Besluit 2024/3219 - Standpunt EU in het Comité van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie - Hoofdinhoud
Inhoudsopgave
- Wettekst
- betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comite van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie
NL
L-serie
HPublicatieblad
van de Europese Unie
2024/3219
23.12.2024
BESLUIT (EU) 2024/3219 VAN DE RAAD van 12 december 2024
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Comite van de Partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 336, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
-
Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het “verdrag”) is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad (1) met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie, en bij Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad (2) met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiele samenwerking in strafzaken, asiel en non-refoulement, voor zover zij onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. Het verdrag is voor de Unie op 1 oktober 2023 in werking getreden.
-
(2)Op grond van artikel 66, lid 1, van het verdrag moet de Groep van deskundigen inzake actie tegen geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (“GREVIO”) toezien op de uitvoering van het verdrag door de partijen. Op grond van artikel 68, lid 3, van het verdrag worden de evaluatieprocedures die volgen na de initiele basisevaluatie-procedure van GREVIO betreffende de door de partijen ingediende verslagen over wetgevende en andere maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dat verdrag onderverdeeld in rondes (“thematische evaluatierondes”). Op grond van artikel 68, lid 11, van het verdrag neemt GREVIO haar rapport en conclusies aan betreffende de door de desbetreffende partij genomen maatregelen. Op grond van artikel 68, lid 12, van het verdrag kan het bij artikel 67 van het verdrag ingestelde Comite van de Partijen op basis van het verslag en de conclusies van GREVIO aanbevelingen aannemen die gericht zijn tot de betrokken partij.
-
(3)De eerste van de thematische evaluatieronde, met als titel “Building Trust by Delivering Support, Protection and Justice”, ging van start in 2022 en loopt van 2023 tot 2031. Daarin worden 19 specifieke bepalingen van het verdrag behandeld, namelijk de artikelen 7, 8, 11, 12, 14, 15, 16, 18, 20, 22, 25, 31, 48, 49, 50, 51, 52, 53 en 56, betreffende de uitvoering van de bepalingen van het verdrag die ook op de Unie van toepassing zijn met betrekking tot haar eigen instellingen en openbaar bestuur.
-
(4)In september 2024 heeft het secretariaat van het Comite van de Partijen een ontwerpbesluit IC-CP(2024)10 gedeeld betreffende aan te nemen aanbevelingen in het licht van de verslagen die GREVIO heeft aangenomen in het kader van de eerste thematische evaluatieronde (het “ontwerpbesluit”). Het ontwerpbesluit voorziet in een procedure voor het aannemen van en het toezicht op de uitvoering van aanbevelingen door het Comite van de Partijen, en bevat een modelaanbeveling. Het ontwerpbesluit zal op 17 december 2024 tijdens de 17e vergadering van het Comite van de Partijen worden besproken en, indien mogelijk, aangenomen.
-
De Unie is exclusief bevoegd om verplichtingen uit hoofde van het verdrag te aanvaarden met betrekking tot haar eigen instellingen en openbaar bestuur, binnen het toepassingsgebied van artikel 336 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. In zijn Advies 1/19 (3) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigd dat een aanzienlijk gedeelte van de verplichtingen van het verdrag om preventieve en beschermende maatregelen te nemen, in wezen ook de Unie zou binden in haar verhouding tot haar administratief personeel en tot het publiek dat de kantoren en gebouwen van haar instellingen, organen en instanties bezoekt.
-
Besluit (EU) 2023/1075 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie (PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2023/1075/oj).
-
Besluit (EU) 2023/1076 van de Raad van 1 juni 2023 over de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiele samenwerking in strafzaken en met betrekking tot asiel en non-refoulement (PB L 143 I van 2.6.2023, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2023/1076/oj).
-
Advies 1/19 van het Hof van Justitie van 6 oktober 2021 — Verdrag van Istanbul, ECLI: EU:C:2021:832, lid 305.
-
(6)Het is raadzaam het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Comite van de Partijen, aangezien het ontwerpbesluit de procedure bepaalt voor de aanneming, en het toezicht op de uitvoering, van aanbevelingen aan de partijen met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de instellingen en het openbaar bestuur van de Unie. Die aanbevelingen zullen een beslissende invloed kunnen hebben op de inhoud van het recht van de Unie, aangezien zij in de toekomst gevolgen kunnen hebben voor de uitlegging van de relevante bepalingen van het verdrag.
-
(7)Het ontwerpbesluit bepaalt dat de aanbevelingen beperkt blijven tot de meest dringende punten van zorg die GREVIO in haar verslagen heeft aangewezen. Die punten van zorg behelzen onder meer tekortkomingen die volgens GREVIO onmiddellijke actie vereisen, aangegeven door het gebruik van het werkwoord “urges” (“verzoekt dringend”), alsook de problemen die naar het oordeel van GREVIO in de nabije toekomst moeten worden verholpen, aangeduid met de woorden “strongly encourages” (“moedigt met klem aan”), en die betrekking hebben op alle hoofdstukken van het verdrag.
-
(8)Het ontwerpbesluit bepaalt dat het Comite van de Partijen toezicht houdt op de uitvoering van de aanbevelingen, door de betrokken partij te verzoeken binnen drie jaar na het aannemen van de aanbevelingen een schriftelijk verslag over de genomen maatregelen in te dienen. Op grond van het ontwerpbesluit kan Comite van de Partijen er vervolgens voor kiezen in zijn toezicht geen verdere stappen te ondernemen om overlapping met toekomstige thematische evaluatierondes te voorkomen.
-
(9)Het ontwerpbesluit bepaalt dat in de aanbevelingen de betrokken partij moet worden aanbevolen de resterende, minder dringende voorstellen van GREVIO uit te voeren, als een manier om de conclusies van GREVIO integraal te onderschrijven en die partij uit te nodigen tot een permanente dialoog met GREVIO.
-
(10)De Unie moet instemmen met het ontwerpbesluit, aangezien de daarin beschreven procedure in overeenstemming is met de basisevaluatieprocedure uit hoofde van artikel 68 van het verdrag, die doeltreffend is geweest en zorgt voor een doeltreffende uitvoering van alle voor de thematische evaluatie geselecteerde bepalingen, waarbij overlappende monitoringprocessen worden vermeden.
-
(11)Het standpunt van de Unie in het Comite van de Partijen moet er derhalve in bestaan de vaststelling van het ontwerpbesluit, met inbegrip van de voorgestelde modelaanbeveling, zoals opgenomen in aanhangsel I ervan, te ondersteunen.
-
(12)Om tijdens de vergadering van het Comite van de Partijen de nodige flexibiliteit mogelijk te maken, moet worden bepaald dat specifieke wijzigingen van het ontwerpbesluit namens de Unie zonder nader besluit van de Raad kunnen worden goedgekeurd,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie op de 17e vergadering in te nemen standpunt in het Comite van de Partijen, dat is opgericht bij artikel 67 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het “verdrag”), bestaat erin dat steun wordt gegeven aan de vaststelling van het ontwerpbesluit IC-CP(2024) 10 betreffende de door het Comite van de Partijen aan te nemen aanbevelingen (het “ontwerpbesluit”), met inbegrip van de voorgestelde modelaanbeveling, zoals opgenomen in aanhangsel I ervan (“aanhangsel I”).
Artikel 2
Indien er geen overeenstemming wordt bereikt over de volgende punten van aanhangsel I zoals ze zijn geformuleerd in de ontwerptekst, kunnen de vertegenwoordigers van de Unie in het Comite van de Partijen, zonder nader besluit van de Raad, instemmen met de volgende wijzigingen:
— punt B: de termijn van drie jaar waarbinnen de betrokken partij een schriftelijk verslag bij het Comite van de Partijen moet indienen over de genomen maatregelen ter uitvoering van het verdrag, te verlengen;
— punt C: de aanbeveling dat de betrokken partij maatregelen neemt om uitvoering te geven aan de verdere conclusies van de eerste thematische evaluatieverslagen van GREVIO, te schrappen;
— punt D: de uitnodiging aan de betrokken partij om de dialoog met GREVIO over de voortgang voort te zetten, te schrappen.
De vertegenwoordigers van de Unie in de Comite van de Partijen kunnen ook, zonder nader besluit van de Raad, kleine wijzigingen die het in artikel 1 van dit besluit ingenomen standpunt niet wezenlijk wijzigen, aanbrengen in het ontwerpbesluit, met inbegrip van aanhangsel I.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 12 december 2024.
Voor de Raad
De voorzitter
PINTER S.
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2024/3219/oj
3/3
Deze samenvatting is overgenomen van EUR-Lex.