Brief van de staatssecretaris van LVVN over de natuur in Nederland en de evaluatie van de natuurdoelensystematiek - Wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingswet natuur Omgevingswet) - Hoofdinhoud
Deze brief is onder nr. V toegevoegd aan wetsvoorstel 34985 - Aanvullingswet natuur Omgevingswet i.
Inhoudsopgave
Officiële titel | Wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingswet natuur Omgevingswet); Brief van de staatssecretaris van LVVN over de natuur in Nederland en de evaluatie van de natuurdoelensystematiek |
---|---|
Documentdatum | 03-04-2025 |
Publicatiedatum | 03-04-2025 |
Nummer | KST1189768 |
Kenmerk | 34985, nr. V |
Externe link | origineel bericht |
Originele document in PDF |
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Vergaderjaar 2024-2025
34 985 Wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten in verband
met de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet (Aanvullingswet natuur Omgevingswet)
V BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ,
VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 april 2025
We investeren samen in een sterke, gezonde natuur in Nederland. Van schone lucht, voedsel en drinkwater tot plekken voor rust, verwondering en plezier. De natuur houdt ons hoofd koel, onze koelkast gevuld en ons lichaam gezond. De uitdagingen op het gebied van natuur, landbouw en visserij en zijn met elkaar verbonden en kunnen niet los van elkaar worden benaderd. Daarom streven we naar een toekomstbestendige natuur waar het goed werken, wonen en recreëren is.
Daarin houden we nadrukkelijk rekening met (inter)nationale wet- en regelgeving rondom natuur, biodiversiteit, klimaat, water- en luchtkwaliteit. Om de natuur te behouden en te versterken, ligt de focus op de wettelijke vereisten van natuurherstel, waarbij de werkelijke staat van de natuur centraal staat. Er ligt nog een opgave voor ons, maar we doen ook al veel voor de natuur. Zo zien we een toename van veel beschermde soorten en habitats. Met het uitwerken van de natuurherstelverordening door middel van maatregelen en monitoring krijgen we een steeds beter beeld waar onze focus op moet liggen.
Daarnaast vormt de landbouw een belangrijk onderdeel van onze nationale identiteit en heeft grote waarde voor ons land. Overheden, natuurorganisaties en bedrijfsleven kunnen samen het verschil maken. Voor het waarborgen van economisch perspectief is het essentieel om achteruitgang van de natuur te voorkomen en in te zetten op natuurherstel, met speciale aandacht voor de specifieke nationale vraagstukken. Onze natuur is en moet landbouwinclusief blijven.
Voorafgaand aan het Commissiedebat Stikstof en Natuur van 2 april 2025 informeer ik de Tweede Kamer, mede namens de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over een aantal onderwerpen in mijn portefeuilles natuur en grote wateren, waaronder over de stand van zaken van door de Kamer aangenomen moties en aan de Kamer gedane toezeggingen. Deze brief volgt nauw op het informeren van uw Kamer over de ontwikkelingen rondom de Europese Natuurherstelverordening van 25 maart jl.
De volgende onderwerpen komen in deze brief aan bod:
-
?Beschermde natuur
-
?Voorgenomen vergunningverlening garnalenvisserij
-
?Natuurvriendelijk isoleren
-
?Agrarisch natuurbeheer
-
?Wolven
-
?Uitkomsten voortgezette VN Biodiversiteitstop COP16.2
-
?Uitheemse rivierkeeften
-
?Overige onderwerpen
Beschermde natuur
Landelijke doelen; Toezegging T03005 over bij de evaluatie van de natuurdoelensystematiek duidelijker definiëren wat de instandhoudingsdoelen, behouddoelen en uitbreidingsdoelen zijn
Het kabinet wil dat de daadwerkelijk gemeten staat van de natuur meer leidend wordt in het natuurbeleid. Daarmee wil het kabinet zich houden aan internationale afspraken. Daarom ben ik voornemens de landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen en soorten dit jaar te vernieuwen. De huidige doelen stammen uit 2006 en sluiten niet meer aan bij de actuele staat van instandhouding en recentere wetenschappelijke kennis. Hieruit blijkt dat sommige van deze doelen ook met maximale inspanning niet voor 2050 haalbaar zijn in Nederland. Bovendien zijn ze niet concreet genoeg om te voldoen aan de vereisten van de Omgevingswet en zijn er duidelijke doelen nodig om maatregelen in het nationaal herstelplan op te kunnen baseren.
De vernieuwde doelen zijn zo concreet mogelijk, getoetst op technisch-ecologische haalbaarheid in 2050 en afgebakend tot het minimum dat nodig is om te voldoen aan de Europese verplichtingen. Deze actualisatie draagt zo bij aan het beter hanteerbaar maken van Natura 2000 in Nederland, aan meer flexibiliteit voor de herijking van Natura 2000-gebieden en aan het lostrekken van vergunningen-problematiek. Dit voorjaar start ik de publieke internetconsultatie waarmee eenieder kan inspreken op de vernieuwde landelijke doelen. In het najaar van 2025 zal ik de vernieuwde doelen vaststellen. Hiermee geef ik direct invulling aan de toezegging om duidelijker te definiëren wat de landelijke doelen zijn1.
Motie van der Plas en Eppink over onderzoek naar in welke Natura 2000-gebieden onherstelbare schade is veroorzaakt door bijvoorbeeld droogte of wateroverlast. Mede naar aanleiding van de motie-Van der Plas/Eppink2 is de afgelopen jaren extra aandacht gegeven aan (mogelijke) onherstelbare verslechtering van Natura 2000-gebieden. In de rechtszaak die Greenpeace tegen de staat had aangespannen, speelde de vraag of er sprake is van een ‘point of no return' voor stikstofgevoelige habitats op de Urgente Lijst. De rechter heeft, op basis van een door de staat opgestelde analyse van de beschikbare wetenschappelijke literatuur, geoordeeld dat er weliswaar in veel natuurdoelanalyses verslechtering is geconstateerd, maar dat van onherstelbare schade door stikstofdepositie geen sprake is. In de genoemde motie wordt overwogen dat natuurschade kan worden veroorzaakt door andere factoren dan alleen stikstof, waarna de regering vervolgens is verzocht te onderzoeken in welke Natura 2000-gebieden en op welke plekken in die gebieden onherstelbare schade is veroorzaakt door bijvoorbeeld droogte of wateroverlast.
In het vervolg zal bij deze categorie duidelijk worden aangegeven dat de effecten van droogte dan wel wateroverlast zo groot zijn, dat te weinig of te veel water de leidende drukfactor is en niet stikstof (ook al kan er sprake zijn van gevoeligheid voor zowel watertekort/-overlast als stikstof).
Aan de voortouwnemers van de Natura 2000-gebieden is gevraagd na te gaan of er in de gebieden sprake is van schade die is voortgekomen uit verdroging dan wel wateroverlast/overstroming. Die schade is er inderdaad, zoals uit meerdere natuurdoelanalyses blijkt. Vervolgens is gevraagd of dat ertoe heeft geleid dat de schade onherstelbaar is op het niveau van het hele Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstelling per gebied geldt namelijk voor het gebiedsniveau, waarbij lokaal verdwijnen mag worden opgevangen door het habitat elders in het gebied te herstellen of nieuw te ontwikkelen. Volgens de voortouwnemers zijn er (vooralsnog) mogelijkheden om de schade te herstellen. Er is dus momenteel nog geen aanleiding om te denken dat er sprake is van onherstelbare schade. De vraag over het 'verminderen' of 'verplaatsen' van Nederlandse Natura 2000-gebieden, zoals in de overwegingen van de motie staat, zal betrokken worden in de herijking Natura 2000. Gezien de in het regeerprogramma genoemde herijking Natura 2000, zal die vraag wel op een later moment beantwoord moeten worden. Het ontnemen van de status van Natura 2000-gebied is mogelijk indien deze gebieden onherstelbaar zijn beschadigd, waarbij dit niet is veroorzaakt door nalatigheid van de overheid om het gebied te beschermen (aldus het Europese Hof van Justitie en verwoord in de overwegingen van de motie). Ik beschouw de motie hiermee als uitgevoerd.
Toezegging 202303022 over het behalen van natuurdoelen binnen kleinere Natura 2000-gebieden
gelegenheid gebruik om terug te komen op een toezegging (TZ door de toenmalige minister voor Natuur en Stikstof is gedaan aan het het debat over NPLG en stikstof van 23 februari 2023, namelijk om een reflectie te geven op het behalen van de
Ik maak van de
202303022) die
lid Omtzigt in gebieden. De gedachte hierachter was dat verslechtering tegen te gaan in kleinere omgeving van het nemen van noodzakelijke
natuurdoelen binnen kleinere Natura 2000-het wellicht moeilijker is om gebieden, terwijl de gevolgen voor de maatregelen groot kunnen zijn. Er is in de
afgelopen jaren veel gezegd en geschreven over het halen van de natuurdoelen, ook door de Ecologische Autoriteit. Of verslechtering meer voorkomt in kleinere gebieden dan in grotere, was echter nog niet nagegaan. Aanleiding voor de toezegging was het Wierdense Veld. Dit gebied is bijna 500 ha groot, daarom is voor deze analyse de grens tussen relatief grote en relatief kleine gebieden op 500 ha gesteld. Daarmee is overigens niet gezegd dat een gebied van 500 ha klein is, maar voor de analyse was het nodig om een onderscheid te maken dat recht zou doen aan het verzoek. De analyse kon worden uitgevoerd voor 126 van de 162 gebieden, namelijk op basis van de natuurdoelanalyses voor gebieden met stikstofgevoelige habitats en de daarin gebruikte standaard-indeling voor instandhoudingsdoelstellingen. De resultaten zijn als volgt:
Gebiedsgrootte: |
kleiner dan 500 ha |
groter dan 500 ha |
Conclusie per habitattype: |
||
verslechtering geconstateerd of niet uitgesloten |
65% |
65% |
verslechtering is uitgesloten |
35% |
35% |
Gebiedsgrootte: |
kleiner dan 500 ha |
groter dan 500 ha |
Conclusie per gebied: |
||
verslechtering geconstateerd of niet uitgesloten |
82% |
86% |
verslechtering is uitgesloten |
18% |
14% |
Het blijkt dus dat op het niveau van afzonderlijke habitattypen (en dat is waar het in de gebiedsbescherming om gaat) de percentages gelijk zijn. Op het niveau van de gebieden (minimaal één habitattype behoort tot de categorie 'verslechtering geconstateerd of niet uitgesloten') is er een klein verschil dat statistisch niet significant is.
Op basis van deze statistische analyse kan dus niet geconcludeerd worden dat er een verschil is in (kans op) verslechtering in gebieden dan 500 ha ten opzichte van gebieden groter dan 500 ha. Dat neemt niet weg dat ook versnippering een oorzaak kan zijn van verslechtering; het robuuster maken van natuur kan in voorkomende gevallen dus wel degelijk helpen. Met deze specifieke aanvulling op de natuurdoelanalyses en de beoordeling daarvan door de Ecologische Autoriteit, beschouw ik de toezegging als afgedaan.
Voorgenomen vergunningverlening garnalenvisserij
Op 17 maart jl. zijn ontwerpvergunningen voor de garnalenvisserij in diverse Natura 2000-gebieden naar buiten gebracht. Deze vergunningen zijn nog niet definitief. Gedurende zes weken kan hierop nu ingesproken worden. De voorgenomen vergunningen geven de Nederlandse en Belgische garnalenvissers tot en met 2045 toestemming om, onder strikte voorwaarden, verder te vissen. Belangrijke overwegingen hierbij: de sector heeft in haar aanvraag aangegeven 10% te reduceren in haar zogenoemde 'ecologische visuren'; dit wordt ook vastgelegd in de vergunning. Daarnaast hebben 50 Nederlandse garnalenvissers aangegeven gebruik te willen maken van de aanstaande vrijwillige saneringsregeling, waardoor de druk op de natuur naar verwachting vermindert.
Gedurende de looptijd van deze vergunning zijn drie formele herijkmomenten (om de 6 jaar) ingebouwd. Op die momenten wordt, op basis van actuele wetenschappelijke inzichten en bevindingen uit de beheerplanprocessen in de N2000 gebieden, beschouwd of en hoe er bijgestuurd moet worden. Daarmee wordt geborgd dat de vergunde garnalenvisserij ook verderop in tijd geen significant negatieve effecten heeft. Belanghebbende partijen worden daarbij betrokken en mogen daar ook formeel op inspreken.
Ook buiten deze ijkmomenten kan de vergunning waar nodig worden aangescherpt. Daarnaast kan te allen tijde beleidsmatig de afweging gemaakt worden om gerichte beheermaatregelen (zoals het instellen van een Toegangbeperkend Besluit) voor de visserij (maar ook voor andere gebruikers) te nemen. Dit kan onder meer voortkomen vanuit de aanstaande Toekomstvisie Garnalenvisserij en de nieuwe Natura 2000-beheerplannen. In het kader van de Toekomstvisie Garnalenvisserij lopen nog gesprekken met de sector en de natuurorganisaties om tot verdere afspraken te komen ten aanzien van een toekomstbestendige garnalenvisserij in Natura 2000 gebieden. Het in 2023 uitgebrachte rapport (Beoordeling van ecologische effecten van garnalenvisserij op bodem en biota) van de commissie Eijsackers over de ecologische impact van garnalenvisserij vormt hiervoor de basis. Het uitgangspunt van deze visie is dat er een meerjarig toekomstperspectief is voor de garnalenvissers binnen de draagkracht van de natuur. Het streven is om de Toekomstvisie Garnalenvisserij in het derde kwartaal naar de Tweede Kamer te sturen.
In de vergunningen worden de vissers verplicht om binnen afzienbare termijn over te stappen op een verbeterd volgsysteem (het blackbox-systeem); hiermee kan extra geborgd worden dat de visserij volgens de spelregels uitgevoerd wordt. Ook de nieuw ontwikkelde 'Visserijmonitor' (een digitaal toezichtsplatform) gaat het toezicht verder verbeteren.
Met de beoogde vergunningverlening komt een einde aan een relatief lange periode waarin deze visserij onder voorwaarden gedoogd is. Met de ontwerpvergunningen wordt ook een intensief proces afgesloten waarin de sector heeft gezocht naar een zo robuust mogelijke invulling van de nieuwe verplichte 'stikstoftoets'. De definitieve besluitvorming zal voor 1 juli a.s. afgerond worden.
Natuurvriendelijk isoleren
In de Kamerbrief van 2 oktober 20243 is door de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en mij aangekondigd dat we onderzoeken of de eDNA-methode als erkende maatregel kan worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Hiermee krijgen isolatiebedrijven de zekerheid dat ze bij gebruik van de eDNA-methode kunnen voldoen aan de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten. De wijziging van de Omgevingsregeling en de toelichting zijn op 7 maart 2025 gepubliceerd in de Staatscourant. De regeling maakt het mogelijk dat isolatiebedrijven bij het isoleren van een spouwmuur van een grondgebonden woning de eDNA-methode kunnen gebruiken om te onderzoeken of er vleermuizen aanwezig zijn in de spouwmuur. Hierover is deKamer door de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geïnformeerd bij brief van
7 maart jl. EDNA is een innovatieve methode, waarmee tevens veel informatie over beschermde vleermuizen beschikbaar komt. Bijvoorbeeld over waar ze zich bevinden.
Agrarisch natuurbeheer
Afronding Regio Deal Natuurinclusieve Landbouw Noord-Nederland
Op 31 december 2024 is de Regio Deal Natuurinclusieve Landbouw Noord-Nederland afgerond. De afgelopen vijf jaar hebben de provincies Drenthe, Groningen en Friesland en het Rijk gebiedsgericht gewerkt aan een landbouw die zowel voedsel produceert als een extra bijdrage levert aan het behalen van maatschappelijke doelstellingen. Het doel was om kennis, ervaring en instrumenten te ontwikkelen en deze ook toe te passen. De werkwijze om dat te doen in acht gebieden die wat betreft grondsoort, landbouw en cultuur verschillen, heeft verschillende aanpakken opgeleverd. Zo is een proeftuin in Noord-Nederland ontstaan. Dit heeft ook geleid tot een sterker netwerk, waarop verder gebouwd kan worden in de toekomst.
Conform de afspraken die gemaakt zijn in het kader van deze Regio Deal4 is een eindverslag opgesteld van de resultaten van de periode 2019 tot en met 2024. In meer dan 90 projecten en experimenten hebben boeren, landbouw- en natuurorganisaties, onderwijs- en kennisinstellingen, terrein beherende organisaties en overheden gewerkt aan de implementatie en doorontwikkeling van een landbouw die naast de primaire taak van voedselproductie een extra bijdrage levert aan het behalen van maatschappelijke wensen. De projecten waren divers van aard: van bodemprojecten tot bedrijfsmodellen voor melkveehouderij, van kleinschalige, praktische experimenten door boeren tot grotere gebiedsprojecten. Op de website van de Regio Deal5 zijn de eindrapportage en de resultaten van de afzonderlijke projecten beschikbaar.
Tijdens de slotbijeenkomst op 11 oktober 2024 is de oogst door de deelnemende partijen opgehaald. Ruim 150 boeren, studenten, bestuurders en vertegenwoordigers van natuurorganisaties, collectieven, onderwijs en overheid bespraken de resultaten van de Regio Deal en verkenden vervolgstappen. De bestuurders van de drie provincies lieten weten dat natuurinclusieve landbouw een blijvende plek verdient in het beleid van de provincies en dat het onderwerp op de agenda blijft staan van de noordelijke samenwerking. Het Rijk neemt de inzichten van de afgelopen jaren mee in beleidsontwikkeling en verkent hoe de resultaten breder gedeeld kunnen worden.
Motie Nijhof-Leeuw over het inzetten van boeren voor natuurbeheer in Natura-2000 gebieden
De motie Nijhof-Leeuw6 vraagt om te onderzoeken hoe boeren kunnen worden ingezet voor natuurbeheer in Natura-2000 gebieden. Het verdienvermogen van boeren heeft de volle aandacht van de minister van LVVN en mijzelf. De gedachte om boeren die dat willen in te zetten voor natuurbeheer in Natura 2000-gebieden en daarmee tegelijkertijd een bijdrage te leveren aan hun inkomen spreekt ons zeer aan. Landbouw en natuur zijn met elkaar verbonden. Veel boeren hebben hart voor natuur en het is juist rondom kwetsbare natuurgebieden van belang dat boeren goed rekening houden met en inspelen op natuur in hun omgeving. Hiervoor is vanuit de Kamer ook in het verleden al veelvuldig aandacht gevraagd.
Ik wil u daarom verwijzen naar de uitvoering van twee moties van lid Boswijk. In de reactie van mijn voorganger op de eerste motie7 wordt geschetst welke mogelijkheden er voor boeren zijn om rendabel aan natuurbeheer te doen8. Zo kunnen boeren bijdragen aan beheer van natuurterreinen als pachter, of zich organiseren in voor natuurbeheer gecertificeerde natuurcollectieven en zo tegen vergoeding natuurbeheer in natuurgebieden uitvoeren. In de beantwoording van de tweede motie9 komt aan bod welke kansen en belemmeringen boeren ervaren in het vervullen van de rol als natuurbeheerder10. Daarbij komt naar voren dat natuur- en landschapsbeheer door boeren pas succesvol is als zij ook de overstap weten te maken naar een rendabele extensieve of natuurinclusieve bedrijfsvoering. Het knelpunt zit niet in het ontbreken van instrumentarium voor natuurbeheer.
In en rond Natura-2000 gebieden is al sprake van veel samenwerken van boeren met terreinbeherende organisaties die voor beide partijen voordeel biedt. De pacht van met name natuurgraslanden onder beperkende voorwaarden is daar een voorbeeld van. Deze stelt boeren die daar belangstelling voor hebben in staat om met extra grond hun bedrijfsvoering te extensiveren en daarin zo meer ruimte te bieden aan natuur, wat goed past bij de doelstellingen voor de natuurgrond. De pachtprijs is daar gereduceerd, gerelateerd aan de opbrengst en de beheers inspanningen van de pachter. Daarbij wordt gestreefd naar langjarige samenwerking. Staatsbosbeheer sluit in dat verband bijvoorbeeld 12-jarige pachtcontracten af met natuurinclusieve boeren, waarbij het in opdracht uitvoeren van bijvoorbeeld landschapsbeheer een extra inkomenscomponent kan zijn. Bij deze beschouw ik de motie Nijhof-Leeuw als afgedaan.
Tweede openstelling van de regeling Samenwerking in veenweiden en overgangsgebieden N2000 uitgesteld naar voorjaar 2026
De eerste openstelling van de GLB-NSP regeling Samenwerking in veenweiden en overgangsgebieden N2000 was in de maanden mei en juni 2024. Voor uitrol van maatregelen in veenweidegebieden gericht op verminderen broeikasgasemissies uit veengrond zijn 13 aanvragen van samenwerkingsverbanden gehonoreerd (ruim 7.000 hectare van ruim 180 agrarische bedrijven). Voor stimuleren extensivering van melkveehouderijbedrijven in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden vanwege reductie van ammoniakemissies zijn 26 aanvragen gehonoreerd (ruim 17.000 hectare van bijna 170 melkveehouderijbedrijven).
Het is een nieuwe en complexe regeling. Het is de eerste keer dat er sprake is van een verwevenheid tussen grond- en diergebonden beleid- en uitvoeringsterreinen. Voor de tweede openstelling van bovenstaande categorieën is het noodzakelijk dat de ICT beter past bij de huidige grondgebonden en diergebonden systemen bij RVO, zodat de uitvoering eenvoudiger kan worden. Dat lukt helaas niet voor het voorjaar van 2025. De regeling was overschreven, waardoor het ophogen van het openstellingsbudget en het toekennen van de aanvragen meer tijd heeft gekost en een openstelling voorjaar 2025 niet meer lukt. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft daarom besloten om deze openstelling uit te stellen tot voorjaar 2026.
Wolven
Voortgang landelijke aanpak wolven
Op 17 december heb ik met uw Kamer de Landelijke Aanpak Wolven11 gedeeld. In deze landelijke aanpak hebben Rijk en provincies gezamenlijk veertien activiteiten geformuleerd om de urgente situatie met betrekking tot de wolven in Nederland het hoofd te bieden en de toenemende maatschappelijke onrust terug te dringen. De landelijke aanpak heeft tot doel om wolvenaanvallen op mensen, huisdieren en vee beter te voorkomen en om in die gevallen dat desondanks toch aanvallen plaatsvinden, effectief te kunnen optreden. De aanpak heeft ook tot doel om toe te werken naar kaders die passend zijn voor Nederland als klein en dichtbevolkt land.
De afgelopen periode heb ik de activiteiten uit de aanpak samen met provincies nader uitgewerkt. Met de gedeputeerden van provincies heb ik overeenstemming bereikt over de invulling en onderlinge rolverdeling voor de gezamenlijke onderdelen van de Landelijke Aanpak.
Ook hebben
we overeenstemming over financiering. Provincies hebben al lange tijd een financiële) inzet op het dossier wolf. Met de Landelijke Aanpak Wolven
intensieve vergroten we de inzet op het hele dossier en versterken we de gezamenlijke betrokkenheid. Mijn inzet is steeds geweest dat Rijk en provincies ieder de helft zouden bijdragen aan het dossier wolf: 50-50. We zijn immers gezamenlijk verantwoordelijk. De provincies hebben mij inzicht gegeven in wat zij financieel bijdragen aan het dossier wolf vanuit de provinciale bevoegdheid. Ik ben bereid daar de andere 50% bij te leggen in de vorm van
het financieren van de kosten van de LAW. het vrijkomen van de middelen voor deze voorjaarsbesluitvorming. Ik zet me er Rijk vrijgemaakt worden.
Ik moet nog wel een voorbehoud maken omdat
50% van rijkszijde nog onderwerp is van de
volop voor in dat deze middelen vanuit het
Tegelijkertijd heb ik een groot deel van de activiteiten, waar mijn ministerie trekker voor is, al in gang gezet en de eerste resultaten zijn behaald.
Op vrijdag 7 maart is de beschermde status van de wolf officieel verlaagd onder het verdrag van Bern. Daar heb ik mij actief voor ingezet en ik ben blij dat mijn acties resultaat hebben gehad. Daarnaast is de Europese Commissie ook direct met een soortgelijk voorstel gekomen voor het verlagen van de beschermde status onder de Europese Habitatrichtlijn. Hier heb ik Uw Kamer op 7 maart over geïnformeerd12. Ik hoop op de korte termijn de eerste gesprekken over het voorstel te kunnen voeren met mijn Europese collega's. Tevens bereid ik de benodigde aanpassing van de nationale regelgeving voor, zodat Nederland op termijn meer kan doen om incidenten met wolven te voorkomen. Daarnaast blijf ik in gesprek met de Europese Commissie pleiten voor
mogelijkheden tot maatwerk in de omgang met wolven in Nederland.
In mijn Kamerbrief over de Landelijke Aanpak Wolven heb ik reeds mijn eerste gedachten over de definities van een probleemwolf en probleemsituatie gedeeld. Op
dit moment ben ik met provincies in gesprek over deze definitie en hoe we deze
willen vastleggen. Om deze definities te kunnen gebruiken zijn deskundigen nodig die provincies snel van onafhankelijk advies kunnen voorzien bij acute situaties. Hiervoor willen we een Landelijk Deskundigenteam Wolf opzetten. Er wordt op dit moment ook hard gewerkt aan het bepalen van de Staat van Instandhouding van wolven om inzicht te creëren in hoe het gaat met wolven in Nederland. Deze informatie geeft ook meer duidelijkheid ten aanzien van de ruimte voor maatregelen tegen wolven die incidenten veroorzaken. Hier verwacht ik voor de zomer meer over te kunnen delen met uw Kamer.
Uitkomsten voortgezette VN Biodiversiteittop COP16.2
Tussen 25-27 februari vond de voorgezette 16e Conferentie van Partijen van het VN-Biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity, CBD COP16) plaats in Rome bij de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) om de nog openstaande agendapunten af te ronden. De COP kon in oktober 2024 in Cali, Colombia door gebrek aan tijd en overeenstemming niet worden afgerond. De uitkomsten van de eerdere COP in Cali zijn reeds met de Kamer gedeeld13. Deze keer hebben landen wel overeenstemming gevonden. Dit acht het kabinet als een positief signaal, ook in de context van huidige geopolitieke spanningen. Het kabinet onderstreept het belang dat landen met elkaar om tafel blijven om gezamenlijk tot oplossingen te komen voor de uitdagingen van deze tijd. Het kabinet is tevreden over de uitkomsten van deze top, waarbij belangrijke afspraken zijn gemaakt over monitoring en rapportage en waarbij een uitkomst is gevonden op gebied van financiering, zonder daarbij een fonds op te richten of nieuwe verplichtingen aan te gaan. Nederland was op deze top ambtelijk vertegenwoordigd.
De top in Rome stond voornamelijk in het teken van financiering voor biodiversiteit. Een uitkomst is dat er een routekaart is afgesproken om op COP18, die naar verwachting in 2028 plaatsvindt, het permanente financiële mechanisme van het VN-Biodiversiteitsverdrag aan te wijzen. Het Global Environment Facility (GEF) fungeert momenteel naar de letter van het verdrag als interim mechanisme, waarbij het in 2022 opgezette Global Biodiversity Framework Fund tot 2030 de implementatie van het GBF ondersteunt. In Rome is conform Nederlandse inzet geen nieuw fonds opgezet en er zijn geen nieuwe financieringsdoelen gesteld.
Een ander resultaat is de vaststelling van een hernieuwde strategie om aan bestaande financiële doelen uit het mondiale biodiversiteitraamwerk 'Global Biodiversity Framework' (GBF) van COP15 uit 2022 opvolging en invulling te geven. Deze strategie bevat opties om financiering te mobiliseren uit zowel publieke alsook uit private bronnen. Het is aan landen en andere actoren zelf om te bepalen welke elementen bruikbaar zijn om op te pakken. Relevante acties voor Nederland komen terug in het Nationale Biodiversiteit Strategie en Actieplan (NBSAP), dat op 25 maart met uw Kamer is gedeeld.
Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over het versterken van de monitoring en rapportage van de voortgang bij de implementatie van het GBF. Er is overeenstemming bereikt over een set indicatoren die door alle partijen zal worden gebruikt om de voortgang te meten, wat zorgt voor een uniforme en transparante evaluatie op zowel nationaal als mondiaal niveau. Deze verbeterde monitoring is belangrijk voor het behalen van de doelen van het GBF. In 2026 zal tijdens COP17 in Armenië de eerste mondiale evaluatie, ofwel 'Global Review', plaatsvinden, waar wordt bezien of de doelen van het GBF voor 2030 binnen bereik zijn.
Uitheemse rivierkreeften
Uitheemse rivierkreeften komen in sommige gebieden in grote getale voor en vormen een bedreiging voor onder andere biodiversiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. Dat vind ik zorgelijk. Binnen het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften1 (OBUR) werken de betrokken overheden en stakeholders samen aan de beheersing van uitheemse rivierkreeften.
Binnen het OBUR hebben het ministerie van LVVN, het ministerie van IenW, de Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg een juridische rapportage2 laten opstellen over de verantwoordelijkheden voor het nemen van beheersmaatregelen. Hierin staat beschreven dat de negatieve effecten van uitheemse rivierkreeften doelstellingen van verschillende regelgeving raken, waaronder in ieder geval de Vogel- en Habitatrichtlijnen, Natuurherstelverordening, Exotenverordening, Visserijwet, Kaderrichtlijn Water en regelgeving voor het regionale waterbeheer. Voor deze regelgeving zijn verschillende overheden eerstverantwoordelijk.
De Europese Exotenverordening is opgesteld ter bescherming van de biodiversiteit. Ik ben op grond van de Exotenverordening eerstverantwoordelijk voor beheersmaatregelen tegen uitheemse rivierkreeften. Echter, de Exotenverordening biedt lidstaten een grondslag voor prioriteren op basis van een kosten-batenafweging bij het treffen van beheersmaatregelen tegen wijdverspreide invasieve exoten, zoals uitheemse rivierkreeften. Ik geef bij de aanpak van alle invasieve exoten, dus ook van uitheemse rivierkreeften, prioriteit aan maatregelen die bijdragen aan de biodiversiteitsdoelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen en de Natuurherstelverordening. In de praktijk worden die maatregelen vooral in beschermde natuurgebieden genomen. Ik span me in om middelen vrij te maken middels de voorjaarsnotabesluitvorming 2025, gericht op biodiversiteit en beschermde natuurgebieden. De inzet is gebaseerd op wat in het Ambitiedocument Invasieve Exoten van de gezamenlijke provincies is opgenomen ten aanzien van uitheemse rivierkreeften. Dit betekent dat mijn inzet zich niet richt op rijkswateren en regionale wateren en de uitheemse rivierkreeften die daar voorkomen.
De waterschappen hebben aangegeven dat zij, wanneer zij zich richten op de bestrijding van uitheemse rivierkreeften in regionale wateren, beperkingen ervaren met betrekking tot te gebruiken vangtuigen en toegang tot wateren. Daarom onderzoek ik met het ministerie van IenW, de Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg onder meer de mogelijkheden voor overheden om aangepaste, selectieve beroepsvangtuigen te gebruiken en wat de problemen zijn die waterschappen zeggen te ervaren met visrecht en eigendomsrecht.
Overige onderwerpen
Appreciatie RDA-zienswijze 'Op gespannen poot'
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) heeft zich op verzoek van het ministerie van LVVN gebogen over de vraag hoe kan worden omgegaan met de verantwoordelijkheden voor het welzijn en de gezondheid van gehouden dieren enerzijds en het welzijn, de gezondheid en het belang van dieren in de natuur én de natuur als geheel anderzijds. Ganzen worden bijvoorbeeld beschermd. Verschillende soorten ganzen verblijven op grote schaal op de Nederlandse graslanden en eten daarbij het gras dat bestemd is voor het vee. De directe schade als gevolg van ganzen is de afgelopen jaren flink toegenomen. Concurrentie om gras raakt de gehouden dieren doordat er een minder lange weidegang mogelijk is.
In de zienswijze Op gespannen poot14 concludeert de RDA dat voor iedere situatie maatwerk nodig is, net als een brede blik op het vraagstuk en heldere besluitvorming. De RDA heeft hiertoe handvatten opgesteld waarmee bij besluitvorming een degelijke afweging kan worden gemaakt tussen belangen van gehouden dieren en wilde dieren.
Ik waardeer de zienswijze van de RDA en deel de mening dat besluitvorming is gebaat bij een tijdige, zorgvuldige en gestructureerde afweging van belangen en een inzichtelijke, op de situatie toegesneden werkwijze. Per geval moet een afweging worden gemaakt. Het is noodzakelijk, voordat een besluit wordt genomen over al dan niet ingrijpen in een situatie en de manier waarop, om de directe en indirecte gevolgen inzichtelijk te maken en af te wegen. Ik onderken dat er geregeld sprake is van tegenstrijdige belangen van gehouden dieren en niet-gehouden dieren. De zienswijze van de RDA zie ik als een goede ondersteuning bij de verdere beleidsvorming.
Beëindiging Programma IPM Knaagdie rbeheersing en voortzetting met de focus op overlastgevende soorten
Sinds juli 2021 liep het programma Integrated Pest Management (IPM)-knaagdierbeheersing. Het doel van het programma was om gezondheidsproblemen, economische schade en andere overlast door ratten en muizen te voorkomen én daarbij rekening te houden met dierenwelzijn en milieu, nu en in de toekomst. Centraal daarbij stond de IPM-aanpak om een verschuiving te bewerkstelligen van chemisch bestrijden naar allereerst preventie en vervolgens niet-chemische bestrijding om het gebruik van biociden zoveel mogelijk te beperken bij het beheersen van overlastgevende diersoorten. Er waren vier ministeries betrokken bij het programma: Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Met representanten vanuit de diverse koepels, universiteiten, kennisinstellingen en ministeries werd in zes werkgroepen ingezet op diverse thema's en zijn stappen gezet op het terrein van opleiding (certificering), voorlichting, monitoring en verkenning van niet-chemische bestrijdingsmethoden15.
Het programma is eind 2024 afgelopen, en uit de evaluatie door KWINK Groep16 komt het beeld naar voren dat knaagdierbeheersers IPM breed hebben opgepakt en dat IPM bij deze groep inmiddels goed bekend is. Tegelijkertijd is er ook nog werk aan de winkel voor verder draagvlak voor IPM en om te zorgen dat de IPM-werkwijze in de praktijk ook steeds wordt toegepast.
Vanaf 2025 willen de vier betrokken departementen hun inzet verbreden naar nieuwe overlastgevende soorten, zowel dieren als planten. Hiervoor wordt er een coördinatiestructuur opgezet vanuit de vier ministeries. De inzet op IPM-knaagdieren wordt binnen die structuur voortgezet. In de nieuwe coördinatiestructuur kunnen signalen over nieuwe potentiële overlastgevende soorten die een aanpak op rijksniveau vragen actief worden opgepakt door de vier betrokken ministeries door middel van bijvoorbeeld aanvullend beleid of onderzoek.
Toezegging 'Verbind Klimaat en Biodiversiteit'
De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft tijdens het Commissiedebat Landbouw, Klimaat en Voedsel op 6 maart een toezegging gedaan om reactie te geven op het rapport 'Verbind Klimaat en Biodiversiteit' van de universiteit Leiden, de TU Delft en de Erasmus University Rotterdam (TZ202503-016). Het rapport van de universiteiten is een oproep tot actie voor zowel beleidsmakers als wetenschappers. Het rapport benadrukt de onderlinge relatie tussen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies en maakt duidelijk dat klimaat- en biodiversiteitsmaatregelen elkaar kunnen versterken. Het kabinet integreert deze oproep in zowel haar nationale als internationale beleid, bijvoorbeeld in de uitvoering van het klimaatakkoord, het klimaatplan en de internationale klimaatstrategie, alsook in haar inzet ten aanzien van internationale verdragen. Op het raakvlak van klimaatmitigatie en biodiversiteitsdoelen zijn onder andere de Bossenstrategie, en het Programma Veenweide van belang, vanwege hun expliciete doelstellingen om beide vraagstukken aan te pakken. In het Klimaatplan is er aandacht voor de samenhang tussen opgaven; waar dat van meerwaarde is streeft het kabinet ernaar om vanuit mitigatiebeleid in te zetten op synergiën en koppelkansen met natuurherstel. Zo moet er actief gezocht worden naar natuurinclusieve oplossingen (Nature Based Solutions). Met betrekking tot koolstofverwijderingsbeleid zal Nederland zich in Europa en wereldwijd inzetten voor robuuste, natuurinclusieve kaders zodat koolstofverwijdering biodiversiteitsherstel niet in de weg zit. Tevens werkt het kabinet, via de Nationale Adaptatiestrategie aan het bevorderen van een veerkrachtige en klimaatbestendige natuur, en aan het inzetten van natuur voor klimaatadaptatie. Hiermee beschouw ik de toezegging van de minister als afgedaan. Uitvoering motie-Boswijk - Wildtellingenproject
De motie Boswijk c.s.17 verzoekt de regering om samen met de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, de Zoogdierenvereniging en andere relevante maatschappelijke organisaties gezamenlijk tot een wetenschappelijk gedragen wildsoortentelprotocol te komen. Ter uitvoering van deze motie heeft de Hogeschool van Hall Larenstein de opdracht gekregen om samen met betrokken partijen te komen tot een wetenschappelijk gedragen wildsoortentelprotocol en analyse- en beoordelingssystematiek. Daarbij vind ik het belangrijk dat alle partijen vertrouwen hebben in de telsystematiek en dat de tellingen door het CBS gevalideerd kunnen worden.
Het afgelopen jaar is er onder leiding van Hogeschool van Hall Larenstein gewerkt aan het verbeteren van het telprotocol, het scheppen van draagvlak, het verifiëren van de telgegevens van de wildbeheereenheden (WBE's) en het bepalen van (mogelijke) vervolgstappen. Het CBS heeft de tellingen van de WBE's geëvalueerd en verbeteringen voor het telprotocol voorgesteld18. Uit de evaluatie blijkt dat voor een aantal provincies de beschikbare data voor de haas (Gelderland, Friesland, Noord-Brabant, Zeeland, Noord-Holland, Overijssel, Limburg) en konijn (zelfde provincies als bij haas, behalve Friesland) perspectief biedt voor het vaststellen van provinciale trends. Echter, de trends die zijn vastgesteld in het kader van deze evaluatie, zijn nog geen vastgestelde officiële trends maar een rekenproef. Om dit wel mogelijk te maken heeft Hogeschool van Hall Larenstein een aantal vervolgstappen voorgesteld (zie bijlage).
Om officiële trends door het CBS te laten maken is het allereerst gewenst om de representativiteit van de huidige tellingen te duiden, waarbij gekeken wordt of de tellingen zijn uitgevoerd in (voldoende) leefgebieden die statistisch en ecologisch representatief zijn voor de soort. De duiding van de representativiteit van de tellingen zou vervolgens kunnen worden uitgevoerd door een commissie van experts, die kan worden samengesteld vanuit het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en de Jagersvereniging. Ten slotte kunnen de trends door het CBS worden samengevoegd tot één landelijke trend en opgenomen worden in de onlangs opengestelde Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
Tellingen vormen, samen met gegevens over faunaschade en afschotgegevens, de basis voor het opstellen van faunabeerplannen, faunabeleid en besluitvorming daaromtrent. Het is daarom belangrijk dat die gegevens volledig zijn en op betrouwbare en verifieerbare wijze tot stand komen. Ik ben daarom voornemens om, in samenspraak met alle betrokken partijen, de door Van Hall Larenstein geadviseerde vervolgstappen nog dit jaar zoveel mogelijk uit te voeren. Ik zal uw Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2026 verder informeren.
Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Biodiversiteit
In september 2023 heeft mijn voorganger uw Kamer het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Biodiversiteit toegestuurd19. Op 3 december 2024 heb ik u per Kamerbrief20 gemeld dat er een kabinetsreactie zal worden opgesteld. Omdat dit niet meer aansluit bij het huidige kabinetsbeleid heb ik besloten hier vanaf te zien.
Stelselwijziging Faunabeheer (inclusief jacht)
Zoals in de verzamelbrief Natuur van 29 november 202421 aangekondigd zal ik u voor het zomerreces informeren over de door mijn voorganger aangekondigde stelselwijziging voor het jacht en faunabeheer. Vanuit het ministerie van LVVN zijn wij in nauw overleg met medeoverheden en stakeholders (waaronder faunabeheereenheden, terrein beherende organisaties, boeren, jagers, en natuur- en dierenbeschermingsorganisaties). Samen werken we hierbij toe naar een voorstel op hoofdlijnen voor een langdurig houdbare stelselwijziging voor jacht en faunabeheer.
Jean Rummenie
Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
12
Toezegging Bij de evaluatie van de natuurdoelensystematiek duidelijker definiëren wat de instandhoudingsdoelen, behouddoelen en uitbreidingsdoelen zijn (34.985) (T03005) - Eerste Kamer der Staten-Generaal
Kamerstuk II 2024/2025, 32 847, nr. 1205
www.regiodealnatuurinclusievelandbouw.nl
Zienswijze 'Op gespannen poot' | Zienswijze | Raad voor Dierenaangelegenheden
Rapporten en publicaties knaagdierbeheersing | Biociden
Evaluatie programma IPM-Knaagdierbeheersing | Rapport | Rijksoverheid.nl
https://download.cbs.nl/maatwerk/Evaluatie%20KNJV%20wildvoorjaarstellingen%202013-2024.pdf