Verslag van een nader schriftelijk overleg met de staatssecretaris van J&V over de monitoring van de Wet inburgering 2021 - Regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 20..) - Hoofdinhoud
Dit verslag van een schriftelijk overleg is onder nr. O toegevoegd aan wetsvoorstel 35483 - Wet inburgering 2021 i.
Inhoudsopgave
Officiële titel | Regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 20..); Verslag van een nader schriftelijk overleg met de staatssecretaris van J&V over de monitoring van de Wet inburgering 2021 |
---|---|
Documentdatum | 20-03-2025 |
Publicatiedatum | 20-03-2025 |
Nummer | KST35483O |
Kenmerk | 35483, nr. O |
Externe link | origineel bericht |
Originele document in PDF |
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2024-2025
35 483
Regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021)
VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 19 maart 2025
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de monitoring van de Wet inburgering 2021. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
-
•De uitgaande brief van 4 februari 2025.
-
•De antwoordbrief van 18 maart 2025.
De griffier van de vaste Commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag
1 Samenstelling:
Croll (BBB) (ondervoorzitter), Marquart Scholtz (BBB), Heijnen (BBB), Griffioen (BBB), Van Gasteren (BBB), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Vogels (VVD), Van de Sanden (VVD), Meijer (VVD), Doornhof (CDA), Van Toorenburg (CDA), Dittrich (D66) (voorzitter),
Belhirch (D66), Bezaan (PVV), Nicolaï (PvdD), Van Bijsterveld (JA21), Janssen (SP), Talsma (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)
kst-35483-O
ISSN 0921 - 7371 's-Gravenhage 2025
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Den Haag, 4 februari 2025
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 2 december 2024 over de monitoring van de Wet inburgering 2021 (Wi2021) en een onderzoek van RadarAdvies naar de uitvoering van de Wi2021 door gemeenten.1
De leden van de fractie van het CDA stellen vast dat u in reactie op hun vraag of het huidige kabinet nog steeds het beleid steunt zoals in de begeleidende brief bij de monitor is omschreven, niet antwoordt met een volmondig «ja».2 Dat gegeven, in combinatie met het feit dat inburgering als thema door dit kabinet niet langer als onderdeel van sociaal beleid wordt gezien maar als onderdeel van Justitie en Veiligheid, maakt dat deze leden zorgen hebben over de uitvoering van deze wet. Hierover hebben zij een aantal aanvullende vragen.
Ook de leden van de fractie van D66 hebben naar aanleiding van genoemde brief nog enkele nadere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de fractie van het CDA merken op dat het voor een succesvolle inburgering belangrijk is dat mensen kunnen en mogen meedoen in de samenleving. Lang moeten wachten op een status in grote, onpersoonlijke opvanglocaties tijdens de asielprocedure of later in doorstroomlo-caties voor statushouders, zet mensen buiten de samenleving. Ook maakt het hen meer kwetsbaar voor psychische problematiek als stress en depressie en ontvankelijk voor ondermijnende invloeden uit het criminele circuit, aldus genoemde leden. Om de hiervoor geschetste situatie te voorkomen, informeren zij of u een kabinetsbrede uitvoering van de Wet Inburgering 2021 gaat coördineren en dus ook gaat zorgdragen voor verbinding van de uitvoering van de Wet Inburgering 2021 met het beleid van de collega's van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Uit onderzoek naar de inburgering van Syrische statushouders blijkt dat de uitwerking van het Nederlands inburgeringsbeleid zowel positieve als negatieve en onbedoelde effecten heeft bij statushouders.3 Hoe apprecieert u de aanbevelingen uit dit onderzoek, meer in het bijzonder een kortere opvangperiode, zorgen dat statushouders in die opvangperiode weinig hoeven te verhuizen en veel mogelijkheden krijgen om te werken en de taal te leren, zo vragen de leden van de fractie van het CDA. Ook horen zij graag hoe deze aanbevelingen voor een goede en snelle inburgering zich verhouden tot de voorstellen van het kabinet om het spreidingsbeleid af te schaffen, waardoor asielzoekers langer in een asielzoekerscentrum blijven wonen. Is door de voorgenomen versobering van de opvang sprake van beperktere ruimte voor participatie?
De leden van de fractie van het CDA wijzen op een harde les uit de geschiedenis: over mensen waarvan verwacht werd dat ze terug zouden keren, terwijl dat niet gebeurde, met alle gevolgen voor de inburgering die dit heeft gehad. Zij vragen u wat deze les kan leren in relatie tot de effectiviteit van het huidige inburgeringsbeleid.
Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA of het huidige kabinet nog steeds het beleid steunt zoals in de begeleidende brief bij de monitor is geschreven4 antwoordt u dat het kabinet «het doel van het inburgeringsstelsel, namelijk dat alle inburgeringsplichtigen snel en volwaardig meedoen in de Nederlandse maatschappij, het liefst via betaald werk» onderschrijft.5 De leden van de fractie van het CDA merken in dit verband op dat volgens het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) naast opleiding en taalvaardigheid ook het sociale netwerk een belangrijke rol speelt bij het vinden van een baan. Via het netwerk van hun werknemers vinden werkgevers nieuwe werknemers, maar ook worden sommige vacatures alleen via het netwerk verspreid. Voor statushouders kunnen hun contacten een ingang zijn naar potentiële werkgevers. Het creëren van een nieuw en breed sociaal netwerk is voor statushouders dus uiterst belangrijk in de zoektocht naar werk. Deze leden vragen hoe u gaat bevorderen dat statushouders contacten kunnen leggen met de «autochtone» bevolking, om zo hun kansen op werk te vergroten.
Verder merken de leden van de fractie van het CDA op dat voor succesvolle inburgering, draagvlak in de samenleving voor de komst van statushouders essentieel is. Onderzoek wijst volgens deze leden uit dat contact tussen groepen burgers kan worden bevorderd door middel van (langdurige en consistente) communicatie gericht op het voorkomen van «wij-zij denken». Zij vragen hoe u hiervoor in het huidige gepolariseerde klimaat handelingsperspectieven gaat creëren op landelijk, regionaal en lokaal niveau.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De leden van de fractie van D66 merken op dat in de beantwoording van de eerder gestelde vragen veelal wordt verwezen naar wat het doel van de Wi2021 is en uit welke elementen het bestaat en hoe het is ingericht. Er wordt niet aangegeven of het effectief is en het beoogde doel wordt behaald. De leden van de fractie van D66 stellen dat er meer behoefte is aan kwalitatief goed taalonderwijs in de opvang nu wachttijden langer worden. De Vroege integratie en Participatie voorzieningen lijken niet goed van de grond te komen vanwege de verre reisafstanden tussen opvang en gemeente, daarbij is in het programma Voorinburgering maar 20 uur taalles opgenomen, aldus de leden van de fractie van D66. Zij vragen welke maatregelen u gaat treffen voor een effectieve oplossing zodat er een breder en passend aanbod is.
U stelt in uw brief dat gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor de monitoring van hun eigen beleid en dat de gemeente eigen voorzieningen hebben voor de inburgering.6 Uit de praktijk blijkt volgens de leden van de fractie van D66 dat de financiële voorzieningen voor de inburgeringstaak voor sommige gemeenten ontoereikend zijn, waardoor het monitoren een bijkomstigheid wordt omdat de wettelijke inburgeringstaak onvoldoende kan worden uitgevoerd. Kunt u aangeven hoe de gemeenten met ontoereikende financiële middelen ondersteund worden om tot een effectieve uitvoering van hun wettelijke inburgeringstaken te komen, zo informeren deze leden.
Een knelpunt in de Onderwijsroute zijn de jongeren die nu in de Z-route op een zijspoor worden gezet, terwijl ze via het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) nog een opleiding zouden kunnen volgen. Zo worden jongeren van 19 jaar oud met een beroepswens voorbereid op de Nederlandse maatschappij op A2-niveau, terwijl ze nog een mbo-opleiding kunnen volgen. De leden van de fractie van D66 vragen of het niet een betere investering in de (jonge) inburgeraar en voor de Nederlandse samenleving zou zijn als deze jongeren de vervolgopleiding kunnen volgen, waardoor zij zich verder kunnen ontwikkelen en ze een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving waar een grote behoefte is aan mbo-opgeleide mensen.
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien uw reactie - bij voorkeur binnen vier weken - met belangstelling tegemoet.
Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
B.O. Dittrich,
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 maart 2025
Op 15 augustus 2024 heeft u een brief ontvangen over monitoring van de Wet inburgering 2021 (Wi2021) en een onderzoek van RadarAdvies naar de uitvoering van de Wi2021 door gemeenten.7 Naar aanleiding van deze brief hebben de leden van de fracties van CDA en D66 een aantal vervolgvragen gesteld. Hierbij bied ik u de antwoorden aan op deze vragen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
I. Coenradie
Vragen van de leden van de CDA-fractie
Vraag 1
De leden van de fractie van het CDA merken op dat het voor een succesvolle inburgering belangrijk is dat mensen kunnen en mogen meedoen in de samenleving. Lang moeten wachten op een status in grote, onpersoonlijke opvanglocaties tijdens de asielprocedure of later in doorstroomlo-caties voor statushouders, zet mensen buiten de samenleving. Ook maakt het hen meer kwetsbaar voor psychische problematiek als stress en depressie en ontvankelijk voor ondermijnende invloeden uit het criminele circuit, aldus genoemde leden. Om de hiervoor geschetste situatie te voorkomen, informeren zij of u een kabinetsbrede uitvoering van de Wet Inburgering 2021 gaat coördineren en dus ook gaat zorgdragen voor verbinding van de uitvoering van de Wet Inburgering 2021 met het beleid van de collega's van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Antwoord op vraag 1
Ik onderschrijf het belang van een succesvolle inburgering en ik zie dat langdurig verblijf in opvanglocaties uitdagingen met zich meebrengt. De Wet inburgering 2021 (Wi2021) is juist ingevoerd om inburgering vanaf dag één te bevorderen en statushouders zo snel mogelijk mee te laten doen in de samenleving. Dit vraagt om een integrale aanpak en nauwe samenwerking tussen betrokken ministeries, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Om deze doelen te realiseren, benader ik de uitvoering van de Wi2021 kabinet-breed. Er zijn structurele samenwerkingsverbanden tussen de verschillende departementen. Daarnaast wordt binnen de migratieketen intensief samengewerkt met gemeenten en uitvoeringsorganisaties om de verbinding tussen opvang en integratie, waaronder inburgering, verder te versterken. Dit krijgt onder andere vorm via de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie (LRT). Hierin vindt afstemming plaats over de uitvoering van beleid.
Vraag 2
Uit onderzoek naar de inburgering van Syrische statushouders blijkt dat de uitwerking van het Nederlands inburgeringsbeleid zowel positieve als negatieve en onbedoelde effecten heeft bij statushouders. Hoe apprecieert u de aanbevelingen uit dit onderzoek, meer in het bijzonder een kortere opvangperiode, zorgen dat statushouders in die opvangperiode weinig hoeven te verhuizen en veel mogelijkheden krijgen om te werken en de taal te leren, zo vragen de leden van de fractie van het CDA.
Antwoord op vraag 2
Ik sluit me bij de onderzoekers aan dat een kortere opvangperiode en zo min mogelijk verhuizingen een positief effect hebben op de inburgering van statushouders. Door de grote druk op de asielketen en de woningmarkt is dit niet altijd mogelijk. Daarom zet ik vanuit inburgering erop in dat statushouders kunnen participeren en de taal leren, zowel via het programma Vroege Integratie en Participatie (VrIP) als het programma voorinburgering. Daarnaast stimuleer ik dat gemeenten het formele inburgeringstraject al starten in het azc, de vroege start door gemeenten.
Vraag 3
Ook horen zij graag hoe deze aanbevelingen voor een goede en snelle inburgering zich verhouden tot de voorstellen van het kabinet om het spreidingsbeleid af te schaffen, waardoor asielzoekers langer in een asielzoekerscentrum blijven wonen. Is door de voorgenomen versobering van de opvang sprake van beperktere ruimte voor participatie?
Antwoord op vraag 3
Vanuit de inburgering herken ik de beperktere ruimte voor participatie niet. Het door mij gesubsidieerde programma VrIP, waaronder ook de meedoenbalies vallen, en het programma voorinburgering met als doel om de participatie en integratie van statushouders te bevorderen, worden hierdoor niet geraakt. Daarnaast stimuleer ik dat gemeenten het formele inburgeringstraject al starten in het azc, de vroege start door gemeenten, bij voorkeur in een duaal traject.
Vraag 4
De leden van de fractie van het CDA wijzen op een harde les uit de geschiedenis: over mensen waarvan verwacht werd dat ze terug zouden keren, terwijl dat niet gebeurde, met alle gevolgen voor de inburgering die dit heeft gehad. Zij vragen u wat deze les kan leren in relatie tot de effectiviteit van het huidige inburgeringsbeleid.
Antwoord op vraag 4
Vreemdelingen die rechtmatig verblijf verkrijgen in Nederland op grond van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, en anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven of geestelijk bedienaar zijn, zijn in de regel inburgeringsplichtig. Voor hen is de inburgering van groot belang om duurzaam mee te kunnen doen aan de Nederlandse samenleving. De Wi2021 is tot stand gekomen op basis van ervaringen met eerdere inburgeringsstelsels. Lessen uit het verleden zijn hier dus in meegenomen. Onder de Wi2021 hebben gemeenten een regierol waarin zij een programma samenstellen gericht op het leren van de Nederlandse taal, participeren, het leren over de Nederlandse maatschappij en de normen en waarden die hierin centraal staan. Dit inburgeringstraject heeft als doel dat deze personen snel en volwaardig kunnen meedoen in de Nederlandse maatschappij.
Vraag 5
Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA of het huidige kabinet nog steeds het beleid steunt zoals in de begeleidende brief bij de monitor is geschreven antwoordt u dat het kabinet «het doel van het inburgeringsstelsel, namelijk dat alle inburgeringsplichtigen snel en volwaardig meedoen in de Nederlandse maatschappij, het liefst via betaald werk» onderschrijft. De leden van de fractie van het CDA merken in dit verband op dat volgens het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) naast opleiding en taalvaardigheid ook het sociale netwerk een belangrijke rol speelt bij het vinden van een baan. Via het netwerk van hun werknemers vinden werkgevers nieuwe werknemers, maar ook worden sommige vacatures alleen via het netwerk verspreid. Voor statushouders kunnen hun contacten een ingang zijn naar potentiële werkgevers. Het creëren van een nieuw en breed sociaal netwerk is voor statushouders dus uiterst belangrijk in de zoektocht naar werk. Deze leden vragen hoe u gaat bevorderen dat statushouders contacten kunnen leggen met de «autochtone» bevolking, om zo hun kansen op werk te vergroten.
Antwoord op vraag 5
Ik vind een breed sociaal netwerk voor statushouders erg belangrijk. Dit biedt kansen op werk, het leren van de taal en deelname aan de Nederlandse samenleving. Daarom wordt er breed ingezet op buddy-systemen. Een buddy-systeem helpt een persoonlijke band op te bouwen en biedt een informele manier om elkaar beter te leren kennen. In 2024 kwamen via de ruim 300 bij de stichting «Het begint met Taal» aangesloten organisaties, kletsmaatjes en taalbuddy's op het werk duizenden mensen met elkaar in contact. Voor veel nieuwkomers is dit gesprek een eerste stap naar meer verbinding met buren, op het schoolplein of op de werkvloer.
Vorig jaar is aan de stichting «Het begint met Taal» een subsidie verstrekt voor het opzetten van een programma «Taalbuddy's op het werk». Dit jaar heb ik de subsidie verlengd. Doel van het programma is het versterken van de taalvaardigheid van statushouders (en anderstaligen) op de werkvloer door begeleiding van een hiervoor getrainde werknemer (taalbuddy). Door deze taalontmoetingen voelen statushouders sneller thuis, worden zij sneller productief en blijven zij langer bij de werkgever werken. Op dit moment zijn 314 anderstaligen (waaronder 131 statushouders) gestart bij 35 werkgevers met Taal met collega's.
Ik ben verheugd dat ook diverse gemeenten programma's organiseren waarbij vrijwilligers als buddy's optreden voor statushouders. Dit helpt hen bij het navigeren door hun nieuwe omgeving, het leren van de Nederlandse taal en de opbouw van sociale netwerken. De gemeente Den Haag heeft bijvoorbeeld het «Buddyproject» opgezet, waar vrijwilligers en statushouders samen activiteiten ondernemen, zoals sport, cultuur en andere sociale evenementen. Dit heeft als doel om de onderlinge verbinding te versterken.
Vraag 6
Verder merken de leden van de fractie van het CDA op dat voor succesvolle inburgering, draagvlak in de samenleving voor de komst van statushouders essentieel is. Onderzoek wijst volgens deze leden uit dat contact tussen groepen burgers kan worden bevorderd door middel van (langdurige en consistente) communicatie gericht op het voorkomen van «wij-zij denken». Zij vragen hoe u hiervoor in het huidige gepolariseerde klimaat handelingsperspectieven gaat creëren op landelijk, regionaal en lokaal niveau.
Antwoord op vraag 6
Inburgering draagt bij aan de integratie van nieuwkomers. Via de inburgering leren zij de Nederlandse taal en leren ze over de Nederlandse samenleving, in combinatie met gericht participeren. In de Wi2021 hebben gemeenten een regierol in de inburgering. Hierbinnen kunnen zij inburgeringsplichtigen wegwijs maken in de gemeente en ontmoetingen met andere inwoners stimuleren. Bijvoorbeeld via de maatschappelijke begeleiding en via participatieactiviteiten.
Maar de inburgering staat niet op zichzelf. Onlangs heeft mijn collega, Staatssecretaris Participatie en Integratie, de Tweede Kamer geïnformeerd over de Actieagenda Integratie en Open en Vrije samenleving.8 Hiermee zet hij in op het versterken van kennis over de Nederlandse samenleving, waaronder ook de Nederlandse waarden en normen van onze democratische rechtsstaat. Ook wordt ingezet op het bevorderen van sociale cohesie, bijvoorbeeld door dialoogsessies te organiseren, en op het versterken van burgerschap. De Actieagenda wordt de komende periode nog verder uitgewerkt.
In het geval dat er oplopende spanningen zijn kunnen gemeenten landelijk terecht bij het Ondersteuningsnetwerk Maatschappelijke Onrust (OMO) dat bestaat uit meerdere professionele netwerkpartners, waaronder de Expertise Unit Sociale Stabiliteit van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Zij ondersteunen zowel lokaal als landelijk bestuur bij het omgaan met maatschappelijke onrust en ongenoegen. Het doel is om escalatie op straat te voorkomen en ongenoegen op een constructieve manier binnen onze democratie een plaats te geven.
Vragen van de leden van de D66-fractie
Vraag 1
De leden van de fractie van D66 merken op dat in de beantwoording van de eerder gestelde vragen veelal wordt verwezen naar wat het doel van de Wi2021 is en uit welke elementen het bestaat en hoe het is ingericht. Er wordt niet aangegeven of het effectief is en het beoogde doel wordt behaald. De leden van de fractie van D66 stellen dat er meer behoefte is aan kwalitatief goed taalonderwijs in de opvang nu wachttijden langer worden. De Vroege integratie en Participatie voorzieningen lijken niet goed van de grond te komen vanwege de verre reisafstanden tussen opvang en gemeente, daarbij is in het programma Voorinburgering maar 20 uur taalles opgenomen, aldus de leden van de fractie van D66. Zij vragen welke maatregelen u gaat treffen voor een effectieve oplossing zodat er een breder en passend aanbod is.
Antwoord op vraag 1
In 2025 voer ik de tussenevaluatie van de Wi2021 uit, waaronder een onderzoek naar de voorinburgering. Zoals toegelicht in de beantwoording van vragen 2 en 3 van het CDA hierboven lopen er meerdere programma's die gezamenlijk een breed en passend aanbod bieden aan bewoners in de COA-opvang, zowel via het programma Vroege Integratie en Participatie (VrIP) als het programma voorinburgering. Daarnaast heb ik in de Wi2021 de ambitie geformuleerd dat gemeenten het formele inburgeringstraject al starten in het azc, de vroege start door gemeenten.
Statushouders die nog in een azc verblijven kunnen ook het programma voorinburgering te volgen. Deelname is niet verplicht, maar wordt wel aangemoedigd. Het programma bestaat uit lessen Nederlands als tweede taal (NT2), kennis van de Nederlandse Maatschappij-training (KNM-training) inclusief de introductiemodule Participatieverklarings-traject (introPVT) en de introductiemodule arbeidsmarkt en participatie (introMAP-training). Deelnemers krijgen 115 uur taalles van een gekwalificeerde NT2-docent.
Zoals gecommuniceerd in de uitvoeringsbrief inburgering van juni 20249, is er tijdelijk budget beschikbaar gesteld voor de reiskosten van inburge-raars die vanuit het azc met inburgering bezig zijn. Dit is bedoeld om de vroege start door gemeenten te stimuleren. Statushouders die in een azc wonen kunnen vanaf 1 juli 2025 tot en met 31 december 2026 een reiskostenvergoeding aanvragen bij de informatiebalie van het COA. Dit budget is bedoeld voor de reiskosten die een inburgeraar maakt na de vaststelling van het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) om vanuit de COA-opvang naar de taalschool en de gekoppelde gemeente te reizen. Om de vroege start te stimuleren ben ik voornemens een extra verlengingsgrond van de inburgeringstermijn te creëren als het PIP wordt opgesteld en het reguliere inburgeringstraject wordt gestart terwijl de inburgeraar nog in de COA-opvang verblijft.
Asielzoekers die nog wachten op hun status kunnen gebruik maken van het programma VrIP. Met de subsidie die ik hiervoor verstrek aan het COA wordt 24 uur NT2-taalles aan (een deel van de) asielzoekers met een kansrijke aanvraag geboden. Vanuit de subsidie VrIP worden ook de Meedoenbalies op 38 COA-locaties gefinancierd. Bij de Meedoenbalies worden bewoners van het COA, zowel kansrijke als kansarme asielzoekers en statushouders, toegeleid naar participatieactiviteiten en vrijwilligerswerk. Participeren draagt bij aan de taalverwerving en kan gezien worden als een vorm van informeel taalonderwijs.
Vraag 2
U stelt in uw brief dat gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor de monitoring van hun eigen beleid en dat de gemeente eigen voorzieningen hebben voor de inburgering. Uit de praktijk blijkt volgens de leden van de fractie van D66 dat de financiële voorzieningen voor de inburgeringstaak voor sommige gemeenten ontoereikend zijn, waardoor het monitoren een bijkomstigheid wordt omdat de wettelijke inburgeringstaak onvoldoende kan worden uitgevoerd. Kunt u aangeven hoe de gemeenten met ontoereikende financiële middelen ondersteund worden om tot een effectieve uitvoering van hun wettelijke inburgeringstaken te komen, zo informeren deze leden.
Antwoord op vraag 2
De Wi2021 is een lerend, adaptief stelsel, waarin ruimte is om te leren van de uitvoering en aanpassingen in de regelgeving tijdig en relatief snel doorgevoerd kunnen worden. In de ketensamenwerking (tussen het Ministerie van JenV, VNG, Divosa, COA, DUO, Blik op Werk, taalkoepels en andere belanghebbenden) bewaken en verbeteren we de dienstverlening aan inburgeraars, identificeren we uitvoeringsvraagstukken en werken we aan mogelijke oplossingen voor knelpunten.
Om dit goed te kunnen doen is het belangrijk de werking van de wet goed te monitoren en te evalueren. Daarom is in december 2022 samen met de ketenpartners het monitoring- en evaluatieplan (M&E-plan) opgesteld. Het M&E-plan vervult de functie om op landelijk niveau informatie te verzamelen over de werking, het doelbereik, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de wet. De onderzoeken die in het kader van het M&E-plan worden uitgevoerd, leveren inzichten en lessen op over de weten regelgeving, maar ook voor gemeenten bij de uitvoering van de wet. De uitkomsten van de eerste onderzoeken zijn in het najaar van 2024 besproken in de landelijke ketenconferentie inburgering, waaraan veel gemeenten deelnamen, en in een online bijeenkomst georganiseerd voor gemeenten door Divosa. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken kunnen gemeenten hun uitvoering verder verbeteren.
Gemeenten hebben met de Wi2021 de ruimte gekregen om de uitvoering van de wet af te stemmen op lokale wensen en contextfactoren. De evaluatie van deze lokale keuzen valt onder de gemeentelijke regie. De gemeenteraad heeft hierbij een controlerende taak.
Divosa faciliteert sinds de start van het inburgeringsstelsel het leren in de uitvoering. Een belangrijk onderdeel daarvan zijn leernetwerken zoals de Communities of Practice (CoP's). Het doel van de CoP's is het bereiken van een situatie waarin uitvoerders van verschillende organisaties, die betrokken zijn bij de directe dienstverlening aan inburgeraars, met en van elkaar leren. De afgelopen twee jaar zijn er tien regionale en twee thema CoP's doorlopend actief geweest, met een deelname van ongeveer 300 professionals uit de uitvoering. De CoP's bieden de deelnemers onder andere meer inzicht in het werk en de (nieuwe) werkwijzen van andere organisaties en kortere lijnen met partnerorganisaties. De geleerde lessen vanuit onder andere deze CoP's zijn door Divosa verspreid naar de gehele uitvoering. Divosa is inmiddels van start gegaan met het opzetten van nieuwe CoP's. Deze worden regionaal opgezet waarbij de regio zelf de te bespreken thema's kiest. Tot slot organiseert Divosa voor gemeenten en andere uitvoeringsorganisaties maandelijks online uitwisselingssessies over actuele vraagstukken met betrekking tot de uitvoering van de Wi2021.
Vraag 3
Een knelpunt in de Onderwijsroute zijn de jongeren die nu in de Z-route op een zijspoor worden gezet, terwijl ze via het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) nog een opleiding zouden kunnen volgen. Zo worden jongeren van 19 jaar oud met een beroepswens voorbereid op de Nederlandse maatschappij op A2-niveau, terwijl ze nog een mbo-opleiding kunnen volgen. De leden van de fractie van D66 vragen of het niet een betere investering in de (jonge) inburgeraar en voor de Nederlandse samenleving zou zijn als deze jongeren de vervolgopleiding kunnen volgen, waardoor zij zich verder kunnen ontwikkelen en ze een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving waar een grote behoefte is aan mbo-opgeleide mensen.
Antwoord op vraag 3:
De gemeente is de regievoerder van het inburgeringstraject. Zij bepaalt welke route het meest geschikt is voor de individuele inburgeraar. De onderwijsroute is alleen bedoeld voor inburgeraars waarvan verwacht wordt dat zij uiteindelijk kunnen instromen op een opleiding waar zij een startkwalificatie kunnen halen (mbo-niveau 2 en daaropvolgend). Het is een zeer intensieve route; de inburgeraar moet in staat zijn om in 1,5 jaar tijd minimaal B1-taalniveau te bereiken en daarnaast ook nog een bepaald niveau op Engels en rekenen te behalen. Als dit tijdens de brede intake niet haalbaar blijkt, zal de inburgeraar naar de B1-route of Z-route gaan.
Dit sluit niet uit dat een jonge inburgeraar ook regulier onderwijs kan volgen gedurende of na de inburgering. Met toestemming van de gemeente mag een inburgeraar een niet-vrijstellende opleiding, zoals entreeonderwijs volgen. De gemeente kan ook, in afstemming met een ROC in de buurt, een combinatie van entreeonderwijs en inburgering (B1-route of Z-route) aanbieden. Dit gebeurt al op verschillende plekken in het land. Aan het einde van zo'n traject heeft de jongere zowel een inburgeringsdiploma als een entreediploma, en kan eventueel doorstromen in het mbo. Gemeenten worden gestimuleerd om de samenwerking met ROC's te zoeken.
Er zijn veel mogelijkheden voor jonge inburgeraars, ook in het regulier onderwijs. Met de Wi2021 kunnen gemeenten meer maatwerk bieden aan jongeren zodat optimaal gebruik wordt gemaakt van hun ontwikkelpoten-tieel. De verschillende routes en mogelijkheden zijn het afgelopen najaar in kaart gebracht tijdens het werkatelier Jongeren & Inburgering. Dit werd georganiseerd door Divosa en deelnemers waren verschillende gemeenten en onderwijsinstellingen. Op dit moment wordt er een infographic opgesteld waarin alle mogelijkheden voor inburgerings-plichtige jongeren in beeld worden gebracht.
Eerste Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 35 483, O
11
Kamerstukken I 2024/25, 35 483, M.
Kamerstukken I 2024/25, 35 483, M, p. 7 (laatste alinea).
WODC-onderzoek «Met beleid vooruit? Wat betekent het opvang-, inburgerings- en spreidingsbeleid voor ontwikkelingen in de positie en leefsituatie van statushouders?» november 2024.
Kamerstukken I 2024/25, 35 483, L.
Kamerstukken I 2024/25, 35 483, M, p. 7 (laatste alinea).
Kamerstukken I 2024/25, 35 483, M, p. 8 (onder: beantwoording vraag 1).
Kamerstukken I, 2023/2024, 35 483, L.
Kamerstukken II, 2025/2026, 32 824, nr. 448.
Kamerstukken II, 2023/2024, 32 824, nr. 438.