen om hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te behouden. Er zouden opleidingsmogelijkheden moeten worden aangeboden zodat werknemers tijdens de werkuren opleidingsprogramma’s kunnen volgen (zonder kosten voor de werknemers). Voorts zouden de lidstaten de relevantie voor de arbeidsmarkt van tertiair onderwijs en, in voorkomend geval, onderzoek moeten vergroten, de monitoring en prognose van vaardigheden moeten verbeteren, vaardigheden en kwalificaties zichtbaarder en beter vergelijkbaar moeten maken, ook wanneer zij in het buitenland zijn verworven, en zorgen voor een consequenter gebruik van EU-brede classificaties (d.w.z. ESCO) en meer mogelijkheden moeten bieden voor de erkenning en validering van vaardigheden en competenties die buiten formeel onderwijs en formele opleiding zijn verworven, ook voor vluchtelingen en personen met een tijdelijke beschermingsstatus. Naast het aanboren van het onbenutte potentieel van de beroepsbevolking van binnen de EU, kunnen het aantrekken van talent en vaardigheden van buiten de EU via beheerde migratie, het voorkomen van uitbuitende arbeidsvoorwaarden en het bestrijden van zwart werk ook bijdragen aan het aanpakken van tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten, waaronder die welke verband houden met de groene en de digitale transitie, zoals in STEM-sectoren en in de gezondheidszorg en langdurige zorg.

De lidstaten zouden werklozen en inactieve personen tijdig doeltreffende, gecoordineerde bijstand op maat moeten verlenen in de vorm van hulp bij het zoeken van een baan, opleiding, bij- en omscholing en toegang tot andere ondersteunende diensten, met bijzondere aandacht voor personen in kwetsbare situaties en personen die getroffen zijn door de groene en de digitale transitie of schokken op de arbeidsmarkt. Er zou zo snel mogelijk moeten worden voorzien in concrete maatregelen waarbij uiterlijk na 18 maanden werkloosheid een grondige beoordeling van elke werkloze wordt uitgevoerd, om langdurige en structurele werkloosheid sterk terug te dringen en te voorkomen. Er zouden oplossingen moeten worden gezocht voor de jeugdwerkloosheid en met name voor jongeren die geen werk hebben, noch naar school gaan of een opleiding volgen (NEET’s), door voortijdig verlaten van onderwijs en opleiding te voorkomen en de overgang van school naar werk structureel te verbeteren, onder andere door middel van een volledige uitvoering van de versterkte jongerengarantie, in het bijzonder ter bevordering van hoogwaardige werkgelegenheid voor jongeren. Daarnaast zouden de lidstaten hun inspanningen moeten opvoeren, met name om te benadrukken hoe de groene en de digitale transitie jongeren een hernieuwd toekomstperspectief bieden en kansen voor hen scheppen om de arbeidsmarkt te betreden en er actief op te blijven.

De lidstaten zouden ernaar moeten streven belemmeringen en ontmoedigende factoren weg te nemen en prikkels te bieden, in verband met de participatie op de arbeidsmarkt, met name voor mensen met een laag inkomen, tweede verdieners (vaak vrouwen) en degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. Gezien de grote tekorten aan arbeidskrachten in bepaalde beroepen en sectoren (met name in de STEM-sectoren, ICT, de gezondheidszorg en langdurige zorg, het onderwijs, het vervoer en de bouw), zouden de lidstaten het arbeidsaanbod moeten helpen stimuleren, met name door passende lonen en rechtvaardige arbeidsvoorwaarden te bevorderen, ervoor te zorgen dat de opzet van de belasting- en uitkeringsstelsels de arbeidsparticipatie stimuleert en dat het actieve arbeidsmarktbeleid doeltreffend en toegankelijk is, met inachtneming van de rol en autonomie van de sociale partners. De lidstaten zouden, onder meer via gerichte financiele en technische ondersteuningsmaatregelen en diensten, voorlichting en bewustmaking, ook ondersteuning moeten bieden voor een aangepaste werkomgeving, zodat personen met een handicap kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt en aan het maatschappelijk leven. De arbeidsparticipatiekloof en de loonkloof tussen vrouwen en mannen en genderstereotypen zouden moeten worden aangepakt. De lidstaten zouden werk moeten maken van gelijkheid van vrouwen en mannen en een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, onder meer door te zorgen voor gelijke kansen en loopbaanontwikkeling, door belemmeringen voor de toegang tot leiderschapsposities op alle besluitvormingsniveaus weg te nemen en door geweld en pesterijen op de werkvloer, waar voornamelijk vrouwen het slachtoffer van zijn, te bestrijden. Er zou moeten worden gezorgd voor gelijke beloning voor gelijk of gelijkwaardig werk, alsook voor loontransparantie. Het combineren van werk, gezin en priveleven zou voor zowel vrouwen als mannen moeten worden bevorderd, in het bijzonder door toegang te bieden tot hoogwaardige en betaalbare voorzieningen voor langdurige zorg en voor- en vroegschoolse educatie en opvang, evenals met behulp van passend beleid dat is afgestemd op de veranderingen die als gevolg van de digitalisering hebben plaatsgevonden op de werkvloer. De lidstaten zouden ervoor moeten zorgen dat ouders en andere personen met zorgtaken toegang hebben tot gepast verlof om gezinsredenen en flexibele werkregelingen, zodat een goede combinatie van werk, gezin en priveleven mogelijk is, en zij zouden een evenwichtig gebruik van verlofrechten tussen ouders moeten bevorderen.

Richtsnoer 7: de werking van de arbeidsmarkten en de doeltreffendheid van de sociale dialoog verbeteren

De lidstaten zouden samen met de sociale partners moeten werken aan eerlijke, transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, waarbij de rechten en verplichtingen moeten worden afgewogen, zodat zij van een dynamische en productieve beroepsbevolking en nieuwe arbeidspatronen en bedrijfsmodellen kunnen profiteren. Zij zouden segmentatie op de arbeidsmarkt moeten voorkomen en terugdringen, zwartwerk en schijnzelfstandigheid moeten bestrijden en de overgang naar arbeidsrelaties voor onbepaalde tijd moeten bevorderen. Regels voor bescherming van de werkgelegenheid, alsook arbeidswetgeving en instellingen zouden allemaal moeten bijdragen tot zowel een gunstig wervingsklimaat als de nodige flexibiliteit voor werkgevers om snel in te spelen op economische veranderingen, en zouden tegelijk arbeidsrechten moeten vrijwaren en sociale bescherming, een passende beveiliging, en een gezonde, veilige en aangepaste werkomgeving voor alle werknemers moeten waarborgen. De bevordering van het gebruik van flexibele werkregelingen zoals telewerken kan bijdragen tot een hogere arbeidsparticipatie en inclusievere arbeidsmarkten. Verder zouden de lidstaten werknemers, bedrijven en andere actoren moeten ondersteunen bij de digitale transformatie, onder andere door het gebruik van ethische en betrouwbare hulpmiddelen voor artificiele intelligentie (AI) te bevorderen. Dit kan varieren van beleid om werknemers bij en om te scholen voor nieuwe beroepen tot stimulansen voor bedrijven om technologieen te ontwikkelen en in te zetten die de productiviteit kunnen verhogen, menselijke arbeid kunnen aanvullen en tekorten aan arbeidskrachten in kritieke sectoren kunnen verlichten. Het is in het algemeen, en met name in de context van klimaatverandering en digitale transformatie, belangrijk ervoor te zorgen dat de rechten van werknemers op het gebied van arbeidsvoorwaarden (waaronder arbeidstijd en arbeidsregelingen die afgestemd zijn op hittegolven), geestelijke gezondheid op het werk en het evenwicht tussen werk en priveleven worden geeerbiedigd. Arbeidsverhoudingen die leiden tot onzekere arbeidsvoor-waarden moeten worden voorkomen, onder meer in het geval van platformwerkers, door te zorgen voor eerlijkheid, transparantie en verantwoording bij het gebruik van algoritmen, en door misbruik van atypische arbeidsovereenkomsten te bestrijden. In het geval van onrechtmatig ontslag moet er toegang zijn tot effectieve en onpartijdige geschillenbeslechting en moet een recht op verhaal bestaan, met inbegrip van gepaste compensatie, indien van toepassing.

Het beleid moet gericht zijn op verbetering en ondersteuning van participatie op, aanpassing aan en overgangen op de arbeidsmarkt, mede in het licht van demografische veranderingen, ook in kansarme regio’s. De lidstaten zouden personen die aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen daadwerkelijk daartoe moeten activeren en in staat stellen, en dit geldt met name voor ondervertegenwoordigde groepen, zoals vrouwen en jongeren, evenals voor personen in een kwetsbare situatie, zoals laaggeschoolden en langdurig werklozen, personen met een handicap, mensen met een migratieachtergrond, met inbegrip van personen met een tijdelijke beschermingsstatus, personen uit gemarginaliseerde Roma-gemeenschappen en oudere werknemers. De lidstaten zouden het toepassingsgebied en de doeltreffendheid van het actieve arbeidsmarktbeleid moeten versterken door de doelgerichtheid, de reikwijdte en de dekking ervan te vergroten en door het beter te koppelen aan sociale diensten, opleiding en inkomenssteun voor werklozen, terwijl zij werk zoeken, en op basis van hun rechten en plichten. De lidstaten zouden optimaal moeten gebruikmaken van EU-financiering en technische ondersteuning om de capaciteit van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening te vergroten en zo werkzoekenden tijdig bijstand op maat te bieden, in te spelen op de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt, en resultaatgericht beheer uit te voeren, waardoor hun mogelijkheden om gegevens en digitale technologie te gebruiken worden ondersteund. Particuliere diensten voor arbeidsvoorziening spelen in dit opzicht ook een rol.

De lidstaten zouden werklozen toereikende uitkeringen van redelijke duur moeten verschaffen, in overeenstemming met hun bijdragen en de nationale bepalingen om daarvoor in aanmerking te komen. Werkloosheidsuitkeringen mogen een snelle terugkeer naar de arbeidsmarkt niet ontmoedigen en moeten gepaard gaan met een actief arbeidsmarktbeleid, met inbegrip van bij- en omscholingsmaatregelen, ook in het licht van tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden.

De mobiliteit van lerenden, leerlingen en werknemers zou moeten worden vergroot en op passende wijze worden ondersteund, met name voor lerenden in beroepsonderwijs en -opleiding met minder mobiliteitservaring, met als doel hun vaardigheden en inzetbaarheid te verbeteren, het potentieel van de Europese arbeidsmarkt volledig te benutten en bij te dragen aan het concurrentievermogen op EU-niveau. Tegelijkertijd zouden daarbij de eventuele negatieve demografische gevolgen van mobiliteit (waaronder hersenvlucht) moeten worden aangepakt. Belemmeringen voor arbeidsmobiliteit binnen de EU, waaronder procedures voor de erkenning van beroepskwalificaties of de overdracht van verworven socialezekerheidsrechten, zouden moeten worden aangepakt. Er zou moeten worden gezorgd voor eerlijke en fatsoenlijke omstandigheden voor iedereen die een grensoverschrijdende activiteit uitoefent, door discriminatie te voorkomen en te zorgen voor gelijke behandeling, door de nationale en EU-wetgeving te handhaven en door de administratieve samenwerking tussen nationale overheden met betrekking tot mobiele werknemers te intensiveren, met ondersteuning door de Europese Arbeidsautoriteit.

De mobiliteit van werknemers in kritieke beroepen en van grensarbeiders, seizoenarbeiders en gedetacheerde werknemers moet worden ondersteund bij tijdelijke grenssluitingen om volksgezondheidsoverwegingen. De lidstaten zouden legale migratietrajecten moeten verbeteren en voor een doeltreffend integratiebeleid voor werknemers en hun gezin moeten zorgen, waarin plaats is voor onderwijs en opleiding — waaronder taalopleiding —, werkgelegenheid, gezondheid en huisvesting, in overeenstemming met hun nationale wetgeving en praktijken.

De lidstaten zouden er ook naar moeten streven de juiste voorwaarden te scheppen voor nieuwe vormen van werk, en werkwijzen, door hun werkgelegenheidspotentieel te benutten en er tegelijkertijd voor te zorgen dat deze in overeenstemming zijn met de bestaande sociale rechten. Zij zouden advies en richtsnoeren moeten verstrekken over de rechten en plichten in de context van atypische arbeidsovereenkomsten en nieuwe vormen van werk, zoals werk via digitale arbeidsplatformen en telewerkregelingen. De sociale partners kunnen hierbij een belangrijke rol spelen en de lidstaten moeten hen ondersteunen bij het bereiken en vertegenwoordigen van mensen in atypisch werk en nieuwe vormen van werk. De lidstaten zouden ook moeten overwegen steun te verlenen voor handhaving — met name in de vorm van richtsnoeren of specifieke opleidingen voor arbeidsinspecties — wat betreft de uitdagingen die voortvloeien uit nieuwe vormen van arbeidsorganisatie, waaronder het gebruik van digitale technologies en van AI, zoals algoritmisch beheer, toezicht op werknemers en telewerken. De doeltreffende handhaving van voorlichtings- en raadplegingsrechten en collectieve onderhandelingen zijn van fundamenteel belang voor de ontwikkeling en eerbiediging van de rechten van werknemers in het kader van digitaliseringsprocessen en het gebruik van artificiele intelligentie en algoritmen in de arbeidsorganisatie en arbeidsverhoudingen.

Voortbouwend op de bestaande nationale praktijken zouden de lidstaten democratie op het werk moeten bevorderen en voor een gunstig klimaat moeten zorgen voor bipartiete en tripartiete sociale dialoog op alle niveaus, met inbegrip van collectieve onderhandelingen, in de openbare en de particuliere sector overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijk, na raadpleging van en in nauwe samenwerking met de sociale partners, met inachtneming van hun autonomie. De lidstaten zouden de sociale partners op systematische, zinvolle en tijdige wijze moeten betrekken bij het ontwerp en de uitvoering van werkgelegenheids- en sociaal beleid en, waar relevant, het economisch en ander overheidsbeleid, met inbegrip van de vaststelling en actualisering van wettelijke minimumlonen. De lidstaten zouden een hogere dekkingsgraad van collectieve onderhandelingen moeten bevorderen, onder meer door de opbouw en versterking van de capaciteit van de sociale partners te stimuleren, doeltreffende collectieve onderhandelingen op alle passende niveaus mogelijk moeten maken en de coordinatie tussen en over deze niveaus moeten aanmoedigen. De sociale partners zouden moeten worden aangemoedigd te onderhandelen en collectieve overeenkomsten te sluiten op gebieden die voor hen van belang zijn, met volledige inachtneming van hun autonomie en het recht op collectieve actie. De sociale partners spelen een cruciale rol bij het vinden en uitvoeren van evenwichtige oplossingen die een eerlijke transitie naar een koolstofarme economie faciliteren.

Waar relevant zouden de lidstaten, voortbouwend op de bestaande nationale praktijk, rekening moeten houden met de ervaring ter zake die maatschappelijke organisaties hebben opgedaan op het gebied van werkgelegenheid en sociale kwesties.

Richtsnoer 8: gelijke kansen voor iedereen bevorderen, sociale inclusie stimuleren en armoede bestrijden

De lidstaten zouden inclusieve arbeidsmarkten moeten bevorderen die voor iedereen openstaan, door doeltreffende maatregelen te nemen om alle vormen van discriminatie uit te bannen en te zorgen voor gelijke kansen voor iedereen, en met name voor ondervertegenwoordigde groepen op de arbeidsmarkt, met ook de nodige aandacht voor de regionale en territoriale dimensie. Zij zouden moeten zorgen voor gelijke behandeling op het gebied van werkgelegenheid, bijstand voor werkzoekenden, sociale bescherming, gezondheidszorg, voor- en vroegschoolse educatie en opvang, langdurige zorg, onderwijs en toegang tot goederen en diensten, waaronder huisvesting, ongeacht geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.

De lidstaten zouden de socialebeschermingsstelsels moeten moderniseren om te voorzien in een toereikende, doeltreffende, efficiente en houdbare sociale bescherming voor iedereen, in alle levensfasen, waarbij sociale inclusie en opwaartse sociale mobiliteit worden gestimuleerd, arbeidsmarktparticipatie wordt aangemoedigd, sociale investeringen worden ondersteund, armoede en sociale uitsluiting worden bestreden en ongelijkheid wordt aangepakt, onder meer via de opzet van hun belasting- en uitkeringsstelsels en door het herverdelend effect van hun beleid te beoordelen. Het aanvullen van algemene benaderingswijzen met gerichte, zal de doeltreffendheid van de socialebeschermingsstelsels verhogen. De modernisering van de socialebeschermingsstelsels moet tevens gericht zijn op het verbeteren van hun weerbaarheid tegen veelzijdige uitdagingen. Bijzondere aandacht zou moeten uitgaan naar kwetsbare huishoudens die getroffen worden de groene en de digitale transitie en de hoge kosten van levensonderhoud, waaronder huisvesting en energiekosten. De lidstaten zouden de lacunes in de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen verder moeten aanpakken, gelet op de opkomst van atypische arbeidsvormen.

Om in individuele behoeften te voorzien, zouden de lidstaten de drie componenten van actieve inclusie moeten ontwikkelen en in hun beleid opnemen: voldoende inkomenssteun, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige ondersteuningsdiensten. In de socialebeschermingsstelsels zou iedereen die over onvoldoende middelen beschikt toegang moeten hebben tot toereikende voorzieningen voor een minimuminkomen en zou sociale inclusie moeten worden gestimuleerd door mensen, onder meer via gerichte sociale diensten, te ondersteunen en aan te moedigen actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt en aan het maatschappelijk leven. De beschikbaarheid van betaalbare, toegankelijke huisvesting en hoogwaardige diensten zoals voor- en vroegschoolse educatie en opvang, buitenschoolse opvang, onderwijs, opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg is een vereiste om gelijke kansen te garanderen. In overeenstemming met de kerndoelen van de Unie en de nationale streefcijfers voor 2030 inzake armoedebestrijding zou er bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van armoede onder werkenden. In het bijzonder kinderarmoede en sociale uitsluiting zouden moeten worden aangepakt door middel van omvattende en geintegreerde maatregelen, onder meer door de volledige uitvoering van de Europese kindergarantie. De lidstaten zouden ervoor moeten zorgen dat iedereen, ook kinderen, toegang heeft tot essentiele diensten van goede kwaliteit. Zij zouden ook moeten garanderen dat mensen in nood en personen in een kwetsbare situatie toegang hebben tot passende betaalbare huisvesting, met inbegrip van sociale huisvesting, of bijstand op het gebied van huisvesting. Zij zouden moeten zorgen voor een schone en eerlijke energietransitie en energiearmoede aanpakken als een steeds belangrijkere vorm van armoede, waar nodig door middel van gerichte steunmaatregelen voor huishoudens in kwetsbare situaties. De lidstaten zouden waar nodig op doeltreffende wijze moeten gebruikmaken van financiering en technische ondersteuning door de EU om te investeren in sociale huisvesting of bijstand op het gebied van huisvesting, woningrenovatie en begeleidende diensten, en te voorzien in de dringende behoefte aan betaalbare en passende huisvesting. Bij deze dienstverlening zou rekening moeten worden gehouden met de specifieke behoeften van personen met een handicap, onder andere wat toegankelijkheid betreft. Dak- en thuisloosheid zou specifiek moeten worden aangepakt met preventiemaatregelen en door de toegang tot permanente huisvesting te bevorderen en ondersteunende diensten aan te bieden.

De lidstaten zouden tijdige toegang tot betaalbare preventieve en curatieve gezondheidszorg en langdurige zorg van hoge kwaliteit moeten garanderen, en tegelijk de houdbaarheid ervan op lange termijn moeten vrijwaren. In de context van een stijgende vraag naar langdurige zorg, die ook verband houdt met demografische veranderingen, zouden lacunes in de toereikendheid, evenals een tekort aan arbeidskrachten en slechte arbeidsvoorwaarden, moeten worden aangepakt.

Gelet op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraine en in overeenstemming met de activering van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad j1) zouden de lidstaten ontheemden uit Oekraine een passend niveau van bescherming moeten blijven bieden. Voor niet-begeleide minderjarigen zouden zij ook de nodige maatregelen moeten treffen. Ontheemde kinderen zouden toegang moeten krijgen tot voor- en vroegschoolse educatie en opvang en andere belangrijke diensten, in overeenstemming met de Europese kindergarantie.

j1)    Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in

geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12).

Door de stijgende levensverwachting en demografische veranderingen zouden de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de pensioenstelsels voor werknemers en zelfstandigen toereikend en houdbaar blijven; de stelsels zouden vrouwen en mannen gelijke kansen moeten bieden om pensioenrechten te verwerven en op te bouwen, onder meer via aanvullende stelsels die een toereikend inkomen op latere leeftijd garanderen. Pensioenhervormingen zouden gepaard moeten gaan met beleidsmaatregelen om de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen, actief en gezond ouder worden te bevorderen en het beroepsleven te verlengen, bijvoorbeeld door de effectieve pensioenleeftijd op te trekken, met name door arbeidsparticipatie te faciliteren en de arbeidsvoorwaarden aan te passen aan de behoeften van oudere werknemers. De lidstaten zouden een constructieve dialoog moeten aangaan met de sociale partners en andere belanghebbenden, en ervoor zorgen dat de hervormingen op passende wijze geleidelijk worden ingevoerd.

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2024/3134/oj

13/13

Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.