Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten - Hoofdinhoud
Inhoudsopgave
Documentdatum | 14-03-2025 |
---|---|
Publicatiedatum | 14-03-2025 |
Kenmerk | Stb. 2025, 63 |
Externe link | origineel bericht |
Originele document in PDF |
Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje- Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing te versterken, meer ruimte te geven aan waterschappen om beter in te spelen op klimaatadaptatie, de energietransitie en de circulaire economie, en enkele knelpunten in de waterschapsheffingen op te lossen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Waterschapswet wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 1, tweede lid, eerste volzin, komt te luiden:
De taken die tot dat doel aan waterschappen zijn of worden opgedragen betreffen de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van stedelijk afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet en de zorg voor het zuiveren van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer dat wordt beheerd door of namens het waterschap.
In artikel 12, tweede lid, onderdelen b en c, wordt «artikel 116, onder c» vervangen door «artikel 116».
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);
degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een lid van dat huishouden, dat wordt aangewezen door de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap;
ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare;
− onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen:
onroerende zaken als bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet;
totale energetische waarde van de verbruikte primaire energiedragers, waarbij de energetische waarde van de secundaire energiedragers elektriciteit en warmte wordt teruggerekend naar de stookwaarde van de primaire energiedragers;
ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven.
Aan artikel 117 worden twee leden toegevoegd, luidende:
-
-
-
Voorts kan de opbrengst van de watersysteemheffing tevens worden besteed aan de bekostiging van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de uitstoot van broeikasgassen, die vrijkomen als gevolg van de zorg voor het watersysteem en die in redelijkheid niet te vermijden zijn. De hoeveelheid op te wekken hernieuwbare energie mag niet hoger zijn dan tweemaal het primaire energiegebruik van het betreffende waterschap benodigd voor de zorg voor het watersysteem.
-
Artikel 118 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 119 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 120 wordt als volgt gewijzigd:
-
-
Artikel 121 wordt als volgt gewijzigd:
-
-
-
ter zake van gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d: de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het kalenderjaar, waarbij het tarief wordt gesteld op een percentage van de waarde dat voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen verschilt.
-
-
-
-
Bij het bepalen van het tarief voor gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d, is de verhouding tussen het percentage van de waarde van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en het percentage van de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen gelijk aan de verhouding tussen de waardeontwikkeling van onroerende zaken gelegen in het waterschap die in hoofdzaak tot woning dienen en de waardeontwikkeling van onroerende zaken in het waterschap die niet in hoofdzaak tot woning dienen ten opzichte van de waarde twee jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van dit lid.
-
Artikel 122 wordt als volgt gewijzigd:
-
-
-
-
-
De heffing bedoeld in het derde lid, onderdeel c, kan voor de betrokken ongebouwde onroerende zaken op een verschillend of een gelijk percentage worden vastgesteld. Bij het vaststellen van een verschillend percentage kan het belang van de ongebouwde onroerende zaak bij het wateraanvoerproject vanwege onder meer de ligging en de bestemming in aanmerking worden genomen.
-
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
stedelijk afvalwater als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
brengen van stoffen op een riolering of op een systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer dat wordt beheerd door of namens het waterschap;
naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering;
drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 116;
geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;
primair energiegebruik als bedoeld in artikel 116;
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet;
woonruimte als bedoeld in artikel 116;
werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering.
Artikel 122d wordt als volgt gewijzigd:
-
-
-
aan de bekostiging van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de uitstoot van broeikasgassen, die vrijkomen als gevolg van het zuiveren van afvalwater en die in redelijkheid niet te vermijden zijn. De hoeveelheid op te wekken hernieuwbare energie mag niet hoger zijn dan driemaal het primaire energiegebruik van het betreffende waterschap benodigd voor het zuiveren van afvalwater.
-
Artikel 122f, tweede en derde lid, komen te luiden:
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Op aanvraag van de heffingplichtige staat de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, onder nader te stellen voorwaarden toe dat van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in het eerste lid, wordt afgeweken indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. Dit besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-
-
-
-
De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid organische koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid stikstof verminderd met de nitriet-stikstof en de nitraat- stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen.
-
-
-
-
In afwijking van het derde lid, tweede volzin, wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen vastgesteld op lager dan drie onderscheidenlijk hoger dan drie, indien de heffingplichtige op zijn kosten onderscheidenlijk de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, op kosten van het waterschap overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen nadere regels doet blijken dat deze verhouding lager is dan tweeënhalf onderscheidenlijk hoger is dan drieënhalf. Indien blijkt dat die verhouding lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen gedeeld door tweeënhalf onderscheidenlijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie.
-
-
-
-
Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels.
-
Artikel 122k, eerste lid, komt te luiden:
-
-
-
Indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 122g vastgesteld volgens de formule: A x B, waarbij,
A = het aantal m3 in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;
B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht van de in het derde lid opgenomen tabel of indien de heffingplichtige of de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap doet blijken dat een andere klasse dan acht van toepassing is, de afvalwatercoëfficiënt behorende bij een andere klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.
-
Artikel 126 wordt als volgt gewijzigd:
-
-
-
Op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, doet de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.
-
In artikel 128a, onderdeel b, wordt «artikel 122c, onderdeel c,» vervangen door «artikel 122c».
Na artikel 164 worden in Hoofdstuk XXII, Titel VI, twee artikelen ingevoegd, luidende:
-
-
-
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 122, vijfde lid, in de praktijk.
-
-
-
-
2.Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen tien jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 117, derde lid, en 122d, vijfde lid, onderdeel d, in de praktijk.
-
-
-
-
Het bij of krachtens artikel 122k bepaalde, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) blijft gedurende ten hoogste tien jaar van toepassing op de heffingplichtige voor wie de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water is bepaald aan de hand van artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan voornoemd tijdstip, voor zover deze vervuilingswaarde per m3 ingenomen water niet behoorde binnen de klassegrens die leidt tot een afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht.
-
-
-
-
2.Voor de in het eerste lid bedoelde heffingplichtige stelt de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, binnen tien jaar na het in het eerste lid bedoelde tijdstip een individuele afvalwatercoëfficiënt vast. Na deze vaststelling is op de desbetreffende heffingplichtige dit artikel niet meer van toepassing.
-
-
-
-
3.Dit artikel is tevens niet langer van toepassing indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van ten hoogste tien jaar de in het tweede lid bedoelde vaststelling van de afvalwatercoëfficiënt nog niet heeft plaatsgevonden en door verandering in de bedrijfsomstandigheden vaststelling van een nieuwe afvalwatercoëfficiënt nodig is.
-
ARTIKEL II
De Waterwet wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 7.1 wordt in de begripsomschrijving van ingezetene «artikel 116, onder a,» vervangen door «artikel 116».
Artikel 7.5 wordt als volgt gewijzigd:
-
-
-
De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden geloosd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid organische koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid stikstof verminderd met de nitriet-stikstof en de nitraat-stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen.
-
-
-
-
In afwijking van het derde lid, tweede volzin, wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de geloosde stoffen vastgesteld op lager dan drie onderscheidenlijk hoger dan drie, indien de heffingplichtige op zijn kosten onderscheidenlijk de heffingsambtenaar op kosten van de beheerder overeenkomstig bij ministeriële regeling onderscheidenlijk belastingverordening te stellen nadere regels doet blijken dat deze verhouding lager is dan tweeënhalf onderscheidenlijk hoger is dan drieënhalf. Indien blijkt dat die verhouding lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de geloosde stoffen gedeeld door tweeënhalf onderscheidenlijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie.
-
ARTIKEL III
In artikel 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht komt de zinsnede met betrekking tot de Waterschapswet te luiden:
ARTIKEL IV
Ten aanzien van belastingen die betrekking hebben op belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en op belastbare feiten die zich voor dat tijdstip hebben voorgedaan, blijven hoofdstuk XVII en XVIIb van de Waterschapswet en artikel 7.5 van de Waterwet van toepassing zoals deze luidden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I onderscheidenlijk artikel II van deze wet.
ARTIKEL V
Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt onderscheidenlijk is ingesteld, blijft het recht zoals dat gold op dat tijdstip van toepassing.
ARTIKEL VI
Ten aanzien van een bezwaar dat voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gemaakt, blijft wat betreft de wettelijke termijnen het recht gelden zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaande aan dat tijdstip.
ARTIKEL VII
Indien de wet van 12 februari 2020 tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet; Stb. 2020, 172) in werking is getreden of treedt, en:
-
a.Artikel 2.25, onderdeel A, van die wet eerder in werking treedt of is getreden dan artikel I, onderdeel A, van deze wet, komt artikel I, onderdeel A, van deze wet te luiden:
A
Artikel 1, tweede lid, eerste volzin, komt te luiden:
De taken die tot dat doel aan waterschappen zijn of worden opgedragen betreffen het beheer van watersystemen, de zuivering van stedelijk afvalwater op de voet van artikel 2.17 van de Omgevingswet en de zuivering van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap.
-
b.artikel 2.25, onderdeel A, van die wet eerder in werking treedt of is getreden dan artikel I, onderdeel D, van deze wet, wordt in artikel I, onderdeel D, van deze wet «de zorg voor het watersysteem» vervangen door «het beheer van watersystemen».
-
c.artikel 2.25, onderdeel A, van die wet eerder in werking treedt of is getreden dan artikel I, onderdeel K, van deze wet, wordt in artikel I, onderdeel K, van deze wet in onderdeel 1, onder d, «het zuiveren van afvalwater» vervangen door «de zuivering van afvalwater» en in onderdeel 2, onder 6, «het zuiveren van» door «de zuivering van».
-
d.artikel 2.25, onderdeel E, van die wet eerder in werking treedt of is getreden dan artikel I, onderdeel J, van deze wet, wordt artikel I, onderdeel J, van deze wet als volgt gewijzigd:
-
1.In de begripsomschrijving van afvalwater wordt «artikel 1.1 van de Wet milieubeheer» vervangen door «de Omgevingswet».
-
2.In de begripsbepaling van afvoeren wordt «riolering of op een systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer» vervangen door «openbaar vuilwaterriool of op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet».
-
3.In de begripsbepalingen van bedrijfsruimte en zuiveringtechnisch werk wordt «riolering» vervangen door «openbaar vuilwaterriool».
-
4.De begripsbepaling van riolering vervalt.
-
5.In de alfabetische rangschikking wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende: openbaar vuilwaterriool: openbaar vuilwaterriool als bedoeld in de Omgevingswet;
-
e.artikel 2.25, onderdeel E, van die wet eerder in werking treedt of is getreden dan artikel I, onderdeel K, van deze wet, wordt in artikel I, onderdeel K, van deze wet in onderdeel 1, onder c, «een riolering» vervangen door «een openbaar vuilwaterriool».
-
f.artikel 2.25, onderdeel A, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel A, van deze wet, komt artikel 2.25, onderdeel A, onder 1, van die wet te luiden:
-
1.In het tweede lid wordt «de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van stedelijk afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet» vervangen door «het beheer van watersystemen, de zuivering van stedelijk afvalwater op de voet van artikel 2.17 van de Omgevingswet» en wordt «als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer» vervangen door «als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet».
-
g.artikel 2.25, onderdeel C, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel D, van deze wet, wordt in artikel 2.25, onderdeel C, van die wet «artikel 117, eerste lid, aanhef,» vervangen door «artikel 117, eerste lid, aanhef, en derde lid,».
-
h.artikel 2.25, onderdeel E, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel J, van deze wet, komt artikel 2.25, onderdeel E, van die wet te luiden:
E
Artikel 122c wordt als volgt gewijzigd:
-
1.In de begripsomschrijving van afvalwater wordt «artikel 1.1 van de Wet milieubeheer» vervangen door «de Omgevingswet».
-
2.In de begripsomschrijving van afvoeren wordt «riolering of op systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer» vervangen door «openbaar vuilwaterriool of op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet».
-
3.In de begripsomschrijvingen van bedrijfsruimte en zuiveringtechnisch werk wordt «riolering» vervangen door «openbaar vuilwaterriool».
-
4.De begripsbepaling van riolering vervalt.
-
5.In de alfabetische rangschikking wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:
openbaar vuilwaterriool:
openbaar vuilwaterriool als bedoeld in de Omgevingswet;
-
i.artikel 2.25, onderdeel F, van die wet later in werking treedt dan artikel I, onderdeel K, van deze wet, komt artikel 2.25, onderdeel F, van die wet te luiden:
F
Artikel 122d wordt als volgt gewijzigd:
-
1.In het vierde lid wordt «een riolering» vervangen door «een openbaar vuilwaterriool», wordt «die riolering» vervangen door «dat openbaar vuilwaterriool» en wordt «de riolering» vervangen door «het openbaar vuilwaterriool».
-
2.In het vijfde lid, onderdeel c, wordt «een riolering» vervangen door «een openbaar vuilwaterriool».
-
3.In het vijfde lid, onderdeel d, wordt «het zuiveren van afvalwater» vervangen door «de zuivering van afvalwater».
-
4.In het zesde lid wordt «het zuiveren van andere afvalwater» vervangen door «de zuivering van ander afvalwater».
ARTIKEL VIII
Indien de wet van 12 februari 2020 tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet; Stb. 2020, 172) en artikel 2.2, onderdeel B, onder 2, onder d, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel III van deze wet, komt in artikel III van deze wet «dan wel de Ontgrondingenwet» te vervallen.
ARTIKEL IX
Indien artikel VIII, onderdeel A, van de wet van 14 oktober 2015 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten in verband met een regeling voor het elektronische berichtenverkeer (Wet elektronisch berichtenverkeer belastingdienst; Stb. 2015, 378) later in werking treedt dan artikel I, onderdeel O, van deze wet wordt in artikel VIII, onderdeel A, van die wet «artikel 126» vervangen door «artikel 126, eerste lid,».
ARTIKEL X
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot
Gegeven te ’s-Gravenhage, 10 februari 2025
Willem-Alexander
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, B. Madlener
Uitgegeven de veertiende maart 2025
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
XHistnoot histnoot
Kamerstuk 36 412