Richtlijn 2024/3101 - Wijziging van Richtlijn 2005/35/EG wat betreft verontreiniging vanaf schepen en de invoering van administratieve sancties voor inbreuken - Hoofdinhoud
Inhoudsopgave
NL
L-serie
Publicatieblad van de Europese Unie
2024/3101 16.12.2024
RICHTLIJN (EU) 2024/3101 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 27 november 2024 tot wijziging van Richtlijn 2005/35/EG wat betreft verontreiniging vanaf schepen en de invoering van administratieve sancties voor inbreuken
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comite (1),
Na raadpleging van het Comite van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
-
(1)Het maritieme beleid van de Unie beoogt een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming. Dat kan worden bereikt door de naleving van internationale verdragen, codes en resoluties, met behoud van de vrijheid van scheepvaart, zoals vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.
-
(2)Het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (“Marpol 73/78”) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) bevat een algemeen verbod op lozingen vanaf schepen op zee, maar bevat ook voorwaarden waaronder bepaalde stoffen in het mariene milieu mogen worden geloosd. Marpol 73/78 bevat uitzonderingen voor de lozing van verontreinigende stoffen die onder de bijlagen erbij vallen, welke niet als inbreuk dient te worden aangemerkt indien aan gespecificeerde voorwaarden is voldaan. Die bijlagen houden geen uitzondering in voor gevallen waarin degenen die voor de schade verantwoordelijk zijn, hebben gehandeld met de bedoeling schade te veroorzaken, of roekeloos en in de wetenschap dat waarschijnlijk schade zou ontstaan.
-
Sinds de vaststelling van Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn Marpol 73/78 en de bijlagen daarbij ingrijpend gewijzigd, waarbij strengere normen en verbodsbepalingen voor het lozen van stoffen vanaf schepen in zee zijn ingevoerd. Er moet rekening worden gehouden met die wijzigingen en met de lessen die zijn getrokken uit de uitvoering van Richtlijn 2005/35/EG.
-
(4)Hoewel een overkoepelende doelstelling van deze richtlijn erin bestaat belangrijke wijzigingen van Marpol 73/78 in het recht van de Unie om te zetten, is een geactualiseerde en volledige tekst van Marpol 73/78 en de bijbehorende bijlagen niet openbaar beschikbaar. Dit maakt het voor de sector, burgers en overheden gecompliceerd om naar behoren toegang te krijgen tot de tekst van Marpol 73/78 en andere soortgelijke IMO-verdragen.
-
(5)De lidstaten moeten binnen de IMO samenwerken om de volledige en bijgewerkte teksten van IMO-verdragen, met inbegrip van Marpol 73/78 en de bijlagen daarbij, kosteloos voor het publiek toegankelijk te maken.
-
Standpunt van het Europees Parlement van 10 april 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 november 2024.
-
Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad (4) zorgt ervoor dat afval van schepen wordt afgegeven in havens in de Unie, waar het wordt ingezameld door geschikte havenontvangstvoorzieningen. De handhaving van Richtlijn (EU) 2019/883 is, samen met Richtlijn 2005/35/EG, een essentieel instrument om verontreiniging vanaf schepen te voorkomen. Om te zorgen voor een doeltreffend, geintegreerd en samenhangend handhavingssysteem met betrekking tot de bepalingen van Richtlijn (EU) 2019/883 betreffende de afgifte van afvalstoffen aan havenontvangstvoorzieningen, moet Richtlijn 2005/35/EG worden gewijzigd teneinde het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot de bijlagen IV tot en met VI bij Marpol 73/78 en schepen ervan te weerhouden verontreinigende stoffen illegaal in zee te lozen in plaats van die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/883 af te leveren in havenontvangstvoorzieningen.
-
(7)Bijlage III bij Marpol 73/78 valt niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2019/883, omdat verpakte goederen niet als afval worden beschouwd; daarom worden zij doorgaans niet in havenontvangstvoorzieningen afgegeven. Het valt echter niet uit te sluiten dat in verpakte vorm vervoerde schadelijke stoffen illegaal in zee worden gedumpt. Daarom moet het toepassingsgebied van Richtlijn 2005/35/EG worden uitgebreid tot bijlage III bij Marpol 73/78. Bijgevolg moet het overboord gooien van schadelijke stoffen worden verboden op grond van Richtlijn 2005/35/EG, tenzij de bevoegde autoriteiten constateren dat het overboord gooien noodzakelijk was om de veiligheid van het schip te waarborgen of mensenlevens op zee te redden. In dat verband betreffen de in deze richtlijn bedoelde lozingen niet het storten van afvalstoffen in het kader van het Verdrag van Londen ter voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972 en het bijbehorende Protocol van 1996.
-
In artikel 2 van Marpol 73/78 zijn emissies van schepen opgenomen in de definitie van lozingen. Bijlage VI bij Marpol 73/78 heeft betrekking op het voorkomen van luchtverontreiniging door schepen. Volgens bijlage VI en de bijbehorende IMO-richtsnoeren betreffende systemen voor de reiniging van uitlaatgassen (gaswassers) (Resolutie MEPC.340(77)) is het toegestaan dat schepen gaswassers gebruiken als alternatieve nalevingsmethode om de uitstoot van zwaveloxide (SOx) te verminderen. Bijlage VI bij Marpol 73/78 reglementeert residuen van gaswassers door lozing op zee te verbieden en te eisen dat ze bij geschikte havenontvangstvoorzieningen worden afgeleverd. Bij Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad (5) zijn de internationale SOx-normen omgezet in Unierecht, en Richtlijn (EU) 2019/883 bepaalt dat residuen van gaswassers moeten worden afgeleverd bij havenontvangstvoorzieningen. Aangezien residuen van gaswassers het mariene milieu verontreinigen, moeten de sancties van Richtlijn 2005/35/EG van toepassing zijn op illegale lozingen.
-
(9)Het is toegestaan om “lozingswater” zoals gedefinieerd in zowel Circulaire MEPC.1/Circ.899 als resolutie MEPC.340 (77) rechtstreeks overboord te lozen indien het voldoet aan de criteria voor de kwaliteit van lozingswater die zijn vastgelegd in de IMO-richtsnoeren betreffende gaswassers. Lozingswater uit gaswassers kan echter van invloed zijn op het ecosysteem, ook als het aan Marpol 73/78 voldoet. In dat geval kan de lidstaat beperkingen of voorwaarden opleggen die gebaseerd kunnen zijn op de evaluatie die is verricht met behulp van de in de IMO-richtsnoeren opgenomen en door de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu (Maritime Environment Protection Committee — MEPC) aanbevolen methode voor risico- en effectbeoordelingen. In dat geval verontreinigt het “lozingswater” het mariene milieu en moeten de administratieve sancties van Richtlijn 2005/35/EG van toepassing zijn op illegale lozingen, in welk geval naar behoren rekening wordt gehouden met MEPC.1/Circ.883/Rev.1.
-
Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad (6) bevat gemeenschappelijke definities van strafrechtelijke milieudelicten en voorziet in doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties voor ernstige milieudelicten. Richtlijn 2005/35/EG is gewijzigd bij Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad (7), waarbij strafrechtelijke sancties zijn ingevoerd voor bepaalde inbreuken op Richtlijn 2005/35/EG die nu onder het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2024/1203 vallen. Bijgevolg moeten de bepalingen van Richtlijn 2005/35/EG die zijn toegevoegd of vervangen door Richtlijn 2009/123/EG, worden geschrapt.
-
(11)De bij de omzetting van Richtlijn 2005/35/EG ingevoerde administratieve sancties mogen geen afbreuk doen aan Richtlijn (EU) 2024/1203. De lidstaten moeten het toepassingsgebied van de administratieve en strafrechtelijke handhaving met betrekking tot verontreinigingsdelicten vanaf schepen bepalen overeenkomstig hun nationale
-
Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG (PB L 151 van 7.6.2019, blz. 116).
-
Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 58).
-
Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (PB L, 2024/1203, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1203/oj).
-
Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 280 van 27.10.2009, blz. 52).
wetgeving. Deze richtlijn belet de lidstaten niet om in overeenstemming met het Unie- en het internationaal recht strengere maatregelen te nemen door te voorzien in administratieve of strafrechtelijke sancties overeenkomstig hun nationale recht. Bij de toepassing van het nationale recht tot omzetting van Richtlijn 2005/35/EG moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het opleggen van strafrechtelijke en administratieve sancties in overeenstemming is met de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van het ne bis in idem-beginsel en in voorkomend geval rekening houdend met het beginsel “de vervuiler betaalt”.
-
De in Richtlijn 2005/35/EG opgenomen sancties moeten worden versterkt door te zorgen voor een consistente toepassing van administratieve sancties in de hele Unie. Om de afschrikkende werking van administratieve sancties voor verontreinigingsdelicten vanaf schepen te versterken, moeten die administratieve sancties ten minste de vorm aannemen van boeten die aan de aansprakelijk bevonden maatschappij van het schip worden opgelegd. In dat verband wordt onder “maatschappij van een schip” verstaan de scheepseigenaar of een andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgenomen van de scheepseigenaar, in overeenstemming met de Internationale Veiligheidsmanagementcode voor het veilige gebruik van schepen en voor verontreinigingspreventie (“ISM-code”) (8), die in het recht van de Unie is omgezet bij Verordening (EG) nr. 336/2006 van het Europees Parlement en de Raad (9). In Richtlijn 2005/35/EG moet worden erkend dat het beheer van een schip door de geregistreerde eigenaar kan worden gedelegeerd aan een andere entiteit, die vervolgens in de eerste plaats aansprakelijk moet worden gehouden voor het niet nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van de ISM-code om milieuschade te voorkomen of activiteiten aan boord van het schip toe te wijzen aan gekwalificeerd personeel. Onverminderd de toepasselijke wetgeving van de Unie moeten besluiten over de toe te passen sanctie worden genomen binnen het toepassingsgebied van de nationale administratieve en strafrechtelijke handhavingssystemen. Wat strafrechtelijke sancties betreft, zijn de verplichtingen van de lidstaten vastgelegd in Richtlijn (EU) 2024/1203. Deze richtlijn betreft derhalve louter administratieve sancties en is niet van toepassing op strafrechtelijke procedures tegen natuurlijke of rechtspersonen overeenkomstig het nationale recht.
-
(13)In het besef dat sommige lidstaten wegens hun nationaal grondwettelijk recht niet kunnen voldoen aan het vereiste van administratieve sancties, kunnen de lidstaten de bepalingen van deze richtlijn inzake administratieve sancties ten uitvoer brengen door sancties te laten vaststellen door de bevoegde autoriteit en te laten opleggen door de bevoegde nationale rechtbanken, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat het vereiste van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties wordt nageleefd. Die lidstaten leggen, wanneer in deze richtlijn naar administratieve sancties wordt verwezen, sancties op in de zin van hun nationaal rechtsstelsel.
-
Onregelmatigheden kunnen worden geconstateerd en informatie kan worden vergaard bij de uitvoering van inspecties in het kader van de havenstaatcontrole op grond van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) wanneer deze verplicht is of gepland staat. Ook kunnen er onregelmatigheden worden ontdekt met betrekking tot de afgifte van scheepsafval of bij de kennisgeving daarvan, zoals vereist uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/883, of met betrekking tot de niet-naleving van de criteria voor het gebruik van gaswassers die worden aangewend als emissiereductiemethode overeenkomstig bijlage II bij Richtlijn (EU) 2016/802, en voorts op basis van via de procedures van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) verkregen informatie met betrekking tot een mogelijke illegale lozing door het schip, met inbegrip van aan de lidstaat meegedeelde bewijzen of vermoedens van olielozingen of andere inbreuken op Marpol 73/78 en van door de kapitein van het schip gemelde incidenten of ongevallen, en alle andere informatie van bij de exploitatie van het schip betrokken personen, met inbegrip van loodsen.
-
(15)Onregelmatigheden of informatie die het vermoeden doen rijzen dat een illegale lozing heeft plaatsgevonden, kunnen bij de uitvoering van inspecties in het kader van de havenstaatcontrole worden ontdekt. In dat geval is een nieuwe inspectie wellicht niet noodzakelijk of niet voldoende doeltreffend. In plaats daarvan kan de lidstaat andere passende maatregelen nemen, zoals het vasthouden van het schip, het instellen van een procedure of het nemen van herstelmaatregelen.
-
Internationale Veiligheidsmanagementcode voor het veilige gebruik van schepen en voor verontreinigingspreventie, aangenomen door de IMO bij Resolutie A.741(18) van de Algemene Vergadering van 4 november 1993, als gewijzigd.
-
Verordening (EG) nr. 336/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 inzake de implementatie van de Internationale Veiligheidsmanagementcode in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad (PB L 64 van 4.3.2006, blz. 1).
-
Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).
-
Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10).
-
(16)De nationale administratieve en gerechtelijke autoriteiten moeten bij het bepalen van de hoogte van de aan de vervuiler op te leggen sancties rekening houden met alle relevante omstandigheden, met inbegrip van recidive inzake verontreiniging vanaf schepen. Rekening houdend met de diversiteit van de onder Richtlijn 2005/35/EG vallende verontreinigende stoffen en met het belang van een consistente toepassing van sancties in de hele Unie gezien de grensoverschrijdende aard van het gereglementeerde gedrag, moeten de verdere onderlinge aanpassing en de doeltreffendheid van de sanctieniveaus worden bevorderd via de uitwisseling van criteria voor het vaststellen en opleggen van sancties wegens lozingen van verschillende verontreinigende stoffen. Om de doeltreffende toepassing van sancties te waarborgen en de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, is het van cruciaal belang de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken tussen de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaten te vergemakkelijken. Voorts zou de Commissie, op basis van de inzichten die uit dergelijke uitwisselingen zijn verkregen, specifiekere richtsnoeren kunnen voorstellen, onder meer over specifieke soorten verontreinigende stoffen en gevoelige aandachtsgebieden.
-
(17)Als een lidstaat vermoedt dat een schip dat zich vrijwillig in zijn haven of in een offshore-terminal bevindt, op illegale wijze heeft geloosd, moet een passende inspectie worden uitgevoerd om de omstandigheden vast te stellen. Om de lidstaten te helpen bij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2005/35/EG om dergelijke schepen te inspecteren, bevat bijlage I bij Richtlijn 2005/35/EG een indicatieve lijst van onregelmatigheden of gegevens waarmee de bevoegde autoriteiten per geval rekening moeten houden bij het bepalen of een schip als verdacht moet worden beschouwd.
-
(18)De begeleidende maatregelen voor samenwerking en de rapportageverplichtingen van de lidstaten volstonden niet voor een volledige analyse van de vraag of vervuilers worden geconfronteerd met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties en om de Commissie adequate gegevens te bezorgen voor het toezicht op de uitvoering van Richtlijn 2005/35/EG. Om een doeltreffende en consistente handhaving van Richtlijn 2005/35/EG te waarborgen, moet de uitwisseling van informatie, ervaringen en beste praktijken worden bevorderd door middel van nauwere samenwerking, waarbij tegelijk moet worden gewaarborgd dat de Commissie adequate gegevens krijgt om een passend toezicht op de uitvoering van Richtlijn 2005/35/EG mogelijk te maken.
-
(19)Om de informatie die nodig is voor de doeltreffende uitvoering van deze richtlijn te verbeteren, beschikken de lidstaten over relevante rapportagemechanismen, zoals rapportage in het kader van regionale zeeverdragen en andere regionale samenwerkingsregelingen, zoals de Overeenkomst van Bonn, het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren en het netwerk van aanklagers inzake milieucriminaliteit in het Oostzeegebied.
-
De bestaande CleanSeaNet-satellietdienst, die de autoriteiten van de lidstaten in kennis stelt van mogelijke illegale lozingen, moet verder worden uitgebreid met informatie over de extra verontreinigende stoffen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2005/35/EG vallen. Informatie over potentiele of feitelijke lozingen die door de lidstaten is gerapporteerd overeenkomstig Richtlijn 2005/35/EG en aan andere databanken van de Unie voor maritieme veiligheid, zoals het bij Richtlijn 2002/59/EG ingestelde systeem voor de uitwisseling van maritieme informatie van de Unie (SafeSeaNet) en de bij Richtlijn 2009/16/EG opgezette inspectiedatabank (Thetis), moet worden geintegreerd en in een gebruikersvriendelijk elektronisch formaat worden verspreid onder de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de handhavingsketen, zodat zij tijdig kunnen reageren op dergelijke potentiele illegale lozingen. Als dergelijke informatie betrekking heeft op een feitelijke of potentiele lozing van residuen van gaswassers van schepen, moet ze automatisch worden doorgestuurd, onder meer via de specifieke Thetis-module die is opgezet bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/253 van de Commissie (12) (THETIS-EU), om de lidstaten te helpen met het nemen van handhavingsmaatregelen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/802.
-
(21)Ten behoeve van een doeltreffend toezicht op de uitvoering van deze richtlijn door alle lidstaten moet elke lidstaat binnen de 66 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn ook alle zeer betrouwbare waarschuwingen digitaal analyseren. Binnen die termijn moeten alle lidstaten ook aangeven of zij die zeer betrouwbare waarschuwingen die CleanSeaNet elk jaar verzendt, al dan niet verifieren, waarbij zij ernaar streven ten minste 25 % van die zeer betrouwbare waarschuwingen te verifieren. In dat verband betekent verificatie dat de bevoegde autoriteiten een vervolgactie ondernemen naar aanleiding van een door CleanSeaNet verzonden waarschuwing om na te gaan of er daadwerkelijk een illegale lozing heeft plaatsgevonden. Indien een lidstaat een waarschuwing niet verifieert, moet hij de redenen daarvoor aangeven.
-
Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/253 van de Commissie van 16 februari 2015 tot vaststelling van de voorschriften inzake de
monsterneming en rapportage in het kader van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad wat het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen betreft (PB L 41 van 17.2.2015, blz. 55).
-
(22)“Zeer betrouwbare waarschuwingen” moeten worden opgevat als een verwijzing naar “klasse A”-waarschuwings-meldingen van CleanSeaNet in verband met mogelijke lozingen van verontreinigende stoffen die zijn vermeld in de bijlagen I en II bij Marpol 73/78. Met betrekking tot verontreinigende stoffen in het kader van andere bijlagen bij Marpol 73/78, die momenteel niet door CleanSeaNet worden gemonitord, kan momenteel geen betrouwbaar-heidsbenadering worden vastgesteld. De Commissie zal, met de hulp van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), semigeautomatiseerde controles van satellietbeelden ontwikkelen voor verontreinigende stoffen in het kader van andere bijlagen bij Marpol 73/78, om de mogelijkheid te scheppen om het betrouwbaarheidsniveau ervan te bepalen. Bij verificatieactiviteiten kan het gaan om uiteenlopende acties door verschillende bevoegde autoriteiten, bijvoorbeeld verificatie ter plaatse, het vergelijken van satellietdetecties met nationaal beschikbare aanvullende gegevens en inspecties in het kader van de havenstaatcontrole.
-
(23)Toegang tot die informatie van bevoegde autoriteiten moet worden verleend aan de autoriteiten van andere lidstaten die daar belang bij hebben in het kader van hun rol als havenstaat van de volgende aanloophaven, aan kuststaten die door de mogelijke lozing getroffen worden of aan de vlaggenstaat van het schip, teneinde een doeltreffende en tijdige grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen, de administratieve lasten van de handhavingsactiviteiten tot een minimum te beperken en overtreders effectief te bestraffen voor inbreuken op Richtlijn 2005/35/EG. Voorts moet het gebruik van nieuwe technologies zoals drones en besluitvormingstechnieken — zoals artificiele intelligentie — worden bevorderd.
-
(24)Als onderdeel van de evaluatie en herziening van deze richtlijn moet de Commissie de controlepercentages van de lidstaten beoordelen en overwegen om, indien nodig, hogere controlepercentages dan bepaald in deze richtlijn voor te stellen, op basis van technologische ontwikkelingen en de bijzondere omstandigheden en capaciteiten van de lidstaten.
-
(25)Erkend moet worden dat de omstandigheden van de kustlidstaten aanzienlijk verschillen wat betreft hun geografische ligging, de omvang van de wateren waarover zij jurisdictie uitoefenen en de dichtheid van het zeeverkeer, hun middelen en de kostenefficiente toegang tot de beschikbare technologie en middelen om illegale lozingen op te sporen en te verifieren en bewijsmateriaal erover te verzamelen.
-
(26)De subgroep inzake afval van schepen, die werd opgericht in het kader van het Europees forum voor duurzame scheepvaart en die een grote verscheidenheid aan deskundigen op het gebied van verontreiniging door schepen en afvalbeheer van schepen kende, ging in december 2017 uiteen met het oog op het begin van de interinstitutionele onderhandelingen over Richtlijn (EU) 2019/883. Omdat die tijdelijke subgroep de Commissie waardevolle richtsnoeren en expertise heeft verstrekt, moet een soortgelijke deskundigengroep worden opgericht met de opdracht om ervaringen uit te wisselen over de toepassing van deze richtlijn, teneinde de lidstaten te helpen bij het opbouwen van capaciteit om verontreinigingsincidenten op te sporen en te controleren en de doeltreffende handhaving van Richtlijn 2005/35/EG te waarborgen.
-
(27)Het EMSA moet de Commissie de nodige steun verlenen om de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen.
-
De lidstaten moeten de benodigde informatie voor een adequaat toezicht op de uitvoering van Richtlijn 2005/35/EG rapporteren aan de Commissie. Om de administratieve lasten te beperken en de Commissie te helpen bij het analyseren van de door de lidstaten verstrekte gegevens, moeten de lidstaten die informatie rapporteren via een door de Commissie ontwikkeld specifiek elektronisch rapportage-instrument. Voor zover die informatie betrekking heeft op sancties die zijn opgelegd aan natuurlijke personen of waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, moet ze worden geanonimiseerd. Om te waarborgen dat de overeenkomstig Richtlijn 2005/35/EG gerapporteerde informatie van lidstaat tot lidstaat naar type vergelijkbaar is en wordt verzameld op basis van een geharmoniseerd elektronisch formaat en een geharmoniseerde elektronische rapportageprocedure, moeten aan de Commissie uitvoeringsbe-voegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (13).
-
(29)Om de lidstaten te helpen bij de opbouw van capaciteit voor een doeltreffende handhaving van Richtlijn 2005/35/EG door de nationale administratieve en gerechtelijke autoriteiten, moet de Commissie, met de hulp van het EMSA, de lidstaten richtsnoeren en opleiding verstrekken over onder meer de beste methoden en praktijken voor opsporing en controle en voor het verzamelen van bewijsmateriaal, alsook richtsnoeren over de relevante ontwikkeling op regelgevingsgebied van Marpol 73/78 en over de beschikbare technologische ontwikkelingen, met inbegrip van nieuwe digitale instrumenten, teneinde een doeltreffende, kostenefficiente en gerichte handhaving te bevorderen.
-
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene
voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
-
Om het publiek bewuster te maken van verontreinigende lozingen vanaf schepen en om het milieu beter te beschermen, moet de door de lidstaten verstrekte informatie over de toepassing van Richtlijn 2005/35/EG openbaar worden gemaakt via een overzicht voor de hele Unie en moet ze de in bijlage II bij Richtlijn 2005/35/EG vermelde gegevens bevatten. Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) heeft tot doel het recht van toegang tot milieu-informatie in de lidstaten te waarborgen, overeenkomstig het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (15) (ook bekend als het Verdrag van Aarhus), waarbij de Unie partij is. De Commissie moet de vertrouwelijkheid van de door de lidstaten ontvangen informatie beschermen, onverminderd Richtlijn 2003/4/EG.
-
In Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (16) zijn minimumnormen vastgesteld voor het melden van inbreuken op het Unierecht, onder meer op Richtlijn 2005/35/EG, en voor de bescherming van personen die dergelijke inbreuken melden. De lidstaten moeten met name waarborgen dat bemanningsleden die onder het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2019/1937 vallen en feitelijke of potentiele illegale lozingen melden, worden beschermd en zo nodig ondersteuning en bijstand krijgen aangereikt zoals bepaald in die richtlijn. Naast de op nationaal niveau beschikbare meldkanalen, zoals geregeld bij Richtlijn (EU) 2019/1937, moet de Commissie een gecentraliseerd extern onlinemeldkanaal ter beschikking stellen voor het melden van feitelijke of potentiele illegale lozingen en dergelijke meldingen doorgeven aan de betrokken lidstaten, die deze meldingen vervolgens moeten behandelen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1937, onder meer wat betreft ontvangstbevestiging, adequate feedback en follow-up. Het Unierecht inzake de bescherming van persoonsgegevens, met name Verordeningen (EU) 2016/679 (17) en (EU) 2018/1725 (18) van het Europees Parlement en de Raad, is van toepassing wanneer persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn worden verwerkt. Overeenkomstig artikel 25, lid 1, punten c) en h), en artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 moet de Commissie de vertrouwelijkheid van de identiteit van melders beschermen, onder meer door, waar nodig, de uitoefening van bepaalde rechten op gegevensbescherming door betrokken personen, zoals personen die in de melding zijn genoemd als deelnemers aan de mogelijke illegale lozing, te beperken voor zover en zolang dat noodzakelijk is om te vermijden dat pogingen worden ondernomen om meldingen te verhinderen, om opvolging, met name onderzoeken, te belemmeren, te dwarsbomen of te vertragen, of om de identiteit van de melders te achterhalen. Dergelijke beperkingen moeten stroken met de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden en moeten in een democratische samenleving noodzakelijke en evenredige maatregelen zijn ter waarborging van belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of een lidstaat, met inbegrip van de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen.
-
De IMO voert besprekingen over nieuwe milieukwesties in verband met de internationale scheepvaart die verontreiniging van het mariene milieu tot gevolg hebben. Die besprekingen kunnen leiden tot nieuwe bepalingen in het kader van Marpol 73/78, waarbij andere soorten verontreinigende stoffen, zoals plastic zwerfvuil op zee en verloren gegane kunststofkorrels, onder het toepassingsgebied van dat verdrag worden gebracht. Bij een toekomstige evaluatie moet worden nagegaan of het mogelijk is het toepassingsgebied van Richtlijn 2005/35/EG waar passend te wijzigen ten behoeve van een coherente, efficiente en doeltreffende handhavingsregeling en ten behoeve van het opleggen van afschrikkende sancties. Bij die evaluatie moet ook worden nagegaan hoe de satellietbewaking van verloren gegane containers, die schadelijke stoffen kunnen bevatten, kan worden verbeterd. De Commissie moet ook rekening houden met de interactie van deze richtlijn met andere relevante Uniewetgeving inzake verontreiniging van het mariene milieu, zoals Richtlijnen 2008/56/EG (19), (EU) 2016/802 en (EU) 2024/2881 (20) van het Europees Parlement en de Raad, onder meer betreffende de rapportage van overmatig onderwatergeluid en luchtverontreini-ging, zoals zwarte koolstof, fijnstof (PM), stikstofoxide (NOx) en zwaveloxide (SOx), die leiden tot schade aan de biodiversiteit en de levende hulpbronnen in mariene ecosystemen, alsook tot gevaren voor de menselijke gezondheid en aantasting van de gebruikskwaliteit van zeewater en het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten, waardoor andere mariene activiteiten zoals visserij, toerisme en recreatie in kustgebieden worden bemoeilijkt.
-
Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
-
PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.
-
Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).
-
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
-
Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
-
Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
-
Richtlijn (EU) 2024/2881 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L, 2024/2881, 20.11.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/2881/oj.
-
(33)Lidstaten die geen rechtstreekse toegang tot de zee of geen zeehavens hebben, kunnen om die geografische redenen sommige bepalingen van deze richtlijn niet toepassen. Om deze lidstaten geen onevenredige administratieve lasten op te leggen, mogen zij niet worden verplicht om sommige bepalingen van deze richtlijn om te zetten en uit te voeren.
-
(34)Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de grensoverschrijdende schade die kan worden veroorzaakt door onder deze richtlijn vallende illegale lozingen en de beschikbaarheid van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor dergelijke lozingen in de hele Unie, maar vanwege de omvang en de gevolgen van de voorgestelde maatregelen beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
-
(35)Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder de bescherming van persoonsgegevens, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen, en het recht om in een strafrechtelijke procedure niet tweemaal voor hetzelfde strafbare feit te worden berecht of gestraft. Deze richtlijn beoogt de volledige eerbiediging van die rechten en beginselen te waarborgen en ze moet dienovereenkomstig worden toegepast.
-
(36)Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 25 juli 2023 heeft hij een advies uitgebracht.
-
(37)Richtlijn 2005/35/EG moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Richtlijn 2005/35/EG
Richtlijn 2005/35/EG wordt als volgt gewijzigd:
-
1)De titel wordt vervangen door:
“Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake de handhaving van internationale normen betreffende verontreiniging vanaf schepen en de invoering van administratieve sancties voor verontreinigingsdelicten”.
-
2)Artikel 1 wordt vervangen door:
“Artikel 1
Doel
-
1.De doelstelling van deze richtlijn is de internationale normen betreffende verontreiniging vanaf schepen op te nemen in het Unierecht en ervoor te zorgen dat maatschappijen of andere rechtspersonen of natuurlijke personen die aansprakelijk zijn voor de illegale lozing van verontreinigende stoffen, doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties worden opgelegd, teneinde de maritieme veiligheid te verbeteren en het mariene milieu beter te beschermen tegen verontreiniging door schepen.
-
2.Deze richtlijn belet de lidstaten niet om in overeenstemming met het Unie- en het internationaal recht strengere maatregelen te nemen door te voorzien in administratieve of strafrechtelijke sancties overeenkomstig hun nationale recht.”.
-
3)Artikel 2 wordt vervangen door:
“Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
-
1)“Marpol 73/78”: het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, met inbegrip van de daarbij behorende Protocollen van 1978 en 1997, in de versie die van kracht is;
-
2)“verontreinigende stoffen”: stoffen die vallen onder bijlage I (olie), bijlage II (schadelijke vloeistoffen in bulk), bijlage III (schadelijke stoffen die in verpakte vorm over zee worden vervoerd), bijlage IV (sanitair afval van schepen) en bijlage V (vuilnis van schepen) bij Marpol 73/78, en residuen van systemen voor de reiniging van uitlaatgassen;
-
3)“residu van een systeem voor de reiniging van uitlaatgassen”: elke stof die door een behandelingssysteem wordt verwijderd uit het afvalwater of het aftapwater, lozingswater dat niet aan het lozingscriterium voldoet, of elk ander residu dat uit het systeem voor de reiniging van uitlaatgassen (gaswassers) is verwijderd als gevolg van het gebruik van een nalevingsmethode voor emissiebeperking, zoals gedefinieerd in voorschrift 4 van bijlage VI bij Marpol 73/78, die in termen van emissiebeperking wordt gebruikt als alternatief voor de normen van voorschrift 14 van bijlage VI bij Marpol 73/78, rekening houdend met de door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) ontwikkelde richtsnoeren;
-
4)“lozen”: elk vrijkomen van stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, zoals bedoeld in artikel 2 van Marpol 73/78;
-
5)“schip”: een zeegaand vaartuig dat wordt gebruikt in het mariene milieu, ongeacht de vlag waaronder het vaart, van welk type ook, waaronder begrepen draagvleugelboten, luchtkussenvoertuigen, afzinkbare vaartuigen en drijvend materieel;
-
6)“rechtspersoon”: elke juridische entiteit die deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten zelf, publiekrechtelijke lichamen bij de uitoefening van hun overheidsgezag, of publiekrechtelijke internationale organisaties;
-
7)“maatschappij”: de scheepseigenaar of een andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgenomen van de scheepseigenaar.”.
-
4)Artikel 4 wordt vervangen door:
“Artikel 4
Inbreuken en uitzonderingen
-
1.De lidstaten zien erop toe dat lozingen van verontreinigende stoffen in een van de in artikel 3, lid 1, genoemde gebieden als inbreuken worden beschouwd, tenzij:
-
a)voor verontreinigende stoffen die vallen onder de voorschriften van bijlage I bij Marpol 73/78, die lozingen voldoen aan de voorwaarden van de voorschriften 15, 34, 4.1, 4.2 of 4.3 van bijlage I bij Marpol 73/78 en deel II-A, punt 1.1.1, van de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen (“Polar Code”);
-
b)voor verontreinigende stoffen die vallen onder de voorschriften van bijlage II bij Marpol 73/78, die lozingen voldoen aan de voorwaarden van de voorschriften 13, 3.1.1, 3.1.2 of 3.1.3 van bijlage II bij Marpol 73/78 en deel II-A, punt 2.1, van de Polar Code;
-
c)voor verontreinigende stoffen die vallen onder de voorschriften van bijlage III bij Marpol 73/78, die lozingen voldoen aan de voorwaarden van voorschrift 8.1 van bijlage III bij Marpol 73/78;
-
d)voor verontreinigende stoffen die vallen onder de voorschriften van bijlage IV bij Marpol 73/78, die lozingen voldoen aan de voorwaarden van de voorschriften 3, 11.1 en 11.3 van bijlage IV bij Marpol 73/78 en deel II-A, punt 4.2, van de Polar Code;
-
e)voor verontreinigende stoffen die vallen onder de voorschriften van bijlage V bij Marpol 73/78, die lozingen voldoen aan de voorwaarden van de voorschriften 4.1, 4.2, 5, 6.1, 6.2 en 7 van bijlage V bij Marpol 73/78 en deel II-A, punt 5.2, van de Polar Code, en
-
f)voor residuen van systemen voor de reiniging van uitlaatgassen, die lozingen voldoen aan de voorwaarden van de voorschriften 4, 14.1, 14.4, 14.6, 3.1.1 en 3.1.2 van bijlage VI bij Marpol 73/78, rekening houdend met de IMO-richtsnoeren, met inbegrip van Resolutie MEPC.340 (77) in de laatst bijgewerkte versie.
-
2.Elke lidstaat neemt alle nodige maatregelen om te waarborgen dat elke maatschappij of andere rechtspersoon of natuurlijke persoon die een inbreuk heeft gepleegd in de zin van lid 1, aansprakelijk wordt gesteld.”.
-
5)De artikelen 5, 5 bis en 5 ter worden geschrapt.
-
6)Artikel 6 wordt vervangen door:
“Artikel 6
Handhavingsmaatregelen ten aanzien van schepen in een haven van een lidstaat
-
1.Indien op grond van onregelmatigheden of van informatie het vermoeden bestaat dat een schip dat vrijwillig in een haven of bij een offshoreterminal van een lidstaat ligt in een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde gebieden verontreinigende stoffen heeft geloosd of loost, zorgt die lidstaat ervoor dat er overeenkomstig zijn nationaal recht een passende inspectie of andere passende actie wordt uitgevoerd, rekening houdend met de toepasselijke richtlijnen van de IMO.
-
2.Voor zover de in lid 1 van dit artikel bedoelde inspectie feiten aan het licht brengt die kunnen wijzen op een inbreuk in de zin van artikel 4, past de betrokken lidstaat de bepalingen van deze richtlijn toe. De bevoegde autoriteiten van die lidstaat en van de vlaggenstaat worden gei'nformeerd.
-
3.Bijlage I bij deze richtlijn bevat een indicatieve lijst van onregelmatigheden of informatie waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van lid 1 van dit artikel.”.
-
7)Artikel 8 wordt vervangen door:
“Artikel 8
Administratieve sancties
-
Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad (*) stellen de lidstaten een systeem van administratieve sancties in de zin van hun nationaal rechtsstelsel vast voor inbreuken op de nationale bepalingen ter uitvoering van artikel 4 van deze richtlijn en zorgen ze ervoor dat die sancties worden toegepast. De administratieve sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
-
2.De lidstaten zorgen ervoor dat de ter omzetting van deze richtlijn ingevoerde administratieve sancties boeten omvatten die worden opgelegd aan de maatschappij die voor de inbreuk aansprakelijk wordt gesteld.
-
3.Indien het rechtsstelsel van de lidstaat niet voorziet in administratieve sancties, kan dit artikel zodanig worden toegepast dat de sancties, met inbegrip van de in lid 2 bedoelde boeten, worden bepaald door de bevoegde autoriteit en worden opgelegd door de bevoegde nationale rechtbanken, waarbij wordt gewaarborgd dat die rechtsmiddelen doeltreffend zijn en eenzelfde effect hebben als de door de bevoegde autoriteiten opgelegde administratieve boeten. De overeenkomstig dit lid opgelegde sancties moeten in elk geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en worden toegepast overeenkomstig deze richtlijn. De betrokken lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 6 juli 2027 in kennis van de wetsbepalingen die zij op grond van dit lid vaststellen, en melden onverwijld alle latere wetswijzigingen of wijzigingen die op de bepalingen van invloed zijn.
(*) Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (PB L, 2024/1203, 30.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1203/oj).”.
-
8)De artikelen 8 bis, 8 ter en 8 quater worden geschrapt.
-
9)Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“Artikel 8 quinquies
Effectieve toepassing van sancties
-
1.Teneinde te waarborgen dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort en de hoogte van de administratieve sanctie en het opleggen van die sanctie aan een maatschappij of een andere rechtspersoon of natuurlijke persoon die door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 8 aansprakelijk is bevonden voor een inbreuk in de zin van artikel 4, rekening houden met alle relevante omstandigheden van de inbreuk, en in het bijzonder:
-
a)de aard, de ernst en de duur van de lozing;
-
b)de mate van verwijtbaarheid of schuld van de verantwoordelijke persoon in de zin van het rechtsstelsel van de betrokken lidstaat;
-
c)de door de lozing veroorzaakte schade voor het milieu of de gezondheid van de mens, in voorkomend geval met inbegrip van de gevolgen ervan voor de visserij, het toerisme en de kustgemeenschappen;
-
d)de financiele draagkracht van de aansprakelijke maatschappij of andere rechtspersoon of natuurlijke persoon;
-
e)de economische voordelen die de inbreuk de aansprakelijke maatschappij of andere rechtspersoon of natuurlijke persoon in voorkomend geval heeft opgeleverd of naar verwachting zal opleveren;
-
f)de maatregelen die de aansprakelijke maatschappij of andere rechtspersoon of natuurlijke persoon heeft genomen om de lozing te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken;
-
g)de mate waarin de voor de inbreuk aansprakelijke maatschappij of andere rechtspersoon of natuurlijke persoon met de bevoegde autoriteit samenwerkt, met inbegrip van handelingen die tot doel hebben een passende inspectie of ander onderzoek door een bevoegde autoriteit te omzeilen of te belemmeren, en
-
h)eerdere door de aansprakelijke maatschappij of andere rechtspersoon of natuurlijke persoon gepleegde verontreinigingsdelicten vanaf schepen.
-
2.De lidstaten zien af van het vaststellen of toepassen van administratieve sancties voor inbreuken in het kader van deze richtlijn op een te laag niveau om de evenredigheid, de doeltreffendheid en het afschrikkende karakter van die sancties te waarborgen.”.
-
10)Artikel 10 wordt vervangen door:
“Artikel 10
Uitwisseling van gegevens en ervaringen
-
Voor de toepassing van deze richtlijn werken de lidstaten en de Commissie, met de hulp van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), samen bij de uitwisseling van informatie, voortbouwend op het in artikel 22 bis, lid 3, van en bijlage III bij Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (*) bedoelde systeem voor de uitwisseling van maritieme informatie van de Unie (SafeSeaNet), teneinde:
-
a)de informatie te verbeteren die nodig is voor de doeltreffende uitvoering van deze richtlijn, met name zoals die wordt verstrekt door de bij deze richtlijn opgerichte Europese dienst voor de opsporing van verontreiniging per satelliet (CleanSeaNet) en door andere relevante rapportagemechanismen, met het oog op de ontwikkeling van betrouwbare methoden voor het traceren van verontreinigende stoffen in zee;
-
b)een passend controle- en monitoringsysteem te ontwikkelen en toe te passen, waarbij de overeenkomstig punt a) verstrekte informatie wordt geintegreerd met de informatie die de Commissie aan de lidstaten beschikbaar stelt in SafeSeaNet, THETIS-EU en andere informatiedatabanken en -instrumenten van de Unie, teneinde de vroegtijdige identificatie en monitoring van schepen die verontreinigende stoffen lozen te vergemakkelijken en met het oog op de optimalisering van de handhavingsmaatregelen van de nationale autoriteiten;
-
c)optimaal gebruik te maken van de overeenkomstig de punten a) en b) van dit lid verstrekte informatie en de door de lidstaten uit hoofde van artikel 10 bis gerapporteerde informatie, teneinde de toegang tot en de uitwisseling van dergelijke informatie tussen de bevoegde autoriteiten onderling en met de autoriteiten van andere lidstaten en de Commissie te vergemakkelijken, en
-
d)uiterlijk op 6 juli 2030 ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten alle zeer betrouwbare waarschuwingen digitaal analyseren en aangeven of zij die zeer betrouwbare waarschuwingen die CleanSeaNet elk jaar verzendt, al dan niet controleren, waarbij zij ernaar streven ten minste 25 % van die zeer betrouwbare waarschuwingen te controleren, met dien verstande dat “controleren” betekent dat de bevoegde autoriteiten een vervolgactie ondernemen naar aanleiding van een door CleanSeaNet verzonden waarschuwing om na te gaan of er daadwerkelijk een illegale lozing heeft plaatsgevonden. Indien een lidstaat een waarschuwing niet controleert, moet hij de redenen daarvoor aangeven.
-
2.De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over ernstige incidenten met verontreiniging vanaf schepen tijdig onder de betrokken visserij- en kustgemeenschappen wordt verspreid.
-
3.De Commissie zorgt ervoor dat de nationale autoriteiten en deskundigen van de lidstaten, met inbegrip van deskundigen uit de privesector, het maatschappelijk middenveld en de vakbonden, ervaringen kunnen uitwisselen over de toepassing van deze richtlijn in de Unie, teneinde gemeenschappelijke praktijken en richtsnoeren voor de handhaving van deze richtlijn op te stellen.
-
4.De Commissie zorgt ervoor dat de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaten ervaringen en beste praktijken kunnen uitwisselen over de wijze waarop een doeltreffende vaststelling en toepassing van sancties kan worden gewaarborgd. Aan de hand van die uitwisseling van informatie kan de Commissie richtsnoeren voorstellen, onder meer over soorten verontreinigende stoffen en gevoelige aandachtsgebieden.
(*) Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10).”.
-
11)De volgende artikelen worden ingevoegd:
“Artikel 10 bis
Rapportage
-
1.De Commissie zet een elektronisch rapportage-instrument op voor de verzameling en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over de uitvoering van het bij deze richtlijn ingestelde handhavingssysteem.
-
2.De lidstaten waarborgen dat de volgende informatie over de door hun bevoegde autoriteiten ondernomen acties wordt gerapporteerd via het in lid 1 bedoelde elektronische rapportage-instrument:
-
a)informatie over de opvolging die de bevoegde autoriteiten geven aan een door CleanSeaNet verzonden waarschuwing of de redenen om een dergelijke waarschuwing niet op te volgen, zo snel mogelijk nadat de opvolgingsactiviteiten zijn voltooid of de beslissing is genomen om de waarschuwing niet op te volgen;
-
b)informatie over de overeenkomstig artikel 6 verrichte inspecties of andere passende acties, zo snel mogelijk nadat de inspecties of andere passende acties zijn voltooid;
-
c)informatie over de overeenkomstig artikel 7 ondernomen acties, zo snel mogelijk nadat die acties zijn voltooid, en
-
d)informatie over overeenkomstig deze richtlijn opgelegde sancties, zodra de administratieve en, in voorkomend geval, gerechtelijke procedures zijn afgerond, zonder onnodige vertraging en in ieder geval uiterlijk op 30 juni van elk jaar voor sancties die in het voorgaande kalenderjaar zijn opgelegd. Als die informatie over sancties persoonsgegevens bevat, wordt ze geanonimiseerd.
-
3.Met het oog op de eenvormige toepassing van dit artikel kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen nadere regels vaststellen voor de procedure voor rapportage van de in lid 2 bedoelde informatie, met inbegrip van het soort informatie dat moet worden gerapporteerd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13 bedoelde onderzoeksprocedure.
-
4.De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de autoriteiten die toegang hebben tot het in lid 1 bedoelde elektronische rapportage-instrument.
Artikel 10 ter
Opleiding
De Commissie, met de hulp van het EMSA en in samenwerking met de lidstaten, bevordert de capaciteitsopbouw van de lidstaten door, in voorkomend geval, opleiding te verstrekken aan de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing en verificatie van inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en de handhaving van sancties of andere maatregelen naar aanleiding van die inbreuken.
Artikel 10 quater
Publicatie van informatie
-
1.Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 10 bis gerapporteerde informatie stelt de Commissie een overzicht op van de uitvoering en handhaving, in voorkomend geval na afronding van de administratieve en gerechtelijke procedures, van deze richtlijn in de hele Unie; zij maakt dat overzicht openbaar en werkt het regelmatig bij. Voor zover die informatie over sancties persoonsgegevens of commercieel gevoelige gegevens bevat, wordt ze geanonimiseerd. Dat overzicht bevat de in bijlage II bij deze richtlijn vermelde informatie.
-
Onverminderd Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (*) neemt de Commissie passende maatregelen om de vertrouwelijkheid van de bij de toepassing van deze richtlijn verkregen informatie te beschermen.
Artikel 10 quinquies
Bescherming van personen die mogelijke inbreuken melden en bescherming van hun persoonsgegevens
-
De Commissie ontwikkelt, verleent toegang tot en onderhoudt een vertrouwelijk extern onlinemeldkanaal voor het ontvangen van meldingen in de zin van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (**) over mogelijke inbreuken op deze richtlijn, en zendt dergelijke meldingen door aan de betrokken lidstaten.
-
2.De lidstaten waarborgen dat de nationale bevoegde autoriteiten die via het in lid 1 genoemde kanaal meldingen van inbreuken op deze richtlijn ontvangen, onderzoek instellen, waar gepast maatregelen treffen, tijdig terugkoppeling geven over en opvolging geven aan die meldingen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1937.
-
De Commissie kan de toepassing van de artikelen 4, 14 tot en met 22, 35 en 36 van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (***), op grond van artikel 25, lid 1, punten c) en h), en overeenkomstig artikel 25, lid 2, van die verordening, beperken voor de betrokkenen die het onderwerp uitmaken van of worden vermeld in de melding die via het in lid 1 van dit artikel genoemde kanaal wordt verricht en die niet de betrokkenen zijn die die melding verrichten. Die beperking mag slechts gelden voor de duur die de bevoegde autoriteiten van de lidstaat nodig hebben om de in lid 2 van dit artikel genoemde melding te onderzoeken.
(*) Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).
(**) Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).
(***) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).”.
-
12)De artikelen 11 en 12 worden geschrapt.
-
13)Het volgende artikel wordt ingevoegd:
“Artikel 12 bis
Evaluatie en herziening
-
1.Uiterlijk op 6 juli 2032 voert de Commissie een evaluatie van deze richtlijn uit. Die evaluatie wordt ten minste op het volgende gebaseerd:
-
a)de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van deze richtlijn;
-
b)de door de lidstaten overeenkomstig artikel 10 bis gerapporteerde informatie en het overeenkomstig artikel 10 quater verstrekte overzicht voor de hele Unie;
-
c)de interactie van deze richtlijn met andere relevante internationale en Uniewetgeving inzake de bescherming van het mariene milieu en de maritieme veiligheid, en
-
d)de meest recente gegevens en wetenschappelijke bevindingen.
-
2.In het kader van de herziening beoordeelt de Commissie de mogelijkheid om het toepassingsgebied van deze richtlijn zo nodig te wijzigen in het licht van nieuwe of geactualiseerde internationale normen ter voorkoming van verontreiniging door schepen die onder de huidige en toekomstige bepalingen van Marpol 73/78 valt, zoals plastic zwerfvuil op zee, verloren gegane containers en verloren gegane kunststofkorrels.”.
-
14)Artikel 13 wordt vervangen door:
“Artikel 13
Comiteprocedure
-
De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad (*) ingestelde Comite voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS). Dat comite is een comite in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (**).
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van toepassing.
(*) Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de oprichting van het Comite voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS) en houdende wijziging van de verordeningen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1).
(**) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”.
-
15)De artikelen 14 en 15 worden geschrapt.
-
16)Artikel 16 wordt vervangen door:
“Artikel 16
Omzetting
-
1.De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 april 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
-
2.Lidstaten die geen rechtstreekse toegang tot de zee of geen zeehavens hebben, zijn niet verplicht artikel 6 en artikel 7, lid 2, van deze richtlijn om te zetten en uit te voeren.”.
-
17)De enige bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
Omzetting
-
1.De lidstaten stellen uiterlijk op 6 juli 2027 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen, en maken deze bekend.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiele bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
-
2.De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen, en van elke latere wijziging van die bepalingen mee.
Artikel 3
Toepassing van Richtlijn 2009/123/EG
Ten aanzien van inbreuken die overeenkomstig Richtlijn 2005/35/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/123/EG, als strafbare feiten moeten worden beschouwd en de overeenkomstige sancties, blijven de lidstaten die niet gebonden zijn door Richtlijn (EU) 2024/1203, gebonden door Richtlijn 2005/35/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/123/EG.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. |
Artikel 5 Adressaten |
|
Gedaan te Straatsburg, 27 november 2024. |
||
Voor het Europees Parlement De voorzitter
|
Voor de Raad De voorzitter BOKA J. |
BIJLAGE
“BIJLAGE I
Niet-limitatieve lijst van onregelmatigheden of informatie als bedoeld in artikel 6
-
Alle onregelmatigheden met betrekking tot oliejournaals en andere relevante journaals of met betrekking tot andere tekortkomingen in verband met mogelijke lozingen, die zijn ontdekt tijdens inspecties uit hoofde van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad (*), uitgevoerd door de betrokken lidstaat, door een andere lidstaat of door een staat die het Memorandum van overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole heeft ondertekend, in de vorige aanloophavens van het schip.
-
Alle onregelmatigheden met betrekking tot de afgifte van scheepsafval of de kennisgeving daarvan, zoals vereist uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad (**), die hebben plaatsgevonden in de betrokken lidstaat of in de lidstaat van de vorige aanloophavens van het schip.
-
Alle onregelmatigheden met betrekking tot het niet naleven van de criteria voor het gebruik van gaswassers als emissiereductiemethoden, zoals neergelegd in bijlage II bij Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad (***), waarin wordt verwezen naar de richtsnoeren van 2009 voor gaswassers die zijn opgenomen in Resolutie MEPC.184(59), als vervangen door de in resolutie MEPC.340(77) opgenomen richtsnoeren van 2021 voor gaswassers.
-
Alle informatie die van een andere lidstaat is verkregen met betrekking tot een mogelijke illegale lozing van het schip, verkregen volgens de procedures van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (****), met inbegrip van bewijzen of vermoedens van opzettelijke olielozingen of andere inbreuken op Marpol 73/78, die door kuststations van een lidstaat zijn meegedeeld aan de kuststations van de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 16 van die richtlijn, of incidenten of ongevallen die door de kapitein van het schip zijn gemeld aan het kuststation van de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 17 van die richtlijn.
-
5.Alle andere informatie van bij de exploitatie van het schip betrokken personen, met inbegrip van loodsen, die wijst op onregelmatigheden in verband met een mogelijke schending van de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.
BIJLAGE II
Informatie die moet worden opgenomen in het in artikel 10 quater bedoelde door de Commissie gepubliceerde overzicht voor de hele Unie
-
1.Voor elk door een lidstaat geverifieerd en bevestigd verontreinigingsincident bevat de informatie in het overeenkomstig artikel 10 quater door de Commissie gepubliceerde overzicht voor de hele Unie:
-
a)de datum van het incident;
-
b)de identificatie van het schip dat bij het incident betrokken is;
-
c)de plaats (lengte- en breedtegraad) van het verontreinigingsincident;
-
d)de omvang van het verontreinigingsincident (oppervlakte en lengte), indien van toepassing;
-
e)de soort verontreinigende stof;
-
f)de betrokken lidstaat of lidstaten;
-
g)een beschrijving van de verificatieactiviteiten van het verontreinigingsincident;
-
h)de datum en het tijdstip van de verificatieactiviteiten en de voor de verificatieactiviteiten gebruikte middelen;
-
i)nadere gegevens over de opgelegde administratieve sanctie.
-
2.Voor elke lidstaat bevat de geaggregeerde informatie in het overeenkomstig artikel 10 quater door de Commissie gepubliceerde overzicht voor de hele Unie:
-
a)het aantal van CleanSeaNet afkomstige potentiele verontreinigingsincidenten die zijn waargenomen;
-
b)het aantal van CleanSeaNet afkomstige potentiele verontreinigingsincidenten die door de lidstaat ter plaatse zijn gecontroleerd;
-
c)het aantal van CleanSeaNet afkomstige potentiele verontreinigingsincidenten die door de lidstaat met andere middelen zijn geverifieerd;
-
d)het aantal na verificatie bevestigde verontreinigingsincidenten (gedetailleerd per gebied: territoriale wateren, EEZ, volle zee);
-
e)het aantal geidentificeerde overtreders;
-
f)het aantal gevallen waarin een sanctie is opgelegd.
16/16
ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/3101/oj
Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).
Richtlijn (EU) 2019/883 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake havenontvangst-voorzieningen voor de afvalafgifte van schepen, tot wijziging van Richtlijn 2010/65/EU en tot intrekking van Richtlijn 2000/59/EG (PB L 151 van 7.6.2019, blz. 116).
Richtlijn (EU) 2016/802 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 58).
Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10)."
Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.